We hebben 244 gasten online

Deel 3 TBS ter beschikking gesteld van de regering

Gepost in Publicaties

Ter Beschikkinggesteld van de Regering
Overgeleverd aan een goedbedoeld experiment.

Andere Tijden 13 januari 2004

De uitzending is te zien door op de volgende link te klikken:

http://www.vpro.nl/geschiedenis/anderetijden/index.shtml?4158511+2899536+13916757+15868995

Gevaarlijke, misdadige psychopaten. Wat moet je er mee? Ze plegen zo weer een moord, sluit ze voor eeuwig op, roept de een. Onverbeterbaar, doodschieten maar, meent een ander. Ze zijn in de war en hebben recht op behandeling en goede zorg, vindt een derde. Iedereen heeft er een mening over en niemand weet precies wat je nou aanmoet met ontoerekingsvatbare misdadigers. Andere Tijden over en met de pioniers en idealisten achter de TBR, Ter beschikking van de Regering, teneinde van harentwege te worden verpleegd.

Gezonde en gestoorde misdadigers.
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens niet kan worden toegerekend.” Dat stond in het wetboek van strafrecht dat in 1886 werd ingevoerd. Een delict, of het nou om een diefstal of een moord ging, gepleegd door een man of vrouw in de war werd niet erkend als misdaad maar als daad van een zieke. Een zieke, of die nou een beetje gek was of knettergek, strafte je niet, die stopte je niet in het cachot. Met die regel had de rechter het maar te doen. En hij had met nog een wet te maken. De geestelijk gestoorde misdadiger moest geplaatst worden in wat toen nog een krankzinnigengesticht genoemd werd. Voor maximaal 1 jaar. Speciale behandelingen voor psychisch gestoorde veroordeelden bestonden niet, ze vielen onder hetzelfde regiem als de niet misdadige "gekken" die samen in dezelfde inrichtingen verpleegd werden.

De zieke misdadigers raakten tussen wal en schip. Als het gesticht het wel mooi vond of niet meer wist wat ze met de misdadige patiënt aanmoesten, verklaarden ze hem genezen en zetten hem op straat. Zonder zich te bekommeren om het gevaar dat ze vormden voor de samenleving. De rechter keek met lege handen toe. Tenzij de patiënt weer een nieuwe misdaad pleegde, en dat gebeurde nogal eens, dan begon de rechtsgang weer van voor af aan. Als een rechter, vaak in wanhoop, toch besloot een dader gevangenisstraf te geven bleek keer op keer dat het gevangenisregiem eerder nog meer schade toebracht dan dat er verbetering optrad. Niet iedereen of misschien wel niemand was blij met deze strafrechtbepaling maar meer zat er toen niet in. De wetenschap van de menselijke psyche, de psychiatrie, was nog niet in staat te formuleren wie er onder invloed van een psychische afwijking misdaden pleegden. Er bestond nog teveel onenigheid over het begrip ontoerekeningsvatbaarheid. “De nood van de onenigheid werd gemaakt tot deugd van de bescheidenheid”( Citaat Mr. W. Nieboer).

De Psychopatenwet
1 november 1928 werd het Wetboek aangepast en kwam er een Psychopatenwet. Psychiaters ontdekten dat een deel van de gestoorde misdadigers leidden aan en zielsziekte veroorzaakt door genetische gebreken. Misschien viel er aan deze psychopaten nog wel wat te doen. In ieder geval vonden ze het niet meer dan billijk hen te blijven zien als patiënten wiens daden je ze niet kunt toerekenen, die verpleging nodig hadden in plaats van straf maar ook kwam er begrip voor de opvatting dat ze een gevaar voor de samenleving waren en dus opgesloten dienden te worden.
Er kwam een driedeling: psychisch gezonden, psychisch zieken en verminderd toerekeningsvatbaren. Vanaf toen mocht de rechter de laatste groep TBR geven, Ter Beschikking van de Regering stellen ten einde van Harentwege te worden verpleegd.

TBR kon voorwaardelijk en onvoorwaardelijk opgelegd worden. Je moest het niet zien als een straf maar als een maatregel. Een maatregel voor de duur van tenminste 2 jaar die steeds weer opnieuw verlengd kon worden als dat in het belang van de patiënt maar vooral ook van de openbare orde was. In theorie kon het TBR voor het hele leven betekenen maar de praktijk ging ervan uit dat genezing door behandeling mogelijk was. De daders werden patiënt genoemd en verplicht verpleegd met als doel hen weer geschikt te maken voor het maatschappelijk leven. Ze zouden, in tegenstelling tot de gevangenen zonder TBR, niet te maken krijgen met cipiers maar met geneesheren en worden verpleegd in speciaal voor die groep opgerichte gesloten inrichtingen.

Rijksasiels
Goede bedoelingen waren er voldoende maar de tijd zat niet mee. Het was zware crisis in de economie, de Staat zat krap bij kas, er zat niets anders op dan de oprichting van speciale inrichtingen vooral aan het particulier initiatief over te laten. Niet helemaal ongesubsidieerd maar wel zo min mogelijk. Een TBR-er kostte toch al gauw gemiddeld zo’n 10 keer meer dan een gewone gevangene. En dat geld was er domweg niet. De protestanten openden in 1929 TBR inrichting Oldenkotte in Rekken, de katholieken volgden en maakten in 1930 plaats vrij op een afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis St.Willebrord in Heiloo.

TBR werd een populair strafrechtmiddel, rechters raakten steeds meer gecharmeerd van de mogelijkheden van TBR en legden de maatregel vaker op. In die eerste jaren kregen zo’n 120 wetsovertreders onvoorwaardelijke en 19 voorwaardelijke TBR. De particuliere inrichtingen kwamen er al heel snel achter dat ze hun opdracht niet aankonden. De aanwas werd te groot, ze beschikten niet over afdoende aangepaste behandelmethoden voor de levensgevaarlijke psychotische delinquenten en beveiliging van de maatschappij konden ze al helemaal niet bieden in de merendeels op openheid gerichte inrichtingen. Steeds vaker weigerden ze TBR-ers. Een lang leven was de nieuwe aanpak niet gegund.

De TBR-ers die te gevaarlijk en onhandelbaar waren voor de particuliere markt gingen naar Leiden waar het enige asiel van het Rijk stond. Het waren er zoveel dat die al snel overbevolkt raakte en er niets anders op zat dan de gestoorde gevangenen in gewone gevangenissen op te sluiten waar hen niet veel meer wachtte dan het lot van de gevangenisstraf; een cel, werk en wat eten. Geld en tijd voor extra aandacht, een goed gesprek, verpleging was er niet, laat staan voor de ontwikkeling van een doordachte, doorwrochte psychiatrische behandeling. Het vooruitzicht op vooruitgang werd tenietgedaan, de onaangepasten bleven onaangepast, gevaarlijk, niet geschikt voor een geordende samenleving.

Ook de gevangenissen konden de toestroom niet meer aan, justitie realiseerde zich dat ze de belofte die de TBR inhield niet waar kon maken. In 1933 werd de “Psychopatennoodwet” ingevoerd, ook wel de Stopwet genoemd. Officieren van Justitie kregen de opdracht zuinig te zijn met het opeisen van de TBR maatregel. Alleen voor zeer gevaarlijke criminelen waarvan onomstotelijk vaststond dat ze “gek” waren en sterk beveiligd moesten worden was nog een TBR plaats. Tegelijkertijd benoemde Justitie het strenge rijksopvoedingsgesticht Huize Veldzicht in Avereest tot Noodasiel voor TBR-ers. Het was er afschuwelijk, afgekeurd als gevangenis, maar goed genoeg voor psychopaten die er opgesloten konden worden.

Slechts de enkelen die de interesse van de gevangenisdirecteur wisten te wekken mochten nog wel eens een bezoekje aan de psychiater brengen en kregen wat aangepast werk, maar veel stelde het allemaal niet voor. Aan hun ‘gekte’ werd niets gedaan. Een steeds weer terugkerende verlenging van de TBR - de psychiaters restte niets anders dan dit de rechters voor te stellen - leek het enige uitzicht. Eigenlijk levenslang. De dichter Gerrit Achterberg, die voor het vermoorden van zijn hospita, in 1938 TBR kreeg, naar het Rijksasiel Avereest werd overgebracht en jarenlang aan den lijve meemaakte wat dat in die tijd betekende schreef er in zijn gedicht ‘Spreekuur’ over: ‘God in den hemel, beesten van menschen hebben mij in hun macht.
Zij komen samen ter conferentie en spreken zacht in gebroken talen, niet thuis te brengen; maar ik schreeuw tegen ze, op zielsgezag, een woord uit een oude grammatica: dat ik godverdomme verga en tot een vod ligt te verslenzen.’ De maatregelen sorteerden het beoogde effect. Het aantal TBR-ers nam sterk af.

Idealisten aan de macht
Na de oorlog werd de ‘Stopwet’ opgeheven. De psychiaters en rechters konden hun gang weer gaan. In de oorlog waren sommige van hen gevangene van de Duitsers geweest en hadden aan den lijve ervaren wat het betekende om opgesloten te zitten. Ze keerden zich tegen het in hun ogen onmenselijke cellulaire systeem en bepleitten een menselijker en volgens hen ook succesvoller behandeling. Hoe dat dan precies moest wisten ze niet maar het was in ieder geval meer dan het proberen waard. Het werd de bloeitijd van de TBR. Onder aanvoering van psychiater Baan, strafrechtgeleerde Pompe en criminoloog Kempe werd een ware kruistocht gevoerd. Met name Baan kon niet langer aanzien dat ontoerekeningsvatbare gevangenen niet behandeld werden, maar te maken kregen met opsluiting en dressuur, met volgens hem schijnaanpassing als gevolg. De kans op herhaling van de misdaad zou volgens hem vele malen kleiner worden na een echte psychiatrische aanpak.

De wetenschappers zaten die jaren niet stil en bleven zoeken naar de ware oorzaken van geestesziekten en de daarbij passende genezingsmethoden. De theorie dat psychopathie een genetische afwijking was werd vervangen door een ander. Ze dachten nu eerder aan een hersenbeschadiging als oorzaak en gingen over tot de lobotomie, de hersenoperaties. Ook sommige patiënten in de Psychopatenasiels werd voorgespiegeld dat een operatie hen zou genezen en gingen onder het mes. De resultaten waren niet hoopgevend. Hetzelfde gold voor de verplicht verpleegden met een seksuele afwijking, de pedofielen, de verkrachters. Hen werd de castratie als redmiddel voorgehouden. Ook dat had weinig resultaat. Er moest gezocht naar andere oorzaken.

In de jaren ‘50 kreeg de situationalistische theorie grote aanhang onder psychiaters. De asiels voor misdadige psychopaten zaten voornamelijk vol met mannen die hun jeugd doorgebracht hadden in erbarmelijke omstandigheden, verwaarloosd door de ouders of grootgebracht in kindertehuizen waar nauwelijks aandacht voor ze was. Affectieve verwaarlozing in de jeugdjaren als verklaring voor afwijkend, onaangepast, gevaarlijk gedrag was het nieuwe Ei van Columbus. Warmte, aandacht, inzicht verschaffen via psychiatrische behandelingen als psychoanalyse werden als de nieuwe remedies gezien. En er moest een serieuze start gemaakt worden met onderzoek naar de psyche van de criminele psychopaat. Dr. Mr. P.A.H. Baan verkondigde zijn ideaal niet alleen met woorden maar opende in Utrecht een observatiekliniek, de voorloper van het Pieter Baan Centrum. Daar werden gearresteerden onderzocht voordat ze naar de rechter gingen voor een veroordeling en tegelijkertijd werkten psychiaters en psychologen aan de ontwikkeling van diagnostieken.

Prof. Dr. W. Goudsmit, in de jaren ‘50 psychiater in opleiding aan de Universiteit van Groningen waar hij te maken kreeg met de denkbeelden van professor Baan die daar les gaf herinnert zich:
“Baan, of Baanzin zoals ik hem wel noemde, was de pionier van de TBR. Hij maakte veel drama en riep steeds maar weer dat het zo niet langer kon. Hij dacht dat mensen die misdaden pleegden allemaal psychopaat waren en was er van overtuigd dat ze behandeld konden worden. Het is ook de tijd dat de psychoanalyse populair wordt. Pillen worden ingeruild voor de bank. Hij zag alles liever dan louter straf en schakelde mensen met allerlei achtergronden en verschillende ideeën in.” Nog geen drie jaar na de opheffing van de Stopwet vorderden de rechters meer dan ooit TBR. Gemiddeld zo’n 250 per jaar. De minister van justitie waarschuwde dat de asiels weer overvol raakten. Het mocht niet baten. Goudsmit: “Nu is de voorwaarde voor TBS dat je in staat bent tot levensbedreigende misdaden. Toen gaf een rechter te pas en te onpas TBR. Dat kun je je nu niet meer voorstellen maar het gebeurde dat iemand TBR kreeg als het smoel van de man hem niet aanstond. Er werden onderlinge afspraken gemaakt tussen rechters en psychiaters. Echt waar.” Vijf keer gestolen, vier keer de opdracht van de veldwachter niet opgevolgd, te veel langs de kant van de weg gezworven, met het potlood gevent, in het openbaar dronken geweest, een moord gepleegd, een kind verkracht, alles kon reden zijn voor een TBR. Gevaar voor de openbare orde was toen nog en ruim begrip.

Hans Noltes, al vanaf zijn jonge jaren werkzaam in de wereld van de onaangepasten en vanaf 1967 groepsleider in de van Mesdag-inrichting in Groningen: “De sfeer na de oorlog was die van hoop, groei en toekomst. Zo werd ik ook opgeleid. Men dacht dat het werkte om iemand te helpen en dat iemand dan na 2 jaar TBR weer vrij kon zijn. Het was allemaal niet zo doordacht maar de woede om te genezen was groot. Toen gedetineerde patiënten steeds weer voor verlenging van de TBR bij de rechter werden voorgedragen en bleek dat genezing dus zo makkelijk niet was leidde dat tot grote verwarring.”

Explosieve groei aantal TBR-ers
Het behandelingsoptimisme van wat wel de Utrechtse school wordt genoemd kreeg in de loop van de jaren ‘50 steeds vaker te maken met criticasters.Volksstemmingen werden er niet gehouden, maar menswetenschappers, rechtsgeleerden, psychologen, criminologen, sociologen, overal vandaan kwamen mensen die vraagtekens zetten. Waar is het bewijs dat psychisch gestoorde delinquenten zodanig te behandelen zijn dat er verminderd recidivegevaar ontstaat? En, echt Hollands, tegen welke prijs? Is het niet onrechtvaardig een delinquent op te zadelen met een experimentele behandeling die oneindig kan duren? En waarom krijgen mensen de zware maatregel van wat een oneindige opsluiting kan worden voor weliswaar lastige, maar absoluut de veiligheid van de samenleving niet aantastende overtredingen? En wie bepaald wanneer een delinquent niet langer gevaarlijk is? Er bestond grote vrees voor de psychiatriesering van het strafrecht.

Ondanks alle scepsis wonnen de psychiaters toch terrein. In 1951 kwam er een nieuwe beginselwet. Het roer moest om: de verplichte kerkgang afgeschaft, godsdienstige verzorging ingeruild voor geestelijke verzorging, meer tijd voor ontwikkeling en ontspanning, de geestdodende verplichte arbeid aangepast, en er moest naar oplossingen gezocht worden voor de maatschappelijke moeilijkheden van de gedetineerden. Kortom de straf of maatregel moest voortaan daadwerkelijk in het teken staan van de terugkeer naar het gewone dagelijkse leven.
Een jaar later volgde een nieuw initiatief, wederom op instigatie van Baan. Het Selectie Instituut voor Terbeschikkinggestelden dat toen geopend werd zal vanaf dan veroordeelden diagnosticeren en selecteren op hun geschiktheid voor een bepaalde therapie en de daarbij passende kliniek.

Mijnheer A. Keur, nu 75 jaar, kreeg er als een van de eersten mee te maken. “Ik kreeg voor joyriden TBR. De rechter die ik vroeg wat dat was zei: “U bent patiënt, u moet naar een inrichting. Ik moest naar het Selectie Instituut, Baan ging daarover. Ik moest blokjes in elkaar zetten en ze lieten me plaatjes met vlekken zien en dan moest ik zeggen wat het was. In een half uur waren ze klaar. Een commissie van 8 directeuren van verschillende inrichtingen besloten daarna wat er met mij moest. Het werd Avereest. Dat was een gesloten inrichting. Daar moest ik heen omdat ze dachten dat ik weg zou lopen. Ik zei nog dat ik dat niet zou doen maar daar luisterden ze niet naar.”

Het is ook in die tijd dat er nieuwe plekken voor TBR-ers gecreëerd werden. Onder andere in de oude van Mesdag-gevangenis in Groningen. 27 juni 1952 kreeg de Groningse inrichting de status van Noodasiel voor psychopaten, naast de status van gevangenis. Vooral de zwaardere, agressievere, ongemotiveerde mannen die in de particuliere inrichtingen geweerd werden vinden daar een plek.

Van gevangenis tot inrichting
Dr. S. Van Mesdag Noodasiel voor psychopaten
Emeritus hoogleraar forensische psychiatrie prof. W. Goudsmit was de eerste geneesheer-directeur van de van Mesdag gevangenis aan de Hereweg 128 in Groningen. Hij begon zijn werk in 1953, ongeveer tegelijkertijd met het uitroepen van de gevangenis tot “Noodasiel voor psychopaten” en stond aan de wieg van de grote veranderingen die de wijziging tot behandelingskliniek met zich meebracht. “Ik was psychiater in opleiding. Mijn baas zei, de psychiater in de van Mesdag heeft een mes tussen de ribben gekregen en is met geen 7 paarden terug te krijgen. Jij moet er heen. Van de ene op de andere dag zat ik er. Baan werd mijn supervisor.”

Hij kwam in een gevangenis die totaal niet was voorbereid op de komst van een stroom Terbeschikkinggestelden. Het bleef een strafgevangenis, gebouwd in de ouderwetse tradities van de negentiende eeuw. Voor de gevangenen tafel, stoel, bed en een pisemmer in de hoek. Bewakers met pistolen in de holster voor de deur. Orde en discipline, geen gesprekken tussen bewaarders en bewaarden, verplicht werken in de cel. Straffen bij overtreding van de regels, isoleren bij overlast zijn nog de belangrijkste toverwoorden. Een bewaarder: “We hadden de oorlogsmisdadigers nog meegemaakt. Wisten niet beter dan dat een gevangene streng aangepakt moest worden. Die psychisch gestoorden hadden geen controle over zichzelf. Nu zijn TBS-ers zombies, maar toen sloegen we ze in elkaar. Als je ze flink klappen gaf haalde je de agressie los. Wisten wij veel.”

Goudsmit: “Veruit de minderheid van de gevangenen had TBR. Maar door de propaganda van Baan kwamen er steeds meer, het liep de spuigaten uit. Waanzin was het. Een aparte afdeling was er niet. Alles zat door elkaar. De directeur was een oude bezem uit Veenhuizen. Ik zei: dit zijn mijn patiënten. Hij zei: ach, dat zijn psychopaten, die moeten zich vooral rustig houden. Ik eiste dat ik ze allemaal wilde zien. Ze hadden toen nog allemaal een nummer, geen naam. Zeiden de bewakers: Jij moet bij de psychopaat komen. Wisten die veel. Sommigen zaten de hele dag op cel, kregen dikke spuiten om ze kalm te houden. Een kaart met een grote vette P hadden ze op de deur. De P van psychopaat. Er was er ook een, die noemden ze de man des doods, die haalden ze alleen met 4 bewaarders gewapend met ijzeren staven uit de cel. Toen ik daar binnen kwam en zei dat ik met hem wilde praten vond hij dat maar gek. Een ander zat al 5 maanden op strafcel. Toen ik naar het waarom vroeg zei de directeur: “Hij is homoseksueel, hij besmet mijn hele tent.” Ik trof hem aan in een hoekje van zijn cel, hij had zich helemaal klein gemaakt, volkomen kapot gemaakt. “Verlos me uit deze hel dokter” zei hij.” Het duurt nog tien jaar tot gevangenen en dwangverpleegden van elkaar gescheiden worden en eigen afdelingen krijgen met een daarbij passend regiem.

Therapie
Werken was goed voor je en bovendien een mooie inkomstenbron voor de inrichting. Keur herinnert zich van Avereest: “Een behandeling kreeg je daar niet. Elke ochtend ging een toeter, dan moest je in een rij staan voor het gebouw, werd iedereen geteld en dan aan het werk. De hele dag. Ik vond het min. Iedere dag hetzelfde ritueel. Vrijheid had je niet.” En Goudsmit: “Ze moesten werken want anders kregen ze celarrest. Bij goed gedrag kregen ze wat meer bewegingsvrijheid, arbeidstherapie. Konden ze een beroep leren, houtbewerker of drukker. Er kwam eens een opdracht binnen van de gynaecologische kliniek, moesten ze blote vrouwen drukken. Voor de psychopaten werd niets extra’s gedaan, ze draaiden mee met de gewone gevangenen en werden net zo hard opgesloten.” Van behandelen kwam nog niet veel; geld, mankracht en ideeën ontbraken. Het grote experimenteren was aangebroken.

Goudsmit: “Ik had er geen bal verstand van. En niemand niet. Elke kliniek probeerde wat anders uit. En er zat veel cachet omheen. Er werd wild psychotherapie gedaan, maar ook counseling a la Rodgers, leren luisteren heette dat. Castratie werd op zekere artiesten toegepast, nu verboden, op de duizend gevallen is het voor een nuttig. De eerste pillen kwamen. Een chronische knapengebruiker gaf ik lynoral, een geslachtsremmer. Hij kwam naar me toe en zei: “Dokter, wat een weldaad voor het eerst heb ik geen hoofdpijn meer.” Ik heb alcoholisme bestreden met apamorfine, een braakmiddel. Liet ik ze eerst jenever drinken, wat natuurlijk helemaal niet mocht in de gevangenis, spoot ik ze daarna in en dan moesten ze heel erg kotsen. Ook verboden nu, niet erkend als therapie. Met narcoanalyse heb ik ook gewerkt, een slaapmiddel inspuiten en dan praten mensen makkelijker”.

De TBR-ers onderwierpen zich machteloos aan de experimenten wetende dat ze afhankelijk waren van het oordeel van de psychiater. Tegenwerken, protesteren had in ieder geval geen zin, dat verlengde alleen je deternering maar. Mijnheer A. Keur: “Ze gingen er van uit dat je weer van begin af aan moest beginnen, vanaf het moment dat je geboren bent. Je moest over je eigen ik vertellen. Na 4 jaar kreeg ik een droge mond van het kletsen en zei: Bekijk het maar. Ik vond mezelf niet verminderd toerekeningsvatbaar. Maar daar zeiden ze steeds dat wij niet hoefden te denken, dat zij dat voor je deden, je had niets te vertellen, je was een patiënt. Deed je het wel dan ging je de isoleer in. Ik ben veel weggelopen. En steeds weer werd de TBR verlengd. Omdat ik geen behandeling wilde. Ik werd er gek van, en heel boos, driftig”.

Opstand
Dokter Goudsmit kreeg in 1959 opdracht nieuwe hulptroepen binnen te halen. Tot dan had hij het moeten doen met zes broeders en een maatschappelijk werker. Goudsmit: “Het was echt de bedoeling van de gevangenis een huis voor psychisch gestoorde delinquenten te maken. Maar dat viel niet mee. Mentaal waren we er nog niet aan toe. Er waren te weinig goed opgeleide mensen. Er werden intern cursussen georganiseerd voor een aantal bewaarders. Ze moesten groepsleider/ therapeut worden. Na een half jaar zag ik het mis gaan. Ik voelde haat onder de patiënten. Ze hadden gehoopt dat de van Mesdag een kliniek zou worden waar ze als patiënt genezen zouden worden maar dat lukte niet, er was niemand die daarvoor goed was opgeleid”.

Inmiddels is op 1 januari 1962 de van Mesdag niet langer Noodasiel maar officieel TBR inrichting. Gezonde gedetineerden waren er niet meer, alle aandacht kon uitgaan naar de gedetineerde ontoerekingsvatbaren. Het ging allemaal langzaam en krakkemikkig. Ze deden maar wat, nog steeds. Er moest gezocht worden naar wat zinvol was voor de TBR-ers. Gewerkt kon er voortaan worden in de werkplaatsen, er kwamen ruimten voor gemeenschappelijk gebruik en recreatie waar zelfs een tv stond, een groot sportveld moest voor wat beweging zorgen, sanitaire ruimtes vervingen de emmer op cel. Het begeleid verlof werd ingevoerd, even een paar uurtjes de stad in, op familiebezoek, naar een cursus of sportvereniging onder begeleiding van een inrichtingsfunctionaris.

Psychiaters, psychologen en therapeuten ontbraken nog vrijwel. En de psychiater die er wel was had te veel taken, hij moest en de patiënt behandelen en de rechter adviseren en het personeel motiveren en opleiden. Het oude gevangenisregiem van opsluiten en verplicht dragen van de gevangeniskledij bleef ondertussen bestaan. Een oud bewoner die van 1962 tot 1978 doorbracht in de van Mesdag omdat hij een kind van 8 jaar vermoordde: “Ik wilde geen behandeling want je bent of ziek en ze proberen je te genezen of je hebt straf verdiend en ze zetten je vast. Maar je kreeg allebei. Niet eerlijk.” Goudsmit: “Ze werden inderdaad belazerd. En slecht behandeld. Onderdrukking en repressie heersten. Een psychotische man, had iemand vermoord, schreef sprookjes, lieve man, wilde niet werken. Hij moest bij de directeur komen, op zijn knieën, zo van ik ben de baas. Dat mag je mensen niet aandoen. Ik waarschuwde de directie voor een opstand, ze lachten me uit.”

Zowel TBR-ers als bewakers wisten niet meer waar ze aan toe waren. Irritaties liepen op. Er braken twee opstanden uit. De eerste op 6 januari 1963, de tweede mei 1964. Het begon allemaal met een mislukte vluchtpoging. Twee mannen die hun tralies hadden doorgezaagd werden op het matje geroepen bij de directeur. Dat waren ze niet van plan te doen. Ze wilden eerst een gesprek over hun veel te lange opsluiting op cel. Toen de eis niet direct werd ingewilligd gaven ze het sein voor de opstand. 85 patiënten mengden zich in de strijd. De zware deuren van de cellen werden over de railing van de ringen gegooid, bewakers met stoelen en vaatwerk bekogeld, dekens en matrassen in de brand gestoken, ruiten stukgeslagen. Een van de bewakers rende naar de tegenovergelegen kazerne en vroeg om bijstand. Militairen met stenguns boden hulp, al snel gevolgd door gehelmde marechaussees en rijkspolitiemannen. De opstandelingen werden overmeesterd, sommigen in isoleercellen gezet, anderen overgeplaatst. Schade zo’n 20.000 gulden. De directie schreef de opstand toe aan de onbekwaamheid van het personeel.

Maar de opstand was niet voor niets geweest, hij trok de aandacht van de politiek. Minister van justitie mr. A.C.W. Beerman kwam op bezoek. Er werden kamervragen gesteld. Er kwam meer geld voor meer personeel, de TBR-ers kregen 2 televisietoestellen en provisorisch werd er wat verbouwd om een begin van een einde te maken aan de slechte accommodatie. Het zou niet genoeg zijn. De nieuwe groepsleiders, die de gevangenen eerder als bewaarders meegemaakt hadden, kregen het niet voor elkaar het vertrouwen te winnen. Ze werden uitgedaagd, gepest met kleine prikacties. Hoezo moeten we ineens met jullie praten? En ons daarna weer in de cel stoppen? De verwarring was compleet. Gedetineerden bleven weg van het werk, weigerden pantoffels te dragen, klaagden over de onduidelijke behandeling, weigerden gesprekken. De tegenreactie was straf, minder vrijheid, isoleer. De verwachtingen van de TBR waren hoog, eindelijk zicht op vrijheid, maar de praktijk bleek anders. De patiënten kwamen er achter dat vrijheid niet zomaar kwam, ze moesten er iets voor doen, inzicht verwerven, praten, praten, praten, gehoorzamen, leren luisteren en zeker niet tegenspreken. Zo niet, dan nog twee jaar erbij. Een behandeling kon wel 4,6, misschien wel 20 jaar duren. De frustraties en emoties namen toe.
Bewakers voelden zich niet meer veilig en gedroegen zich daar ook naar. Ze mopperden over slechte betaling voor zwaar werk, draaiden soms weken van 70 uur, klaagden over te veel begrip voor slecht gedrag van gedetineerden. Ze geloofden niet in hun nieuwe taak van ongeschoolde verpleger die opdracht kreeg te omhullen met begrip en waar te nemen met geduld, zodat de verpleegden konden herstellen. Er was maar een vonk nodig voor een nieuwe opstand en die kwam. Goudsmit: “En toen had ik er genoeg van. Ik ben midden in de gevangenis gaan staan en heb tegen de directie gezegd: dit is jullie verantwoording, ik ga weg.”


De Hel van Groningen
Twee opstanden in zo’n korte tijd. Dat kon geen toevalligheid zijn. De pers kreeg lucht van de onrust die zich binnen de tot dan toe gesloten gevangenismuren afspeelde. Het was de Telegraaf die in 1966 fel van leer trok. Niet met een pleidooi voor maar met een aanklacht tegen de directie. Ze verweet hen nog steeds cipier te zijn in plaats van geneesheer en gaf de inrichting een nieuwe naam: De Hel van Groningen. De krant betichtte de behandelaars van ‘willekeur en machtsmisbruik waaraan TBR-ers zijn overgeleverd zonder dat ze zich te kunnen verweren’ en schreef over de directeur: “Hij heeft bijna 100 weerloze mannen onder zijn hoede. Gewapende mannen beveiligen hem als de slang richt. Onder druk van vier atmosfeer nagelt ijskoud water een brullende figuur tegen een celmuur”. De slang waar de Telegraaf over schreef is een, tegelijk met een Amerikaans traangaspistool, speciaal voor therapeutische behandeling aangeschafte Volkswagenmotor brandspuit waarmee opstandige patiënten tot kalmte gemaand werden.
Publicaties in andere kranten en weekbladen volgden. Ze publiceerden over patiënten die, tegen de voorschriften in, maanden aaneengesloten in de isoleer zaten. Het Vrije Volk vertelde het verhaal van een man die ter beschikking was gesteld voor een klein economisch vergrijp en met injecties rustig gehouden werd.

Ook andere TBR-klinieken kregen het te verduren. De kritiek bleef aanhouden, jaren achtereen. Er werd ontdekt dat er binnen de muren van de inrichtingen jaren lang maar wat geëxperimenteerd was. Ook de advocatuur ging zich ermee bemoeien. Patiënten die nog nooit een advocaat gezien hadden kregen ineens onverwacht bezoek. Er werd een zwartboek geschreven. De publicaties sorteerden effect. Na kamervragen kreeg de recherche en een speciaal geformeerde commissie opdracht onderzoek te doen naar de wantoestanden. Ze rapporteerden dat ze geen noodzaak zagen tot veranderingen.

Desondanks meldde Justitie in 1969 dat de geneesheer-directeur zijn functie zou neerleggen. Hij verloor van de publicitaire druk. Publiciteit die geen oog had gehad voor de vaak niet geringe misdaden waarvoor de patiënten vastgehouden werden en met nauwelijks aandacht voor de veranderingen die voorzichtig ingevoerd waren: De vogelkooien en aquariums die vanaf 1963 de cel in mochten, de vele keren dat justitie geld weigerde te geven voor meer en beter personeel en zelfs niet wilde betalen voor de opleiding van het personeel die de directie zelf verzorgde. Ook werd niet verteld dat de directie bij zijn aantreden voortvarend aan de slag ging met verloven en proefverloven. De vrijheid van de gedetineerden werd beperkt nadat bleek dat de eerste jaren zo’n 30% toch weer met justitie in aanraking kwam en de onrust onder de bevolking en die van justitie toenam.

En al helemaal niet was geschreven dat in 1968 patiënten van de van Mesdag voor het eerst met vakantie gingen. Een niet gering experiment dat zorgvuldig werd voorbereid, want stel je voor dat het onderweg mis ging. Het ging goed maar het zou niet vaak weer gebeuren. De directeur verliet in 1969 de poort en werd opgevolgd door een jonge, net afgestudeerde zenuwarts. De minister van justitie zag inmiddels in dat er geld moest komen voor echte verbeteringen. En dat kwam er, zo’n 15 miljoen. De grote verbouwingen konden beginnen.

Een nieuwe directeur.
Een nieuw tijdperk.
De nieuwe directeur kreeg vrijwel direct na zijn aantreden te maken met een kritische pers maar de toon was dit keer geheel anders. In juni 1969 ontvluchtten twee TBR-ers tijdens hun middagje winkelen en verkrachtten een 12-jarig meisje. De kranten, inclusief de Telegraaf keerden zich weer tegen de directie, maar nu omdat TBR-ers te veel vrijheid hadden. Hij liet zich niet van zijn stuk brengen, zocht direct de publiciteit en legde geduldig uit: “De allereenvoudigste manier is inderdaad dit soort patiënten levenslang op te sluiten, op te hangen of dood te schieten, maar als je het zo stelt ken je de mensen en hun problematiek niet.” Hij kwam er mee weg.

De jaren’70 stonden voor de deur, de jaren dat taboes doorbroken werden. Ook in de van Mesdag ging de bezem er door heen. Er kwamen paviljoens, douches, alles ging er wat vriendelijker uitzien. De inrichting van de cellen werd een zaak van de celbewoners zelf die ze omtoverden tot stampvolle psychedelische hokken versierd met visnetten en donkerrode doeken. De patiënten hoefden niet langer gevangeniskleding te dragen, maar mochten aan wat ze wilden. Patiënten werden uit de isoleer gehaald en als ze ‘te gek’ waren en maar voor een klein delict zaten overgeplaatst naar een open inrichting. Platspuiten was niet meer toegestaan. Groepsleider Noltes: “De nieuwe directeur bleef altijd maar praten. Sancties op slecht gedrag werden ook minder. Ik weet nog dat er verbouwd werd, via de stellages verdwenen 4 jongens. Normaal moest iedereen dan op cel zodat je kon tellen wie er waren en wie niet. Een groep weigerde. We wilden de gewapende hand er bij halen. Dat mocht niet. Er werd net zo lang gepraat tot ze wel naar binnen gingen. Ze moesten daarna wel op cel, maar voor 1 nachtje. Dat hadden we nog nooit meegemaakt. We hadden het er wel moeilijk mee. Voelden ons onveiliger ”.
En er kwam vrouwelijk personeel.

Noltes: “Daar waren we tegen. Je moest van elkaar op aan kunnen, je wist dat er levensgevaarlijke gekken tussen zaten die je soms met man en macht te lijf moest. Dat kun je een vrouw toch niet laten doen. En is het niet mensonterend voor een lastige naakte patiënt als er een vrouw boven op hem komt zitten, dat kan toch niet? Maar het ging door. En we kennen de gevolgen. Er zijn heel wat ongelukken gebeurd. Vrouwen die verliefd werden en dus chantabel.”
Ook de sociotherapeuten, mensen met een echt diploma op zak, rechtstreeks van de sociale academie, rukten op. Noltes: “Wat moesten we met die mannen met lange haren. Het gaf onrust en angst onder het personeel. Zij zouden wel even zeggen hoe het moest. Het werd moeilijk voor ons. We werden aangevallen.”

De verplichting te werken verviel en de TBR-ers konden WAO aanvragen. Oud bewoner G: “Het werd allemaal veel vrijer. We beschikten over meer geld. Ik weet nog dat een gevangene me vroeg een burgerpak voor hem te maken zodat hij makkelijker kon vluchten. Ik had een naaimachine in de cel. Hij betaalde er goed voor.” De van Mesdag moest meer gaan lijken op het leven daar buiten, een beetje humaner. De seksuele revolutie ging de poort ook niet voorbij. De oud bewoner met een bijzondere belangstelling voor kleine jongens: “Plaatjes van blote vrouwen waren ten strengste verboden. Maar ineens mochten we seksboekjes bestellen. Alleen, het personeel durfde ze niet te kopen. Toen hebben ze mij gevraagd dat te doen. Ik zamelde geld in en ging naar een winkel die ik kende. Uren zat ik daar te zoeken”.

Wetten veranderen.
Het aantal mensen dat TBR kreeg liep op tot zo’n 2000 per jaar. De populatie veranderde wel. In 1965 was 52% van de dwangverpleegden vermogensdelinquenten, in 1975 was dat nog 25%. Het aantal recidivisten in deze groep was hoog, TBR of niet, ze bleven oplichten en stelen. De behandeling faalde en dus kreeg ze steeds minder vaak de maatregel opgelegd. In 1983 was hun aantal zelfs tot 4% gedaald. Hun plaats werd ingenomen door (seksueel) agressieve misdadigers. Bijna 50 % van de mensen die in 1975 TBR kregen hadden geweld gepleegd, tegen 13% in 1965.
A. Keur, wiens TBR tot 1969 steeds maar weer werd verlengd kreeg er genoeg van: “Ik vroeg wel steeds waarom je voor kleine misdrijven zo lang vastgehouden werd maar dan kreeg je geen antwoord of er werd gezegd “dat begrijp je toch niet”. Pas na 11 jaar onafgebroken TBR begon er een belletje te rinkelen. De jongens zeiden tegen me dat ik een advocaat moest bellen. Toen ik buiten mocht gaan wandelen heb ik in een telefoonboek het nummer van een advocaat gezocht. Het was zaterdag dus ze werkten niet, maar bij een naam stond een privé-nummer. Voor het eerst in al die jaren zag ik een advocaat. Hij heeft een brief naar de rechtbank geschreven en toen de zaak voor moest komen mocht ik voor het eerst mee. Toen ik de rechter vertelde dat ik voor joyriden en een diefstal van 635 gulden meer dan 11 jaar aaneengesloten TBR had gekregen zei de rechter: dat is een beetje veel. De psychiater vroeg weer verlenging maar de rechter gaf die niet. Hij droeg de inrichting op naar werk en onderdak voor me te zoeken. Dat deden ze niet.Van de ene dag op de andere stond ik op straat. Met niets. Eindelijk vrij, maar het was wel wennen. Ik was al gauw overspannen. Zat de hele dag aan die rotlui te denken. Helemaal goedgekomen is het nooit.”

In 1988 werden de Psychopatenwetten afgeschaft en de naam TBR, Ter Beschikkinggesteld van de Regering gewijzigd in TBS, simpelweg Terbeschikkingstelling. De maatregel kon vanaf toen alleen opgelegd worden aan mensen die delicten gepleegd hadden waarop een gevangenisstraf van 4 jaar of meer stond. Argument was niet langer het groeiend aantal TBS-ers maar het gebrek aan vertrouwen in de behandeling. De rechters kozen steeds vaker voor gevangenisstraffen. Ze geloofden niet meer in de mooie praatjes van psychiaters en psychologen toen uit de cijfers bleek dat het aantal recidives en ontvluchtingen niet afnam na een Terbeschikkingstelling. Ook drong het besef door dat TBS behandeling ingrijpend was en uitzichtloos lang kon duren. Het middel zou daarom alleen nog ingezet mogen worden voor ernstige misdadigers.

Noltes, vanaf 1967 groepsleider in de van Mesdag, opgeklommen tot psychotherapeut en nog altijd actief voor gedetineerden: “Ik blijf pleiten voor het systeem. Toen hoopte en bad je dat het goed zou komen. Het was allemaal het begin. Mensen van over de hele wereld kwamen bij ons op bezoek om te kijken hoe we het deden. Nu zeg je, hoe kon je het allemaal bedenken, psycho analyse voor psychopaten, zo’n elitair middel. Nu weten we dat mensen er ook slechter van kunnen worden. En het idee dat we dachten dat ze het daarna nooit meer zouden doen. Maar toen dachten we, we kunnen het nog niet goed, maar we gaan het proberen en eens zal het goed komen. We moeten wat bescheidener zijn in onze aanpak, zorgen dat ze werk hebben en hun beheersing trainen.” Een psychiater zei het al in 1968 tegen de Gelderlander: “Ik geloof dat we heel bescheiden moeten zijn, het kan nog wel 50 tot 100 jaar duren voor we precies weten hoe het moet.”

Tekst en research: Hendrina Praamsma
Regie: Carla Tromp

Bronnen

GEINTERVIEWDEN
W. Goudsmit- psychiater
P. van Geel, bewaarder - sociotherapeutisch medewerker
T. Jansen- bewaarder - idem
F. Bodenstaf- bewaarder - idem
R. Gras- bewaarder -idem
A. Keur- ex-TBR patient
H. Noltes- psychotherapeut

Literatuur
Wim Derks. Zo waarlijk helpe mij Freud almachtig. Balans 1986.
Tjakko Roman .Van harentwege verpleegd. Arbeiderspers 1971
Wim Hazeu Gerrit Achterberg. Een biografie. Arbeiderspers 1988.
W. De Haan. De criminele psychopaat. Hilversum. 1967
Maandblad voor berechting en reclassering. April 1969, Nr. 4
Medisch Contact 12-13 -1968
De forensische psychiatrie. Mr. W. Nieboer.
AD 19/12/1964
Telegraaf 1966-1970
Haagse Post 21/5/1966 en 3/8/1968
NvhN 1/6/1968
Gelderlander, februari en maart 1968
Serie artikelen van Jos Ahlers over TBR