We hebben 192 gasten online

Samenvattingen

CSE De Koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 3

Gepost in Nederland

Hoofdstuk 3 CSE De koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands Indië

het rijk van insulinde

Hoofdstuk 3 1870-1900: Het liberalisme in de praktijk

Oriëntatiekennis

De komst van de fabrieken bracht Europa in de negentiende eeuw een unieke en bijna onbeperkte economische groei. De talloze uitvindingen en de steeds betere machines deden de kostprijs van goederen zakken. De landbouwsamenleving veranderde in korte tijd in een geïndustrialiseerde wereld.

Met de opkomst van deze nieuwe wereld veranderde ook het zelfbeeld van veel Europeanen. Had Europa niet de taak ook in andere landen voor vooruitgang te zorgen? Door te wijzen op de ' white man' s burden' rechtvaardigden de Engelsen hun snel groeiende koloniale rijk. De Fransen wisten via 'mission civilisatrice' tal van volkeren te onderwerpen.

Door het introduceren van het principe van de 'voogdijgedachte' benadrukten ook de Nederlanders hun internationale beschavingsmissie zeer serieus te nemen. de mooie beschavingsgedachten werden al snel overschaduwd door de zoektocht naar goedkope delfstoffen en landbouwgronden met plantages waar tegen lage kosten volop handelsgewassen als katoen, koffie, thee en tabak geproduceerd werden.

De Fransen en Engelsen bleken in de koloniale wedloop aan het langste eind te trekken en de opening van het Suezkanaal in 1869 bracht de kolonies in Azië bovendien veel dichterbij.

Vraagstelling: In hoeverre heeft het groeiende liberalisme in de tweede helft van de negentiende eeuw economie en samenleving in Nederlands-Indië veranderd?

3.1. 'Eere ons dapper Indisch leger'

Door de welwillende houding van de Engelsen in 1814 had Nederland de beschikking over een koloniaal gebied dat vijftig maal zo groot was als Nederland zelf. de Nederlanders hadden vooral invloed op Java en Sumatra. de overige gebieden werden 'buitengewesten' genoemd ( zie kaart 2.2). In de buitengewesten voerde men een politiek van onthouding. De reden was duidelijk: Als het even kon moesten dure militaire avonturen worden vermeden. Men was al tevreden als de inlandse vorsten jaarlijks een redelijke hoeveelheid tropische producten leverden en de Nederlanders met respect behandelden. In ruil werden de vorsten gesteund door het Koninklijk Indisch Leger (KNIL).

De groeiende politieke invloed van de liberalen in het moederland had ook gevolgen in de kolonie. Na 1850 begonnen de mogelijkheden voor particuliere ondernemers in Indië langzaam toe te nemen. Sommigen van hen hadden op Midden-Sumatra tabaksplantages aangelegd en begonnen hun plantages in noordelijke richting uit te breiden. Daarbij stuitten zij op de grenzen van het sultanaat Atjeh.

In 1873 begon de Atjehoorlog die, met tussenpozen tot 1913 zou duren. de Atjeeërs bleken meester in de guerrillatactiek. Toen er ook nog olie werd gevonden werden de Nederlanders vastbeslotener.. generaal J.B. Van Heutsz besloot uiteindelijk tot een terreur compagne. Behalve op Atjeh liep het in 1894 ook mis op het eiland Lombok. Daar was men in opstand gekomen tegen het hindoeïstische vorstenhuis van het naburige Bali. Toen de Nederlanders probeerden de zak te sussen, vielen Balinese troepen plotseling de KNIL-soldaten aan. Dit 'verraad van Lobok' moest worden gewroken. Nederland stond op zijn kop. In tal van Nederlandse gemeenten werden 'Lombok-comités opgericht om geld in te zamelen voor een militaire expeditie. Samen met de onderdrukte Lombokkers trokken de KNIL- troepen op tegen de kratons(vorstenverblijven) van de Balinese edellieden. Hendrik Colijn, die later minister president van Nederland zou worden, kreeg samen met Van Heutsz een hoge militaire onderscheiding.

De lessen van Lobok en Atjeh waren duidelijk: door de invloed van het 'moderne imperialisme' had de oude onthoudingspolitiek zijn langste tijd gehad. de buitengewesten dienden ook onder Nederlandse 'voogdij' te worden gebracht. Iedere Indische vorst moest voortaan een zogenaamde Korte Verklaring tekenen en zich onderwerpen aan de Nederlanders. door de Korte Verklaring erkenden de vorsten de Nederlandse heerschappij en beloofden zijn plechtig geen zelfstandige buitenlandse politiek te voeren. De kolonie was een aaneengesloten rijk geworden waarin de Nederlanders het wettelijk oppergezag bezaten.

3.2 Van dwang naar vrijheid?

Het jaar 1848 bracht een breuk in de politieke geschiedenis van Nederland door de invoering van de nieuwe grondwet volgens moderne liberale uitgangspunten. Thorbecke voerde een aantal hervormingen door waarbij de koning een groot deel van zijn macht verloor en de ministers verantwoording schuldig waren aan het parlement. Dat werd voortaan gekozen door het volk, althans als men stemrecht had. Dit censuskiesrecht had alleen maar een rijke bovenlaag. Zo ontstond een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel.

Door de groeiende macht van de liberalen ontstond er echter steeds meer kritiek op het koloniale bestuur. De volksvertegenwoordiging diende nu ook invloed uit te oefenen. Bovendien had men kritiek op het Cultuurstelsel omdat dit stelsel gebaseerd was op dwang en daardoor inefficiënt en onrechtvaardig was. Maar men keek ook naar economisch eigenbelang en men kritiseerde de grote macht van de koning bij het toekennen van contracten om plantages aan te leggen en het monopolie van de NHM voor het vervoer van producten waardoor ondernemers buiten spel werden gezet. Ruim baan voor het particuliere initiatief. De eerste veranderingen werden merkbaar in 1850 door het aannemen van de Mijnwet waardoor particuliere ondernemers delfstoffen mochten gaan winnen in Indië.

Naast de zoektocht naar delfstoffen als goud, zilver, edelstenen olie en tin, bleek Sumatra erg geschikt voor de verbouw van nieuwe handelsgewassen. De aanname van de Suikerwet en de agrarische wet in 1870 betekende in feite het einde van de verplichte gouvernementscultures. Vooral op Java en Sumatra vestigden zich grote landbouwbedrijven in tabak, koffie, thee en rubber. De verwerking van deze producten leverde ook geld op. Maar Nederlands-Indië bleek ook afzetgebied van Nederlandse textiel uit Twente. De Nederlandse scheepsbouw groeide door de toegenomen scheepvaart tussen de eilanden.

Pas aan het einde van de negentiende eeuw begonnen ook de Indiërs zelf te profiteren van de exportlandbouw door:

  • Kleinschalige productie rubber en kopra;
  • Chinese handelaren zorgden voor een handelsnetwerk, vervoer en kredieten.

3.3 Ondernemers, arbeiders en koelies.

De kolonie begon langzamerhand te veranderen: de agrarisch-feodale samenleving werd een moderne geldeconomie waarin verplichte herendiensten werden vervangen door loonarbeid. Omdat de meeste Javanen nu afhankelijk werden van loonarbeid gingen ze er op achteruit omdat de particuliere ondernemers gebruik maakten van de wet van vraag en aanbod. de bevolking was snel gegroeid en dus de lonen laag. Tegelijkertijd echter kregen de boeren te maken met hogere marktprijzen voor rijst en een toenemende belastingdruk. Er ontstond hongersnood en boeren trokken naar de steden op probeerden los werk te vinden elders in de archipel.

Daardoor kon men op Sumatra Chinese en Javaanse koelies werven voor de plantages. In ruil voor een voorschot en de kosten voor vervoer tekenden deze een driejarig arbeidscontract. In feite leefden ze onder erbarmelijke omstandigheden en waren ze in feite slaven met een wurgcontract.

Het Binnenlands Bestuur kwam in 1880 met de zogenaamde koelieordonnantie waarin de verhouding tussen werknemer en werkgever werd vastgelegd. een van de artikelen was de 'poenale sanctie' waarbij weggelopen koelis moesten worden teruggebracht naar de plantage. Daar werden ze streng gestraft. Hendrik Colijn vond echter dat de poenale sanctie moest blijven bestaan nadat er door Jan van den Brand in 'De miljoenen van Deli' kritiek werd geuit. Colijn zag het als een noodzakelijk sluitstuk van een 'gezonde economische politiek'.

De economische voorspoed voor veel Nederlanders in Indië trok veel andere Nederlanders aan. Men sprak in die tijd over de Tempo Doeloe, de periode waarin Oost en West samenwerkten aan een betere toekomst. Veel Indische steden werden steeds Europeser en de traditionele mengcultuur van Oost en West kwam onder een groeiende druk te staan. 'Zuiver Europees denken en doen' werd langzaam maar zeker belangrijker.

Er ontwikkelde zich een sociaal systeem waarin inheemsen, Chinezen, 'vreemde oosterlingen' en Europeanen naast elkaar en steeds minder met elkaar leefden. Voor iedere groep kwam er een eigen rechtspraak. De Indonesische bevolking werd zo tot tweederangs burgers gemaakt. Veel Indo-Europeanen gingen zich hoe langer hoe 'Hollandser' gedragen, maar het werd steeds duidelijker dat ze tussen de wal en het schil dreigende te vallen.

Zie voor hoofdstuk 4 CSE De Koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 4