We hebben 109 gasten online

Samenvattingen

CSE De Koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 5

Gepost in Nederland

het rijk van insulinde

Hoofdstuk 5: 1949-1963: Nederlands-Indië wordt Indonesië

Oriëntatiekennis

Na de Tweede Wereldoorlog waren en twee nieuwe supermachten ontstaan, die nadat het fascisme met succes werd verslagen weer tegenover elkaar kwamen te staan in de zogenaamde Koude Oorlog. Het Amerikaanse kapitalisme en het Russische communisme waren zowel bang als overtuigd van het eigen gelijk.

In Europa ontstond het 'ijzeren gordijn'. Frankrijk en Engeland waren grootmacht af en Duitsland lag in puin. De Amerikanen lanceerden een economisch hulpprogramma het Marshallplan. De landen in het Westen accepteerden deze economische hulp maar Stalin wees de hulp voor het Oostblok af.

Tevens ontwikkelde zich na de Tweede Wereldoorlog een dekolonisatieproces waarbij de supermachten duidelijk kozen voor de naar onafhankelijkheid strevende nationalisten.

Vraagstelling: Welke gevolgen had de onafhankelijkheid van Indonesië voor de verhouding met het voormalige moederland en hoe heeft deze gevoelige verhouding zich in de verdere loop van de twintigste eeuw ontwikkeld?

5.1 De geboorte van een natie

Door de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 ontstonden er twee gelijkwaardige soevereine staten. Veel Nederlanders zagen het verlies van de kolonie als een nederlaag. 'Indië verloren rampspoed geboren' was een veel gehoorde uitspraak. Dat bleek mee te vallen. Door de soevereiniteitsoverdracht was er echter niets veranderd in de eigendomsverhoudingen.

Voor Soekarno was de soevereiniteitsoverdracht maar een fase in een lange revolutie. Een grotere rol van de staat en het leger moest garanderen dat de economie zich op korte termijn aan de greep zou ontworstelen van de buitenlandse investeerders en ondernemers.

Bij de soevereiniteitsoverdracht was ook afgesproken dat Indonesië een federale staat zou worden, bestaande uit de staten: de Republiek Indonesië, Borneo en Oost-Indonesië. Deze federale staat zou samen met Nederland deel gaan uitmaken van een Staatsrechtelijke Unie, onder leiding van koningin Juliana.

Dit bleek niet te werken doordat:

  • Het gros van de Indonesiërs wantrouwig keek naar de federale staatsstructuur;
  • Er sprake was van een verdeel- en heers strategie;

Door de eenheid van het Indonesische volk voortdurend te benadrukken en tegelijkertijd het leger achter de hand te houden, wist de regering van de Republiek Indonesië de andere deelstaten te overtuigen zich bij haar aan te sluiten. Toen Nederland niet wilde praten over de toekomst van Nieuw-Guinea en zich zelfs meende te moeten bemoeien met opstanden van minderheden op Borneo en de Zuid-Molukken grepen de nationalisten hun kans.

Op 17 augustus 1950 werd de eenheidsstaat Indonesië uitgeroepen. De in de soevereiniteitsoverdracht gegarandeerde rechten van minderheden werden aan de laars gelapt. In oktober trokken legereenheden naar Ambon waar een opstand van Zuid-Molukkers met geweld werd onderdrukt.

De vroege geschiedenis van de Republiek Indonesië werd gekenmerkt door politieke chaos. Het volk keek met afgrijzen naar haar bestuurders en richtte haar hoop steeds meer op president Soekarno. Het ceremoniële staatshoofd schrok er niet voor terug om de jonge democratie de doodsteek te geven.

  • Hij beschimpte het impopulaire meerpartijenstelsel als 'de splijtzwam van de natie';
  • Er was een toenemende corruptie;
  • Er was een toenemende bureaucratisering;
  • De economie raakte steeds meer in het slop

President Soekarno wist uiteindelijk steeds meer macht aan zich te trekken. Op 21 februari 1957 introduceerde hij een 'geleide democratie', die hem bijna een absolute macht verleende. Als 'Opperleider van de Indonesische revolutie' maakte hij een einde aan de grondwettelijke 'trias politica' en in 1962 kwam hij met het 'nasakom-ontwerp'. Er moest voortaan eenheid bestaan tussen nationalisten, moslims en communisten. Met wantrouwen zag de legerleiding de invloed van de communisten meer en meer toenemen.

Op 30 september 1965 kwam het kruidvat tot ontploffing. Bij een mislukte staatsgreep namen de communisten bijna de gehele legertop gevangen. Een zestal generaals werd gemarteld en gedood en verdween vervolgens in een diepe put. Het leger nam vreselijk wraak. Uiteindelijk lukte het de nieuwe sterke man, generaal Soeharto, de orde enigszins te herstellen. Voor Soekarno betekende dat het begin van de ellende. Op 11 maart 1966 moest hij de presidentiële macht overdragen aan Soeharto. Hij stierf op 21 juni 1970.

5.2 De republiek der Zuid-Molukken

Doordat de Portugezen al in de zestiende eeuw handelden in specerijen van de Molukken, namen de inwoners het katholieke geloof van de Portugezen over. Na de komst van de Hollanders ging men over tot het calvinisme. De Molukken werden door de Nederlanders aangewezen als het enige gebied waar de winstgevende kruidnagelbomen mochten worden verbouwd.

De samenwerking leverde nog meer voordelen op. Door hun geloofsverwantschap, hun relatief grote kennis van de Nederlandse taal en hun steun aan de Nederlandse zaak werden deze 'christenmolukkers' veelvuldig ingezet als schoolmeesters, ambtenaren of als soldaten in het koloniale leger. Toen in de negentiende eeuw de specerijenhandel afnam, nam het aantal Molukkers dat dienst nam in de KNIL sterk toe. Door de onafhankelijkheidsstrijd kwamen de Molukkers in een moeilijke positie te verkeren. Naarmate het geweld toenam werden de Molukkers steeds meer gezien als collaborateurs. Die positie werd na de onafhankelijkheid precair.

Toen in april 1950 de deelstaat Oost-Indonesië werd opgeheven en de Molukken driegde op te gaan in de Indonesische eenheidsstaat, bleken alle afspraken ingehaald door de werkelijkheid. Opstandige çhristenmolukkers op Ambon hadden inmiddels besloten de komst van 'Djakarta' niet langer af te wachten en riepen een eigen Republik Maluku Selatan (RMS) uit. Daarmee vielen de 4000 Molukse soldaten van het KNIL op Java tussen de wal en het schip. Ze wilden zich niet aansluiten bij het Indonesische leger. En de Nederlandse regering wilde de Indonesische regering niet onder druk zetten. Molukkers stapten naar de Nederlandse rechter. Deze verbood de militairen te ontslaan zolang zij zich op Java bevonden. Noodgedwongen besloot de regering de ruim 12.000 Molukkers naar Nederland te halen. In 1951 kwamen ze aan en werd de soldaten officieel meegedeeld dat ze uit militaire dienst waren ontslagen. De Molukkers eisten erkenning van hun recht op zelfbeschikking en van hun republiek de Zuid-Molukken. Het Indonesische leger rolde deze Republiek in korte tijd op maar kleine groepjes guerrillastrijders hielden vast aan het RMS-ideaal. Ze voelden zich door de Nederlanders verraden.

De droom van een eigen staat groeide uit tot een structureel probleem, zeker nadat koningin Juliana in 1975 bij de onafhankelijkheid van Suriname verklaarde dat: 'ieder volk recht heeft op zijn vrijheid'. De Molukse onmacht leidde tot een reeks bezettingen en gijzelingen in Nederland. Deze zouden uiteindelijk zes actievoerders en acht 'onschuldige slachtoffers' het leven kosten. Toen Indonesië eind jaren zeventig een Molukse delegatie toestond Ambon te bezoeken, bleek eens te meer dat de RMS een luchtkasteel was, een vergeten ideaal dat zelfs nog maar nauwelijks op Ambon leefde.

5.3 Nieuw-Guinea, de Nederlandse zwanenzang in de Oost

In 1949 hield Nederland koppig vast aan Nieuw-Guinea oftewel West-Irian als het laatste koloniaal bezit. Wat men precies met het grote maar 'achterlijke' en nauwelijks bewoonde eiland aan moest was onduidelijk, maar de meerderheid van het Nederlandse parlement stond op het behoud van deze laatste echo van het voormalige wereldrijk. Pas als de Papoea's in staat waren zelf over hun toekomst te beslissen, na een Nederlands Beschavingsoffensief, zou Nederland bereid zijn een stapje terug te doen.

Toen Soekarno in Indonesië steeds meer macht naar zich toe had weten te trekken, groeide de kwestie Nieuw-Guinea meer en meer uit tot een nationale prestige kwestie die de relatie tussen Nederland en haar voormalige kolonie steeds ernstiger verziekte. De ergernis liep zo hoog op dat de Indonesische regering in 1956 de in 1949 overeengekomen Nederlands-Indonesische Unie eenzijdig opzegde. Soekarno voerde in 1957 de druk nog verder op door steeds meer Nederlandse bedrijven in Indonesië te nationaliseren. In 1958 werd de nationalisatiecampagne afgerond en moesten alle Nederlanders die nog op deze bedrijven werkten het land verlaten.

Op 17 augustus 1960 zette de Indonesische regering de laatste stap. Alle diplomatieke banden tussen Indonesië en Nederland werden officieel verbroken. Opnieuw waren het de Amerikanen die de Nederlanders dwongen tot een snelle oplossing van het conflict.

Toen in 1962 zowel Indonesië als Nederland troepen naar Nieuw-Guinea stuurden, was voor Amerika de maat vol. Na Amerikaanse 'bemiddeling' bleek Nederland bereid het bestuur over te dragen aan een tijdelijk bestuur onder leiding van de Verenigde Naties. De VN zou dan West-Irian op 1 mei 1963 weer overdragen aan Indonesië. Wel werd nog vastgelegd dat de inwoners van Nieuw-Guinea vóór 1969 nog hun recht op zelfbeschikking, middels een volksraadpleging, zouden kunnen maken. Onder controle van Indonesische militairen werd in 1969 een volksraadpleging gehouden: het besluit om bij Indonesië te blijven werd unaniem genomen. Het definitieve einde van de koloniale verhouding tussen Nederland en Indonesië. De Nederlandse schatkist was 900 miljoen gulden lichter en alle in Indonesië geïnvesteerde miljoenen waren verloren gegaan.