We hebben 179 gasten online

Samenvattingen

CSE Van Kind tot Burger Hfst 7

Gepost in Nederland

oud leesplankje

Hoofdstuk 7 'Armen over elkaar' en 'mooi zitten', onderwijs in de praktijk

Inleiding

In dit hoofdstuk staat de onderwijspraktijk van de tweede helft van de negentiende eeuw centraal. Daarbij gaat het om de volgende vragen:

  • In hoeverre veranderde het lager onderwijs in de tweede helft van de negentiende eeuw?
  • In hoeverre veranderde er in die jaren de onderwijsmethoden en de vakken?
  • Hoe ontwikkelde zich het schoolverzuim en hoe is dat te verklaren?

7.1 Van 'eindstation' naar 'voorportaal'.

Na 1850 begon de lagere school langzaam maar zeker een functie bij te krijgen. Steeds meer kinderen gingen na de lagere school 'doorleren'. In 1857 was een begin gemaakt met de 'mulo', wat stond voor 'Meer Uitgebreid Lager Onderwijs'. De inhoud van dit onderwijs mocht worden bepaald door de gemeente. De lessen werden in de avonduren in bestaande gebouwen gegeven. De mulo begon al snel de betere maar dure 'Franse scholen' te vervangen.

Door de groeiende industrie en dienstensector steeg ook de behoefte aan hoger geschoold personeel. In 1863 werd daarom de 'Wet op het Middelbaar Onderwijs' aangenomen. de voornaamste vernieuwing was de 'Hogere Burgerschool'', de hbs. Voor de middengroepen was de hbs al snel wat het gymnasium was voor de elite. In 1870 waren er al vijftien hbs-en en in 1920 zelfs al méér dan honderd. Doordat de overheid deze scholen vrij liet, raakte het vakkenpakket nogal overladen.

7.2 Braaf zijn wordt saai

Vanaf 1860 begon ook de leerstof te veranderen. Voortaan moest er 'echt' worden geleerd. Het nieuwe toverwoord wordt 'aanschouwelijk onderwijs'. Leren doe je niet langer door braaf te luisteren maar door zelf te kijken en te doen. Vóór in de klas heeft de 'leesplank van Hoogeveen' een ereplaats gekregen. de nieuwe manier van werken vereiste een klassikale werkvorm waarbij de onderwijzer de hoofdrol speelde.

Kinderen moesten nog vaak nazeggen, herhalen en luisteren. Er waren ook onderwijzers zoals Jan Ligthart die een meer fundamentele verandering wilde. Hij vond dat niet de onderwijzer of het klaslokaal maar de leerling en zijn leefwereld centraal moest staan. Volgens Ligthart was de school geen 'luisterplaats' maar veeleer een 'werkplaats'.

De meeste onderwijzers liepen niet zo hard van stapel. In hun ogen boden rust, orde, regelmaat, een schoolbord met een krijtje en verantwoorde schoolboekjes een veel betere leeromgeving.

7.3 Schoolgang wordt leerplicht

In de tweede helft van de negentiende eeuw speelde naast de schoolstrijd ook het schoolverzuim een grote rol in het publiek debat. Rond 1860 ging in de winter bijna negentig procent van de kinderen naar school maar in de zomermaanden liep dit percentage terug tot onder de zeventig procent. In de oogstmaand liepen de scholen op het platteland bijna helemaal leeg. Het terugdringen van het minder omvangrijke maar veel schadelijker absolute schoolverzuim was zo mogelijk nóg lastiger. De meest effectieve aanpak bleek bijstandsteun aan de ouders te koppelen aan schoolgang van hun kinderen, maar dat werkte alleen bij de allerarmste gezinnen.

Tussen 1860 en 1890 begon het absolute verzuim af te nemen. De stijgende levensstandaard maakte ook voor arme gezinnen schoolgang mogelijk en resulteerde in een daling van het absolute verzuim van dertig naar negen procent. In 1901 werd het Leerplichtdebat afgesloten met de invoering van de 'wet op de Leerplicht'.

Zo maakte de invoering van de Leerplicht het voorrecht van onderwijs voor de betere standen tot een algemeen geldend recht op onderwijs.

Zie voor begrippenlijst Begrippenlijst CSE Van Kind tot Burger