We hebben 160 gasten online

Vrijspraak seks-chat gymleraar

Gepost in Valse aangiften

De affaire rond een dertigjarige gymnastiekleraar uit Den Helder die chatseks had met twee minderjarige leerlingen krijgt een vervolg.

Het openbaar ministerie is in hoger beroep gegaan tegen de vrijspraak waartoe de rechtbank in Alkmaar in december 2008 besloot.

Tegen de man, werkzaam op het toenmalige 't Zwet, was een celstraf gelijk aan 205 dagen voorarrest en zeventig dagen voorwaardelijk geëist. Hij werd ervan verdacht in 2006 seksueel getinte msn-berichten aan twee vijftienjarige meisjes van zijn klas verzonden te hebben. Na de publiciteit meldde zich een ander meisje dat vier jaar eerder seks met de leerkracht had gehad. Ze was toen vijftien jaar oud.

De rechtbank hield geen spaan heel van de aanklachten. De computerboodschappen konden niet worden aangemerkt als seksuele handelingen. De verklaringen van de leerlinge die seks met de docent zou hebben gehad waren tegenstrijdig.

LJN: BG6377, Rechtbank Alkmaar , 14.810404.06  
Datum uitspraak: 10-12-2008
Datum publicatie: 10-12-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Vrijspraak voor gemeenschap met een minderjarige en het uitlokken van een minderjarige tot ontucht. Seksueel getinte MSN-berichten zijn geen ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
RECHTBANK ALKMAAR
Sector straf



Parketnummer : 14.810404.06
Datum uitspraak: 4 december 2008
TEGENSPRAAK


VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H. Teunisse, advocaat te Den Helder, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september
2005 tot en met 10 mei 2006 in de gemeente Den Helder en/of (elders) in het
gerechtelijk arrondissement Alkmaar, in elk geval in Nederland, een of
meermalen door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend
overwicht en/of door misleiding, (telkens) een of meer minderjarige(n), te
weten: [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] en/of [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], waarvan verdachte (telkens) wist
of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze/die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, opzettelijk heeft
bewogen ontuchtige handelingen of zodanige handelingen van verdachte te
dulden,door (telkens) een of meer sexueel getinte berichten en/of uitspraken
en/of mededelingen en/of opmerkingen, te weten:
-"ik wil het ook snel met je doen" en/of
-"maar je vind niet iets heeeeeeeeel lekker. een standje of handeling of
zoiets? pijpen, likken enz" en/of
-"maar pijpen is wel supergeil" en/of
-"slik je ook" en/of
-"jawel, maar heb nu vreselijk veel zin" en/of
-"je lekker hard nemen" en/of
-"je lekker likken...en spelen met mijn vingers" en/of
-"en ik had je lekker doggystyle genomen" en/of
-"ik had lekker langzaamm en diep in je gegaan en sneller en sneller en harder
totdat je zachtjes begint te kreunen" en/of
-"ik ben in het echt veel leuker en vreselijk goed in het bevredigen van mooie
vrouwen die opgewonden zijn" en/of
-"want ik weet dat je nat bent" en/of
-"wil je niet lekker mij diep in je voelen"
althans (telkens) woorden van dergelijke strekking en/of inhoud,
per computer (MSN) naar die/deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te sturen en/of te
zenden;

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september
2002 tot en met 31 januari 2003 in de gemeente Den Helder en/of (elders) in
het gerechtelijk arrondissement Alkmaar, met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien
jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft
gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte (telkens)
-zijn geslachtsdeel in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of geduwd, en/of
-zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] gestopt en/of geduwd en/of gebracht, en/of
-over/op de (ontblote) borsten en/of de vagina van die [slachtoffer 3] gewreven en/of
geaaid, en/of
-zich door die [slachtoffer 3] doen of laten aftrekken;
Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september
2002 tot en met 31 januari 2003 in de gemeente Den Helder en/of (elders) in
het gerechtelijk arrondissement Alkmaar, (telkens) ontucht heeft gepleegd met
de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige
[slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum], immers heeft verdachte
(telkens)
-zijn geslachtsdeel in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of geduwd, en/of
-zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] gestopt en/of geduwd en/of gebracht, en/of
-over/op de (ontblote) borsten en/of de vagina van die [slachtoffer 3] gewreven en/of
geaaid, en/of
-zich door die [slachtoffer 3] doen of laten aftrekken;

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard, nu het openbaar ministerie in strijd met de ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ (vastgesteld op 30 november 2004 en inwerking getreden op 15 februari 2005) heeft gehandeld door de verhoren van verdachte en de aangeefsters niet audiovisueel vast te leggen.
Voorts merkt de raadsman op dat [school] in strijd met artikel 3, lid 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs heeft gehandeld door niet in overleg te treden met de vertrouwensinspecteur, nadat bekend is geworden dat een persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden jegens een minderjarige leerling van de school.

Hetgeen de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot een niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de beschikbare stukken niet kan worden afgeleid dat er steeds geluidsopnamen zijn gemaakt van de diverse aangiften en verhoren van verdachte, zoals onder 2.1 in de aanwijzing wordt voorgeschreven voor zaken als de onderhavige. Nu verdachte steeds hetgeen hem verweten wordt heeft ontkend, en ook ter terechtzitting bij deze ontkenning is gebleven, terwijl de aangeefster op de zitting is gehoord over onder meer de wijze waarop haar verklaring bij de politie tot stand is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat deze tekortkoming niet zodanig is dat het zou moeten leiden tot niet ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat de school – kennelijk –
in strijd heeft gehandeld met toepasselijke wetgeving en/of richtlijnen naar
het oordeel van de rechtbank niet de ontvankelijkheid van het openbaar
ministerie raakt.
Het voorgaande betekent dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank ziet geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is onder 1, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegd.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden door naar deze aangeefster seksueel getinte MSN-berichten te sturen.
Naar het oordeel van de rechtbank vallen de in de tenlastelegging opgenomen MSN-berichten niet onder ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 248a van het Wetboek van strafrecht. Blijkens de wetsgeschiedenis dienen deze handelingen van seksuele aard, en in strijd met de sociaal-ethische norm te zijn. De rechtbank is van oordeel dat het via MSN voeren van een seksueel getint gesprek te ver afstaat van hetgeen de wetgever beoogt heeft strafbaar stellen.
Daar verdachte reeds hierom vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde feit, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige door de raadsman gevoerde verweren.

Met betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.
Op 7 juli 2006 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan van het feit dat zij in de periode tussen oktober 2002 en januari 2003 op verschillende plaatsen drie keer gemeenschap met verdachte heeft gehad. Zij heeft in deze aangifte zeer gedetailleerd aangegeven waar, wanneer en op welke wijze de gemeenschap heeft plaatsgevonden.
Verdachte was destijds gym- en biologieleraar op [school] te [plaats, waarvan [slachtoffer 3] leerlinge was. Zij was toen [jaartal] jaar oud.

Ter terechtzitting is [slachtoffer 3] op verzoek van de verdediging uitgebreid als getuige gehoord, waarbij zij onder meer heeft verklaard op welke wijze haar verklaring bij de politie tot stand is gekomen. Zij verklaarde hierover dat zij in het gesprek met de politie zich aanvankelijk noch de precieze gang van zaken rond de geslachtsgemeenschap die zij met verdachte had gehad noch het aantal keer dat dit was gebeurd kon herinneren. Vanwege het aanhoudend doorvragen van de politie voelde zij zich echter verplicht de vragen zodanig te beantwoorden dat het uiteindelijk, ook voor haar, leek alsof het gegaan was zoals in haar schriftelijke aangifte staat.
Aangeefster heeft ter zitting verklaard dat zij minimaal één keer seksueel contact (in de vorm van geslachtsgemeenschap) met verdachte heeft gehad. Ze kon zich echter niet herinneren waar, wanneer en op welke wijze dat seksueel contact heeft plaatsgevonden.

De verdachte heeft in elk stadium van het proces ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Hij stelt te vermoeden dat de verklaringen van aangeefster zijn ingegeven door vertaling van seksuele contacten met een ander naar de vertrouwensrelatie die zij met verdachte had.

Gelet op het door aangeefster ter terechtzitting verklaarde is er voor de rechtbank onvoldoende houvast om uit te gaan van de juistheid van haar verklaring dat er wel gemeenschap heeft plaatsgevonden tussen haar en verdachte.

Naast de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] bevat het dossier ook overigens geen bewijsmiddelen uit een andere bron waardoor haar verklaringen gestaafd zouden kunnen worden.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is, hetgeen aan verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste is gelegd.

5. Vordering van de benadeelde partijen

Op de terechtzitting is verschenen een persoon, genaamd: mr. E. Diesfeldt, advocaat te Alkmaar, die heeft verklaard zich in het geding in de strafzaak te voegen namens de benadeelde partijen:
• [Slachtoffer 1] in verband met een vordering tot vergoeding van
€ 544,44 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht en
• [Slachtoffer 2] in verband met een vordering tot vergoeding van
€ 561,66 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, kunnen de benadeelde partijen niet in hun vorderingen, die betrekking hebben op dat tenlastegelegde feit, worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn in de vordering.

Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 3] haar vordering ingetrokken.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd onder 1, 2 primair en 2 subsidiair en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet ontvankelijk in hun vordering.

Heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.


Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Lolkema, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. M.E. Francke, rechters,
in tegenwoordigheid van D.H. Geuze, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2008.