We hebben 324 gasten online

Samenvattingen

CSE Van Kind tot Burger Hfst 6

Gepost in Nederland

oud leesplankje 19e eeuw

Hoofdstuk 6 Groeistuipen op weg naar modernisering, 1870-1920

In het laatste kwart van de negentiende eeuw maakte Nederland een opmerkelijke groeispurt door. In nauwelijks twintig jaar ontstond een uitgebreid spoorwegnet met volop aansluiting op internationale lijnen. Er ontstonden grote, op stoomkracht of elektriciteit draaiende fabrieken. Nederlandse boeren kozen massaal voor specialisatie en verkochten al snel hun kaas, vee, groenten en bloemen tot ver over de landsgrenzen.De uitbreiding van het kiesrecht bracht echte democratie dichterbij en veel kiezers sloten zich aan bij nieuwe politieke verenigingen en partijen.In dit hoofdstuk houden we ons bezig met de volgende vragen:

  • Hoe ontwikkelde zich tussen 1870 en 1920 de economie, de bevolking en de urbanisatie?

  • Waarom nam kinderarbeid plotseling toe e hoe reageerde de overheid op deze ontwikkeling?

  • waarom verschenen er nieuwe politiek groepen op het toneel en wat wisten deze nieuwkomers te bereiken?

  • wat waren de belangrijkste politieke twistpunten in de tweede helft van de negentende eeuw en hoe werden deze kwesties uiteindelijk opgelost.

6.1 Over de drempel van de industrialisatie

Halverwege de negentiende eeuw was Nederland nog een agrarisch land. De groeiende scheepvaart en de industrialisering van het Duitse achterlandboden nieuwe exportmogelijkheden en droegen bij aan een gestage groei van de landbouwsector. Voor de landbouwexport was het echter ongunstig. Door de groeiende buitenlandse vraag stegen namelijk de binnenlandse landbouwprijzen. Omdat de lonen niet meestegen daalde de koopkracht van grote groepen Nederlanders. Veel Nederlandse bedrijven produceerden enkel voor de binnenlandse markt. Door deze krimpende markt beschikten de ondernemers nauwelijks over geld om de noodzakelijke investeringen te kunnen bekostigen. De arbeidproductiviteit kon nauwelijks toenemen. dat werd een probleem door de liberalisering van de economie(meer buitenlandse concurrentie). In het het buitenland was de arbeidsproductiviteit hoger en de kostprijs lager.De Nederlands landbouw raakte door concurrentie uit Denemarken, de Britse koloniën en de VS in grote moeilijkheden en er ontstond in de jaren tachtig een grote crisis.Het antwoord moest komen van een nieuwe impuls van de in het slop geraakte industrie. Daar lagen nieuwe mogelijkheden door:

  • Het aangelegde spoornet droeg bij aan een forse verlaging van de binnenlandse transportkosten.
  • De prijs van arbeid was relatief goedkoop geworden in vergelijking met het buitenland.

De Nederlandse industrie begon te groeien. Duizenden werkeloos geworden landarbeiders trokken naar de steden om werk te zoeken in een groeiend aantal fabrieken. Tussen 1780 en 1900 verdubbelde zo het aantal inwoners van de steden als Amsterdam, Rotterdam ,Den Haag, Utrecht en Tilburg. Enschede vervijfvoudigde zelfs. Woonde rond 1840 nog maar zo'n 35% in de steden in 1910 bedroeg dat zo'n 60%. ook de ontwikkeling van dienstensector speelde een rol. Zo groeide er naast de flink geslonken kleine burgerij van zelfstandigen een omvangrijke middenklasse van kantoorpersoneel en ambtenaren. ook de getalsmatig kleine gegoede burgerij begon te groeien. Bovendien maakte de invoering van de Hogere Burgerschool (HBS) in 1863, het mogelijk dat een groeiend aantal kinderen uit de nieuwe middenklasse zich op wist te werken tot de rangen van de gegoede burgerij. Ook in de lagere klassen nam de sociale mobiliteit toe.Voor de ongeschoolde arbeiders in de volkswijken was maatschappelijke verbetering nog ver weg. Toch steeg uiteindelijk ook bij deze slecht betaalde loonarbeiders de levensstandaard. Een arbeidsgezin van 1850 moest nog zeventig porcent van het inkomen besteden aan voedsel, maar voor een vergelijkbaar gezin rond 1900 was dit percentage gedaald tot ongeveer 50 procent. Voor de geschoolde arbeiders betekende de inkomensverbetering zelfs dat het gezinsloonmodel plaats kon maken voor het door de burgerij zo gepropageerde kostwinnersmodel.

Tussen 1870 en 1900 steeg de levensstandaard van de bevolking als geheel aanzienlijk.

verbetering levensstandaard

prijsindex

Bron: Geschiedenis der Nederlanden 1780-1970 deel 3 WP

Kinderen moesten nu wel langer naar school en werden een kostenpost. Langzamerhand won dan ook hier het idee veld dat geboortebeperking wel eens de weg kon zijn naar een betere toekomst.. Maar voor katholieke en streng protestantse arbeiders was geboortebeperking een zonde en dus onbespreekbaar.

Voor landarbeiders en keuterboertjes echter was het loon op het platteland echter nog te laag. Zij bleven net als voorheen afhankelijk van de inkomsten die opgroeiende kinderen inbrachten(armoedecyclus).

6.2 Kinderen naar de fabriek

In 1869 was de eerste massale staking uitgebroken onder Amsterdamse scheepslieden. Er ontstond een heuse stakingsgolf. tal van stakers sloten zich aan bij de socialisten en de nieuw ontstane vakbonden. Verontruste burgers begrepen de situatie van de arbeidersklasse. In 1870 werd het 'Comité ter bespreking van de Sociale Questie' opgericht waarin liberale burgers, arbeiders en zelfs enige ondernemers samenkwamen om de problemen te onderzoeken. De leden van het Comité concludeerden dat het liberalisme de bazen volop ruimte had geboden, maar dat het de arbeiders vooral bittere vruchten had opgeleverd. De komst van de stoommachines rond 1860 was geen verbetering gebleken. In de nieuwe fabrieken was er volop werk dat door goedkope vrouwen en kinderen kon worden verricht. Rond 1870 bestond naar schatting tien procent van het fabriekspersoneel uit kinderen van dertien jaar of jonger. Steeds meer mensen keerden zich daartegen.

Een regeringscommissie stelde in 1870 voor voor om kinderarbeid te verbieden en dit te koppelen aan een scholingsplicht. Het voorstel stuitte echter op felle tegenstand van de confessionele kamerleden. toen overheidmaatregelen maar uitbleven diende het kamerlid Samuel van Houten in 1874 met een initiatiefwetsontwerp voor een verbod om kinderen onder de twaalf jaar in dienst te nemen en tegelijkertijd gemeenten de mogelijkheid te geven een plaatselijke leerplicht in te stellen. Dit laatste tegen de zin van de confessionelen. Uiteindelijk haalde het verbod op kinderarbeid het wel. Maar er waren nog genoeg uitzonderingsmogelijkheden. Maar de wet was de eerste wet waarin de staat een eerste stap zette in de sociale wetgeving.

aardewerkfabrieken maastricht

Uit een parlementaire enquête, ingesteld in 1887 naar de toestand van de arbeidende klasse, bleek dat kinderarbeid nog veel voorkwam. Een bekend voorbeeld was de kinderarbeid in de aardewerkfabrieken van Regout in Maastricht. Toch waren er ook goede uitzonderingen zoals de Leidse Textiefabrikant Samuel Le Poole.

Mede onder druk van vooruitstrevende ondernemers en de wetgeving die in Engeland was ingevoerd, besloot de regering in 1889 tot een nieuwe arbeidswet. de arbeid van kinderen onder de twaalf werd verder beperkt en de arbeidsdag van kinderen van twaalf tot zestien jaar en vrouwen werd beperkt tot maximaal elf uur. En er werd nu echt controle doorgevoerd door de arbeidsinspectie(alhoewel er waren er maar drie). Maar de overheid kwam nu daadwerkelijk in de fabrieken.

6.3 Van nationale eenheid naar religieuze scheiding

Slechts de rijkste 10 procent van de mannen in Nederland had in 1874 kiesrecht. Politieke partijen bestonden er nog niet. Wel politieke stromingen. De liberalen waren de spraakmakendste groep. In hun ogen was de ideale staat een nachtwakersstaat, waarin een kleine overheid haar taak beperkte tot het garanderen en handhaven van rust en orde, tot bescherming van de vrijheden van de onderdanen en tot de verdediging van de landsgrenzen. Te vaak verdedigde het liberalisme niet de vrijheid voor allen maar juist het eigenbelang en egoïsme van enkelen.

Onder leiding van Van Houten richtten progressief-liberalen zich veel meer dan vroeger op het gewone volk. de liberale inspanningen om het onderwijs te verbeteren resulteerden al in 1878 in een nieuwe lager onderwijs wet. deze wet stelde veel hogere kwaliteitseisen aan de scholen en hun onderwijzers.

Zowel voor de katholieken en de orthodox-protestanten waren de bijzondere scholen heilig. kuyperOmdat de staat met de nieuwe wet wel extra eisen stelde aan de bijzondere scholen maar weigerde mee te betalen, beschouwden zij deze onderwijswet als een klap in hun gezicht. Abraham Kuyper, leider van de orthodox-protestanten, besloot met de katholieken te gaan samenwerken. De Schoolstrijd maakte van gezworen vijanden bondgenoten. Kuyper richtte de eerste Nederlandse politieke partij op de Anti Revolutionaire Partij(ARP) en introduceerde de 'antithese' . Er was volgens hem een fundamentele tegenstelling tussen partijen die zich lieten leiden door Gods woord en de partijen die zich lieten leiden door de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie (Godsoevereiniteit versus Volkssoevereiniteit). Protestanten en katholieken moesten 'hun eigen erf' zo goed mogelijk afschermen en van daaruit, ieder als één blok werken aan de verbetering van de maatschappij. "Soevereiniteit' in eigen kring. Hij richtte een eigen dagblad, Universiteit, partij en vooral 'scholen met den bijbel' op.

De onderwijswet vervreemde ook de katholieken nog verder van het liberalisme en Paus Pius IX had zich al in 1864 tegen het liberalisme gekeerd. Zo ontstond na 1878 niet alleen een protestantse zuil maar ook en katholieke zuil.

6.4 Nog drie harde noten te kraken

Behalve de schoolstrijd waren er nog twee harde noten te kraken de kiesrechtkwestie en de sociale kwestie.

De kiesrechtkwestie:

De liberalen waren van mening dat het kiesrecht beperkt moest blijven tot burgers die intellectueel, geestelijk en economisch zelfstandig een keuze konden maken. dat betekende dat slechts een kleine minderheid van rijke burgers mocht kiezen en gekozen mocht worden. Vanaf 1870 ontstond daarover een discussie.

In 1887 werden de censusbepalingen uit de grondwet geschrapt en vervangen door het zogenaamde 'CAOUT-CHOUC-ARTIKEL. Voortaan kregen namelijk alle mannen met ' kentekenen van maatschappelijke welstand en geschiktheid' kiesrecht. Dat werd bepaald door de kiescommissie. Bij de volgende verkiezingen bleek het aantal kiezers ruim verdubbeld tot bijna vijfentwintig procent van de mannelijke bevolking.

Maar daarmee was de kiesrechtkwestie nog niet voorbij. De arbeidersklasse en de keuterboeren hadden nog steeds geen inspraak. Uiteindelijk ging het over de vraag of mensen die geen belasting betaalden, wel mee zouden mogen praten over de besteding ervan.

In 1896 werd het kiesrecht nogmaals uitgebreid waarna de helft van de mannelijke bevolking kiesrecht kreeg.

De sociale kwestie:

De progressief-liberalen vonden dat de overheid de schrijnende armoede, het drankmisbruik en de vrouwen- en kinderarbeid niet langer kon negeren. Via verbeteringen van het onderwijs en allerlei nieuwe wetten en verordeningen werd een burgerlijk beschavingsoffensief ingezet o van arbeiders en hun gezinnen ijverige, vaderlandslievende en godsvruchtige burgers te maken. vooral het progressief-liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius uit 1897 kwam met een Ongevallenwet, een Woningwet, wetten tegen verwaarlozing en mishandeling van kinderen en in 1901 de wet op de leerplicht.

Door de invoering van de leerplicht kwam de aloude schoolstrijd weer aan de oppervlakte. De uitbreiding van het kiesrecht zorgde er voor dat het aantal protestanten en katholieken in de Tweede Kamer fors toenam. Met betrekking tot het onderwijs nam het confessionele kabinet Mackay in 1989 een nieuwe lager-onderwijswet aan die het mogelijk maakte eindelijk het bijzonder lager onderwijs gedeeltelijk te subsidiëren. Een eerste stap naar gelijkstelling.

De leerplichtwet van 1901 leidde opnieuw tot tegenstand bij de confessionelen. Nog steeds vonden zij schoolgang een verantwoordelijkheid van de ouders, niet van de staat. Er was sprake van een patstelling. De leerplichtwet werd aangenomen met vijftig voor en negenenveertig tegen (Het afwezig kamerlid was van zijn paard geworpen waardoor hij niet aanwezig kon zijn).

Uiteindelijk werd de kiesrechtkwestie en de schoolstrijd definitief geregeld in 1917. door de onderwijspacificatie te koppelen aan het algemeen kiesrecht waren alle partijen een beetje tevreden en werd Nederland een Parlementaire democratiie .

Zie voor hoofdstuk 7 CSE Van Kind tot Burger Hfst 7