We hebben 79 gasten online

Samenvattingen

CSE De koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands Indië Hfst 1

Gepost in Nederland

Hoofdstuk 1 CSE De koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands Indië

het rijk van insulinde

Hoofdstuk 1 is alleen verplicht voor VWO

Hoofdstuk 1

1500-1800: Europese Expansie en VOC

Oriëntatiekennis

In de veertiende eeuw herontdekten Italiaanse kunstenaars en wetenschappers geschriften van de oude Grieken en Romeinen. Daardoor begon de Kerk langzaam maar zeker haar alomtegenwoordige invloed te verliezen.

‘Pluk de dag want het leven is zo kort’ werd het levensthema.

Als snel groeide deze Renaissance uit tot een echte culturele en wetenschappelijke revolutie. Observeren, experimenteren en redeneren gaven inhoud aan de toenemende kennis.

Ook in Nederland speelde de Kerk in het dagelijkse leven een grote rol waarbij de dienaren van die er Kerk er niet slechter van werden. Naast de rijkdommen die men had verworven leefden de hoge geestelijken op reen manier die niet afweek van vorsten en andere hoge edellieden. Vooral de handel in aflaten bracht de Kerk in diskrediet. Rijke burgers waren zo in staat makkelijker toegang te krijgen tot de hemel dan arme burgers.

De Kerk diende hervormd te worden. Zo ontstond de Hervorming of Reformatie. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden, in de welvarende handelssteden, voelden veel burgers zich tot deze Hervorming aangetrokken.

Filips II voerde een politiek van centralisatie en bescherming van het katholicisme. Hij zag in de religieuze onrust óók een aanval op zijn positie als hoogste bestuurder en stuurde zijn leger naar de Lage Landen om de orde te herstellen. De hieruit voortgekomen Opstand leidde uiteindelijk tot de geboorte van een nieuwe, zelfstandige, protestantse staat: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

De strijd tegen de Spanjaarden en hun Portugese bondgenoten speelde zich voor een deel op zee af.. Daar bleken de schepen van de Verenigde Ooost-Indische Compagnie(VOC) geduchte tegenstanders.

Kaapvaart en handel in specerijen maakten de zeventiende eeuw voor de jonge Republiek tot een Gouden Eeuw.

Pas gedurende de achttiende eeuw, lukte het grotere, centraal bestuurde staten als Frankrijk en vooral Engeland de Republiek te overvleugelen.

In die landen had een krachtige burgerij het heft in handen genomen. In 1795 werd de Republiek door Franse legers ingenomen en werd Nederland onder de Bataafse Republiek een centraal geregeerde staat.

Vraagstelling:

Hoe ontwikkelde zich de Verenigde Oost-Indische Compagnie en in hoeverre heeft deze handelsonderneming de geschiedenis van Nederland en Indonesië beïnvloed?

1.1 Een ‘Loffelijcke Compagnie’ met een ijzeren vuist

Er heerste op het einde van de 16e eeuw in Europa een heuse specerijenkoorts. Specerijen gaven een betere smaak aan voedsel en voedsel kon beter worden bewaard. Ook werden er tasl van medicijnen van gemaakt.

Veel Hollandse en Zeeuwse kooplieden zagen volop winst mogelijkheden. Vooral met peper, nootmuskaat, foelie en kruidnagelen viel goud geld te verdienen.

Het waren de Portugezen die het monopolie hadden. Daarom was het lastig dat Filips II in 1580 ook koning van Portugal werd.

In 1585 liet hij zelfs alle buitenlandse schepen in de Portugese en Spaanse havens in beslag nemen. Daarnaast begon de aanvoer van specerijen steeds meer terug te vallen. De Portugezen hadden geen verweer tegen het groeiende aantal Engelse kapers in het zuidelijk deel van de Atlantische Oceaan. Omdat in Lissabon steeds minder specerijen werden aangevoerd begonnen de inkoopsprijzen tot astronomische hoogten te stijgen.

Was het wellicht niet mogelijk om zelf die Indische specerijen te gaan halen?

Een groep Hollandse reders richtte een ‘compagnie’, een gezamenlijk bedrijf op, en bewapenden drie koopvaarders en één jacht om desnoods met geweld de zeeweg naar Indië open te breken. Onder leiding van Cornelis de Houtman kwam men ruim veertien maanden later aan op de noordwestkust van Java. Men sloot twee verdragen maar door scheurbuik en onderlinge ruzies was de sterfte inmiddels zo hoog opgelopen dat men één schip moest achterlaten. In augustus 1597 bereikte men de thuishaven. Van de 240 bemanningsleden waren er nog maar 87 over. Maar het belangrijkste was bereikt: De zeeweg naar Indië lag open.

In verschillende steden werden vergelijkbare Compagnieën opgericht en voor 1601 waren er minstens 65 schepen vertrokken. Het grootste deel keerde beladen terug.

Maar er dreigden problemen door:

·Kooplieden werden in Aziatische havens tegen elkaar uitgespeeld door de plaatselijke machthebbers.

·Tegelijkertijd begonnen op de thuismarkt de prijzen flink te dalen door het toenemende aanbod aan specerijen.

Het was vooral aan Johan van Oldenbarnevelt, raadspensionaris van Holland , te danken dat de compagnieën in 1602 de krachten bundelden en opgingen in de Verenigde Oost-Indische Compagnie. De VOC verkreeg het monopolie op de handel met de Oost. Daarnaast kreeg de VOC nog een aantal opmerkelijke voorrechten en kon verdragen sluiten, forten bouwen en land bezitten.

Volgens Jan Pietersz. Coen was langdurige winstgevende handel alleen mogelijk als het handelsmonopolie met een ijzeren vuist werd afgedwongen. In 1619 veroverde hij de Javaanse stad Jacatra. Onder de naam Batavia werd dit handelscentrum het nieuwe bestuurscentrum en groeide uit tot het militaire hoofdkwartier van het handelsrijk van de VOC. 

Rond 1625 was de VOC de grootste handelsonderneming ter wereld. Zij kad als enige toegang tot de nootmuskaat, de foelie en de kruidnagelen in de Molukken en de pepergebieden op Java en Sumatra. Als men weigerde specerijen an de VOC te verkopen werd militair opgetreden.

In de achttiende eeuw begonnen de prijzen van specerijen te zakken en begon er meer concurrentie op te treden van de kruidnagelen Fransen op het eiland Mauritius en van de Engelsen die met de peperhandel aan de oostkust van India het pepermonopolie aantasten.

Daartegenover stond dat de VOC nieuwe markten was begonnen. Zo was er een bloeiende koffiehandel ontstaan en op de noordkust van Java werd rietsuiker met succes verbouwd.. Het zwaartepunt van de Oost-Indische handel begon daardoor te verschuiven van de Molukken naar Java.

De gedwongen koffieteelt begon eind zeventiende eeuw en rond 1750 bedroeg de jaarlijkse koffieproductie ongeveer 2 miljoen pond, in 1790 zelfs 12 miljoen pond.

De plaatselijke vorsten werden steeds afhankelijker van de VOC en de VOC maakte handig gebruik van de voortdurende ruzies tussen de Javaanse vorsten(die financieel en militair afhankelijk waren van de VOC) waardoor de VOC haar macht op Java kon vergroten. Buiten Java bleef de invloed van de VOC beperkt tot een aantal winstgevende factorijen aan de kust.

Naast de handel met Europa was ook de Inter-Aziatische handel voor de VOC van groot belang. Men dreef handel o.a. met China, Japan. Een deel van de winst kwam terecht in het moederland wat de aandeelhouders een flink dividend opleverde.

Toch trad in de loop van de achttiende eeuw een zeker verval in door:

  • Toenemende corruptie;

  • Groeiende concurrentie van landen als Engeland en Frankrijk;

  • Prijzen die lager werden;

  • Toenemende kosten van het bestuur;

  • Stijgende kosten militaire avonturen.

Door de inzakkende handel kreeg ook de nijverheid in de Republiek zware klappen. Patriotten, vernieuwingsgezinde burgers, drongen tevergeefs aan op hervormingen. Een kleine groep van voorname families wilde de macht in handen houden. Daarbij speelde stadhouder Willem V een belangrijke rol. Dat leidde tot aantasting van het gezag van de staat.

In Indië was het niet veel beter. Er waren bestuurders die een salaris hadden van 350 gulden per maand en er toch in slaagden in enkele jaren méér dan 200.000 gulden naar bankrekeningen in de Republiek over te maken. De VOC werd steeds meer gezien als het speeltje van een kleine groep spilzieke, corrupte en ondeskundige regenten.

De inval van de Franse troepen in 1795 maakte duidelijk hoe rot en vermolmd de Republiek geworden was. Tal van regenten wachten de komst van de Franse soldaten niet af. Samen met Willem V vluchtte men naar Engeland.

In 1796 ging de VOC failliet en alle schulden werden overgenomen door de, met steun van de patriotten, opgerichte Bataafse Republiek.

1.2 Alles voor de winst

De VOC was in de eerste plaats een handelsonderneming en had feitelijk één doel: winst maken. Omdat oorlog voeren kosten met zich mee bracht probeerde de Compagnie zich zoveel mogelijk aan te passen aan de omstandigheden die men aantrof. Men sloot dan een overeenkomst met de lokale vorst. Maar er waren letterlijk en figuurlijk kapers op de kust. Kooplieden uit Engeland, Portugal maar ook uit China, India en de Arabische landen waren bereid hogere prijzen te betalen voor de specerijen.

De oplossing was een goede organisatie en duidelijke doelstellingen. Daarom kwam er een centrale leiding: een gouverneur-generaal bijgestaan door een raad. Batavia werd de Aziatische 'hoofdstad' bestuurszetel, stapelplaats en scheepswerf tegelijk. Daarbij echter wel gesteund door méér soldaten zodat het verleende specerijenmonopolie ook kon worden afgedwongen.

In het 'Aziatisch handelsrijk' zijn vier verschillende soorten gebieden te onderscheiden:

  • De gebieden waar de VOC zelf bestuurder was;
  • De gebieden waar de vorsten zelf nog bestuurden maar zich angstvallig hielden aan de verdragen die ze met de VOC hadden moeten sluiten;
  • Landen waar de vorsten zich opstelden als (bijna) gelijkwaardige bondgenoten;
  • Gebieden waar enkel handel mee werd gedreven.

Aan het einde van de achttiende eeuw bestuurde de VOC ruim 600.000 Aziaten rechtstreeks, voornamelijk op Java en in op de Molukken. De indrukwekkende vloot en het groeiende aantal soldaten moesten ervoor zorgen dat geen enkele Indische vorst de VOC langdurig zou kunnen weerstaan.

De Bandanezen(zie kaartje) trokken zich weinig aan van de VOC-handelsagenten. Jan Pietersz. Coen stelde orde op zaken door een meedogenloze oorlog waarbij niet minder dan 15.000 van de 16.000 Bandanezen het leven lieten. Met behulp van Aziatische slaven werd er voortaan ieder jaar trouw de nootmuskaat geleverd tegen een vooraf afgesproken prijs.

De Javaanse vorsten werden zoveel mogelijk te vriend gehouden. Door handig gebruik te maken van het natuurlijke gezag en de geldzucht van de plaatselijke vorsten, kon tegen lagere kosten meer handel worden gedreven. Zolang de vorst de leveringscontracten nakwam was er geen enkel probleem. Het Contigentenstelsel werd dus door de eigen vorsten aan de inheemse bevolking opgelegd.

1.3 Krassen op een rots

In 1605 werd op Ambon het eerste fort overgenomen. Niet snel daarna kwamen de eerste schoolmeesters. Zo begon de VOC haar 'beschavingsmissie' op de Molukken die naast bekeerlingen voor het protestantse geloof, wat meer kennis van de Nederlandse taal en gehoorzaamheid aan de gesloten verdragen vooral veel kruidnagelen moest opleveren.

De verovering van Jacatra in 1619 was een grotere stap. Jan Pietersz. Coen wist in korte tijd een 'Hollandse' stad te stichten. Maar de Compagnie had eerst en vooral vrouwen nodig(zonder hen kon geen kolonie worden opgericht). Helaas voor Jan Pietersz. Coen waren de hoge heren meer geïnteresseerd in de opbrengsten van peper en nootmuskaat en wilden alleen maar dividend zien.

Er was weinig animo in de Republiek om naar de Oost te gaan. Redenen daarvoor waren:

  • De lage lonen die de VOC betaalde;
  • De grote risico's van de lange zeereis;
  • En er deden gruwelverhalen de ronde over vreemde ziektes die je in verre landen zou kunnen krijgen.

Voor zij die wel gingen was het vaak een noodsprong. De meerderheid van het gewone VOC personeel was niet eens Hollander. Indië bleek vooral een toevluchtsoord voor armoedige vreemdelingen uit Polen, Denemarken en vooral Duitsland.

Rond 1700 leefden er in Batavia en het omliggende gebied ongeveer 70.000 mensen van wie het merendeel van Aziatische herkomst. Er woonden slechts 6000 Europeanen. Aan de top van de koloniale samenleving stonden ruim honderd kooplieden en hoge ambtenaren. De meerderheid was echter van nederige afkomst.

De eerste ervaringen met het sturen van vrouwen en weesmeisjes naar de koloniën waren weinig hoopvol geweest. Hun aanwezigheid leidde niet zelden tot haat en nijd onder de manschappen waarbij moord en doodslag eerder regel dan uitzondering waren. De alarmerende berichten van schippers, predikanten en bestuurders bevestigden de hoge heren in hun opvatting dat Indië nooit een vestigingskolonie zou worden. Voortaan kreeg enkele de hoge ambtenaar nog toestemming om zijn Nederlandse echtgenote mee naar Azië te nemen. de meeste Europeanen leefden daarom samen met Aziatische of Indo-Europese vrouwen. Voor de VOC had dat meerdere voordelen:

  • Ze stimuleerden hun echtgenoten niet tot een snelle terugkeer;
  • De zonen die uit gemengde huwelijken voortkwamen waren geschikte rekruten voor allerlei functies;
  • De dochters waren op termijn uitstekende huwelijkspartners voor nieuwkomers uit de Republiek.

In de grotere handelsposten ontstond langzaam maar zeker iets wat op een Indo-Europese mengcultuur . Toch waren de 'Hollandse' wijken uitzonderingen. De overgrote meerderheid van de rond 1650 op 350 miljoen zielen geschatte Aziatische bevolking, kreeg nooit en te nimmer een Europeeaan te zien. De Indonesische vorsten hadden respect voor de militaire macht van de Hollanders maar waren niet erg onder de indruk van de lompe Nederlandse omgangsvormen. Daarbij kwam nog dat het overgrote deel van de Indonesische bevolking islamitisch was. Uit vrees dat de islamitische geestelijkheid de bevolking tegen de Europeanen op zou zetten, zette de Compagnie de bekeringsijver bewust op een laag pitje.

Zie voor Hoofdstuk 2 CSE Dekoloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 2