We hebben 187 gasten online

Samenvattingen

5e druk MeMo Havo Hoofdstuk 3 Tijd van ontdekkers ...
25 mrt 2020 10:45

TIJD VAN ONTDEKKERS EN HERVORMERS Blz. 72-89 3. Veranderend mens- en wereldbeeld In dit hoofdstuk wordt de periode van de renaissance, de ontdekkingsreizen en de hervorming behandeld. Het verandere [ ... ]

Memo 4e drukVerder lezen

Hoofdstuk 1: CSE De Republiek in een tijd der vorsten 1477-1702

Gepost in Nederland

Hoofdstuk 1: De Habsburgse Nederlanden: eenheid of verscheidenheid?

1.1 Een modern streven.

In de Middeleeuwen hoorden de Nederlanden nog tot het gebied van de Bourgondische vorsten. Ze waren ongeveer zo groot als de huidige Benelux en bestonden uit verschillende zelfstandige gebieden, zoals Holland, Zeeland, Brabant, Luxenburg en Vlaanderen. 

 

In de late Middeleeuwen probeerden de hertogen van Bourgondië hun macht te vergroten door de volgende maatregelen:

1) De macht van de adel in te dammen;

2) Ze slaagden erin enkele staten te verenigen, ook al behield elk gewest zijn eigen wetten, belastingen en rechtspraak;

3) Ze riepen de Staten-Generaal in het leven. Hiermee kreeg de vorst de kans om met de Nederlandse gewesten gezamenlijke afspraken te maken over de inning van belastingen.


unificationToen Filips de Goede overleed, werd hij opgevolgd door zijn zoon Karel de Stoute (1467-1477). Deze wilde de Elzas en Lotharingen veroveren en zo zijn erflanden tot een aaneengesloten gebied maken. Bij de dood van Karel de Stoute gingen de Bourgondische Nederlanden, in 1477 over op de dochter van Karel, Maria, als diens erfgenaam. Door haar huwelijk in 1477 met Maximiliaan van Oostenrijk werden de Nederlanden deel van het Habsburgse Rijk. Hun zoon Filips de Schone zou de vader worden van Karel V die als keizer van het Heilige Roomse Rijk ervoor zorgde dat de macht van de Habsburgers in Europa zou toenemen. Zo ontstond, door huwelijken, en door middel van betalingen aan Duitse keurvorsten (zij mochten de Duitse keizer kiezen) en door erfenissen, een rijk dat zich uitstrekte over de hele wereld. Want niet alleen in Europa maar inmiddels ook in de Nieuwe Wereld had men bezittingen. Na de ontdekking door Columbus hadden Spaans veroveraars de koloniën Peru en Nieuw Spanje gesticht. Een rijk waar de zon 'dus nooit onderging'.

De Habsburgers zetten het streven van de Bourgondiërs voort, door de verovering van Overijssel, Gelre, Groningen en Friesland. Uiteindelijk lukte het Karel V om het gezag te verkrijgen over zeventien gewesten. Brussel werd de Hoofdstad.

Geen eenheid

De gewesten hadden één persoon die het oppergezag had, de soeverein, maar daarbij hield de eenheid op. Ieder gewest had nog altijd zijn eigen rechtspraak, eigen munten en zijn eigen bestuur. Deze voorrechten of privileges stamden nog uit de middeleeuwen en geen gewest wilde die afstaan. Het particularisme, de zelfstandigheid van de gewesten en de steden, bleef gehandhaafd.

Karel V wilde een modern vorst zijn en het werd tijd dat er meer eenheid kwam en dat alle landsdelen geregeerd werden vanuit één centrum, het koninklijke hof in Brussel. Centralisatie van bestuur dus. Dat zou ook voordelen opleveren tegen de eeuwige vijand: Frankrijk.

Vanaf 1531 nam Karel V een aantal maatregelen:

1) Hij benoemde zijn zus tot landvoogdes van de Nederlanden;

2) Onder de landvoogdes kwamen de stadhouders te staan. Zij waren de plaatsvervangers van Karel V in een gewest.

3) Maar het hoogste gezag kwam niet bij hen te liggen maar bij drie centrale instellingen die door Karel V werden opgericht:

a) De Raad van State: dit was de belangrijkste van de drie en gaf advies over \'belangrijke zaken als de regering, de veiligheid en de verdediging van de lage landen\'.

b) De Raad van Financiën beheerde de landgoederen van Karel en voerde het financiële beleid uit, met als belangrijkste de belastingen.

karel de v

c) De Geheime Raad. Deze hield zich bezig met de uitvoering van de centralisatieplannen. Deze raad vergaderde dagelijks over centrale wetten, het verlenen van privileges en de controle op gewestelijke en stedelijke instellingen.

De koning werd altijd geholpen door de adel, die daarvoor erfelijke privileges verwierf. Karel V maakt daar een einde aan door burgers in dienst te nemen met een universitaire opleiding. De hoge adel verloor steeds meer terrein aan geschoolde juristen. Zo kwam de rechtspraak in handen van juristen, waardoor de adel aanzien en inkomsten verloor.

Die juristen waren:

beter opgeleid;  waren trouwer omdat ze een loon kregen; bij ongehoorzaamheid konden ze worden ontslagen.

Sommige ambtenaren kregen echter veel invloed met als bekendste voorbeeld Granvelle. Deze kardinaal werd als ambtenaar niet alleen lid van de Raad van State, maar ook van de Geheime Raad.

Door al deze maatregelen voelden de zeventien gewesten zich bedreigd. Hun zelfbeschikking en zelfstandigheid begon langzaam af te brokkelen.

Ook steden kwamen in verzet. Dat leidde in Gent tot een lokale rebellie en Karel V reisde naar Gent om het verzet te breken. Op 29 maart 1540 luidde het keizerlijke vonnis dat de bevolking van Gent gedegradeerd werd tot een tweederangs provinciestad wegens muiterij en majesteitsschennis. De belangrijkste aanstichters werden veroordeeld tot de galg en hun lichamen aan het rad gehangen en hun hoofden op palen gespietst.

1.2 De Moerdernegotie

Rond 1500 behoorden de Zuidelijke Nederlanden, samen met Noord-Italië, tot de belangrijkste stedelijke gebieden van Europa. Antwerpen was in de Zuidelijke Nederlanden de grootste stad met 45.000 inwoners aan het begin van de 16e eeuw. In 1565 was dat uitgegroeid tot 100.000 inwoners. Antwerpen was belangrijk als havenstad, maar ook de belangrijkste producent van nijverheidsproducten. Zo\'n rijke stad kon natuurlijk niet zonder bankiers. Italiaanse bankiers introduceerden moderne betalingstechnieken, zoals de wisselbrief, een soort cheque die geld betalen over grote afstand mogelijk maakte.

Rond het midden van de 16e eeuw verzwakte de positie van Antwerpen als gevolg van financiële probrlemen van de Habsburgers. Bij het aftreden van Karel V in 1555, was de schatkist vrijwel leeg. De voortdurende oorlogen hadden enorm veel geld gekost. In 1557 ging Filips II voor de eerste keer failliet. Tot de belangrijkste schuldeisers behoorden de Fuggers.

De Noordelijke gewesten ontwikkelden zich anders dan de Zuidelijke gewesten. Holland (de tegenwoordige provincies Noord- en Zuid-Holland) hadden het probleem dat de bodem te drassig was en daardoor ongeschikt voor de akkerbouw. De veengebieden in het zuiden van het gewest Holalnd werden door de winning van veen geconfronteerd met het feit dat de uitgedroogde bodem kon inklinken. Voor de teelt van akkerbouwgewassen waren deze gronden niet geschikt. De boeren van de noordelijke gewesten begonnen het graan nu van elders te halen. Eerst importeerde men het vanuit Frankrijk, maar na herhaalde misoogsten haalde men het uit de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen waar men meer dan genoeg had en de prijzen ook nog lager waren. Rond 1500 importeerde men twintigduizend ton per jaar en zestig jaar later al 100.000 ton, genoeg om de Nederlandse kustprovincies te voeden. Uiteindelijk waren 70% van de schepen die de Sont passerden afkomstig uit Nederland. Deze lucratieve handel is men toen moedernegotie gaan noemen omdat het de ruggegraat van de economie vormde en de basis legde van de Gouden Eeuw.

De Hollandse boeren gingen zich nu richten op veeteeelt en handelsgewassen als vlas en hennip. Door deze specialisatie kreeg men een goede opbrengst en een goede winstmarge. Met ander woorden ze werden commercieel.Dat wil zeggen: zij concurreerden met elkaar en verkochten hun handelswaar op de buitenlandse of binnenlandse markt. De vraag naar de handelsgewassen kwam voor een groot deel uit de steden, die in de 16e eeuw snel groeiden.

Waar kwamen de stedelingen die deze groei veroorzaakten vandaan? Zij waren voor een belangrijk deel afkomstig van het platteland, waar door de stijging van de productiviteit minder mensen nodig waren. Rond het midden van de 16e eeuw waren er elf steden met meer dan 10.000 inwoners. Het hoge aantal steden zorgde ervoor dat het noorden al in de 16e eeuw het meest verstedelijkste gebied van Europa werd. Amsterdam was in 1560 de grootste van de Noord-Nederlandse steden, maar was met 27.000 inwoners altijd nog kleiner dan de metropolen Antwerpen (100.000 inwoners) en Brussel (50.000 inwoners).`

graanprijsindex 1471-1605

 

Één van de handelaren die een fortuin verdiende in de moedernegotie was Cornelis Pietersz. Hooft (1547-1626). Hij bouwde een hel netwerk op van kennissen en handelaren. Hij vergrootte zijn netwerk door familieleden als vertegenwoordigers aan te stellen in talloze Europese steden. Op zijn beurt vertegenwoordigde Cornelis Italiaanse kooplieden in Amsterdam. In 1584 richtte Cornelis en een van zijn broers een handelscompagnie op, die zich specialiseerde in haring, olie en graan. Daarbij profiteerden ze van het grote prijsverschil tussen Oost- en West-Europa. Naar schatting leverden ze in 1560 zo\'n 80.000 ton graan af in Amsterdam. Dat kwam vooral door:

1) Ze profiteerden van de gunstige ligging van Amsterdam (groot achterland);

2) Hollanse kooplieden lukt het de transportkosten laag te houden door de ontwikkeling van een nieuw scheepstype, het fluitschip.

Voordelen van het fluitschip waren:

a) Er waren maar tien bemanningsleden nodig om ermee te varen, gelijkwardige Engelse schepen hadden dertig bemanningsleden nodig;

b) Een ander voordeel van het fluitschip was het verhoudingsgewijze smalle dek. De hoogte van de tol werd berekend naar de grootte van het dek van het schip. Het fluitschip hoefde met zijn smalle dek dus minder tol te betalen, terwijl het met zijn bole rompmeer lading vervoerde.

Polieke en economische macht gingen vaak samen. Zo was Cornelis in 1584 lid van het Amsterdamse vroedschap (het stadsbestuur) maar verschillende keren ook lid van de Gewestelijke Staten. Hij werd zelfs burgemeester van Amsterdam. Bij zijn overlijden liet hij een vermogen na van 321.500 gulden. Ter vergelijking een goedverdienende Hollandse ambachtsman verdiende driehonderd gulden per jaar.

1.3 Verzet tegen de Centralisatie

Gewesten en steden waren bang hun oude privileges te verliezen. Dit nam nog verder toe door de belastingplannen van Karel V en Filips II. Als de vorst geld nodig had moest hij bij de Gewestelijke Staten aankloppen en in een bede om een financiële bijdrage vragen. Karel V en Filips II hadden veel geld nodig door de oorlogen tegen Frankrijk om de macht in Europa (1552-1559). Vooral Holland, die het meest moest betalen en te lijden had van handelsblokkades door Frankrijk.

 Europa 1550

De onvrede over de centralisatieplannen had ook een religieus element. Dat kwam door de Reformatie, de hervorming van Maarten Luther. Hij keerde zich tegen de geestelijken, die een rijk leven leidden en de aflatenhandel waarmee de kerk veel geld verdiende. Luther wilde de kerk hervormen, maar de paus deed hem in de kerkelijke ban. Zo ontstond een kerkscheuring en ontstonden twee christelijke religies: het katholicisme en het protestantisme.

Het ontstaan van een nieuwe religie strookte niet met de visie van Karel V op een volledig gecentraliseerd bestuur. Één land, één godsdienst; zo luidde zijn standpunt en iedereen die dit in de weg stond, was een ketter en moest hard worden gestraft. De inquisitie, de kerkelijke rechtbank, kreeg het druk. In 1523 rookte in Brussel de brandstapel voor de eerste keer en in de jaren die volgden, zouden de levens van veel protestantse gelovigen in de vlammen eindigen.

 brandstapel  protestanten

Bron: De wording van Europa: de kracht van het geloof Aantallen protestanten die tussen 1559 en 1566 als ketters geëxecuteerd zijn in de Vlaamse steden Antwerpen, Brugge, Doornik, Duinkerken, Gent Hondschoote, Ieper, Kassel, Kortrijk, Oudenaarde, Rijsel, Ronse, St-Winoksbergen, Veurne en Wervik.

De terechtstellingen waren openbaar. Vaak werd een terdoodveroordeelde eerst gewurgd en daarna pas verbrand: het vuur moest het slachtoffer reinigen van zijn zonden. De terechtstelingen wekten weerstand, ook onder de katholieken, die vonden dat de kerkelijke rechtbanken te ver gingen. Deze katholieken behoorden tot de gematgde katholieke middengroep in de samenleving. Zij hadden wel kritiek op de kerk van Rome, maar wilden die niet verlaten.

Na 1520 zouden volgelingen van Johannes Calvijn een strengere protestantse stroming in de Nederlanden verspreiden. Terwijl het lutheranisme zich grotendeels beperkte tot de Duitse gebieden, vond het calvinisme juist in de Lage Landen veel aanhang.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


erasmusExtra stof VWO

Krtiek op de Katholieke Kerk was er altijd al geweest en voor een deel ontstond die kritiek in de Lage Landen. In Deventer stichtte de koopman Geert Grote (1340-1384) een beweging die bekend zou worden als de Moderne Devotie. een belangrijk uitgangspunt was dat ieder mens zelf verantwoordelijk is voor het heil van zijn ziel. Dat was een revolutionaire gedachte in die tijd waarin die rol exclusief aan de kerk toebehoorde. De Moderne Devotie heeft grote invloed gehad op het religieuze denken in de late middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd. De nadruk op een individueel beleden geloof en kritiek op de mistoestanden in de kerk is ook terug te vinden in het werk van Geert Grote en Desiderius Erasmus (1466-1536).

Erasmus horode bij de beweging van het humanisme, dat zijn naam ontleende aan het idee van \'humanitas; menselijkheid \'uit de Oudheid. In navolging van de Romeinen benadrukten de humanisten dat de mens zich vooral door taal en taalkennis onderscheidt van de dieren. In 1508 publiceerde Erasmus \'De lof der Zotheid\'. Erasmus publiceerde een nieuwe vertaling van de Bijbel, omdat in d eoude vertaling te veel fouten waren geslopen. De Katholieke Kerk was niet blij met Erasmus. Maar Erasmus wilde niet kiezen voor Luther en ook niet voor de starre conservatieven in d ekerk. Tot zijn dood bleef hij lid van de Katholieke Kerk.

 

 

 

 

______________________________________________________________

1.4 Buiten de Nederlanden

In de talloze oorlogen die in de zestiende eeuw werden gevoerd speelden centralisatie en godsdienst een grote rol. In de omringende landen - Engeland, Frankrijk en de Duitse gebieden- speelden dezelfde twee thema\'s ook een rol.

Engeland

Hendrik VIII

Koning Hendrik VIII stichtte in 1534 zijn eigen kerk, omdat de paus weigerde zijn huwelijk ongeldig te verklaren. Hij stichtte de Engelse of Anglicaanse Kerk en riep zichzelf uit tot hoofd van die kerk. De rooms-katholieken die de scheuring accepteerden werden met rust gelaten, maar anderen werden heftig vervolgd. Onder het bewind van Maria I, een dochter van Hebdrik VIII en Cathgerina van Aragon, zou het katholicisme zich kortstondig herstellen. Toen Maria aan de macht kwam, begon zij aan een bloedige evrvolging van protestanten, waardoor zij de bijnaam `Bloody Mary`kreeg. Zij trouwde met Filips II met als doel het katholicisme te versterken. Haar opvolgster, Elizabeth I, moest niets hebben van het katholicisme en keerde terug naar de kerk van Engeland. Een huwelijksaanzoek van Filips II wees zij af, waarop deze besloot in 1588, de Engelse troon zelf in bezit te nemen.

 Route van de Spaanse Armada Spaanse Armada

Filips rustte een Armada uit voor de invasie van Engeland, maar dat liep uit op een catestrofe omdat een groot aantal schepen door de Engelsen werd vernietigd en een aantal schepen te peltter liep op de Ierse kust.

Frankrijk

De vrede met Spanje in 1559 bracht Frankrijk geen werkelijke rust. De proetstanten werden in Frankrijk als een regelrechte bedreiging gezien van het katholieke koningschap. Aanhangers van het protestantisme vluchtten naar het buitenland (aanhangers van Calvijn) of stierven op de brandstapel. De Hugenoten, aanhangers van het protestantisme, groeiden echter tegen de druk in. In augustus 1572 probeerde de Franse koning de twee partijen te verzoenen door middel van een huwelijk van zijn zus met de hugenoot Hendrik van Navarra. Een mislukte aanslag op één van de protestantse leiders veroorzaakte onrust. Deze mondde uit in een bloedbad de Bartholomeusnacht ook wel Bloedbruiloft genoemd.

Bartholomeusnacht

In Parijs werden drieduizend Hugenoten afgeslacht. Dat getal zou nog oplopen tot 25.000. De godsdienstoorlogen in Frankrijk vonden plaats in een tijdsbestek van een halve eeuw. Aan het begin was nog 30% van de bevolking protestant, maar dat nam af tot 10%. Het was Hendrik van Navarra, de hugenoot, die een einde maakte aan de verschrikkingen. Hij vaardigde in 1598 het Edict van Nantes uit, een verdrag dat eindelijk godsdienstvrijheid bracht. De hugenoten kregen niet alleen gewetensvrijheid, maar ook volledige burgerrechten. Met als voordeel vrijhandel en men kon ambten uitoefenen.

De Duitse gebieden

Een groot deel van het huidige Duitsland viel onder het bezag van Keizer Karel V. Maar ook hier was van een bestuurlijke eenheid geen sprake. En Duitse staten kozen voor de hervorming maar er bleven ook staten die het katholicisme behielden. In 1547 kwam het tot een militiair treffen tussen de opstandige vorsten en keizer Karel V bij Mülberg aan de Elbe. De protestantse Duitse keurvorsten leden een gevoelige, maar geen definitieve nederlaag. Uiteindelijk maakte een compromis een eind aan jaren van godsdienstwisten in de Duitse gebeiden. In 1555 werd de Vrede van Augsburg gesloten. Voortaan mochten de vorsten de godsdienst kiezen die zij voor hun onderdanen wensten. De godsdienstvrijheid betrof dus de vorsten, niet de onderdanen. Feit was dat voor het eerst de lutherse religie gelijk werd gesteld aan de katholieke. Dat was in die dagen een ongehoord feit. De scheuring in de kerk was daarmee officieel erkend.

Zie voor Hoofdstuk 2 De opkomst van de Republiek:Hoofdstuk 2: De opkomst van de Republiek