We hebben 162 gasten online

Samenvattingen

CSE Van Kind tot Burger Hfst 4

Gepost in Nederland

oud leesplankje 19e eeuw

Hoofdstuk 4: Nationaal onderwijs in de praktijk

Inleiding

Een van de eerste voornemens van het nieuwe centrale bestuur van de Bataafse Republiek was het onderwijs tot speerpunt van beleid te maken. Met leuzen als ‘ Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’ en ‘Onderwijs kan alles’ gingen de nieuwbakken nationale bestuurders energiek aan de slag.

In dit hoofdstuk stellen we de volgende deelvragen:

1)Hoe kwam de nationale schoolwet tot stand en welke idealen en doelstellingen lagen aan de wet ten grondslag?

2)Met welke leermiddelen en onderwijsmethoden probeerde men deze idealen en doelstellingen te bereiken?

3)In hoeverre werden de idealen en doelstellingen van de schoolwet in de praktijk waargemaakt? 

4.1 ‘De grote hefboom des maatschappelijken levens’

Voor 1795 had ieder gewest eigen verordeningen die het onderwijs op het platteland regelden terwijl iedere stad haar eigen stedelijke onderwijsreglementen voerde. In de loop van de 18e eeuw kwam er steeds meer verzet tegen het onveranderlijke onderwijs.

Goede scholing zou op termijn zeker tot meer welvaart leiden. En er moesten ook andere leermethoden komen. De fantasie van de kinderen zou veel meer worden geprikkeld waardoor zij als vanzelf zelfstandig zouden leren denken. In 1793 bepleitte G.C.C. Vatebender voor nationaal onderwijs voor kinderen uit alle lagen van de bevolking.

Daar kwam kritiek op. De standen waren volgens de elite ‘door God gewild’ en werden voorlopig nog gekoesterd.

Na de omwenteling in 1795 namen de patriotten het onderwijsroer in handen. De Leidse hoogleraar J.H. van der Palm kreeg de opdracht een ontwerp te maken voor een nationale schoolwet. Samen met de landelijk hoofdinspecteur Adriaan van den Ende kwam hij in 1806 met de eerste nationale schoolwet voor het lager onderwijs die tot 1857 stand zou houden. Lezen, rekenen, schrijven en de Nederlandse taal werden de belangrijkste vakken.

Een andere belangrijke ontwikkeling in 1806 was de komst van een landelijke inspectie door zogenaamde ‘schoolopzieners’, die de scholen bezochten en aan de minister van Binnenlandse Zaken verslag uitbrachten. Ook benadrukte de schoolwet dat het traditionele, rumoerige hoofdelijke onderwijs diende te worden vervangen door ‘klassikaal onderwijs’.

Oude onderwijzers die niet konden wennen aan het klassikale systeem hadden voor de schoolopzieners afgedaan.

4.2 ‘Brave burgers, nuttige mensen en edelaartige Nederlanders’

Er kwamen nu nieuwe vragen op:

  • Wat moesten die kinderen eigenlijk precies leren?

  • Met welke leermiddelen konden ze deze kennis opdoen?

Het doel van de voorgeschreven schoolboeken was kinderen Nationaal Besef bij te brengen.

Creatieve onderwijzers gingen aan de slag met modernisering van het leesonderwijs. Prinsen, directeur van de nieuw opgerichte Kweekschool voor onderwijzers in Haarlem, maakte een letterkast die na 1820 van bovenaf als dé methode voor leesonderwijs werd gepropageerd. In de overige vakken waren de vernieuwingen minder spectaculair. Wel schreef de overheid voor in het Algemeen Beschaafd Nederlands te werken. De meeste onderwijzers spraken echter enkel dialect en waren niet bereid om zich voor de klas met een rood aangelopen hoofd de tong te breken.

De Nederlandse spellingsmethode van de Leidse hoogleraar Siegenbeek werd gestandaardiseerd en voortaan moest deze nieuwe spelling worden aangehouden.

Bij het rekenonderwijs ging het allemaal nóg trager. Het leren rekenen met de nieuwe maten en gewichten zou pas na 1820 aarzelend aan bod komen.

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen bleef ook na de invoering van de schoolwet nog lange tijd haar stempel drukken op het lager onderwijs. Zij zette eigen ' Nutsscholen' op, die moesten gelden als inspirerend voorbeeld voor andere scholen en gaf allerlei handelingen uit die hen wegwijs moest maken in 'de moderne pedagogie'.Ook bestreed men het schoolverzuim in de eigen regio.

Toch bleef de strijd van de brave burgers van 'het Nut' tegen 'de geestelijke armoede' iets tweeslachtigs houden. Behalve een geneesmiddel tegen onkunde leken zij de school tegelijkertijd te beschouwen als een wapen tegen onbeschoftheid en onafhankelijkheid.

4.3 De harde leerschool der praktijk

Hoewel sinds 1798 alle burgers voor de wet gelijk waren, was daarmee de standenmaatschappij natuurlijk niet verdwenen. Bijna de helft van de Nederlanders behoorde tot de armlastigen, iets minder dan een kwart tot de zelfstandige boeren en ongeveer evenveel tot de kleine burgerij. Tot de hoge burgerij behoorde maar een paar procent. de kleine burgerij probeerde zich te onderscheiden van de massa van het volk. Om dit onderscheid in stand te houden mocht het onderwijs niet verdergaan dan tot een met de stand overeenkomend niveau. Voor de massa op de armenscholen kon dus met het moralistische leesonderwijs worden volstaan.

De kinderen van de elite volgden thuis privé-onderwijs. Hoe groter de stad was hoe meer verschillende lagere scholen er waren. de hoogte van het schoolgeld bepaalde de status en de kwaliteit van de scholen en hun schoolmeesters. De schol die een kind bezocht, maakte meteen zichtbaar welke plaats de ouders op de maatschappelijke ladder innamen.

Ook op het platteland kwamen standsverschillen tot uiting o.a. doordat ze altijd letterlijk 'op de eerste rij zaten' Als er veel werk op het land moest worden gedaan nam het schoolverzuim snel toe. Dit relatieve schoolverzuim vergrootte weer de afstand tussen de arme en rijke kinderen. De bestrijding van het absolute schoolverzuim zou pas echte ter hand worden genomen na de invoering van de leerplicht begin twintigste eeuw.

In de zomer van 1823 leken de revolutionaire dagen van eind achttiende eeuw vergeten. Niemand sprak nog van gelijkheidsidealen.

Zie voor hoofdstuk 5 CSE Van Kind tot Burger Hfst 5