We hebben 300 gasten online

Samenvattingen

CSE Van Kind tot Burger Hfst 5

Gepost in Nederland

oud leesplankje 19e eeuw

Hoofdstuk 5 Licht en vrijheid, burgers aan zet

Inleiding

De nieuwe grondwet van 1848 legde de macht bij de gekozen burgers maar al snel zouden nieuwe maatschappelijke vragen ontstaan rond het kiesrecht, de sociale kwestie en de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs met het openbare.

In dit hoofdstuk houden we ons bezig met de volgende deelvragen:

  • Wat waren de gevolgen van de grondwetswijziging van 1848?
  • Wat verwachtten de liberalen van de Nederlandse burgers?
  • Welke rol speelde de overheid binnen het onderwijs?
  • Wat verwachtten de liberalen van het onderwijs?

5.1 De grondwetswijziging van 1848

thorbeckeDoor de revolutiegolf die in 1848 door Europa trok veranderde koning Willem II van zeer conservatief tot liberaal en willem IIvroeg enkele vooraanstaande liberalen om advies om het staatsbestel te hervormen. Zo werd Johan Rudolf Thorbecke de vader van de grondwet van 1848.

De belangrijkste rechten en plichten van vorst en volk werden in de grondwet ondubbelzinnig vastgelegd en voor ieder politiek orgaan stond precies omschreven hoe de leden werden gekozen of benoemd en hoever bevoegdheden reikten.

De belangrijkste veranderingen van de grondwet van 1848:

  • De macht van de koning werd beperkt en werd vooral symbolisch. de koning werd 'onschendbaar'.
  • de ministers waren voortaan verantwoording schuldig aan het parlement en niet meer aan de koning.
  • De Eerste kamer werd niet meer door de koning benoemd maar gekozen door de Provinciale Staten d.m.v. getrapte verkiezingen.
  • De Tweede Kamer werd het belangrijkste politieke orgaan.
  • De Tweede Kamer werd rechtstreeks gekozen via censuskiesrecht.
  • De invoering van vrijheid van onderwijs en vrijheid van vergadering.

Nederland werd dardoor een constitutionele parlementaire monarchie. Nederland werd tevens een gedecentraliseerde eenheidsstaat.

5.2 ' Vrijheid, orde en eenvoud ', burgerschap in de praktijk.

De liberalen gingen een steeds grotere rol spelen. Vooral in het economische verkeer moest meer vrijheid de welvaart vergroten. De overheid moest geen beperkende regels stellen mar voorwaarden scheppen. Naast bevordering van de zelfstandigheid diende ook de vrijheid te worden gestimuleerd. de vrijheid van drukpers, vereniging en vergadering garandeerde de mogelijkheid om te werken aan gemeenschappelijke belangen.

Weerstand kwam vooral van de 'conservatieven' onder leiding van Van Hall. Zij vonden dat alles te snel ging en vreesden de groeiende invloed van ' het volk' en waren wars van 'wild liberalisme'. Voor sommige protestanten was het liberalisme een verslapping van het geloof en volgens hun voorman in de Tweede Kamer, Guillaume Groen van Prinsterer, was het liberalisme 'een gifappel van de Franse revolutie'.

Maar de Haagse politiek bleef ook na 1848 voorlopig een zaak van hoge heren door het zogenaamde censuskiesrecht (vijf á zes procent had kiesrecht). De liberalen koppelden kiesrecht namelijk aan bezit. In hun ogen kon je pas een eigen vrije mening vormen indien je economisch onafhankelijk was.

Toch waren er ook liberalen die het uitsluiten van burgers van essentiële grondrechten niet goed vonden. scholing moest leiden tot een geleidelijke ontwikkeling van het liberale burgerschapsideaal. Volgens hen waren het vooral kennis en deugdzaamheid die onderdanen tot volwaardige Nederlanders maakte.

5.3 Vrijheid van onderwijs?

Via de schoolwet van 1806 had de overheid een centrale rol gekregen binnen het lager onderwijs. Wettelijk was vastgelegd dat al deze scholen een 'algemeen christelijk karakter' moesten hebben. Strenge, orthodox-protestanten en katholieken vonden dat de scholen zich aan moesten passen aan de wensen van de ouders. de school was immers medeopvoeder van hun kinderen.

De katholieken en protestanten zaten ondertussen niet stil. In de jaren veertig van de negentiende eeuw richtten ze verenigingen op 'ter bevordering van het eigen onderwijs'. In 1842 gaf Willem II toe aan de groeiende druk. Bij een Koninklijk Besluit van 2 januari schreef hij voor dat geestelijken de schoolboeken voortaan zouden mogen controleren en dat de scholen per dag één uur beschikbaar zouden zijn voor het geven van godsdienstonderwijs.

De Nijmeegse advocaat, en latere minister-president, Van der Brugghen pleitte voor een scheiding tussen Kerk en Staat. Hij stichtte in 1946 in Nijmegen de eerste bijzondere christelijke school. de grondwet van 1848 zou de vrijstelling van onderwijs garanderen. In de grondwet van 1857 werd de vrijheid van godsdienst in het onderwijs nog eens extra benadrukt. Maar in het artikel 194 werd niets gezegd over wie een en ander moest betalen. Dus weigerde de overheid financieel bij te dragen. de financiële ongelijkheid tussen openbare en bijzondere scholen nam nog verder toe na de invoering van de schoolwet van 1878. Ouders van kinderen moesten meer belasting betalen om de extra kosten van de openbare scholen te betalen en moesten ook nog eens meer schoolgeld betalen.

5.4 Kennis is macht

De schoolwet van 1857 veranderde ook de belangrijke doelstelling van het lager onderwijs. In plaats van 'deugd en braafheid' kwamen 'kennis en bekwaamheid' centraal te staan. de wet stelde nieuwe vakken verplicht zoals rekenen, meetkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, zang en kennis der natuur. Natuurlijk werd met al die nieuwe kennis het aankweken van braafheid niet uit het oog verloren.

Ondanks de behoefte aan meer geschoolde arbeidskrachten, stelde ook deze wet het schoolgaan niet verplicht. De confessionelen waren tegen omdat ze vreesden dat de gelovige kinderen uit de arme gezinnen door de leerplicht gedwongen zouden worden naar de gewone openbare scholen te gaan. ook de liberalen zagen niets in de leerplicht(Thorbecke). Zij hielden niet van staatsdwang.

Zie voor hoofdstuk 6 CSE Van Kind tot Burger Hfst 6