We hebben 183 gasten online

Samenvattingen

5e druk MeMo Havo Hoofdstuk 3 Tijd van ontdekkers ...
25 mrt 2020 10:45

TIJD VAN ONTDEKKERS EN HERVORMERS Blz. 72-89 3. Veranderend mens- en wereldbeeld In dit hoofdstuk wordt de periode van de renaissance, de ontdekkingsreizen en de hervorming behandeld. Het verandere [ ... ]

Memo 4e drukVerder lezen

Samenvatting VWO Feniks Hfst 3 Overzicht van de geschiedenis

Gepost in Tweede Fase 1e druk Overzicht gs

Tijd van Monniken en Ridders Vroege Middeleeuwen 500 - 1000

tijdvak 3

Hoofdstuk 3: Van Mohammed tot Karel de Grote

Oriëntatie

Het Tijdvak

Omstreeks 950 stichtte Dirk 1, graaf van holland, in Egmond een nonnenklooster. Zijn zoon Dirk II maakte er een abdij van.

Deze zou in de loop van de eeuwen uitgroeien tot een voornaam cultureel centrum in het graafschap Holland met een belangrijke bibliotheek.

De graaf van Holland en de Benedictijner monniken staan symbool voor de Tijd van Ridders en Monniken, ofwel de vroege Middeleeuwen (500-1000 na Chr.).

In ruil voor geschenken van de graaf baden de monniken voor zijn zieleheil en dat van de grafelijke familie.

In zijn algemeenheid geldt 476 als het einde van het West-Romeinse Rijk maar de overgang van de Romeinse tijd na de Middeleeuwen was

evenwel een proces dat enkele eeuwen in beslag nam. Er was geen abrupte scheiding tussen de Romeinse wereld en de Germaanse cultuur.

Al vanaf de derde eeuw kregen de Romeinen te maken met Germaanse stammen die het Romeinse Rijk wilden binnendringen.

Soms liet men ze bewust binnen om ze als bevriende stammen (de Franken) in te zetten tegen nieuwe binnendringers.

Hierdoor vond acceleratie plaats: de Franken namen allerlei onderdelen van de Romeinse cultuur over o.a. op het gebied van religie en krijgskunst.

invasies in het rom rijk

Het begin van de Tijd van Monniken en Ridders wordt gekenmerkt door een invasie van stammen

zoals de Goten, de Saksen en Vandalen. Vanuit Azië trokken de Hunnen in de richting van Europa.

De term volksverhuizingen heeft zijn oorsprong in de geschriften van klassieke auteurs. Zij hadden

een negatieve kijk op de Germanen die ze zagen als vernietigers van een hoge cultuur door een lagere.

De term Middeleeuwen ontstond tijdens de Renaissance, toen men dacht dat de beschaving 1000

jaar had stilgelegen.

franken 500 ad

Rond 500 ontstonden er nieuwe koninkrijken binnen het voormalige Romeinse Rijk. Een daarvan

was het rijk van de Frankische koning Clovis deze nam gedeeltelijk de Romeinse cultuur over.

Door de uitbreiding van het Frankische Rijk werd de Romeinse beschaving en de christelijke

cultuur verder verspreid.

De kenmerken

In de middeleeuwen slaagden stamhoofden erin grote gebieden aan elkaar te doen sluiten en als koning ze te besturen. Dit was mogelijk door de invoering van het leenstelsel, ook wel feodale stelsel genoemd. In ruil voor steun aan de koning leende deze een stuk grond aan zijn leenmannen. Dit stelsel werd in vrijwel geheel Europa doorgevoerd.

De katholieke kerk ging een steeds grotere rol spelen in de loop van de vroege Middeleeuwen. Vanuit kloosters hielden monniken zich bezig met verspreiding van het geloof. Tevens legden ze christelijke teksten vast in prachtig versierde handschriften. Ook hielp het dat Koning Clovis zich tot katholiek liet dopen.

Economisch was de grootschalige productie en handel voorbij. Dit werd vervangen door kleinschalige huisnijverheid. De Germaanse boerengemeenschappen waren autarkisch (zelfvoorzienend). In het Frankische Rijk ontstond echter het zogenaamde Hofstelsel, waarin de modern opgezette kroondomeinen (immense landgoederen) een belangrijke rol speelden. Er werd weer meer voedsel geproduceerd waardoor de bevolking en de handel toenam. Een gedeelte van de agrarische bevolking was in het hofstelsel niet vrij en gebonden aan de grond van de heer (horigheid).

In de zevend eeuw ontstond er in het Midden-Oosten een nieuw geloof, de islam, gesticht door de profeet Mohammed. De Islam verspreidde zich snel over grote delen van het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa. In 732 werd hun opmars in het zuiden van Frankrijk tot staan gebracht. Het grootste deel van Spanje bleef eeuwenlang Arabisch en islamitisch.

Kenmerken van het tijdvak

  • Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur;
  • De verspreiding van het christendom in heel Europa;
  • De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid;
  • Het ontstaan en de verspreiding van de islam.

Kernbegrippen

Agrarisch-urbaan: In zo'n samenleving leeft het grootste gedeelte van de bevolking op het platteland en werkt in d elandbouw. in de weinige steden die er zijn, is het bestuur gevestigd en komen diverse handelsstromen samen.

Autarkie / Zelfvoorziening: Een autarkische samenleving kan zelf in alle behoeften voorzien en is dus niet afhankelijk van de toevoer van producten van buitenaf.

Feodalisme: Een systeem van leenheren die grond in leen geven aan leenmannen, die hun heer in ruil darvoor trouw en ondersteuning beloven. Dit heet ook wel:leenstelsel.

Hofstelsel: Een systeem waarbij de grond eigendom is van een landheer en bewerkt wordt foor lijfeigenen, pachters en horige boeren.

Horigen / horigheid: Horigheid maakte vaak deel uit van het Hofstelsel. Horigen waren boeren die aan hun land gebonden waren.

Islam: Letterlijk: Onderwerping. De religie die is gesticht door de profeet Mohammed, met Allah als enige God.

3.1 Leenmannen en leenheren

Inleiding

Voor de verdediging van zijn rijk was Karel de Grote afhankelijk van de steun van soldaten te paard. Om ervoor te zorgen dat zij hem trouw bleven, werden ridders en bestuurders met bezittingen beloond, die in leen werden gegeven. Het leenstelsel groeide uit tot een van de belangrijkste kenmerken van de hele Middeleeuwen. Dit systeem, bedoeldom de vorst te ondersteunen, werd echter ook een oorzaak van de verzwakking van zijn macht.

Het belang van dit onderwerp

Tijdens de Vroege Middeleeuwen ontwikkelden zich het leenstelsel en de standensamenleving. In een standensamenleving wordt status bepaald door afkomst, familie en bezit. Hoe hoger de stand waartoe je behoort, hoe meer politieke macht je hebt.

Welke ontwikkelingen leidden tot de feodaliteit als kenmerkend systeem voor de Middeleeuwen?

Het Frankische Rijk

Bij het begin van de Volksverhuizingen leefden er Franken binnen het Romeinse Rijk én aan de overzijde van de Rijn, buiten het Rijk. Er ontstonden Frankische koninkrijken, zoals dat van koning Clovis (481-511), die lid was van de familie van de Merovingen. Hij verenigde een groot deel van de Frankische gebieden.

western cent europe

In 751 werd de laatste Merovingische koning afgezet door hofmeier Pepijn III de Korte (714-768) en kwamen er Karolingen op de troon. Genoemd naar Karel de Grote (742-814). In 800 werd hij tot keizer gekroond. Karel breidde het rijk uit met Saksische gebieden in het noorden en de gebieden van de Longobarden in Noord-Italië. In Spanje, net over de Pyreneeën veroverde hij de Spaanse Mark.

Hoewel men in de rechtspraak Romeinse elementen had overgenomen ging men uit van het personaliteitsbeginsel: iedereen werd bij een rechtszaak gevonnist volgens de regels van het volk of de groep waartoe men behoorde. Zo hadden de Franken de Lex Salica, de Friezen de Lex Frisorum en voor een Gallo-Romein gold het Romeinse recht. Door de vermenging van de lokale bevolking met nieuwe bewoners werd de toepassing van het personaliteitsbeginsel steeds lastiger.

Voor wat hoort wat

De macht van de koning was gebaseerd op zijn prestige als oorlogsleider en op de mate waarin hij zijn krijgers aan zich kon binden. Dat deed hij door geschenken te geven: edelmetaal, wapens en grond. Zijn ridders legden een eed van trouw af.

Het Frankische leger bestond net als dat van de Romeinen, vooral uit infanterie (soldaten te voet). Steeds vaker echter kon men zich een paard veroorloven waardoor men een overwicht had op de infanterist. Daardoor kon men zich ook sneller verplaatsen. Tussen 700 en 1300 vormden zwaarbewapende ruiters, cavalerie genoemd, de kern van de West-Europese ridderlegers. De Frankische ruiters droegen een maliënkolder, een hemd van kleine metalen ringetjes. Ze gebruikten een stijgbeugel, waardoor ze beter konden vechten vanaf hun paard.

Wapenuitrusting en paard kosten veel geld en alleen vrije mannen konden zich dat veroorloven. Omdat schenkingen van kostbaarheden niet meer toereikend waren ging de vorst zijn ridders belonen met grondbezit uit de kroondomeinen. Zo ontstond er een elite van grootgrondbezitters. Om te voorkomen dat hij zijn greep dreigde te verliezen gaf hij de grond echter in leen. Na de dood van een leenman kon hij, als leenheer, het leen terugeisen. Op dezelfde manier werden ook bestuursfuncties of geldelijke inkomstenbronnen(tollen) in leen gegeven. Op deze manier ontwikkelde zich het feodale stelsel (leenstelsel).

In ruil voor het leen beloofde de leenman met een eed van trouw zijn leenheer met raad en daad bij te staan. de leenman moest helpen bij rechtspraak en bestuur en vechten in het leger van de leenheer. Wanneer de koning een vrij man van nederige afkomst in zijn hofhouding opnam moest deze ook een eed afleggen. Zo'n getrouwe werd 'vazal' genoemd. Hij kreeg geel leen, maar werd door de koning onderhouden.

Keizer Karel de Grote

De Karolingen probeerden een staatsinrichting op te zetten naar Roemeins model. Het rijk werd verdeeld in ongeveer vierhonderd graafschappen met een graaf aan het hoofd. Ze spraken recht, bestuurden hun territorium en riepen op tot oorlog. Ze werden gecontroleerd door 'zendgraven' . In de grensgemeenten stelde Karel markgraven aan. Bijvoorbeeld de Deense mark en de Spaanse mark. Daarnaast trok Karel voortdurend door zijn gebied. De koning en zijn gevolg leefden daarbij op zogenaamde palts: een groot versterkt agrarisch complex met een bestuurlijke functie. Boeren uit de omgeving moesten een palts van voedsel voorzien.

west europa 770

Paus Adrianus I vroeg in 773 Karels hulp in de strijd tegen te Longobarden. Karel verdreef de Longobarden en als beloning werd Karel de Grote in 800 door de paus in Rome tot keizer gekroond. In feite had Karel de Grote nu het grootste deel van het West-Romeinse Rijk in bezit.

Nadelen van het feodale stelsel

Al in de achtste eeuw wilden de leenmannen hun leengebied kunnen overdragen aan hun erfgenamen. Dat leidde tot een versnippering van gebieden en verzwakking van macht voor de koning. Tevens werd daardoor de verhouding tussen leenheer en leenman steeds minder persoonlijk. De (Mark)graven gingen het politieke en juridische gezag steeds eigenmachtiger uitoefenen en als erfelijk bezit beschouwen. Toen Karel de Grote in 814 stierf kwam zijn rijk in handen van zijn zoon Lodewijk de Vrome (778-840). Door de kleinzonen werd zijn rijk opgedeeld in drieën bij het verdrag van Verdun in 843. Karel de Kale kreeg het West-Frankische Rijk, Lodewijk II het Oost-Frankische Rijk en Lotharius het Midden-Frankische Rijk en werd tot keizer gekroond.

Maar ook formeel werd het gezag van de keizer aangetast. Europa kende twee keizers en de paus vond dat hij het hoogste gezag uitoefende, dus boven de keizers stond.

'Van de Noormannen bewaar ons Heer'

Niet alleen van binnenuit werd de macht bedreigd. Aan de oostgrens vormden de Slavische volken en de Hongaren een gevaar. Maar het grootste gevaar kwam van de Scandinavische volken. Deze volken hadden te weinig voedsel en daardoor welvaart waardoor men elders hun geluk gingen beproeven. Karel de Grote organiseerde tegen de Noormannen een kustverdediging. Na 840 echter kwamen steeds meer Noormannen naar het vaste land van West-Europa. Een voorbeeld daarvan wordt beschreven in de kroniek van Regino van Prüm.

invallen noormannen

Invallen van de Noormannen (Vikingen) in de Lage Landen

3.2 Christendom in Europa

Inleiding

In 496 liet de Frankische koning Clovis zich dopen. Daarmee zette hij een belangrijke stap ter overbrugging van de godsdienstige en culturele verschillen tussen de Franken en de Gallo-Romeinse bevolking en markeert het begin van de Tijd van Monniken en Ridders. De stamgenoten aanvaarden daarna ook het christendom en werd de basis gelegd voor de verspreiding van het christendom in Europa. Kloosters groeiden uit tot grootgrondbezitters.

Het belang van dit onderwerp

De Rooms-katholieke Kerk zou een stevig stempel drukken op de culturele, maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkeling van West-Europa.

Hoe werden in de Vroege Middeleeuwen de fundamenten gelegd voor een christelijke cultuur?

Religie is politiek.

Volgens de overlevering liet Clovis zich dopen na een belangrijke veldslag. Een meer politieke uitleg van de doop is dat Clovis voordelen zag in een bondgenootschap met de kerk. Als iedereen christen was zou een sterkere eenheid ontstaan (de Gallo-Romeinse elite was al katholiek).De koning zag zich gesteund door een goddelijke zegen en de Kerk door een machtige vorst.

Monniken en missionarissen

Monniken trokken zich terug uit een zondige wereld en stelden hun leven in dienst van het christelijk geloof. Onder andere door een klooster te stichten, waar ze onder leiding van een abt gingen samenwonen. In de loop van de zesde eeuw ontstonden er kloosterregels b.v de regel van Benedictus: Leven in celibaat, armoede en gehoorzaamheid aan de kerk. Op initiatief van paus Gregorius (590-604) trokken de eerste missionarissen vanuit Zuid-Europa naar Noordwest-Europa, Engeland en Ierland.. Engelse monniken trokken naar het vasteland om het geloof te verspreiden. Eerst bekeerde men de koning en dan volgden zijn volgelingen vanzelf.

Willibrord en Bonifatius

In 690 kwam Willibrord als missionaris naar het land van de Friezen op initiatief van de hofmeier Pepijn van herstal (635-715) waar hem geen makkelijke taak wachtte. In 695 wijdde paus Sigrius I Willibrord tot aartsbisschop van de Feizen met als zetel Utrecht. Bonifatius kwam helpen met de missioneringarbeid maar hij werd in Dokkum in 734 gedood door de Friezen.

Kerk en staat onder Karel de Grote

Karel de Grote zette de politiek van zijn voorvaderen voort. Ook hij ondersteunde het missioneringwerk. Karel greep daarbij alle middelen aan. Hij haalde de koning van de Saksen over om zich tot christen te bekeren. De zendgraven werd ook opgedragen de christelijke plichten, waarden en normen bij de bevolking te bevorderen. via de zogenaamde ' tienden' zorgde Karel dat de boeren tien procent van hun oogst of jongvee afstonden om kerken, kloosters en priesters te onderhouden. Ook werd de opleiding van priesters verbeterd.

karolingische rijk

legenda

Karolingische renaissance

Karel de Grote verbleef vaak in Aken, waar de palts in de loop van de jaren werd uitgebouwd tot een complex van agrarische gebouwen, bestuursvertrekken, keizerlijke zalen en de Paltskapel. Naast het bestuurlijke centrum moest Aken ook het culturele hart van het Frankische Rijk worden, het 'Athene van het noorden'. In de architectuur dienden Romaanse kerken uit Zuid-Europa als voorbeeld. In de scriptoria (schrijfateliers) van de paltsen en de grote kloosters werden de handschriften mooi versierd. Karel moedigde het kopiëren van oude klassieke geschriften aan. Er kwam een nieuw lettertype: de Karolingische minuskel. Alcinus, de grootste geleerde van zijn tijd werd als leraar verbonden aan de palts in Aken. Hij kreeg van Karel de opdracht om een betrouwbare tekst van de bijbel op te stellen. De enorme culturele opbloei tijdens de regering van Karel de Grote wordt wel de Karolingische Renaissance genoemd.

Functies van de kloosters

Naast het verspreiden van het christendom waren de kloosters ook de hoeders van de klassieke cultuur. Karel kon niet schrijven maar liet wel kloosterscholen stichten waar men het schrift kon leren. De kloosters kregen in de loop van de tijd veel grond in bezit. Daardoor werden de kloosters ook onderdeel van het feodale stelsel. En vanuit de kloosters werden missionarissen uitgezonden.

3.3 Hofstelsel en horigheid

Inleiding

Tijdens de volksverhuizingen waren grote gedeelten van het Romeinse Rijk ten prooi gevallen aan plunderingen. Villa's raakten verwoest en steden raakten in verval. terwijl de Romeinse villabezitters paarden inzetten bij de bewerking van de grond, beschikten de Franken aanvankelijk slechts over ossen. Daarmee konden ze alleen de lichte zandgronden bewerken en niet de zwaardere klei- en lössgronden. Nijverheid, handel en de rol van het geld namen af. het overgrote deel van de bevolking vond werk in de landbouw en zorgde voor voedsel, kleding en eenvoudige gereedschappen. De agrarisch- urbane maatschappij was door de volksverhuizingen dus weer veel meer een agrarische samenleving geworden.

Het belang van dit onderwerp

Oorlogen en politieke instabiliteit kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de economie. Voor de gewone mensen neemt de onzekerheid toe, ze raken op drift op zoek naar voedsel en veiligheid.

Welke ontwikkelingen speelden een rol bij het ontstaan van een hofstelsel met horigheid in Europa?

Vrijen en horigen. Nieuwe sociale verhoudingen

De steden in het Romeinse Rijk hadden een bestuursfunctie en waren centra van handel en nijverheid. De grootgrondbezitters vormden, samen met de Romeinse bestuursambtenaren en de rijke handelaren, de elite. Als laagste sociale categorie golden de slaven.

Door de komst van de Franken in Noord-Gallië werd de maatschappij agrarischer van karakter. De steden namen in omvang en aantal af en de samenstelling van de bevolking veranderde. Het aantal vrije Frankische boeren nam sterk toe en de Gallo-Romeinse groep nam af en werd armer.

De eerste sociale laag, de Frankische elite, werd gevormd door de koning en zijn gevolg van krijgers. De ridders werden steeds rijker. Door een eed van trouw waren ze persoonlijk gebonden aan de vorst, ze waren vazel. Deze Frankische elite vermengde zich steeds meer met de nog resterende oude Gallo-Romeinse elite. Ook bisschoppen en abten van kloosters konden er toe worden gerekend.

De tweede sociale laag, alle Frankische vrijen, konden worden opgeroepen voor de krijgsdienst. Zij vormden de tweede sociale laag. Zo ontstond er geleidelijk een nieuwe standenmaatschappij, waarbij de sociale status al vanaf de geboorte vaststond.

Lijfeigenen: Vrijgelaten slaven, en soms ook verarmde boeren, stelden zich onder bescherming van krijgers of grootgrondbezitters. Ze waren persoonlijk, met hun lijf en leden, gebonden aan de grond.

Vrije boeren: voor hen was het bestaan onzeker omdat ze voor de krijgsdienst konden worden opgeroepen.

Horigen: Maar niet iedere vrije boer kon zich een paard en wapenuitrusting veroorloven. Dan was het beter niet vrij te zijn en beschermd te worden door een edelman. In ruil voor bescherming beloofden ze een deel van de oogst af te staan en te werken op zijn akkers. Zij waren ook gebonden aan de grond maar minder plichten dan de lijfeigenen. De rechten en plichten gingen over van vader op zoon.

Het domein

Grondbezittingen konden door schenkingen of ontginningen uitgroeien tot een fors landgoed, een domein. Karel de Grote bezat veel kroondomeinen in het gebied tussen Aken, Luik, Tongeren en Maastricht. Vaak was een palts het centrum van zo'n domein. centraal in het domein stond de vroonhof. Het stelsel van grondbewerking wordt ook wel hofstelsel genoemd. De akkers waren in tweeën gedeeld en daarom spreken we van een tweeledig domein. Een deel hoorde direct bij de vroonhof, de rest was van de horige boeren. de werkzaamheden op de vroonhof werden meestal door lijfeigenen verricht. Vrije boeren werkten voor een deel op de grond van de vroonhof en bewerkten hun eigen grond. Een machtig edelman, een rijk klooster of een bisdom konden tientallen domeinen bezitten.

In de vroege Middeleeuwen speelden steden slechts een kleine rol. De vroonhoeven probeerden zoveel mogelijk autarkisch (zelfvoorzienend) te zijn en de overschotten werden onder andere gebruikt om de hofhouding van Karel de Grote te onderhouden, als die langs kwam. Karel verordende ook dat men aan de Kerk tienden moest betalen en het leger moest onderhouden.

Met de toename van de productie op de domeinen nam in de loop van de achtste en negende eeuw ook weer de handel toe. Kloosters verdienden geld aan de verkoop van de overschotten van hun hoeven en domeinen.

3.4 Islam en Europa

Inleiding

In de achtste eeuw bereikte de islam Europa. Na de slag te Poitiers in 732 drongen de Franken de islamieten echter terug achter de Pyreneeën en bleef hun gebied in het westen beperkt tot het Iberisch schiereiland. De contacten tussen de Europese christenen en de Arabische moslims hadden grote invloed op de ontwikkelingen in Europa.

Het belang van dit onderwerp

De contacten tussen moslims en christenen stammen al uit de Vroege Middeleeuwen en waren lang niet altijd vijandig. Geleerden en handelaren wisselden over en weer cultuur, kennis en wetenschap uit. Daarbij namen de Europeanen meer van de Arabieren over dan andersom.

Hoe verliepen de eerste contacten tussen de islam en christelijk Europa?

Begin van de islam

De wortels van de islam liggen in Mekka waar Mohammed rond 570 werd geboren. Hij kwam in aanraking met het jodendom en christendom. De meeste Arabische stammen hingen in die tijd nog een polytheïstische religie aan. Volgens de leer van de Islam kreeg Mohammed in 610 een openbaring van Allah. Deze droeg Mohammed op zijn woorden op te schrijven. Zo ontstond de Koran. Mohammed werd de profeet van Allah. In 622 moesten Mohammed en zijn volgelingen vluchten uit Mekka. Met deze gebeurtenis, de 'hedsjra', begint de islamitische jaartelling. Mohammed kom uiteindelijk terugkeren naar Mekka. Nu de belangrijkste stad in de islamitische wereld. In 632, toen Mohammed stierf, was de Islam de voornaamste godsdienst op het Arabisch schiereiland.

Geen eenheid

Er ontstonden binnen de islam diverse stromingen en verschillende rijken. Een gebied dat veroverd was door Arabische moslims, werd een kalifaat genoemd. Er ontstonden concurrerende dynastieën bijvoorbeeld de Omayyaden en de Abasieden. Het ernstigste conflict ontstond binnen de islam wie de ware opvolging van Mohammed was. Er ontstonden twee stromingen de soennieten en de sji'ieten. Het was niet alleen een bestuurlijke kwestie maar politiek en religieus leiderschap gingen hand in hand.

Uitbreiding en Reconquista

reconquista

De moslims zagen het als een heilige plicht om hun geloof te verspreiden. Mahammed had dit jihad genoemd. Onder leiding van de Omajjaden werden de gebieden snel uitgebreid. De tegenstanders waren zwak, doordat ze maar gering in aantal waren, verdeeld en militair slecht georganiseerd. In 711 stak een moslimleger de Straat van Gibralter over en veroverde delen van Spanje en trokken Frankrijk binnen. Bij Poitiers, in 732, werden ze echter door Karel Martel verslagen. De moslims bleven wel aanwezig in Spanje onder leiding van de Omayyaden. De kaliefen slaagden er niet in dit gebied te behouden en vanaf de elfde eeuw begonnen de noordelijke christenen aan een herovering van Spanje, die tot 1492 zou duren: de Reconquista.

ontwikkeling spanje

Islam in Europa: cultuur en wetenschap

De Arabische moslims werden de nieuwe elite in de veroverde gebieden. Ze stelden zich redelijk tolerant op en dwongen de bevolking niet om de islam aan te nemen. Joden en christenen konden hun geloof blijven uitoefenen als zij het gezag accepteerden en belasting betaalden. Deze mensen hadden de status van dhimmi. Ze mochten niet trouwen met een islamiet en moesten in aparte wijken gaan wonen.

De islam groeide snel door de volgende oorzaken:

  • de kerkelijke tolerantie
  • velen voelden zich aangetrokken door de duidelijkheid van de regels en een beter leven in het paradijs
  • bekering tot de islam opende deuren tot vele ambten en beroepen
  • niet alleen geloofsredenen maar ook economische overwegingen speelden een rol

In de Koran werden de moslims ook aangespoord om kennis te verzamelen. De islamitische wetenschap bereikte in de negende en tiende eeuw een hoogtepunt. De Arabieren hadden veel belangstelling voor de filosofische en natuurwetenschappelijke geschriften van de oude Grieken. Die vertaalden ze in het Arabisch. In Spanje werden de Arabische teksten weer omgezet in het Latijn, de taal die door Europese wetenschappers gebruikt werd. Islamitische geleerden deden belangrijk onderzoek in de anatomie en astronomie. Door de uitvinding van het astrolabium, een werktuig dat helpt bij de plaatsbepaling op zee, hebben ze de scheepvaart een grote impuls gegeven. Ook de medische wetenschap stond op een veel hoger peil. Op het gebied van de wiskunde hebben de Arabieren een belangrijke bijdrage geleverd door de introductie van de Arabische cijfers ( inclusief het getal nul), die rekenen veel makkelijker maken dan met de Romeinse cijfers. Steden als Granada, Sevilla en Córdoba werden centra van Arabisch-islamitische cultuur en wetenschap. De bibliotheek van Cordoba had meer dan 400.000 boeken: meer dan alle bibliotheken in Europa op dat moment bij elkaar.

Zie voor hoofdstuk 4 Samenvatting VWO Feniks Hfst 4 Overzicht van de geschiedenis