We hebben 235 gasten online

Deel 3 Cevriye Altun moord 6 april 2007 Tilburg

Gepost in Strafzaken

Hoge Raad vernietigt vrijspraak van moord op echtgenote

Den Haag , 10-1-2012

De Hoge Raad heeft op 10 januari een uitspraak vernietigd van het gerechtshof in Den Bosch in een Tilburgse moordzaak. Het hof sprak de verdachte in 2010 vrij van moord op zijn echtgenote. De Hoge Raad vernietigt deze vrijspraak en verwijst de zaak naar het hof om opnieuw te worden berecht.Gebrek aan bewijsOp 6 april 2007 wordt een 45-jarige vrouw door haar echtgenoot dood aangetroffen in hun gezamenlijke woning in Tilburg. De vrouw blijkt te zijn gedood met negen steken van een mes uit een in de keuken aanwezig messenblok. De dan 47-jarige echtgenoot A.A. is van begin af aan verdachte in deze zaak. Hij wordt vervolgd voor moord op zijn echtgenote. Zowel de rechtbank Breda als het hof Den Bosch spreken de verdachte vrij wegens gebrek aan bewijs.TegenstrijdigDe Hoge Raad vernietigt nu de vrijspraak van het hof omdat deze een tegenstrijdigheid bevat. Het hof heeft de vrijspraak van de rechtbank bevestigd. Dat heeft het hof gemotiveerd met het oordeel dat de resultaten van het politieonderzoek de mogelijkheid openlaten dat een onbekend gebleven dader door het slachtoffer is binnengelaten, in de woning het slachtoffer heeft gedood en de woning aan de achterkant via de keukendeur en de schuurdeur heeft verlaten. Deze beide deuren zou deze onbekende verdachte onafgesloten hebben achtergelaten. Volgens de lezing van de rechtbank echter waren zowel de voordeur als de achterdeur slotvast afgesloten.

Den Haag , 10-1-2012

Kern van de uitspraak
Het hof sprak de verdachte vrij van moord op zijn echtgenote. De Hoge Raad vernietigt deze vrijspraak en verwijst de zaak naar het hof om opnieuw te worden berecht.
Achtergrond

Op 6 april 2007 wordt een 45-jarige vrouw door haar echtgenoot dood aangetroffen in hun gezamenlijke woning in Tilburg. De vrouw blijkt te zijn gedood met negen steken van een mes uit een in de keuken aanwezig messenblok. De dan 47-jarige echtgenoot A.A. is van begin af aan verdachte in deze zaak. Hij wordt vervolgd voor moord op zijn echtgenote. 

Procedure bij rechtbank, hof en Hoge Raad
Zowel de rechtbank Breda (8 april 2008, LJN BC8964) als het hof Den Bosch (6 april 2010, LJN BM0007) spreken de verdachte vrij wegens gebrek aan bewijs.

Het openbaar ministerie heeft tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Advocaat-generaal Hofstee heeft op 6 september 2011 de Hoge Raad geadviseerd de bestreden uitspraak te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar een aangrenzend hof.

Uitspraak Hoge Raad
Het hof heeft de vrijspraak van de rechtbank bevestigd. Dat heeft het hof gemotiveerd met het oordeel dat de resultaten van het politieonderzoek de mogelijkheid openlaten dat een onbekend gebleven dader door het slachtoffer is binnengelaten, in de woning het slachtoffer heeft gedood en de woning aan de achterkant via de keukendeur en de schuurdeur heeft verlaten. Deze beide deuren zou deze onbekende verdachte onafgesloten hebben achtergelaten.
Dit oordeel van het hof is in tegenspraak met de door het hof bevestigde motivering van de rechtbank. Volgens de rechtbank waren zowel de voordeur als de achterdeur slotvast afgesloten.
Vanwege deze tegenstrijdigheid in het oordeel van het hof vernietigt de Hoge Raad de betreffende uitspraak en verwijst de zaak naar het hof om opnieuw te worden berecht.

Gevolgen van deze uitspraak
De door het hof uitgesproken vrijspraak is vernietigd, de zaak zal opnieuw worden berecht.

Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Hoge Raad van 10 januari 2012. Bij verschil tussen deze samenvatting en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

LJN: BT1758, Hoge Raad , 10/01715  
 
Datum uitspraak: 10-01-2012
Datum publicatie: 10-01-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie: OM-cassatie. Het Hof heeft de vrijspraak gemotiveerd met o.m. de als “slotsom” aangeduide overweging “dat de bevindingen van het opsporingsonderzoek, van aanvullende technische onderzoeken en van het onderzoek ter terechtzitting de mogelijkheid openlaten dat een onbekend gebleven dader (…) het slachtoffer heeft gedood en de woning aan de achterzijde, de keukendeur (naar de Hoge Raad begrijpt: de achterdeur) en de schuurpoort onafgesloten achterlatend, heeft verlaten”. De door de Rechtbank aan de gegeven vrijspraak ten grondslag gelegde motivering, met welke motivering het Hof zich heeft verenigd, houdt o.m. in dat zowel de voordeur als de achterdeur slotvast was afgesloten. Kennelijk heeft het Hof voor zijn bewijsbeslissing de wijze waarop de onbekend gebleven dader de achterzijde van het huis heeft verlaten van belang geacht. Gelet daarop is de motivering van de vrijspraak niet begrijpelijk nu het Hof de achterdeur én als slotvast afgesloten én als onafgesloten heeft aangemerkt.
Vindplaats(en): NJB 2012, 307
Rechtspraak.nl
RvdW 2012, 125
 
Uitspraak
10 januari 2012
Strafkamer
nr. S 10/01715

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 april 2010, nummer 20/001554-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak

2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"primair
hij op of omstreeks 06 april 2007 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes negen maal in de rug, althans in het lichaam van [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
subsidiair
hij op of omstreeks 06 april 2007 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes negen maal in de rug, althans in het lichaam van [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2. De Rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en daartoe het volgende overwogen:
"Op 6 april 2007 te 21.22 uur krijgt de politie de melding dat verdachte het levenloze lichaam van zijn echtgenote heeft aangetroffen in hun woning aan de [a-straat 1] te Tilburg. Zij blijkt met negen messteken om het leven te zijn gebracht. Verdachte wordt door de politie in de woning van de buren aangetroffen. Door de politie wordt een grootschalig onderzoek gestart en verdachte wordt aangehouden omdat er indicaties zijn dat hij iets met de dood van zijn vrouw te maken zou hebben gehad.
(...)
IV. Het slotvast afsluiten van de voordeur van de woning.
Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij zijn vrouw dood in de gang had aangetroffen, door de voordeur het huis uit is gevlucht en dat die voordeur door hem niet is afgesloten.
Uit de processen-verbaal van bevindingen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat zowel de voordeur als de achterdeur van de woning slotvast waren afgesloten. Beide deuren waren voorzien van een driepuntssluiting en uit onderzoek is vast komen te staan dat de voordeur niet in het nachtslot kon vallen door die deur enkel dicht te trekken. De theorie van verdachte dat de verbalisant die de deur via het kapot geslagen raam heeft geopend aanvankelijk de verkeerde kant op heeft gedraaid volgt de rechtbank niet. Daarvóór werd door de politie immers al enige tijd een poging gedaan om de voordeur te openen met een ram hetgeen niet mogelijk bleek te zijn. In een proces-verbaal van bevindingen (pagina 228) is nader onderzocht waarom de voordeur niet met de ram kon worden geopend en uit dat proces-verbaal blijkt dat de voordeur met de sleutel op slot was gedraaid waardoor de extra pinnen van de driepuntssluiting in het kozijn waren ingebracht. Doordat bij een poging de deur te forceren de krachten over meerdere sluitpunten worden verdeeld, wordt dat forceren ernstig bemoeilijkt. Uit het onderzoek van de politie is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de voordeur van binnenuit was afgesloten. Dit maakt de verklaring van verdachte op dit punt op zich ongeloofwaardig, tenzij een derde de voordeur van binnenuit slotvast heeft afgesloten. De rechtbank constateert dat voor deze stelling geen directe aanwijzingen aanwezig zijn, maar is ook van oordeel dat deze mogelijkheid niet volledig kan worden uitgesloten.
(...)"

2.3. De bestreden uitspraak houdt in dat het Hof zich heeft verenigd met het vonnis van de Rechtbank en dat heeft bevestigd. De bestreden uitspraak houdt voorts het volgende in:
"De beoordeling
(...)
B.
De verdachte, die zich ter terechtzitting in hoger beroep op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft in het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting in eerste aanleg consistent verklaard, dat hij het huis op de dag van de dood van zijn echtgenote aan het eind van de middag heeft verlaten en dat zij toen nog in leven was. Toen hij omstreeks 21.00 uur weer thuis is gekomen, was - anders dan gebruikelijk - de poort van de schuur noch de keukendeur slotvast afgesloten. In de woning trof hij zijn vrouw levenloos aan, waarna hij de woning heeft verlaten door de voordeur. Voordeur noch achterdeur zijn door hem afgesloten.
(...)
E.
Het hof komt tot de slotsom, dat de bevindingen van het opsporingsonderzoek, van aanvullende technische onderzoeken en van het onderzoek ter terechtzitting de mogelijkheid openlaten dat een onbekend gebleven dader bijvoorbeeld door het slachtoffer is binnengelaten, heeft voldaan aan het ten huize van de verdachte (ook voor bezoekers) dwingend geldende voorschrift om in de hal schoeisel te verwisselen voor slippers, het slachtoffer heeft gedood en de woning aan de achterzijde, de keukendeur en de schuurpoort onafgesloten achterlatend, heeft verlaten.
Mitsdien kan het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend worden bewezen."

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel keert zich met een motiveringsklacht tegen de gegeven vrijspraak.

3.2.1. Het Hof heeft de vrijspraak gemotiveerd met onder meer de als "slotsom" aangeduide overweging "dat de bevindingen van het opsporingsonderzoek, van aanvullende technische onderzoeken en van het onderzoek ter terechtzitting de mogelijkheid openlaten dat een onbekend gebleven dader (...) het slachtoffer heeft gedood en de woning aan de achterzijde, de keukendeur (naar de Hoge Raad begrijpt: de achterdeur) en de schuurpoort onafgesloten achterlatend, heeft verlaten".

3.2.2. De door de Rechtbank aan de gegeven vrijspraak ten grondslag gelegde motivering, met welke motivering het Hof zich heeft verenigd, houdt onder meer in dat zowel de voordeur als de achterdeur slotvast was afgesloten.

3.2.3. Kennelijk heeft het Hof voor zijn bewijsbeslissing de wijze waarop de onbekend gebleven dader de woning aan de achterzijde heeft verlaten, van belang geacht. Gelet daarop is de motivering van de vrijspraak niet begrijpelijk nu het Hof de achterdeur én als slotvast afgesloten én als onafgesloten heeft aangemerkt.

3.3. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is vastgesteld op 20 december 2011 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 januari 2012.
Conclusie
Nr. 10/01715
Mr. Hofstee
Zitting: 6 september 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 6 april 2010 in hoger beroep bevestigd het vonnis van de Rechtbank Breda waarin de verdachte is vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde, primair "moord" en subsidiair "doodslag".

2. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. L. Plas, plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Ressortsparket te 's-Hertogenbosch, een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3. Het middel keert zich tegen de motivering van het Hof van de vrijspraak en behelst de klacht dat de overwegingen van het Hof en diens daarop gebaseerde bewijsoordeel niet verenigbaar zijn met de overwegingen in het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank.

4. Aan de verdachte is in de inleidende dagvaarding ten laste gelegd dat:

"primair

hij op of omstreeks 06 april 2007 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes negen maal in de rug, althans in het lichaam van [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 06 april 2007 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes negen maal in de rug, althans in het lichaam van [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

5. Blijkens het vonnis van de Rechtbank d.d. 8 april 2008 is de vrijspraak in eerste aanleg als volgt gemotiveerd:

" (-)

4.3 Het oordeel van de rechtbank
Op 6 april 2007 te 21.22 uur krijgt de politie de melding dat verdachte het levenloze lichaam van zijn echtgenote heeft aangetroffen in hun woning aan de [a-straat 1] te Tilburg. Zij blijkt met negen messteken om het leven te zijn gebracht. Verdachte wordt door de politie in de woning van de buren aangetroffen. Door de politie wordt een grootschalig onderzoek gestart en verdachte wordt aangehouden omdat er indicaties zijn dat hij iets met de dood van zijn vrouw te maken zou hebben gehad. Vervolgens blijkt uit het dossier dat door het onderzoeksteam met name werd gerechercheerd op het verloop van die zesde april, op hetgeen verdachte die dag heeft gedaan en hoe de relatie was tussen verdachte en zijn
echtgenote. Uit dat onderzoek zijn omstandigheden naar voren gekomen die op dat moment de nodige vragen opriepen en waardoor er in ieder geval ernstige verdenkingen jegens verdachte bestonden. Nu is de vraag aan de orde of verdachte op grond van die omstandigheden kan worden veroordeeld. De rechtbank zal dan ook de belangrijkste omstandigheden die uit het dossier naar voren komen bespreken.

I. Het tijdstip van overlijden
In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 30 november 2007 wordt geen nauwkeurig tijdstip van overlijden gegeven. De deskundigen komen niet verder dan dat het gelegen moet hebben tussen het tijdstip dat [slachtoffer] voor het laatst zou hebben gegeten (tussen 17.00 en 18.00 uur) en het tijdstip van aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] (21.00 uur). Het NFI baseerde deze conclusie op het onderzoek van de maaginhoud van het slachtoffer.
De getuige [getuige 1] van de ambulancedienst heeft het slachtoffer direct na aantreffen onderzocht en hij denkt dat [slachtoffer] op dat moment tussen de 0 en 60 minuten dood was.
Verdachte heeft verklaard dat hij omstreeks 17.45/18.00 uur is teruggekeerd uit Drunen, dat hij rond 18.00/18.30 uur weer van huis is vertrokken en dat zijn vrouw op dat moment bezig was om iets te eten.

Nu geen rapport van een terzake deskundige voorhanden is waarin een nauwkeuriger tijdstip wordt gegeven, kan omtrent het tijdstip van overlijden naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer worden gezegd dan dat dit gelegen moet hebben tussen 18.00 uur en 21.00 uur.
Dat het slachtoffer, zoals de officier van justitie stelt, om 18.30 uur al dood moet zijn geweest omdat rond 18.30 uur de deur van de woning niet werd geopend toen de neven [betrokkene 1 en 2] aan de deur stonden en omdat buurvrouw [betrokkene 3] om 19.00 uur geen contact met haar kon krijgen, is een conclusie die de rechtbank niet volgt. Het is namelijk ook mogelijk dat [slachtoffer] op dat moment nog wel in leven was en dat zij tijdelijk de woning had verlaten of dat zij het roepen van de neven of de buurvrouw niet heeft gehoord.

II. De op de plaats van het delict aangetroffen slippers en mes
Verdachte heeft verklaard dat hij in huis blauwe slippers draagt, maat 43-44 en [betrokkene 4] heeft de aangetroffen slippers herkend als zijnde de slippers van zijn vader. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie op basis van het sporenonderzoek geconcludeerd dat de aangetroffen slippers waarschijnlijk door de dader zijn gedragen op het moment dat [slachtoffer] door hem of haar om het leven werd gebracht. De rechtbank is van oordeel dat deze conclusie op basis van de aangetroffen sporen juist zou kunnen zijn. De conclusie die de officier van justitie daaraan vervolgens toevoegt, namelijk: "de slippers zijn gedragen door de dader, tevens eigenaar: verdachte [verdachte]" vindt naar het oordeel [van] de rechtbank onvoldoende steun in het uitgevoerde technisch onderzoek of andere bewijsmiddelen. Voor wat betreft het aangetroffen mes is vast komen te staan dat dit mes afkomstig was uit het messenblok dat in de keuken op het aanrecht stond en voor iedereen voorhanden was die zich in de woning bevond.

III. De bloedveeg op de enkel van verdachte
Technisch onderzoek heeft uitgewezen dat het bloed aangetroffen op de enkel van verdachte, afkomstig was van het slachtoffer en dat de sok die verdachte droeg, was aangetrokken nadat het bloed op de enkel was opgedroogd.
Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de nacht van 5 op 6 april had gemerkt dat zijn vrouw met iets over zijn voet had geveegd en dat hij meende te hebben gehoord van zijn vrouw dat het menstrueren niet over was.
Technisch onderzoek dat naar aanleiding van de verklaring van verdachte werd uitgevoerd heeft uitgewezen dat:
- in het beddengoed uit de slaapkamer van verdachte geen bloed werd aangetroffen,
- ten tijde van het overlijden van [slachtoffer] er geen sprake was van menstruatie en
- er geen aanwijzingen waren dat er sprake is geweest van menstruatie kort voor het overlijden.
Aan de andere kant werd in de woning van verdachte wel een maandverband aangetroffen met daarop bloed met het DNA-profiel van het slachtoffer.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de verklaring die verdachte heeft gegeven voor de aangetroffen bloedveeg op zijn enkel niet geloofwaardig is. Anderzijds heeft de rechtbank ook te weinig aanwijzingen om hieraan de conclusie te verbinden dat het dan ook verdachte moet zijn geweest die zijn echtgenote heeft neergestoken.

IV. Het slotvast afsluiten van de voordeur van de woning
Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij zijn vrouw dood in de gang had aangetroffen, door de voordeur het huis uit is gevlucht en dat die voordeur door hem niet is afgesloten. Uit de processen-verbaal van bevindingen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat zowel de voordeur als de achterdeur van de woning slotvast waren afgesloten. Beide deuren waren voorzien van een driepuntssluiting en uit onderzoek is vast komen te staan dat de voordeur niet in het nachtslot kon vallen door die deur enkel dicht te trekken. De theorie van verdachte dat de verbalisant die de deur via het kapot geslagen raam heeft geopend aanvankelijk de verkeerde kant op heeft gedraaid volgt de rechtbank niet. Daarvoor werd door de politie immers al enige tijd een poging gedaan om de voordeur te openen met een ram hetgeen niet mogelijk bleek te zijn. In een proces-verbaal van bevindingen (pagina 228) is nader onderzocht waarom de voordeur niet met de ram kon worden geopend en uit dat proces-verbaal blijkt dat de voordeur met de sleutel op slot was gedraaid waardoor de extra pinnen van de driepuntssluiting in het kozijn waren ingebracht. Doordat bij een poging de deur te forceren de krachten over meerdere sluitpunten worden verdeeld, wordt dat forceren ernstig bemoeilijkt. Uit het onderzoek van de politie is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de voordeur van binnenuit was afgesloten. Dit maakt de verklaring van verdachte op dit punt op zich ongeloofwaardig, tenzij een derde de voordeur van binnenuit slotvast heeft afgesloten. De rechtbank constateert dat voor deze stelling geen directe aanwijzingen aanwezig zijn, maar is ook van oordeel dat deze mogelijkheid niet volledig kan worden uitgesloten.

V. Daderwetenschap
Verdachte heeft verklaard over de neven met de rode auto die bij hem aan de deur zijn geweest om een fotocamera te lenen. De officier van justitie is van mening dat dit daderwetenschap is omdat verdachte alleen kon weten dat die neven bij hem aan de deur zijn geweest omdat hij op dat moment thuis was.

De rechtbank constateert dat verdachte al bij een van zijn eerste verhoren op 7 april 2007 te 14.42 uur heeft verklaard dat zijn buurvrouw [betrokkene 5] hem had verteld dat er mensen aan de deur waren geweest, dat verdachte daarop zijn dochter [betrokkene 6] heeft gebeld en dat zij hem heeft verteld dat het familie was geweest die zij had gestuurd om een fotocamera op te halen. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte op 7 april 2008 nog in volledige beperkingen zat.

Buurvrouw [betrokkene 5] heeft aanvankelijk ontkend dat ze verdachte heeft gesproken toen hij per fiets thuiskwam. Later heeft ze gezegd dat ze hem toch heeft gesproken, hetgeen ook door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] wordt bevestigd, maar ze zou niets hebben gezegd over een rode auto. De verklaringen van de [betrokkene 5] laten naar het oordeel van de rechtbank zoveel ruimte dat ze noch als bevestiging noch als weerlegging van het standpunt van verdachte kunnen worden gebruikt.

De neven, [betrokkene 1] (zoon van [betrokkene 7]) en [betrokkene 2], hebben verklaard dat zij tussen 18.30 uur en 18.50 uur bij verdachte aan de deur zijn geweest om een fotocamera op te halen. De getuige [getuige 4] en ook verdachte hebben beiden verklaard dat zij elkaar om ongeveer 18.30 uur zijn tegengekomen. Dit houdt vervolgens in dat verdachte in ieder geval voor 18.30 uur van huis moet zijn vertrokken en de rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om hetgeen verdachte hierover heeft verklaard als daderwetenschap aan te merken.

Hoe verdachte wel aan eerdergenoemde wetenschap kan zijn gekomen blijkt eigenlijk alleen uit de verklaring van verdachte zelf, namelijk dat zijn buurvrouw [betrokkene 5] heeft verteld over de rode auto toen hij haar voor zijn woning ontmoette en dat verdachte vervolgens zijn dochter [betrokkene 6] daarover heeft gebeld. De rechtbank heeft dan ook twijfel over de juistheid van de door [betrokkene 6] op dit punt afgelegde verklaring.

VI. De door verdachte afgelegde verklaringen
Verdachte heeft de dag na de moord op zijn vrouw een uitgebreide verklaring afgelegd, waarin hij aangeeft wat hij de zesde april heeft gedaan en wat er is gebeurd toen hij omstreeks 21.00 uur thuis kwam. Door verdachte worden in die verklaring allerlei details en tijdstippen genoemd. Inmiddels zit verdachte bijna een jaar in voorarrest en de rechtbank heeft ook tijdens de zitting weer geconstateerd dat verdachte nog steeds, vaak in detail, hetzelfde verklaart als in die eerste verklaring, ook als hij door verbalisanten met onderzoeksresultaten wordt geconfronteerd. Tegenover deze consistente ontkennende verklaringen van verdachte staan de hiervoor onder I tot en met V genoemde omstandigheden. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geconcludeerd ten aanzien van het tijdstip van overlijden (I), de op de plaats van het misdrijf aangetroffen slippers en mes (II) en de daderwetenschap (V) is niet belastend voor verdachte.

Wat uiteindelijk aan belastend materiaal voor verdachte overblijft, de bloedveeg op de enkel van verdachte (III) en het slotvast afsluiten van de voordeur van de woning (IV), rechtvaardigde weliswaar de ernstige verdenking jegens verdachte, doch is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de aan verdachte ten laste gelegde moord dan wel doodslag wettig en overtuigend bewezen te achten. De rechtbank zal verdachte dan ook van dat feit vrijspreken."

6. Het Hof heeft zich met het vonnis van de Rechtbank verenigd en voorts het volgende overwogen:

"(-)

De beoordeling

A.
Het aan de vordering van de advocaat-generaal ten grondslag gelegde standpunt komt er in de kern op neer, dat de ten laste gelegde moord kan worden bewezen verklaard op grond van de navolgende, uit het voorhanden bewijsmateriaal naar voren komende, omstandigheden:
1. er is sprake van één dader, die blijkens het uitgevoerde schoensporenonderzoek tijdens de moord de naast het slachtoffer aangetroffen slippers, zijnde de slippers van verdachte, heeft gedragen: de verdachte heeft verklaard dat hij bij zijn thuiskomst omstreeks 17.45-18.00 uur -overeenkomstig de in zijn huis geldende gewoonte- zijn schoenen heeft uitgedaan en zijn slippers heeft aangetrokken;
2. de dader moet een sleutel van de woning hebben gehad, aangezien daaraan geen braaksporen zijn gevonden en de politie deze bij haar komst omstreeks 21.30 uur geheel afgesloten heeft aangetroffen; de verdachte was de enige sleutelhouder die de gelegenheid heeft gehad om die woning af te sluiten:
3. bij de verdachte is een bloedveeg op de enkel aangetroffen, waarvan is aangetoond dat dat bloed van het slachtoffer was; hij heeft hieromtrent een ongeloofwaardige verklaring afgelegd, te weten: dat het menstruatiebloed van het slachtoffer was dat in de nacht voorafgaand aan de moord op zijn been terecht is gekomen;
4. de verdachte heeft een leugenachtige verklaring afgelegd omtrent de wijze waarop hij zijn woning na het aantreffen van het levenloze slachtoffer heeft verlaten; hij zou die hebben verlaten via de voordeur en deze enkel achter zich dicht getrokken hebben, maar de politie heeft die deur slotvast -op het nachtslot- gesloten aangetroffen;
5. alleen de verdachte heeft de gelegenheid gehad zijn echtgenote te vermoorden: in het tijdvak tussen 17.30 en 18.20 uur was hij namelijk volgens eigen zeggen (alléén) met haar in de woning en dat een onbekende derde de moord zou hebben gepleegd in het daarop volgende tijdvak tussen 18.20 uur en het tijdstip waarop het slachtoffer levenloos werd aangetroffen, kan nagenoeg geheel kan worden uitgesloten, zodat ook in dat geval de verdachte de moordenaar moet zijn geweest.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal gewezen op enige opmerkelijke zaken die uit het voorhanden bewijsmateriaal naar voren komen:
1. op de sportschoenen die de verdachte bij zijn aanhouding droeg is geen enkel bloedspoor afkomstig van het slachtoffer aangetroffen, zulks terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij na het aantreffen van het slachtoffer naast haar heeft gestaan en over haar heen is gesprongen en voorts dat hij in de keuken heeft gelopen waar ook bloed van het slachtoffer lag;
2. de halflange zwarte lederen jas, die de verdachte volgens getuige [getuige 4] droeg toen deze hem omstreeks 18.30 uur op straat tegenkwam, is niet aangetroffen; voor die omstandigheid heeft de verdachte geen verklaring;
3. de handen van de verdachte waren, toen hij kort nadat hij zijn echtgenote levenloos had aangetroffen werd onderzocht, zeer schoon en onder de nagels was ogenschijnlijk geen vuil aanwezig;
4. op de spijkerbroek die de verdachte bij zijn aanhouding droeg zijn twee veegspoortjes en vijf verdunde bloedvlekjes aangetroffen; van die sporen, die alle bloed van het slachtoffer bevatten, is bij deskundigenonderzoek vastgesteld dat zij vanaf de buitenkant op de broek terecht zijn gekomen en voorts dat zij niet zijn ontstaan bij het plegen van de moord;
5. op de witte sok die verdachte droeg aan de voet waarop de bloedveeg is aangetroffen, is geen bloed aangetroffen, hetgeen leidt tot de conclusie dat de sok moet zijn aangetrokken nadat het bloed op zijn enkel was terechtgekomen en was opgedroogd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat voormelde opmerkelijke zaken passen in het scenario dat de verdachte na zijn daad sporen heeft gewist.

B.
De verdachte, die zich ter terechtzitting in hoger beroep op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft in het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting in eerste aanleg consistent verklaard, dat hij het huis op de dag van de dood van zijn echtgenote aan het eind van de middag heeft verlaten en dat zij toen nog in leven was. Toen hij omstreeks 21.00 uur weer thuis is gekomen, was -anders dan gebruikelijk- de poort van de schuur noch de keukendeur slotvast afgesloten. In de woning trof hij zijn vrouw levenloos aan, waarna bij de woning heeft verlaten door de voordeur. Voordeur noch achterdeur zijn door hem afgesloten.

C.
Het hof kan geen geloof hechten aan de verklaring van de verdachte over de plaats waar- en de wijze waarop hij na het aantreffen van het levenloze lichaam van zijn echtgenote zijn woning zou hebben verlaten, omdat deze verklaring strijdig is met de bevindingen van de politie.

Uit het opsporingsonderzoek is voorts gebleken dat op de rechterenkel van verdachte een bloedveeg is aangetroffen die bloed van het slachtoffer bevatte. Ter verklaring van de aanwezigheid van die bloedveeg heeft de verdachte aangevoerd dat die moet zijn ontstaan in de nacht voorafgaand aan de dag waarop zijn echtgenote het leven heeft gelaten, omdat zijn vrouw, die menstrueerde, in bed in aanraking moet zijn gekomen met zijn enkel. Ook aan dit onderdeel van verdachtes verklaring kan het hof geen geloof hechten; het acht dat onaannemelijk, in aanmerking genomen dat bij het politie-onderzoek aan het in de woning aangetroffen beddengoed geen enkel bloedspoor is aangetroffen.
Dat laat echter onverlet dat geen bewijs ervoor bijgebracht is kunnen worden dat de bloedveeg op verdachtes enkel terecht is gekomen bij gelegenheid van de levensberoving.

D.
Vast staat derhalve dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard omtrent de plaats waar- en de wijze waarop hij zijn woning na het aantreffen van het levenloze lichaam van zijn echtgenote heeft verlaten, zomede dat hij een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd omtrent de wijze waarop een bloedveeg op zijn enkel terecht is gekomen.
Die verklaringen evenwel zijn -op zich zelf dan wel in onderling verband en samenhang bezien- onvoldoende om de conclusie te wettigen dat het de verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde geweldshandelingen.
De hierboven onder A weergegeven "opmerkelijke zaken" leggen niet voldoende gewicht in de schaal om die conclusie anders te maken.

E.
Het hof komt tot de slotsom, dat de bevindingen van het opsporingsonderzoek, van aanvullende technische onderzoeken en van het onderzoek ter terechtzitting de mogelijkheid openlaten dat een onbekend gebleven dader bijvoorbeeld door het slachtoffer is binnengelaten, heeft voldaan aan het ten huize van de verdachte (ook voor bezoekers) dwingend geldende voorschrift om in de hal schoeisel te verwisselen voor slippers, het slachtoffer heeft gedood en de woning aan de achterzijde, de keukendeur en de schuurpoort onafgesloten achterlatend, heeft verlaten.

Mitsdien kan het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis"

7. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof enerzijds - door zich zonder voorbehoud te verenigen met het vonnis waarvan beroep - kennelijk heeft vastgesteld en geoordeeld dat zowel de voordeur als de achterdeur (keukendeur) van de woning van de verdachte slotvast was afgesloten(1), maar anderzijds in zijn arrest onder E tot de "slotsom" is gekomen dat de dader de keukendeur van die woning onafgesloten heeft achtergelaten. Als gevolg van deze tegenstrijdigheid is, aldus de steller van het middel, het arrest van het Hof niet zonder meer begrijpelijk, nu deze "slotsom" mede dragend is voor het oordeel van het Hof dat de mogelijkheid is opengelaten dat een onbekend gebleven dader het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

8. Vooropgesteld dient te worden dat de selectie en de waardering van de in het geding afgelegde verklaringen en het voorhanden bewijsmateriaal aan de feitenrechter zijn voorbehouden. Deze onderzoekt immers de feiten en stelt ze vast. Binnen de door de wet getrokken grenzen is - aldus HR 14 oktober 2003, LJN AJ1420, NJ 2005, 182 m.nt. Knigge - de feitenrechter vrij om datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap hoeft te geven.(2) Uiteraard heeft ditzelfde te gelden voor het oordeel van de feitenrechter dat het beschikbare bewijsmateriaal onvoldoende is om tot een bewezenverklaring dan wel tot de overtuiging te komen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. De feitenrechter beslist dus of er met betrekking tot de verdachte al dan niet voldoende bewijsmateriaal voorhanden is en, zo dit het geval is, hij op grond daarvan de overtuiging heeft (kunnen) bekomen dat de verdachte tevens de dader is.

9. Indien de feitenrechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal tot het oordeel komt dat vrijspraak moet volgen, behoeft dit oordeel (als gezegd behoudens bijzondere gevallen) geen motivering en is het niet voor cassatie vatbaar.(3) Dat uitgangspunt brengt met zich mee dat een nadere motivering van een vrijspraak de gegeven beslissing niet onbegrijpelijk maakt doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere bewijsbeslissing toelaat.(4) In de regel zal de Hoge Raad zich bij het desbetreffende oordeel van de feitenrechter neerleggen, tenzij de daartoe strekkende overweging van de feitenrechter als onbegrijpelijk kan worden geduid. Alsdan zal de Hoge Raad corrigerend optreden en het oordeel dat hem goeddunkt daarover uitspreken.

10. Het Hof is volgens zijn overweging onder E van het arrest tot zijn "slotsom" gekomen doordat de bevindingen van het opsporingsonderzoek, van aanvullende onderzoeken en van het onderzoek ter terechtzitting het alternatieve scenario als mogelijkheid hebben opengelaten dat een onbekend gebleven dader het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Tegenover deze overweging plaats ik een vraagteken. Na bestudering van de gedingstukken, voor zover deze in cassatie voorhanden zijn, kom ik tot de conclusie dat uit die onderzoeken en de geconstateerde forensische sporen geen enkele - objectief meetbare - aanwijzing voor een dergelijk scenario kan worden afgeleid.

11. Goed beschouwd heeft het Hof zijn "slotsom" enkel en alleen gebaseerd op de onder B van het arrest weergegeven verklaring van de verdachte. Deze verklaring houdt in dat, toen de verdachte omstreeks 21.00 uur weer thuiskwam, de poort van de schuur noch de keukendeur (achterdeur) slotvast was afgesloten en dat hij na het aantreffen van het levenloze lichaam van zijn echtgenote en het verlaten van de woning door de voordeur, die voordeur noch de achterdeur heeft afgesloten.

12. De overwegingen van het Hof maken mij niet duidelijk waarom juist aan die verklaring van de verdachte wel geloof zou zijn te hechten en op basis daarvan zelfs niet het alternatieve scenario valt uit te sluiten dat een onbekend gebleven dader (i) door "bijvoorbeeld" het slachtoffer is binnengelaten, (ii) vervolgens eerst keurig netjes overeenkomstig een gebodsnorm rekening heeft gehouden met de huisregels door de slippers van de verdachte aan te doen alvorens in strijd met een verbodsnorm het slachtoffer om het leven te brengen en (iii) daarna de woning aan de achterzijde heeft verlaten zonder de achterdeur slotvast af te sluiten.(5) Daarbij neem ik tevens in aanmerking dat het Hof (onder D) heeft vastgesteld dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard over de plaats waar en de wijze waarop hij de woning na het aantreffen van het levenloze lichaam van zijn echtgenote heeft verlaten en ongeloofwaardig heeft verklaard over de wijze waarop een bloedveeg van het slachtoffer op zijn enkel terecht is gekomen.(6) Verder strookt voornoemde verklaring van de verdachte in het geheel niet met de resultaten van het technisch onderzoek van de politie, zoals door de Rechtbank onder 4.3 ad IV in haar vonnis is uiteengezet en vastgesteld. Naar haar oordeel is uit de processen-verbaal van bevindingen vast komen te staan dat zowel de voordeur als de achterdeur van de woning van de verdachte slotvast was afgesloten.(7) Gezien de aard van het delict (negen messteken) en het geheel ontbreken van (forensische) aanwijzingen of sporen die in de richting van een onbekend gebleven dader gaan, alsmede de leugenachtige en ongeloofwaardige verklaringen van de verdachte, die in strijd zijn met de resultaten van het technisch onderzoek van de politie, en de onder A in het arrest opgesomde opmerkelijke zaken, meen ik dat het Hof er ook voor had kunnen kiezen de enkel door de verdachte gesuggereerde aanwezigheid van een onbekend gebleven dader als onaannemelijk terzijde te schuiven. Dat zou inderdaad betekenen dat de beoordeling van de bewijsvraag in een ander licht komt te staan.

13. Met het oordeel van de Rechtbank dat blijkens de processen-verbaal van bevindingen zowel de voordeur als de achterdeur van de woning van de verdachte slotvast was afgesloten, heeft het Hof zich kennelijk verenigd, nu het met betrekking daartoe geen voorbehoud heeft gemaakt. Dit maakt echter dat de "slotsom" van het Hof niet zonder meer begrijpelijk is. De daarin genoemde mogelijkheid - de onbekende dader heeft de keukendeur onafgesloten achtergelaten - is tegenstrijdig met dat oordeel van de Rechtbank, welk oordeel dus is gebaseerd op technische vaststellingen, zoals deze zijn gerelateerd in de processen-verbaal van bevindingen.

14. Nu ondanks die tegenstrijdigheid de door het Hof verwoorde mogelijkheid (het alternatieve scenario) heeft bijgedragen tot zijn oordeel dat het aan de verdachte ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, is het bestreden arrest - mede bezien in het licht van de overige door hem vastgestelde feiten en omstandigheden - zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

15. Het middel slaagt.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ad IV onder "4.3 Het oordeel van de rechtbank".
2 Op deze hoofdregel zijn, zich hier niet voordoende, uitzonderingen mogelijk. Zie de conclusie van de toenmalige wnd. AG Keijzer vóór het genoemde arrest en de conclusie van de voormalige AG Wortel vóór HR 27 juni 2000, LJN ZD1915, NJ 2000, 580.
3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p. 229.
4 HR 4 mei 2004, LJN AO5061, NJ 2004, 480 en Van Dorst, a.w., p. 230.
5 Overigens blijft ook in het alternatieve scenario van het Hof, en dus in diens desbetreffende overweging, de vraag onbeantwoord: als de verdachte noch de onbekend gebleven dader de achterdeur slotvast heeft afgesloten, wie dan wel?
6 Zij het dat het Hof dit een en ander, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende acht om de conclusie te wettigen dat het de verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.
7 Daarnaast wijs ik erop dat de Rechtbank in haar vonnis onder 4.3 ad IV haar overweging heeft toegespitst op het al dan niet slotvast afgesloten zijn van de voordeur en op dat punt, als ik het goed zie, de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig zou hebben geacht, ware het niet dat (naar haar oordeel) de mogelijkheid dat een derde die voordeur van binnenuit slotvast heeft afgesloten niet is uit te sluiten, hoewel (ook) voor die mogelijkheid directe aanwijzingen ontbreken.