We hebben 367 gasten online

Samenvattingen

Begrippenlijst CSE Van Kind tot Burger

Gepost in Nederland

Termen en begrippenlijst: Volksopvoeding via het onderwijs in Nederland (1780-1920)

oud leesplankje

Absoluut schoolverzuim

Het in het geheel niet naar school gaan. Absoluut schoolverzuim kwam in de 19e eeuw vooral voor in afgelegen plattelands gebieden en onder de paupers in de steden. In de tweede helft van de 19e eeuw nam het absoluut verzuim sterk af. Na de invoering van de leerplicht in 1901 verdween het vrijwel geheel.

Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) De gestandaardiseerde spelling en uitspraak van het Nederlands, die in 1805 voor het eerst werden vastgelegd. Sinds de schoolwet van 1806 moest op alle lagere scholen het ABN gebruikt worden. Dialecten en streektalen als het Fries waren verboden.
Armoedecydus De opeenvolging van grote en minder grote armoede in het leven van arbeiders. Tot ver in de 19e eeuw verliep het leven van arbeiders in Nederland in een aantal vaste stadia. Zolang ze geen kinderen hadden, konden ze redelijk rondkomen. Als er kleintjes kwamen. sloeg de armoede toe. Die werd enigszins verlicht zodra de oudste kinderen wat konden gaan verdienen. Naarmate meer thuiswonende kinderen konden werken. werd het makkelijker. Op hun oude dag. als de arbeiders niet meer konden werken, vervielen ze weer tot armoede.
Bataafse Republiek Naam van de Nederlandse staat van 1795 tot 1806. De naam is afgeleid van de Bataven of Batavieren. een Germaanse stam die in de eerste eeuw na Christus in de Lage Landen woonde. De patriotten. meenden dat de Bataven trots, vrijheidslievend en democratisch waren geweest. Zij noemden zichzelf en de Nederlanders in het algemeen dan ook graag Bataven.
Bijzonder onderwijs Niet-openbaar onderwijs. De schoolwet van 1806. onderscheidde voor het. eerst openbaar en bijzonder onderwijs. Bijzonder onderwijs was onderwijs dat uitging van particulieren en financieel onafhankelijk was van de overheid. Hieronder vielen de oude particuliere scholen, waar welgestelde ouders hun kinderen naartoe stuurden. Nadat in de schoolwet van 1857. de vrijheid van onderwijs. was vastgelegd. vielen onder het bijzonder onderwijs ook confessionele (katholieke en orthodox protestantse) scholen. Vanaf 1889 werd het bijzonder onderwijs gedeeltelijk betaald door de overheid. Met de onderwijspacificatie. van 1917 werden openbaar en bijzonder onderwijs financieel gelijkgesteld.
Burgerlijk beschavingsoffensief De bemoeienissen van de burgerij om de arbeiders de burgerlijke beschavingsnormen bij te brengen. De lagere klassen moesten leren hun driften te beheersen en een gedisciplineerd en huiselijk bestaan te leiden. gekenmerkt door orde, netheid. zuinigheid en ijver. Het burgerlijke beschavingsoffensief kwam in Nederland op gang vanaf 1870.
Burgers Oorspronkelijk inwoners van een stad die alle daaraan verbonden rechten hadden. De patriotten en de Franse revolutionairen bedoelden met burgers alle bewoners van de natie die volledige burgerrechten hoorden te hebben. De burgers waren, zo stond het in 1781 in een revolutionair pamflet, de ware eigenaren, de heren en meesters van het land, en kunnen zeggen hoe zij het hebben willen, hoe en door wie zij geregeerd willen worden. Over wie tot de burgers gerekend moest worden en wie niet, waren de patriotten verdeeld. De paupers hoorden er in elk geval niet bij. Voorwaarde was dat men in staat was een zelfstandig oordeel te vormen
Caoutchouc-artikel Het artikel uit de grondwet van 1887 dat het kiesrecht toekende aan alle mannen van 23 jaar en ouder die kentekenen van geschiktheid en welstand' vertoonden. Het artikel verving na bijna veertig jaar het censuskiesrecht. Gemeenten kregen de opdracht de geschiktheid vast te stellen. Caoutchouc is de toenmalige benaming van rubber. Het geeft aan dat 'geschiktheid en welstand' rekbare begrippen waren. Aanvankelijk lagen de criteria nog hoog; 24 procent van de volwassen mannen kreeg kiesrecht. In een nieuwe kieswet werd dat in 1896 ongeveer verdubbeld. In de jaren daarna steeg het percentage kiesgerechtigden verder doordat de gemiddelde welvaart en ontwikkeling van de bevolking groeide.
Censuskiesrecht Kiesrecht dat alleen geldt voor wie een bepaalde belastingsom betaalt. In 1848 voerden de liberalen censuskiesrecht in om te voorkomen dat het niet-verlichte deel van de bevolking invloed zou krijgen op de politiek. In 1887 werd het censuskiesrecht afgeschaft en vervangen door het "caoutchouc-artikel". Daarna werd het kiesrecht geleidelijk uitgebreid tot er in 1917 algemeen mannenkiesrecht was. Twee jaar later kregen ook de vrouwen kiesrecht; in 1922 werden de eerste nationale verkiezingen met algemeen kiesrecht gehouden.
Constitutionele monarchie Monarchie waarin de koning geen absolute macht heeft, maar gebonden is aan de grondwet. Nederland heeft deze staatsvorm sinds 1813.
Deugd Centraal begrip van de patriotten, dat zo ongeveer alle goede eigenschappen van de verlichte mens omvatte. Misschien nog het best te omschrijven als besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Later kreeg het woord een minder politieke lading en ging het zoiets betekenen als de neiging steeds het goede te doen en het slechte te laten.
Eenheidsstaat Staat waarbij de macht in handen is van de centrale regering. Lagere overheden als gemeenten en provincies zijn ondergeschikt aan de centrale overheid. Nederland werd door de grondwet van 1798 een eenheidsstaat en bleef dat bij de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813.
Gegoede burgerij Het welgestelde deel van de burgerij, de rijkere burgers gezinsloonmodel Type inkomensverwerving waarbij zo veel mogelijk alle leden van het gezin bijdragen aan het gezinsinkomen. In de volksklasse was het gezinsloonmodel tot de tweede helft van de 19e eeuw gebruikelijk. Alle leden van het gezin die konden werken, moesten geld verdienen om het hoofd boven water te houden. Vanaf 1870 maakte het gezinsloonmodel plaats voor het kostwinnersmodel, waarbij alleen de man inkomen verwerft.
Grondwet Tekst waarin beschreven staat wat de belangrijkste rechten en plichten van de burgers en de overheid zijn en wat de principes bij het bestuur van de staat zijn. De grondwet is van een hogere orde dan de gewone wetten: die mogen er niet mee in strijd zijn. Nederland kreeg voor het eerst een grondwet in 1798. Daarin werd onder meer vastgelegd dat Nederland een eenheidsstaat was.
Grondwet van 1848 Door Thorbecke geschreven grondwet die nog steeds de basis vormt van de Nederlandse staatsinrichting. Nederland werd een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. Vrijheden als de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van onderwijs werden vastgelegd.
Hoofdelijk onderwijs Onderwijsmethode waarbij alle leerlingen voor zich, in eigen tempo, leren, en één voor één ('per hoofd') bij de onderwijzer komen om zich te laten overhoren. Het hoofdelijk onderwijs was de gebruikelijke onderwijsmethode in de Republiek. Door de schoolwet van 1806 werd het vervangen door klassikaal onderwijs.
Kiesrechtstrijd De strijd om uitbreiding van het kiesrecht, die rond 1870 begon en in 1919 eindigde met de invoering van het algemeen kiesrecht. De sociaal-democraten en links-liberalen wilden vanaf de 1880's algemeen mannenkiesrecht. Conservatieve liberalen en een deel van de confessionelen verzetten zich tegen uitbreiding van het kiesrecht. Op basis van het censuskiesrecht mocht in 1880 slechts 12 procent van de volwassen mannen stemmen. In 1887 werd dat met een grondwetswijziging verdubbeld tot een kwart. In 1896 werd het kiesrecht opnieuw uitgebreid, tot de helft van alle volwassen mannen. Daarna liep het op tot 65 procent van alle volwassen mannen in 1913.
Kinderwet van Van Houten De kinderwet van Van Houten uit 1874 verbood arbeid voor kinderen onder de twaalf in fabrieken en werkplaatsen. Aanvankelijk had Van Houten voorgesteld alle kinderarbeid te verbieden, maar een Kamermeerderheid voorkwam dat het verbod ook ging gelden voor huiselijke diensten en veldarbeid. Ook Van Houtens voorstel dat gemeenten lokaal leerplicht' mochten invoeren, haalde het niet. Door het kinderwetje verdween de kinderarbeid in de industrie. In werkplaatsen bleef het nog wel voorkomen, omdat de gemeenten - die op de naleving moesten toezien - vaak nauwelijks controleerden. Bovendien kon er niet opgetreden worden als kinderen als hulpje met hun vader meekwamen, en officieel niet in dienst van de werkgever waren.
Kleine burgerij Het minder welgestelde deel van de burgerij. In de 18e en 19e eeuw werd er dat deel van de bevolking mee bedoeld dat niet tot de gegoede burgerij hoorde, maar ook niet tot de volksklasse. Dit werd bepaald aan de hand van criteria als bezit, inkomen, zelfstandigheid en opleiding.
Kostwinnersmodel Type inkomensverwerving waarbij de man als enige van het gezin inkomen heeft, en dus kostwinner is. De vrouw is huisvrouwen de kinderen gaan naar school.
Landbouwcrisis De scherpe crisis van de Nederlandse landbouw in de jaren 1882-1896, die zich uitte in lage prijzen en de massale migratie van landarbeiders en boeren van vooral de noordelijke provincies naar de steden. De Nederlandse landbouw werd pas in de 1880's volop getroffen, maar elders begon de landbouwcrisis al in 1873. Oorzaak was de massale aanvoer van Amerikaans graan en vlees. Dit was mogelijk doordat in de VS in de voorgaande jaren een groot spoorwegennet was gebouwd, het vervoer over de oceaan door de komst van grote en snelle stoomschepen sterk was verbeterd en vlees via betere koeltechnieken langer goed bleef.
Liberale burgerschapsideaal Het ideaal van de economisch onafhankelijke, zelfstandig en rationeel denkende burger. De liberalen vonden aanvankelijk dat alleen burgers' die aan dit ideaal voldeden, het kiesrecht moesten hebben.
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen Een verlicht genootschap dat zich de verspreiding van kennis en deugd ten doel stelde. Het in 1784 opgerichte Nut was al gauw veruit het grootste genootschap van het land. Het kreeg een massale aanhang onder de burgerij. In 1800 had het al 3700 leden. verspreid over 52 afdelingen in het hele land. In 1850 waren er 300 afdelingen en 13.700 leden. De organisatie speelde een grote rol bij de 'volksverlichting' in het algemeen en het onderwijs in het bijzonder. Het deed dat door prijsvragen. lezingen. discussieavonden. adviezen aan de regering, de oprichting van voorbeeldscholen en kweekscholen en de uitgave van schoolboekjes. Daarnaast probeerde het Nut ook de spaarzaamheid en verlichting onder de volksklasse te bevorderen door de oprichting van bibliotheken en volksspaarbanken.
Nachtwakerstaat Een staat die voor de veiligheid zorgt en verder nauwelijks ingrijpt in de maatschappij. De liberalen waren tot de 1870's voorstanders van een nachtwakerstaat. omdat zij een rotsvast vertrouwen hadden in de heilzame werking van het particulier initiatief. De liberale leider Thorbecke vond zelfs dat ook het onderwijs eigenlijk overgelaten moest worden aan het particulier initiatief.
Natievorming Het van overheidswege stimuleren van een besef van nationale verbondenheid. In Nederland begonnen de patriotten" hiermee en werd het voortgezet door koning Willem I.
Nationalisme Voorliefde voor de eigen natie. Ook wel het streven alle mensen van hetzelfde volk in een eigen soevereine staat onder te brengen. Het nationalisme ontstond met de Franse revolutie en won gedurende de 1ge eeuw overal in Europa aan kracht.
Nieuwe middenklasse Nieuwe klasse tussen de arbeiders en de elite in, die vanaf 1870 snel in omvang toenam. De oude middenstand was economisch zelfstandig, de leden van de nieuwe middenklasse waren meestal afhankelijk van een salaris. De nieuwe middenklasse bestond uit groepen als ambtenaren, kantoorpersoneel bij bedrijven en onderwijzers.
Onderwijspacificatie De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs-, waarmee in 1917 de schoolstrijd- werd beëindigd.
Openbaar onderwijs Volgens de schoolwet van 1806 onderwijs dat georganiseerd en betaald wordt uit een publieke kas. Later onderwijs dat betaald en bestuurd wordt door de overheid.
Orangisten Aanhangers van de stadhouder. De benaming orangisten kwam op in de patriottentijd, de orangisten waren de tegenstanders van de patriotten-. Vóór 1780 werden de aanhangers van de stadhouder prinsgezinden genoemd, de tegenstanders staatsgezinden. Het ging hier om een tegenstelling binnen het regentendom. Bij de tegenstelling orangisten-patriotten waren veel grotere delen van het volk betrokken.
Parlementaire democratie

Politiek systeem waarbij de hoogste macht ligt bij het parlement, dat met algemeen kiesrecht is gekozen. Nederland werd een parlementaire democratie in 1919. toen het algemeen kiesrecht werd ingevoerd. Twee jaar eerder was het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd.

Parlementaire enquête Onderzoek door het parlement. waarbij getuigen verplicht zijn te verschijnen. In 1887 werd een parlementaire enquête gehouden naar de naleving van de Kinderwet van Van Houten en de toestanden in de fabrieken en werkplaatsen in het algemeen. Het onderzoek leverde schokkende informatie op over de misstanden in de industrie en leidde tot de Arbeidswet van 1889. Daarbij werd de werkdag van vrouwen en kinderen van 12 tot 16 jaar beperkt tot elf uur en werd nachtarbeid door deze groepen verboden.
Parlementair stelsel Politiek systeem waarbij de hoogste macht bij het parlement ligt. Nederland kreeg in 1848 een parlementair stelsel. De ministers waren sindsdien verantwoordelijk voor het parlement; zonder parlementaire steun konden zij niet meer regeren.
Patriotten Burgers die het verval van de Republiek wilden tegengaan door de burgerij invloed te geven op het bestuur. De patriotten keerden zich tegen de stadhouder en de prinsgezinde regenten. In de jaren 1781-1787 leidde het verzet tegen de stadhouder tot een ware opstand. waaraan door buitenlandse interventie een eind werd gemaakt. In 1795 bracht de invasie van Franse troepen de patriotten alsnog aan de macht.
Paupers Armen. met name degenen die permanent arm zijn. In de 18e en 19e eeuw werden er de mensen mee bedoeld die niet of nauwelijks werkten en afhankelijk waren van de bedeling. Het ging om vijf tot tien procent van de bevolking. In de ogen van de burgerij hadden de paupers hun ellende te danken aan hun gebrek aan zelfbeheersing en beschaving en hun morele verdorvenheid.
Progressief liberalen

Ook wel links- of jong-liberalen genoemd. De progressief liberalen vonden anders dan de conservatieve liberalen dat de staat een taak had~bij het oplossen van de sociale kwestie.Ook waren ze voor uitbreiding van het kiesrecht en voor invoering van de leerplicht. Samuel van Houten was in 1869 de eerste progressief-liberaal die in de Tweede Kamer kwam.

Relatief schoolverzuim Het wegblijven van school gedurende bepaalde gedeelten van het jaar. Het relatief schoolverzuim was op het platteland in de zomer hoog, omdat dan veel kinderen op het land werkten.
Schoolstrijd De strijd die tot 1917 gevoerd werd om de vrijheid en de financiering van het bijzonder onderwijs.. Orthodoxe protestanten en katholieken eisten vanaf ongeveer 1825 de vrijheid om onderwijs te kiezen dat overeenkwam met hun eigen geloof Nadat de vrijheid van onderwijs. in de grondwet van 1848. was opgenomen, ging de strijd om de financiering van het bijzonder onderwijs. De confessionelen eisten financiële gelijkstelling met het openbaar onderwijs, maar de liberalen weigerden elke vorm van bekostiging. In 1889 kregen bijzondere scholen voor het eerst subsidie. Daarna duurde het nog tot 1917 tot openbaar en bijzonder onderwijs financieel gelijkgesteld werden.
Schoolwet van 1806 De wet die van 1806 tot 1857 het lager onderwijs regelde. De belangrijkste onderdelen waren: (a) leraren moesten klassikaal lesgeven, het oude hoofdelijk onderwijs werd verboden; (b) de wet onderscheidde openbaar en bijzonder onderwijs; (c) het onderwijs moest opvoeden tot alle maatschappelijke en christelijke deugden, leerstelling onderwijs werd verboden; (d) onderwijzers moesten bevoegd zijn en daartoe examens afleggen; (e) een landelijke inspectie hield toezicht op het onderwijs: (f) de ouders moesten, tenzij ze te arm waren, ook in het openbaar onderwijs schoolgeld betalen.
Schoolwet van 1857 De wet die van 1857 tot 1878 het lager onderwijs regelde. De belangrijkste verschillen met de wet van 1806 waren: (a) er kwam vrijheid van onderwijs, maar het bijzonder onderwijs' kreeg geen geld van de overheid; (b) op gebied van leerstof werden hogere eisen gesteld; (c) er kwamen minimumsalarissen voor onderwijzers; (d) gemeenten kregen de vrijheid om het openbaar onderwijs gratis te maken.
Schoolwet van 1878 De wet die van 1878 tot 1889 het lager onderwijs regelde. De belangrijkste punten waren: (a) de kwaliteitseisen werden fors verhoogd, waardoor het onderwijs veel duurder werd; (b) de kosten van het openbaar onderwijs werden gedeeld door de gemeente (70 procent) en de rijksoverheid (30 procent). De wet was een liberaal product; een van de doelen was het bijzonder onderwijs te benadelen. Dat moest immers aan hogere eisen voldoen. maar kreeg nog steeds geen cent. Om die reden sneuvelde de schoolwet van 1878 al na elf jaar.
Sociale kwestie Het vraagstuk van de armoede en de slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeidersklasse. en van de integratie van de arbeiders in de samenleving. De sociale kwestie kwam op rond 1870 en was een van de grote vraagstukken die de Nederlandse politiek tot de Eerste Wereldoorlog beheersten. Vóór 1870 was de armoede zeker niet minder geweest. maar was deze als een vast gegeven aanvaard.
Sociale mobiliteit

 

De mate waarin het mogelijk is een andere (betere) plaats in de maatschappij te krijgen. In de standensamenleving was de sociale mobiliteit gering. Vooral na 1870 nam de sociale mobiliteit in Nederland toe.

Statenbond Een verbond van zelfstandige staten die naar buiten toe optreden als eenheid. Het bekendste voorbeeld is de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795).
Verlichte burgerschapsideaal

De als ideaal voorgestelde leefwijze van zelfstandige burgers die van verlichte principes uitgaan. De patriotten legden hier sterk de nadruk op. Echte goede burgers waren deugdzaam. werkten hard. leefden sober. dachten zelfstandig en zetten zich in voor het algemeen belang.

Verlichting Tijdperk in de West-Europese geschiedenis waarin het vertrouwen in de rede, het verstand, centraal stond. De Verlichting viel ongeveer samen met de 18e eeuw. Met 'verlichting' wordt ook wel de houding en denkwijze bedoeld waarin de rede boven alles wordt gesteld. Aanhangers van de Verlichting waren ervan overtuigd dat de maatschappij maakbaar is en dat kennis en onderwijs tot betere mensen en een betere samenleving zouden leiden: 'kennis is deugd' was hun leuze. In Frankrijk was de Verlichting antigodsdienstig, in Nederland vonden de meeste verlichte denkers dat godsdienst en verlichting goed samen konden gaan.
Volksklasse Het gewone volk, zij die niet tot de burgerij worden gerekend. In de 18e en 19e eeuw maakte de volksklasse 60 tot 70 procent van de Nederlandse bevolking uit.
Vrijheid van onderwijs De vrijheid van iedereen om voor zijn kinderen de school te kiezen die het best past bijzijn geloof of levensbeschouwing. De vrijheid van onderwijs werd in 1848 vastgelegd in de grondwet-. Pas met de schoolwet van 1857- kwam er ook in de praktijk vrijheid van onderwijs.
Wet op de leerplicht De wet die vanaf 1901 ouders verplichtte hun kinderen vanaf hun zesde of zevende levensjaar zes jaar achtereen onderwijs te laten volgen. Er werden enkele uitzonderingen toegestaan. De belangrijkste was een landbouwverlof van maximaal zes weken.