We hebben 197 gasten online

CSE China 1925-1986 Deel 1

Gepost in Azië en Afrika

 

China na de dood van Sun Yatsen tot het moderniseringsproces onder Deng Xiaoping, 1925-1986 Deel 1

Twee opmerkingen vooraf

a Ons onderwerp begint bij het jaar 1925. Er worden echter zoveel namen, termen en begrippen gevraagd, dat een uitvoerige inleiding op haar plaats is. De ontwikkelingen na 1925 zijn ook moeilijk te begrijpen als je niets weet van de voorgeschiedenis.

b Een aantal jaren geleden heeft men in China een nieuw schrift ingevoerd, het zogenaamde Pinyin-systeem. Pinyin betekent `klanken spellen'. Hierdoor worden woorden ook bij ons anders gespeld dan vroeger gebruikelijk was. Mao Tse-toeng bijvoorbeeld is nu Mao Zedong en Peking Beijing. Wij volgen deze nieuwe schrijfwijze. De commissie die de lijst van namen, termen en begrippen voor dit onderwerp opstelde, doet dit niet. We hebben daarom haar schrijfwijze er tussen haakjes bij gezet. Helaas is die niet altijd even consequent.

I Inleiding

a) Het oude China

Bij het oude China denken we aan China vóór ± 1900. Toen speelden tradities een grote rol. Het gevolg was dat er eeuwenlang vrijwel niets veranderde in het denken en handelen van de mensen.

Grote invloed op het leven van de Chinezen hadden de denkbeelden van Confucius, die omstreeks 500 v. Chr. leefde. Hij leerde het volk het belang van orde en regels. Het moest zich houden aan de oude wetten en voorschriften, die nodig waren om de samenleving te regelen en alles op natuurlijke wijze te laten verlopen. In een natuurlijke orde kent iedereen zijn plaats. Confucius zei: `Laat de vorst vorst zijn, de minister minister, de vader vader en de zoon zoon.'

De keizer, die als `zoon des hemels' werd beschouwd, moest ervoor zorgen dat de natuurlijke orde gehandhaafd bleef. Als deze bijvoorbeeld door oorlog of natuurrampen verloren ging, was dat zijn schuld; hij was te kort geschoten en had daarmee zijn `hemels mandaat' (d.w.z. zijn machtiging om te handelen) verloren. Het confucianisme, d.w.z. het geheel van opvattingen en leefregels van Confucius, was conservatief en autoritair. Het leidde tot verstarring van de Chinese samenleving, want er mocht niets veranderen aan de bestaande verhoudingen tussen de mensen.

China was een agrarische maatschappij met veel grootgrondbezit. Grootgrondbezitter was iemand die meer dan 40 ha grond bezat. De grootgrondbezitters vormden de bovenlaag van de maatschappij. Daaruit kwamen ook de ambtenaren voort. De grote massa van het volk bestond uit boeren, die een eigen stukje grond bewerkten of grond gepacht hadden van landheren. Zij leefden op de rand van het bestaansminimum. Zij zuchtten onder zware belastingen en de pachtsommen waren ontstellend hoog. Bij ziekte, grote droogte of overstromingen moesten de boeren vaak geld lenen om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Daardoor kwamen zij diep in de schulden en als zij niet konden betalen werden ze van hun land gezet. Het is niet verwonderlijk dat er in China dikwijls boerenopstanden voorkwamen.

Een kenmerk van de Chinese samenleving was het familiesysteem. Het gezag van het hoofd van de familie (een grootvader of vader) was bijna absoluut. De onderlinge band tussen de familieleden was erg groot. Families die één gemeenschappelijke stamvader hadden, vormden een clan. De oudste rechtstreekse afstammeling van de gemeenschappelijke stamvader had de leiding over de clan. De clans regelden in eigen gebied vrijwel alles. De Chinezen voelden zich door hun beschaving ver verheven boven andere volken. Vreemde kooplieden werden als barbaren beschouwd en moesten daarom schatting, belasting, betalen

b) De komst van de vreemdelingen

De Chinezen hadden weinig behoefte aan contacten met Europeanen, die niet hoog tegen hen opkeken en voor Europese produkten hadden zij weinig belangstelling. Zij begrepen niet dat de Europeanen hen op het gebied van wetenschap, techniek en organisatie ver voorbij streefden en dat zij hen militair volledig de baas waren. Zij begonnen daar pas in 1840 enig begrip van te krijgen, toen zij de zgn. Opiumoorlog tegen Engeland verloren. China wilde een einde maken aan de invoer van opium, maar Engeland wilde desnoods met geweld opium blijven invoeren. Na de nederlaag moest China Hongkong aan Engeland afstaan en bij verdrag een vijftal havens openstellen voor de Europese handel, o.a. Guangzhou (Canton) en Shanghai. In deze Buitenlandse concessies verdragshavens, ook wel buitenlandse concessies (vergunningen) genoemd,hadden de Europeanen exterritoriale rechten. Deze hielden in dat zij niet onderworpen waren aan het bestuur en de rechtspraak van China. Ook andere westerse mogendheden wisten zulke concessies in een aantal steden te verkrijgen. In de tweede helft van de 19e eeuw raakte heel China in de greep van het imperialisme van westerse landen en Japan. Vanuit hun verdragshavens breidden de imperialisten hun macht uit over grote delen van het binnenland. Japan nam heel Korea en kreeg grote invloed in Mantsjoerije.

Met de komst van de westerse imperialisten ontstonden in de verdragshavens industriële bedrijven. Daarmee ontstond in China een nieuwe sociale groep: Industrieproletariaat het industrieproletariaat. Daartoe behoorden industriearbeiders, die door lage lonen, lange werktijden en slechte werkomstandigheden zo uitgebuit werden, dat zij evenals de boeren op de rand van het bestaansminimum leefden

c) Opkomst van het Chinese nationalisme

Het oude China stond machteloos tegenover de vreemde indringers. Het raakte in de loop van de 19e eeuw steeds meer in verval. De laatste keizers uit de Mantsjoedynastie waren zwak en onbekwaam. Er heerste een ontstellende corruptie (systeem van omkoping van ambtenaren). De levensomstandigheden van de boeren en de arbeiders waren en bleven slecht. Boerenopstanden en opstanden tegen de vreemdelingen konden slechts met behulp van de westerse mogendheden en Japan bedwongen worden. Uit dankbaarheid daarvoor werd de Chinese regering gedwongen nieuwe voorrechten aan de vreemde mogendheden te geven. De Mantsjoedynastie verloor alle gezag.

manchu china

Onder jonge Chinese intellectuelen, die dikwijls in het buitenland gestudeerd hadden en beïnvloed waren door westerse ideeën, groeide de ontevredenheid. Zij wensten radicale hervormingen, maar dan zou eerst de Mantsjoedynastie moeten verdwijnen. De Japanse overwinning op Rusland toonde aan dat westerse mogendheden verslagen konden worden. Het Chinese nationalisme groeide daardoor snel.

De revolutionaire nationalisten beschouwden Sun Yatsen, een arts die in het Westen had gestudeerd, als hun leider. Na een mislukte samenzwering had hij China moeten verlaten, maar vanuit het buitenland bleef hij zich bezighouden met de komende revolutie in zijn land.

Sun Yatsen propageerde een nieuw China, gebaseerd op `de drie volksbeginselen': nationalisme, democratie en socialisme. Hij keerde zich daarbij fel tegen het westerse imperialisme. Hij wilde het lot van de boeren verbeteren door onder meer een herverdeling van het grondbezit. Verder wilde hij de belangrijkste produktiemiddelen aan de staat trekken (nationalisatie). De staat moest ook zelf de industrialisatie van het land ter hand nemen. Zoals we nog zullen zien, kwam er van zijn idealen niet veel terecht, althans niet vóór 1949.

d) De revolutie van 1911

chinese revolution 1911

In 1911 ontstond vanuit een plaatselijke opstand een revolutie die ertoe leidde dat enkele maanden later de Chinese republiek werd uitgeroepen. Sun Yatsen ging snel naar zijn land terug en werd tijdelijk president. Maar hij had geen leger waarop hij kon steunen en daarom bood hij de commandant van de keizerlijke troepen, generaal Yuan Shikai het presidentschap aan. Die moest in ruil daarvoor de Republiek steunen. Deze nam de voorwaarde aan en Sun trad terug. Yuan Shikai kon steunen op de grootgrondbezitters en de kooplui,die een sociale revolutie (d.w.z. een omkeer van de maatschappelijke verhoudingen van boeren en arbeiders) vreesden. De Guomindang (Kuo Min‑tang), de Nationale Volkspartij, werd zelfs verboden en Sun moest opnieuw het land verlaten. De positie van Yuan Shikai was echter ook niet onaantastbaar.

e) China tussen 1919 en 1927

 

Het grote gevaar kwam van Japan, dat gebruik wilde maken van de Eerste wereldoorlog om zijn invloed in China te kunnen uitbreiden. Hoewel China tot de overwinnaars behoorde werd op de Vredesconferentie te Versailles niet naar de Chinezen geluisterd. Wel naar de Japanners die ook tot de overwinnaars behoorden. Zij kregen de Duitse concessies in China. De geallieerde overwinnaars wilden ook niets van hun voorrechten prijsgeven. De uitbuiting van het land zou op de oude voet worden voortgezet.

Na de Eerste wereldoorlog keerde Sun naar China terug waar hij de Zuidchinese Republiek vormde. Hij werd er steeds meer van overtuigd dat de revolutie in China niet alleen een politieke maar ook een sociale revolutie moest zijn, omdat nationalisme en ongelijkheid in de maatschappij niet konden samengaan. Hij verwachtte niets meer van het Westen, maar wel van de Sovjet-Unie die afstand van haar voorrechten in China had gedaan. Met de Sovjetunie werd in 1923 een overeenkomst gesloten. Zowel de Guomindang (Kuo Min-tang) als het nationalistische leger werden door adviseurs van de Komintern (de Communistische Internationale van communistische partijen onder leiding van Moskou) in korte tijd naar Russisch model georganiseerd. De Chinese Communistische Partij (CCP), die in 1921 was opgericht, vormde een eenheidsfront met de Guomindang. Zo zagen de Russen kans invloed uit te oefenen op de gang van zaken in China. De Chinese communisten moesten van Moskou met de Guomindang (Kuo Min-tang) samenwerken, omdat China volgens de Sovjet-Unie nog niet rijp was voor een communistische machtsovername. Volgens de Russische communistische leiders moest een communistische revolutie geleid worden door het industrieproletariaat en dit was in China nog maar zwak ontwikkeld, want de industrialisatie stond nog in de kinderschoenen.

De Russen dachten bij kapitalisme voornamelijk aan industrieel kapitalisme, d.w.z. het economische systeem waarbij de productiemiddelen (grond, fabrieken, machines, enzovoort) in handen zijn van particuliere ondernemers die een zo groot mogelijke winst willen maken. Pas wanneer door verregaande industrialisatie een massa van uitgebuite industriearbeiders zou ontstaan, was de situatie gunstig voor een communistische omwenteling. De Chinese communistische leider Mao Zedong dacht daar anders over.

II Nationalistisch China onder Chiang Kai-shek

a) Het herstel van de eenheid 

In 1925 overleed Sun Yatsen. Een hele groep nieuwe leiders stond klaar hem op te volgen. Van hen had Chiang Kai-shek de beste kansen. Hij had een militaire opleiding genoten zowel in Japan als in de Sovjetunie en was hoofd van de militaire academie. In 1926 werd hij opperbevelhebber en leider van de nationalistische regering. In hetzelfde jaar begon hij een succesvolle opmars (noordelijke expeditie) tegen Noord-China om een eind te maken aan de macht van de feodale krijgsheren, de warlords en zo de nationale eenheid te herstellen. Chiang's optreden was ook anti-imperialistisch en anti-christelijk.Eenheid was alleen zinvol als ook een einde werd de westerse importartikelen. Zo drongen in 1926 de Chinezen de Engelse wijkgemaakt aan de invloed van van Wuhan binnen en dwongen de Engelsen zich terug te trekken. Verschillende posten van missie en zending die het christendom wilden verbreiden, werden geplunderd en missionarissen en zendelingen werden soms vermoord. Binnen twee jaar veroverde Chiang grote delen van Noord- en Midden-China en werden de `warlords' gedwongen zijn gezag te erkennen.

In 1928 viel de oude hoofdstad Beijing (Peking) in Chiang's handen en een jaar later sloot de militaire bevelhebber van Mantsjoerije zich bij de nationalisten aan. Naar buiten toe vormde China met als nieuwe hoofdstad Nanjing (Nanking) weer een eenheid, maar de invloed van de nieuwe nationalistische regering was niet overal even groot. Met verschillende `warlords' had zij het op een akkoordje moeten gooien.

b) De breuk tussen Guomindang (Kuo Ming-tang) en de Chinese Communistische partij CCP in 1927

Intussen was er een radicale verandering opgetreden in de verhouding tussen Guomindang en CCP. Chiang behoorde tot de conservatieve vleugel van de Guomindang en voelde weinig voor samenwerking met de communisten. Deze hadden hun invloed binnen de regering versterkt en drongen aan op een onmiddellijke sociale en economische revolutie. Chiang voelde daar niets voor.

Een voorproefje van zo'n revolutie was de opstand in Shanghai van arbeidersorganisaties. Leiders daarvan waren communisten en linkse Guomindangleden. De opstand werd door Chiang met bloedig geweld onderdrukt. Hij verbood daarna de CCP en vervolgde waar mogelijk de communisten. Kort daarop — in hetzelfde jaar 1927 — werden de communisten uit de Guomindang en uit de regering gestoten.

Tot het laatst toe gaf Stalin de CCP opdracht te blijven samenwerken met de Guomindang, ondanks de berichten dat de verhoudingen snel verslechterden. Stalin wilde koste wat kost China als bondgenoot houden tegen het Westen. Hij verwachtte meer van Chiang dan van de CCP. Bovendien lag Stalin in een machtsstrijd met Trotski gewikkeld en deze waarschuwde tegen de houding van Chiang en de rechtervleugel van de Guomindang. Stalin zou nooit toegeven dat Trotski gelijk had, want dat zou zijn eigen positie ondergraven. Daarom gaf hij de Chinese communistische leiders de schuld, die hij `rechtse opportunisten' noemde, die blind waren geweest voor de gang van zaken. In werkelijkheid hadden zij zich tegen hun zin moeten houden aan de politiek die Stalin zelf had uitgestippeld.

c) De vastgelopen revolutie

 Van de revolutie die Sun voor ogen had gestaan, die zowel politiek als sociaal en economisch van karakter moest zijn, was niets terecht gekomen. De nationalistische, bezittende klasse had gewonnen. Chiang had wel oog voor de sociale en economische ongelijkheid in China, maar hij was veel minder sociaal bewogen en meer gericht op handhaving van orde en rust. Daarom wees hij graag naar de confuciaanse tradities, waarbij ieder zijn (ongelijke) vaste plaats had in de maatschappij en daar tevreden mee moest zijn. Hij steunde op de groep van nieuwe kooplieden en grootgrondbezitters. Zij streefden naar handhaving van het bestaande sociale en economische systeem met zijn maatschappelijke ongelijkheid. Dupe hiervan bleven de kleine boeren, die of als eigenaar of als pachter van een stukje grond in voortdurende onzekerheid leefden over leven en eigendom. Zij werden gedwongen belastingen te betalen aan de generaals (of zij die zich zo noemden) én aan de regering. In sommige streken moest soms voor meer dan twintig jaar vooruit belasting worden betaald. Daarnaast waren de boeren overgeleverd aan de grillen van onbetrouwbare ambtenaren, die hun eigen zak vulden. Dan waren er nog de commandanten van de plaatselijke garnizoenen, die met de bajonet op het geweer boeren konden dwingen om de oogst of een deel ervan af te staan. Om het bedrijfje draaiende te houden moesten de boeren leningen sluiten. Als zij niet in staat waren hun schuld op tijd terug te betalen dan konden zij van de grond gejaagd worden en wat dan...? Ook de arbeiders in de bedrijven waren rechteloos. Er waren geen sociale wetten en de sociale toestanden waren slecht.

Onder de machthebbers namen corruptie en nepotisme (begunstiging van familieleden en vrienden) steeds meer toe. Staatsgelden verdwenen in de zakken van particuliere ondernemers, die tot de bourgeoisie konden worden gerekend. De communisten noemden dit het `ambtenarenkapitalisme' of `bureaucratisch kapitalisme'.

d) Chiang en het Westen

De verhoudingen met Westeuropese mogendheden waren in de jaren 1926 en 1927 erg gespannen, maar zij verbeterden na de breuk tussen Guomindang en CCP. De nieuwe nationalistische regering werd officieel erkend en wat belangrijker was: Chiang slaagde er in om door middel van verdragen de westerse mogendheden ertoe te bewegen om de meeste concessies op te geven. Bovendien wist hij westerse ondernemers te bewegen geld te beleggen in de ontwikkeling van de Chinese industrie, mijnen, spoor- en landwegen. Economisch lag China ver achter bij West-Europa, de Verenigde Staten en Japan. Er was maar industrialisatie op beperkte schaal en met het wegenstelsel was het bijzonder droevig gesteld. De meeste industriële bedrijven lagen in of in de directe omgeving van de verdragshavens en waren in handen van westerse ondernemers of werden door hen gecontroleerd.

Deze achterstand is gedeeltelijk te verklaren uit het gebrek aan kapitaal, de traditie dat een belegging altijd een belegging in grond was en de politieke onrust. Belangrijk was ook dat het Westen als imperialistische overheerser niet geïnteresseerd was in een economisch sterk ontwikkeld China. Het zou dan zijn eigen gang gaan en vermoedelijk met het Westen gaan concurreren.

e) De Japanse dreiging, 1931-1936

Bij de mogendheden die China wilden binnendringen voegde zich tegen het einde van de 19e eeuw ook Japan. We hebben al eerder gezien dat China in het begin van de 20e eeuw Korea had moeten afstaan en dat Japan grote invloed kreeg in Mantsjoerije.

In 1931 lokten Japanse militairen in Mantsjoerije een conflict uit. Aanleiding waren de moord op een Japanse kapitein en een aanslag op de spoorweg in Zuidmantsjoerije die door Japan beheerd werd (het Moekden incident, 1931). De Japanse actie tegen de Chinese `bandieten' breidde zich uit over heel Mantsjoerije en eindigde met de uitroeping van de staat Mantsjoekwo onder Japanse `bescherming'. De Volkenbond veroordeelde het optreden van Japan en eiste de terugtrekking van de Japanse troepen. Maar het enige wat gebeurde was dat Japan zich uit de Volkenbond terugtrok en verklaarde dat Mantsjoekwo ontstaan was uit de `spontane wil van het volk van Mantsjoerije'. Vanuit Mantsjoerije drongen de Japanners daarop door in Noord-China, tot in de omgeving van Beijing (Peking).

Chiang's houding tegenover het aanvallende optreden van Japan was opmerkelijk gematigd. Hij wilde namelijk voordat hij de binnendringende Japanners aanpakte, afrekenen met de Chinese communisten, die geleid werden door Mao Zedong.

Chiang bracht de Japanse agressie voor de Volkenbond. Zonder succes, omdat geen van de westerse mogendheden ter wille van China een conflict met Japan wilde riskeren. Men had in Europa al genoeg te stellen met Hitler. Ook probeerde Chiang de steun van de Sovjetunie (waarmee de relaties sinds 1929 verbroken waren) terug te krijgen. Hij had ook daarmee geen succes. Het oude Chinese principe dat men `barbaren door barbaren' moest verslaan mislukte en daardoor mislukte ook zijn doel: de vernietiging van het communisme in China.

f Chiang en de communisten, 1927-1936

De grote ideologische leider van het communisme was Karl Marx. Zijn leer, Marxisme het marxisme, verbreidde zich door contacten met Europa (vooral met Rusland) ook in China. Marx leerde dat de kapitalisten door uitbuiting van de arbeiders in de ondernemingen hun eigen graf groeven. De uitgebuite Socialistische industriearbeiders zouden in opstand komen en met geweld een einde maken maatschappij aan het kapitalisme. Zij zouden een socialistische maatschappij vestigen met als hoofdkenmerk de dictatuur van het proletariaat. De staat, in handen van het proletariaat, zou de productiemiddelen overnemen. Aan alle resten van het kapitalisme zou een einde worden gemaakt en de mensen zouden worden opgevoed in communistische zin. Daarna zou de staat afsterven en de klasseloze maatschappij ontstaan.

Deze ideeën verbreidden zich in de industriesteden langs de oostkust van China en daar ontstond het industrieproletariaat, de uitgebuite klasse van industriearbeiders. Maar China was hoofdzakelijk een agrarisch land en het communisme verspreidde zich onder de arme boeren en landarbeiders. Deze uitgebuite klasse, het plattelandsproletariaat, werd georganiseerd door Mao Zedong.

Wie was deze Mao? Mao Zedong was de zoon van een betrekkelijk welgestelde boer. Op zestienjarige leeftijd liep hij van huis weg en ging in een nabijgelegen stad studeren. Later werkte hij in een bibliotheek in Beijing, waar hij met het marxisme kennis maakte. Hij werd daarvan een enthousiaste aanhanger en begon communistische cellen te organiseren. Hij was in 1921 een van de oprichters van de CCP. Veel communisten zagen in de industriearbeiders de werkelijke revolutionairen. In hun ogen waren de boeren conservatief, klein-burgerlijk en moeilijk te organiseren. Mao dacht er eerst ook zo over, maar toen hij zelf onder de boeren ging werken veranderde hij van mening. Volgens hem waren het de arme boeren die de leiding zouden hebben in de komende communistische revolutie. In de provincie Hoenan organiseerde hij zo'n twee miljoen boeren in communistische boerenbonden. Dat bereikte hij onder meer door landhervormingen.Na de breuk met de Guomindang trok Mao zich met zijn volgelingen terug in het bergland van Kiangsi in Zuid-China, waar hij in 1931 een 'Chinese' Volksrepubliek stichtte. Het land van de grootgrondbezitters daar werd in beslag genomen en verdeeld onder de kleine boeren. Ook vormde hij het Rode Leger, dat een strenge discipline kende en zich niet schuldig maakte aan plundering of diefstal. Integendeel, een van de taken van het Rode Leger was om de plaatselijke boerenbevolking te helpen in de landbouw. Dit leger voerde een voortdurende guerrilla, d.w.z. een ongeregelde bendenoorlog, tegen de troepen van de Guomindang. In de herfst van 1932 voegden zich bij Mao de communisten die door Chiang uit de steden verdreven waren. Daardoor werd Mao de algemene leider van de CCP. 

Maar ook Mao kon zich niet handhaven in Kiangsi. In een grote omsingelingscampagne sloten de troepen van Chiang het hele gebied in dat dè communisten beheersten. Het gelukte hen echter de blokkade te doorbreken en naar het noorden te trekken. Dit was `de Lange Mars' (1934--1936), een tocht van bijna 10 000 km. Niet alleen soldaten, maar ook boeren, vrouwen en kinderen, in totaal 120 000 mensen, trokken door de meest onherbergzame delen van China, voortdurend blootgesteld aan de aanvallen van de nationalistische troepen. Slechts plm. 30 000 mensen overleefden de tocht. 

sphere of co prosperity

 In 1936 vestigden zij die de tocht hadden overleefd zich in het bergachtige en strategisch gunstig gelegen gebied rond Yanan (Yenan), waar zij betrekkelijk veilig waren voor de legers van Chiang. Daarmee begon de Yanan (Yenan)­periode. `In de Yanan-periode (1936-1948) werden de grondslagen voor het huidige bestel gelegd, zowel ideologisch als praktisch. Het belang hiervan is enorm.

Geen andere Communistische Partij, waar ook ter wereld, heeft ooit zulk een proefterrein tot haar beschikking gehad. Vrijwel alle grote acties en maatregelen van na 1949 zijn in wezen te herleiden tot ideeën en principes, die in de Yanan-periode ontworpen en aan de praktijk getoetst werden. Succesvolle indoctrinatie en militaire organisatie van de gehele boerenbevolking; bekering door overreding; perfectionering van de guerrilla­strategie; de eerste grote zuiveringsacties onder intellectuelen en kunstenaars; experimenten met socialisering van bedrijven, en met velerlei cooperatieve instellingen op het platteland; methodische ondermijning van het traditionele familie-systeem, en daarmee gepaard gaande de emancipatie van de vrouw. Bovenal: spartaanse eenvoud en ijzeren discipline — eigenschappen die (ook in de ogen van westerse ooggetuigen) wel zeer duidelijk contrasteerden met de algemene demoralisatie in het nationalistische kamp.

g) Verenigd front, 1936

Chiang's opzet de communisten te vernietigen was mislukt. Het verzet tegen zijn anti-communistische politiek nam sterk toe. Hij had meer oog voor de strijd tegen de communisten dan voor die tegen Japan. Dat gaf de Japanners de gelegenheid steeds verder China binnen te dringen. Vanuit Yanan voerde Mao propaganda voor het begraven van de strijdbijl en het tot stand brengen van een nationalistisch-communistisch front tegen Japan.

`De revolutionaire krijgsraad van het Rode Leger,' zo telegrafeerde Mao in 1936 naar de Guomindang-regering, `raadt de heren der regering in Nanjing (Nanking) ernstig aan in dit kritieke ogenblik, nu het volk met onmiddellijke ondergang wordt bedreigd, tot bezinning te komen, met haar verleden te breken en in de geest van de spreuk "Broeders die thuis strijden, blijven naar buiten te zamen" de burgeroorlog in het gehele land te beëindigen. Dat zou niet slechts voor uzelf het beste zijn, doch ook een zegen voor de natie en het land. Indien u zich echter hardnekkig hiertegen verzet als collaborateur en verrader dan zal uw heerschappij vroeger of later onvermijdelijk ineenstorten, dan zal het gehele volk u verafschuwen en u ten val brengen.'

Chiang weigerde aanvankelijk. Maar eind 1936 werd hij door een bevelhebber van zijn eigen leger, die contacten onderhield met de communisten, ijl Xian (Sian) gevangengenomen en gedwongen toe te stemmen in een gezamenlijk front met de communisten tegen Japan. Dit was het zogenaamde Xian(Sian)‑Xian (Sian)-incident incident, dat voor de toekomst verstrekkende gevolgen zou hebben.

De Verenigd Front politiek, waaraan Mao sinds 1936 steeds is blijven vasthouden, was in zijn ogen voor de communisten een onmisbaar middel om aan de macht te komen. Aanvankelijk was er sprake van een verenigd front van Guomindang en CCP tegen Japan, na 1945 van diverse groepen ontevredenen tegen de Guomindang.

Binnen het Verenigd Front kregen de communisten de gelegenheid om door middel van actie en propaganda ontevredenen samen te brengen, vervolgens de leiding daarover te krijgen en tenslotte de macht in de staat. Verenigd Front betekende ook dat de CCP steunde op brede lagen van de massa, dus werkelijk een volkspartij was. Daarom richtte Mao zich niet alleen tot boeren en arbeiders, maar ook tot de `kleine bourgeoisie' (kleine middenstanders) en de `nationale bourgeoisie' (vooral intellectuelen die ontevreden waren met het bewind van Chiang).h

h) De Chinees-Japanse oorlog, 1937-1945

De Japanners besloten snel te handelen. In een botsing tussen Chinese en Japanse troepen dicht bij Beijing in 1937 zag Japan een directe aanleiding om rechtstreeks in China in te grijpen. Het wilde Chiang voor zijn die een dreigende houding aannam en troepen naar Beijing stuurde. In korte tijd breidde de strijd om Noord-China zich uit tot een strijd om heel China. De nationalistische en communistische troepen boden heftige tegenstand, maar zij waren niet in staat de Japanners tegen te houden. Deze veroverden in 1937 en 1938 de provincies in Noordoost- en Middenoost-China. Chiang werd gedwongen zijn regering van Nanjing naar Chongqing (Tsjoenking) te verplaatsen. Maar de Japanners zagen wel in dat Chiang, die het voordeel had van het reusachtige achterland, militair niet te verslaan was. Daarom veranderden zij van tactiek. In de herfst van 1938 werden de havensteden in Midden- en Zuid-China vanuit zee aangevallen en veroverd. De redenering was dat Chiang, afgesneden van hulp van buitenaf, na kortere of langere tijd wel moest capituleren. Vanaf 1939 staakten de Japanners hun aanvallen en tot het einde van 1944 veranderden de frontlinies maar weinig. Pas tegen het einde van de oorlog hebben de Japanners nog een poging gedaan om heel Oost- en Zuid-China te veroveren.

Bij de nationalisten trad vanaf 1938 steeds sterker oorlogsmoeheid op en ook zij hielden het geweer aan de voet. Corruptie en andere misbruiken namen weer hand over hand toe. Daarvan werden weer vooral de kleine boeren de dupe, want zij waren overgeleverd aan de willekeur van generaals en regering. Dit alles stond in schrille tegenstelling tot de situatie in Noord-China, in het gebied waar de communisten de baas waren. Zij voerden een onafgebroken guerrilla tegen de Japanse troepen. Zij breidden daardoor hun invloed uit over grote delen van Noord-China. Niet alleen mobiliseerden zij de boeren in de strijd tegen Japan, ook bonden zij de strijd aan tegen analfabetisme, ziekten, enzovoort. Zij organiseerden de boeren in boerencoöperaties (samenwerkingsverband van boeren). Het ging hen niet alleen om de strijd tegen een buitenlandse vijand, maar ook om de inrichting van een nieuwe maatschappij.

i) Het uiteenvallen van het Verenigd Front, 1942 —1945

Na 1941 namen de spanningen tussen nationalisten en communisten weer toe. Beide partijen gingen zich voorbereiden op een hernieuwde burgeroorlog na de Tweede wereldoorlog. De spanning werd steeds groter en zo nu en dan was er sprake van incidenten tussen beide partijen.

Chiang hield bijvoorbeeld zijn beste troepen in reserve voor de strijd die zou komen en blokkeerde voor de communisten alle hulp die de Verenigde Staten aan China sinds eind 1941 gaven. Omgekeerd infiltreerden de communisten in gebieden die in handen waren van de Guomindang. De verzwakking van het Verenigd Front zien we ook in het denken van Mao. In 1940 schreef hij in zijn brochure `Over de nieuwe democratie', dat deze democratie na de oorlog gevormd zou worden door de samenwerking van de revolutionaire partijen. En daartoe rekende hij toen ook nog de Guomindang. In 1945 schreef hij in zijn programma `Over de coalitieregering' alleen nog over een verenigd front van arbeiders, boeren, kleine bourgeoisie en nationale bourgeoisie o.l.v. de CCP. De Guomindang was van de lijst geschrapt.

In augustus 1945 capituleerde Japan. Beide partijen probeerden zo snel mogelijk hun positie in het gebied waaruit de Japanners zich terugtrokken te versterken. Nationalistische troepen bezetten de steden in Mantsjoerije en Oost-China (o.a. met hulp van de Amerikanen die transportvliegtuigen ter beschikking stelden), terwijl de communisten grote delen van het platteland van Mantsjoerije en Noord- en Oost-China in handen kregen. Op dat ogenblik waren de tegenstellingen vrijwel onoverbrugbaar. Een Amerikaanse delegatie o.l.v. generaal Marshall probeerde nog te bemiddelen. Maar alles was tevergeefs. In 1946 brak de burgeroorlog weer uit.

j De burgeroorlog en de overwinning van de CCP, 1946 —1949 

Aanvankelijk behaalden de nationalistische troepen enkele overwinningen, maar het succes was niet van lange duur. De oorzaken daarvan moeten gezocht worden in de toenemende ontevredenheid als gevolg van de corruptie, de zelfverrijking door Guomindang-machthebbers en de ontzaglijke inflatie, waardoor de prijzen tot ongekende hoogte stegen. De Amerikanen die aanvankelijk Chiang nog steunden drongen op snelle hervormingen aan in de vorm van een grotere democratie en herverdeling van het grondbezit. Het was tevergeefs.

Velen sloten zich aan bij de communisten. Het communistische Volksbevrijdingsleger groeide snel uit tot een legermacht bestaande uit meer dan drie miljoen soldaten, gedeeltelijk door aansluiting van boeren, gedeeltelijk door het overlopen van nationalistische troepen. Vanaf 1947 begonnen de communisten met tegenaanvallen, eerst nog op beperkte schaal, maar vanaf herfst 1948 ook op grote schaal. Chiang's troepen leden de ene nederlaag na de andere, totdat in de herfst van 1949 het bewind van de Guomindang ineenstortte. Chiang week met de resten van zijn leger uit naar Taiwan (Formosa), dat daarna nationalistisch China werd genoemd. Op 1 oktober 1949 werd de Volksrepubliek China (Rood-China) uitgeroepen.

III De Chinese Volks‑republiek onder Mao Zedong en Deng Xiao‑ ping (Deng Hsiao-Ping)

a) De democratische dictatuur van het volk

mao

In de zomer van 1949 publiceerde Mao zijn programma voor het nieuwe China onder de titel `Over de democratische dictatuur van het volk'. Dat was kort voor de communisten de Volksrepubliek China uitriepen. Hij riep hierin alle groepen van het Chinese volk, ook de niet-communistische, die voordeelhadden bij de val van de Guomindang op, onder leiding van de CCP een `democratisch front' te vormen tegen de `reactionairen' en contra-revolutionairen. Met deze groepen bedoelde hij de landeigenaren en de leidende klasse van de Guomindang, die zich aan uitbuiting had schuldig gemaakt. Desnoods zou met geweld een einde aan hun macht gemaakt moeten worden, want zij waren de vijanden van de werkende klasse.

Zo waren de `nieuwe democratie' [...] en latere formuleringen niet alleen bedoeld als beginselverklaring en zelfrechtvaardiging, maar ook om het nieuwe China aan de twijfelaars voor te stellen als de belichaming van  een nieuw, zelfbewust en onafhankelijk China dat het gehele Chinese volk zou vertegenwoordigen. Anders dan in de Sovjetunie — waar slechts een partij bestond en de dictatuur van het proletariaat gold — zou in China weliswaar onder leiding van de CCP, ruimte zijn voor meer dan één partij en zou er een democratische dictatuur van het volk heersen. `Democratie' betekende een voor Chinese begrippen grote mate van deelnemen aan het politieke  leven door het volk, bestaande uit arbeiders, boeren, kleine en `nationale bourgeoisie. `Dictatuur' betekende het onderdrukken en desnoods gewelddadig `corrigeren' van de `vijanden van het volk', de uitbuitende klasse en handlangers van het kapitalisme en het imperialisme.'

In de nieuwe regering van eind 1949 zien we dan ook duidelijk de CCP. De communisten speelden daarin een overheersende rol en na enkele jaren een allesbeheersende rol.

mao de grote leider

Staat en partij lopen in China (evenals in de Sovjetunie) parallel d.w.z. dat partijfuncties en staatsfuncties dikwijls gecombineerd zijn in één persoon en dat de partijorganen toezicht uitoefenen op de staatsorganen. De Partij stelt  de kandidaten voor de regering en deze zijn op grond van de partijdiscipline gebonden aan partijbeslissingen. Zo was Mao zowel voorzitter van het ' Centraal Comité van de Chinese Communistische Partij met daarbinnen als  hoogste orgaan het Politbureau, als van het Comité van de Centrale  Volksregering, het hoogste regeringsorgaan.

Partij en staat hebben ieder een eigen parlement, respectievelijk het Nationale Partijcongres van de CCP en de Politieke Raadgevende Vergadering (sinds 1954 Nationaal Volkscongres genoemd), maar deze hebben nauwelijks invloed. De Chinese Volksrepubliek was (en is) totalitair, d.w.z. dat alles ondergeschikt is aan de wil van de CCP en daarbinnen aan die van de CCP-leiders. Dit acht men niet in strijd met de democratie. De partij kent en vertegenwoordigt de wil van de massa. In de socialistische maatschappij, dat is de maatschappij waarin een einde is gemaakt aan de macht van de particuliere bezitters van de productiemiddelen, geeft de partij de leiding. Deze leiding is nodig omdat er strijd geleverd moet worden tegen kapitalisme en imperialisme die altijd weer zullen proberen de kop op te steken.Daarnaast zal de mens opgevoed moeten worden tot een bewust communistisch denkend mens. Het zou juist ondemocratisch zijn afwijkende meningen toe te laten want dat is in strijd met de belangen van het volk. De partij organiseerde geregeld massacampagnes, waarbij het hele volk betrokken werd. Dergelijke campagnes werden omstreeks 1950 georganiseerd tegen de landeigenaren die voor volksrechtbanken in staat van beschuldiging werden gesteld en na veroordeling werden terechtgesteld. Daarna werden er campagnes opgezet tegen hen die zich schuldig hadden gemaakt aan corruptie, verspilling, omkoperij, belastingontduiking, enzovoort. Deze campagnes waren minder gewelddadig van aard. Mensen die hiervan beschuldigd werden werden zo zwaar onder druk gezet dat zij zichzelf in het openbaar beschuldigden en  bekritiseerden en beterschap beloofden. Doel van dit alles was heropvoeden. Gestraft, en dikwijls zwaar, werden zij die geen berouw toonden. Deze campagnes gaven de gewone man het gevoel dat hij actief meewerkte aan de totstandkoming van de communistische maatschappij. Tegelijkertijd werd hij erdoor geïndoctrineerd, d.w.z. hem werd stelselmatig de communistische leer ingeprent. Om deze indoctrinatie te bevorderen werd iedere campagne voorafgegaan door een studie van de mening van de partij over het aan de orde zijnde probleem.Het onderwijs streeft drie doelen na 1 het opleiden van mensen om de economie verder te ontwikkelen  2 het bevorderen van sociale gelijkheid door gelijke kansen te geven aan alle mensen; 3 het opvoeden van de Chinezen tot `nieuwe mensen', d.w.z. tot mannen en vrouwen die zich inzetten voor het welzijn van de hele socialistische maatschappij (politieke vorming) Deze drie punten zouden eigenlijk gelijktijdig en even krachtig moeten worden uitgevoerd. Maar theorie en praktijk kloppen niet altijd. In de tijd van Mao (tot 1976) lag de nadruk meer op sociale gelijkheid en politieke vorming. Na Mao's dood wordt meer de nadruk gelegd op het verwerven van kennis om de economie vooruit te helpen. Sociale gelijkheid wordt belemmerd door gebrek aan geld waardoor vooral het hoger onderwijs in zijn ontwikkeling wordt belemmerd. Om toegelaten te worden tot middelbare scholen en universiteiten moet men een examen afleggen en wegens plaatsgebrek worden alleen de beteren toegelaten. Daar komt nog bij dat het onderwijs in de steden beter is dan op het platteland. Alleen de meer begaafden hebben dus een kans verder te studeren en een jongen of meisje uit de stad heeft een voorsprong op leeftijdgenoten die op het platteland wonen. Zie verder deel 2: CSE China 1925-1986 Deel 2