We hebben 154 gasten online

CSE China 1925-1986 Deel 2

Gepost in Azië en Afrika

CSE China 1925-1986 Deel 2

 provincies china

c) `Laat honderd bloemen bloeien', 1956-1957 

Toen de communisten in 1949 in heel China de macht hadden veroverd brachten zij de revolutie als het ware van het platteland naar de stad. In de beginfase kon het nieuwe bewind niet buiten de stedelijke ambtenaren, technici, economen, leraren, kunstenaars, enzovoort. Men had hen nodig, maar zij waren verdacht, omdat zij meestal geen communisten waren. Er werden `bekeringscampagnes' tegen hen gevoerd, met als gevolg dat veel van deze intellectuelen, die eerst bereid waren mee te werken, afkerig werden van het nieuwe bewind. Mao wilde het vertrouwen herstellen en moedigde hen aan voor hun mening uit te komen. Hij deed dit in een redevoering onder het motto `Laat honderd bloemen bloeien en honderd denkrichtingen met elkaar wedijveren'. De kritiek die daarna, vooral bij schrijvers, losbarstte op de culturele politiek en de bureaucratie was zo hevig dat in juni 1959 door een Anti-rechtsencampagne de vrijheid van meningsuiting weer aan banden werd gelegd

Kunst en cultuur behoorden in dienst te staan van volk, revolutie en partij en niet, zoals bij de bourgeoiskunst, in dienst van de bezittende klasse. Kunst en cultuur waren daarom gebonden aan de voorschriften van de partij. Doel was het communisme uit te dragen en de mensen te bezielen met een revolutionaire geest. Dat gebeurde bijvoorbeeld door middel van de revolutionaire model-opera (de opera is erg populair in China), waarin, in de vorm van zang, dramatische expressie en dans, de strijd tegen het imperialisme op realistische wijze en in moderne kleding werd uitgebeeld.

In de literatuur werd gezocht naar een combinatie van `revolutionair realisme', d.w.z. een weergave van de werkelijkheid zoals die zich onder invloed van de revolutie ontwikkelde, en `revolutionaire romantiek', waarbij teruggegrepen werd op voorbeelden (in onderwerp, stijl, enzovoort) uit het eigen verleden. Uiteraard mocht deze romantiek niet in strijd zijn met de belangen van het communisme.Een grote rol speelde de revolutionaire kunst bij het levend houden van het Grote Sprong ideologisch enthousiasme bij het experiment dat in 1958 begon en bekend staat Voorwaarts als `De Grote Sprong Voorwaarts'.

Socialisatie produktiemiddelen beheerd worden door de gemeenschap (socialisatie) en waarin geen onderscheid meer is tussen de klassen, — de verschillende groepen in de samenleving met tegengestelde economische belangen — want iedereen werkt aan hetzelfde doel.

Maar al spoedig moest men toegeven dat men met de `Grote Sprong Voorwaarts' te hoog gegrepen had. De noodzakelijke kennis ontbrak, waardoor er fouten gemaakt werden. Daarnaast mislukte enkele malen de oogst, niet alleen door fouten, maar ook door natuurrampen. Alleen door een. streng distributiesysteem van voedsel kon echte hongersnood voorkomen worden. Ook de boeren verzetten zich tegen sterk doorgevoerde collectivisering, omdat door het leven in de commune het bestaande gezins- en familieleven werd aangetast. Bovendien waren zij er onderworpen aan een strenge discipline, die hun werd opgelegd door fanatieke leiders.`In 1958 werden 100 miljoen mensen tewerkgesteld bij de aanleg van dammen, kanalen, reservoirs en andere irrigatiewerken. Vol trots werd gemeld, dat een grondverplaatsing als van 450 Panama-kanalen had plaatsgevonden. Weldra bleek, dat de arbeidsstorm die over het land raasde rampzalige gevolgen had. Grondwater dat dicht bij het oppervlak lag, werd weggedraineerd, zodat de bodem uitdroogde. In kalkrijke bodem bracht door capillariteit opstijgend water zouten en alkaliën aan de oppervlakte, zodat korstlagen ontstonden. Ook de zgn. intensivering van de grondbewerking leverde averechtse resultaten op. Er werd diep geploegd in streken met een dunne toplaag, zodat de onvruchtbare aarde boven kwam te liggen. Dieper ploegen en dichter zaaien vergde nauwkeurige coordinatie met de bemesting, hetgeen blijkbaar niet werd ingezien, want er stierf veel gewas en de kwaliteit van de bodem ging op verschillende plaatsen danig achteruit. Duizenden ijzersmeltoventjes waren na enkele regenbuien gereduceerd tot hopen modder en stenen. Het in die ovens bewerkte ijzer was vaak broos, zodat aan de ploegen, schoffels e.d. die er van gemaakt werden geen lang leven was beschoren. Het kon natuurlijk wel als schroot fungeren, maar de geringe waarde-aanwas die het ruw ijzer ten plattelande onderging, wettigde niet de verdere overbelasting van het toch al zwaar beproefde transportwezen.' 

Mao trok de consequenties uit de (gedeeltelijke) mislukking. Hij trad af als staatshoofd (niet als partijleider). Er moest een stap terug gedaan worden en de opvattingen over de economie moesten opnieuw bekeken worden. De collectivisering werd minder sterk doorgevoerd: de lagere eenheden binnen de volkscommunes, de zgn. productiebrigades en productieteams kregen een grotere mate van zelfstandigheid. De centrale planningsorganen werden over het hele land verspreid, zodat er een nauwer contact mogelijk werd tussen hen en de uitvoerders.

De industriële ontwikkeling was en bleef voor China belangrijk. Maar eerst moesten de landbouw en de lichte industrie ontwikkeld worden. Deze zouden het kapitaal moeten leveren voor de ontwikkeling van de zware industrie. Deze visie was duidelijk tegengesteld aan de visie van de Sovjetunie, waar landbouw en lichte industrie ondergeschikt waren aan de zware industrie. In China bestond grotere aandacht voor de landbouw en de verspreiding van de lichte industrie over het hele land.

`De landbouw is zowel de belangrijkste bron voor grondstoffen als de belangrijkste markt voor de lichte industrie, die snelle resultaten oplevert met geringe investeringen. Aan de andere kant bevordert de ontwikkeling van de lichte industrie het variëren van de landelijke economie en levert meer fondsen voor de zware industrie. Daarom is de lichte industrie snel gegroeid op basis van de ontwikkeling van de landbouw. De zware industrie kan zich op deze wijze ook met versneld tempo ontwikkelen op een solide basis. Aldus de conclusie die getrokken werd in 1976.' 

In de officiële Chinese publicaties lezen we sinds ongeveer 1970 over een `beginnend stadium van welvaart' en daaruit mag blijken dat de sinds 1961 ingeslagen weg succesvol is.

e) De Grote Proletarische Culturele Revolutie

De `Grote Sprong Voorwaarts' was een mislukking geworden. Vandaar dat bij veel leidinggevende communisten de behoefte ontstond om in rust en op minder onbezonnen wijze te werken aan de verdere opbouw van China. In de ogen van Mao en jongere revolutionairen ontstond daardoor een gevaarlijke situatie. Volgens Mao was de weg naar de communistische maatschappij de weg van een permanente revolutie. Werken in rust met de nadruk op kennis, specialisatie e.d. leidde volgens hem tot verstarring, verburgerlijking en uiteindelijk tot revisionisme, een herziening van de leer van Marx. Niet de ideologie, maar economische, technische en politieke principes zouden dan overheersen. Ook zou er een elite ontstaan van deskundigen (technocraten) die zich boven de massa zou verheffen en uiteindelijk andere belangen zou nastreven dan de belangen van de massa. Dit gevaar zag Mao vooral omstreeks 1964 de kop opsteken en de door hem geïnspireerde Culturele Revolutie was een reactie daarop. 

Mao was, in navolging van Marx, een aanhanger van de leer van de dialectiek (leer van de botsing van tegenstellingen). Volgens hem was de weg naar de communistische maatschappij een lange weg van botsingen tussen de proletarisch-revolutionaire lijn en de burgerlijk-rechtse lijn. Ook nadat de socialistische maatschappij was ontstaan zouden er steeds mensen of groepen zijn die de revolutie wilden afremmen en het kapitalisme herstellen. Specialismen werkten dit in de hand, omdat de specialist op grond van zijn kennis vervreemdt van de massa, zich verheven acht boven die massa en de neiging krijgt de massa te gebruiken voor zijn eigen belangen. Specialisme is ook strijdig met de aard van de mens, want de mens is een polyvalente mens, d.w.z. de mens heeft vele capaciteiten; specialisme ontwikkelt maar één kwaliteit en dat is schadelijk.

Mao had een groot vertrouwen in de wil van de politiek gevormde massa. De massa was in staat alle barrières te overwinnen. In geval van verstarring moest de massa gemobiliseerd worden om een doorbraak te forceren, zo nodig tegen het bestaande gezag in.

We moeten de Grote Proletarische Culturele Revolutie tegen deze achtergrond zien als een massamobilisatie en als een rectificatiecampagne, d.w.z. een campagne om bestaande afwijkingen weer recht te zetten.

Eind 1965 begon de Culturele Revolutie als een verzet van studenten tegen toestanden in het hoger onderwijs, dat men te theoretisch, te specialistisch en te selectief vond. Al gauw werd het een verzet tegen kunst, literatuur, wetenschap, denkwijzen en mentaliteit. Ook daarin zag men verstarring en verburgerlijking. Door middel van muurkranten maakten de studenten hun ongenoegen duidelijk. Eind 1966 kwamen de arbeiders in verschillende steden in beweging tegen de vakbonden, die in hun ogen revisionistisch waren geworden.

De studenten, georganiseerd in Rode Gardes, en de arbeiders kregen de morele steun van Mao en Lin Biao (Lin Piao), de bevelhebber van het Volksleger. Inspiratiebron voor de revolutionairen was het zgn. Rode Boekje van Mao, waarin de `Woorden van Voorzitter Mao Zedong' waren verzameld en dat in 1964 verschenen was met de opwekking van Lin Biao: `Bestudeer de geschriften van Voorzitter Mao, gehoorzaam de woorden van Voorzitter Mao en handel volgens de aanwijzingen van Voorzitter Mao'. Sterker dan ooit tevoren beïnvloedde het maoïsme, de leer van Mao via het Rode Boekje de massa en nam de persoonsverheerlijking van Mao, als `de grote roerganger', ontzaglijke vormen aan.

De acties richtten zich natuurlijk niet alleen tegen toestanden, maar vooral tegen personen, die deze toestanden verdedigden. En deze personen zaten niet alleen in scholen, bedrijven, enzovoort, maar ook in de partij, ja zelfs in de partijtop. Men sprak over het renegatendom (renegaten zijn afvalligen). Door zuiveringen verving men verdachte personen door betrouwbare.

Bedenkelijk was dat hier en daar geweld gebruikt werd tegen personen en bezittingen, dat links-radicale groepen gingen verkondigen dat de macht en dus ook de beslissingen bij het volk lagen en niet bij een partij of partijbestuur. Ernstig was ook dat het normale werk op het platteland, in bedrijven, op scholen, kantoren, enzovoort ernstig verstoord werd door de voortdurende acties.

Langzamerhand merkten zij die de Culturele Revolutie op gang hadden gebracht en gestimuleerd hadden, dat de zaak uit de hand dreigde te lopen. Het leger kreeg opdracht belangrijke instellingen te beschermen. Daarnaast werden de actievoerders aangespoord weer aan het werk te gaan. Er werden revolutionaire comité's gevormd, die uit `goede' oude kaderleden, `constructieve' revolutionairen en vertegenwoordigers van het leger bestonden. Zij moesten als bemiddelaars optreden, maar hadden daar in het begin niet veel succes mee. De links-radicalen waren van plan de revolutie voort te zetten. Het gevaar van een burgeroorlog dreigde. In de tweede helft van 1967 volgde onder leiding van Mao's echtgenote Jiang Qing (Tsjiang Tsjing) een massacampagne tegen de uiterst linkse groepen. In de loop van 1968 werd de rust hersteld en werden overal in het land revolutionaire comité's opgericht die voor samenwerking moesten zorgen.

F) Het einde van het tijdperk van Mao, 1969-1976

De grote overwinnaars waren Mao en Lin Biao (Lin Piao). De laatste heeft niet lang kunnen genieten van zijn positie van tweede man in de Volksrepubliek. In 1971 werd hij op beschuldiging van een staatsgreep voor te nereiden ten val gebracht. Kort daarop kwam hij op geheimzinnige wijze om biet leven. Volgens een officiële verklaring verongelukte het vliegtuig waarin nij zich bevond.

Mao was intussen ook tot de overtuiging gekomen dat de campagnes die ;evoerd waren schadelijk waren geweest voor de economische en technische )ntwikkeling van China. China had weer behoefte aan rust voor herstel van de schade en voor verdere economische opbouw.

De gezuiverde technocraten keerden terug op belangrijke politieke en economische posten. Onder hen was ook de grote vijand van de `radicalen' Deng Xiaoping (Deng Hsio-Ping). Maar de onrust was nog niet voorbij. Mao had door de Culturele Revolutie erachten opgeroepen die zich niet neerlegden bij de terugkeer van deze technocraten.

Een groep radicalen onder leiding van Jiang Qing (Tsjiang Tsjing), later de Bende van Vier' genoemd, ontketende felle campagnes, zogenaamd tegen Lin Biao en Confucius, maar in werkelijkheid tegen de meer gematigden zoals Zhou Enlai (Chou En-Lai), de premier van de Volksrepubliek, en Deng Xiaoping. In feite was dit een machtsstrijd. Mao's gezondheid ging steeds meer achteruit, lij trok zich vrijwel terug uit het openbare leven en het zag er naar uit dat hij ?innen afzienbare tijd zou overlijden.

In januari overleed Zhou Enlai (Chou En-Lai) en het lag voor de hand dat heng Xiaoping hem als premier zou opvolgen. De `Bende van Vier' wist dit te 7oorkomen. Deng werd na een felle campagne weer ten val gebracht. Maar de iieuwe premier was niet een lid van de groep rond Jiang Qing, maar de fetrekkelijk onbekende politicus Hua Guofeng. De voortekenen wezen op een periode van verwarring. Het leek alsof zelfs de hemel en de natuur een tijd van onlusten aankondigden. Berichten over droogtes en overstromingen deden de oude ~hinese opvattingen weer tot leven komen dat deze tekenen hemelse onvrede wer een verandering in de aardse regering betekenden. (...) Toen de grote aardbeving kwam (op 28 juli 1976) hadden weinig nieuwe gebouwen in Beijing ,chade opgelopen. Maar op het T'iënanmenplein zag men twee grote scheuren n de voorgevel van het grote volkspaleis: aan beide kanten van het grote )ortret van Mao.' (9) In september 1976 stierf Mao.

De strijd om de macht barstte los. Aan de ene kant stond de `Bende van Vier', aan de andere kant Hua Guofeng, die kort voor Mao's dood tot premier en plaatsvervangend voorzitter was gekozen.

De "Bende van Vier" verloor de strijd in de nacht van 6 op 7 oktober. In de morgen van 7 oktober waren Jiang Qing en haar bondgenoten gearresteerd. (...) Beijing gonsde van de geruchten. De "Bende van Vier", zoals men Jiang Qing en haar bondgenoten noemde, had een staatsgreep willen uitvoeren. Ze hadden geprobeerd een pantserdivisie uit het noordoosten en andere hun gehoorzamende troepen, aan te voeren om hun rivalen te arresteren.

Vice-minister-president Zhang Chunqiao en de plaatsvervangend partijvoorzitter Wang Hongwen hadden kort voor hun arrestatie ultimatums gesteld, waarin ze de topposities in de partij en de regering verlangden.Maar minister-president Hua had rustig en resoluut gereageerd. Hij had de wachters geroepen en ze laten arresteren. (...) De sfeer in Beijing was ontspannen, de meeste mensen waren opgelucht en tevreden.' (9) In snel tempo werden de aanhangers van de `Bende van Vier' opgespoord en gearresteerd. In 1980-1981 werd Jiang Qing tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

 g)Deng en de modernisering van China, 1976-1986

De val van de `Bende van Vier' maakte de weg vrij voor de terugkeer van Deng Xiaoping. Hij was voorzichtig geworden door zijn ervaringen tijdens de Culturele Revolutie en met de `Bende van Vier'. Daarom hield hij zich op de achtergrond. Hij werd lid van het Politbureau, het belangrijkste gezagsorgaan binnen de Chinese Communistische Partij en plaatste zijn vertrouwelingen op de hoogste posten in de regering en partij.

 Deng is een praktisch man.

`In feite zegt Deng: wat in de praktijk vruchten afwerpt moet worden toegepast, ook al is het niet marxistisch en wat in de praktijk niet werkt moet van de hand worden gewezen, ook al zou het wel marxistisch wezen. Voor Deng kan en mag alles zolang het maar effectief en efficiënt is.' (10)

Deng wil een snelle modernisering van de Volksrepubliek China om zo gelijk te worden aan de westerse staten.

In januari 1975 (dus nog voor de dood van Mao) aanvaardde het Vierde Nationale Volkscongres een ontwikkelingsplan voor landbouw, industrie, leger en wetenschap, ook wel genoemd de Vier Moderniseringen. Doel van dit plan was in versneld tempo achterstanden op het gebied van landbouw- en industriële produktie, bewapening en wetenschappelijke kennis in te lopen.

1 Noodzakelijk is de verhoging van de opbrengst van de landbouw door verhoging van de opbrengst per ha en uitbreiding van de omvang van de landbouwgrond (denk aan mechanisering, gebruik van kunstmest en ontginning). Dit is van uitermate groot belang voor China, omdat de opbrengsten in verhouding veel minder gestegen zijn dan de omvang van de bevolking, die sinds 1949 meer dan verdubbeld is.

2 Er moet gestreefd worden naar verhoging van de levensstandaard en van de collectieve voorzieningen. Er moet volledige werkgelegenheid geschapen worden door verdere ontwikkeling van de industrie. De aandacht moet vooral gericht worden op de ontwikkeling van de lichte industrie die consumptiegoederen produceert.

3 Van belang is de verbetering van het stelsel van water-, land-, spoor- en luchtwegen.

4 De verantwoordelijkheid voor de produktie moet meer gelegd worden bij de producenten en minder bij de staat en partij. De producenten zullen zich dan met meerbelangstelling inzetten om de produktie te verhogen, zeker wanneer zij voor belangrijke prestaties en extra werk ook extra beloond worden.

5 De Volksrepubliek moet haar deuren opengooien voor de kapitalistische wereld. Deze bezit de technische middelen, kennis, geld, grondstoffen en produkten die China nodig heeft voor zijn opbouw.

6 De produktie mag niet gehinderd worden door ideologische revolutionaire campagnes (zoals tijdens de Culturele Revolutie).

We gaan op een paar punten wat dieper in.

h) Met het oog op de kapitalistische wereld

Deng begon heel bewust de kapitalistische wereld te interesseren voor de Volksrepubliek.

1 Er werden buitenlandse contracten afgesloten voor de levering van vooral produktiemiddelen (machines, fabrieksinstallaties, transportmiddelen, metalen, enzovoort) en voedingsmiddelen.

2 Buitenlandse bedrijven die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de Chinese economie worden aangemoedigd zich in China te vestigen. Met dat doel werden aan de oostkust Speciale Economische Zones aangewezen. Dit zijn gebieden waar buitenlandse ondernemingen op voordelige voorwaarden, zoals vrijstelling of verlaging van belasting, lage pacht en het recht om zelf personeel aan te nemen en te ontslaan, kunnen werken.

Zo kan het voorkomen dat het buitenlandse bedrijf kapitaal, uitrusting en kennis inbrengt, terwijl de Chinese staat zorgt voor de grond, het fabrieksgebouw en de arbeidskrachten. De winst wordt dan gelijk verdeeld. Ook bestaat de mogelijkheid dat de Chinese staat en het buitenlandse bedrijf ieder een bepaald aantal aandelen hebben in de nieuwe vestiging. Zij leiden dan samen het bedrijf en verdelen de winst op grond van de aandelenverhouding.

Haalt men op deze manier niet de kapitalistische vijand in huis?

`De ontwikkeling van de Speciale Economische Zones staat nog in de kinderschoenen. Het is daarom nog te vroeg om te beoordelen of de vrees gerechtvaardigd is van die Chinezen die menen dat China er zijn onafhankelijkheid mee verliest en dat de zones verdacht veel op de buitenlandse concessie van vroegere tijden lijken. Zolang China zelf de spelregels dicteert zal het met de afhankelijkheid zo'n vaart niet lopen. Wel zijn in de zones op diverse plaatsen borden verschenen met "Alleen voor buitenlanders". Hoewel deze op last van de Chinese autoriteiten zijn verwijderd, deden zij menig verontrust hart een slag overslaan.

Naast economische infiltratie vrezen vele Chinezen vooral ook de politieke ondermijning door deze enclaves van staatskapitalisme.

Zij wijzen er onder meer op dat de misdaad en met name de economische misdaad, in en rond deze gebieden met sprongen is toegenomen. [...] Shenzen is [...] een geliefd doelwit geworden van criminele geheim-genootschappen uit Hongkong die er drugs proberen te verhandelen, smokkelarij bedrijven en prostituées leveren. De centrale overheid onderkent al deze problemen, maar meent dat zij het hoofd kunnen worden geboden door het verhogen van de politieke en morele opvoeding.' (11)

3 Om de achterstand in technische kennis in te lopen studeren duizenden jonge Chinezen in landen binnen de kapitalistische wereld. De bedoeling is natuurlijk dat China op den duur zijn eigen specialisten kan opleiden, vandaar de grote aandacht voor onderwijs en onderzoek.

i) Liberalisering

Tot de Vier Moderniseringen hoort ook het geven van meer verantwoordelijkheid en vrijheid aan bedrijven, groepen en zelfs aparte personen. Zij mogen dan de zaken waarmee zij zich bezighouden naar eigen inzicht regelen. Wij spreken in dat verband van liberalisering, wat letterlijk betekent: bevrijding van beperkingen of belemmeringen. Liberalisering zien we voornamelijk op economisch gebied.

1 In de landbouw blijft de grond eigendom van de staat, maar de strenge collectivisering in volkscommunes is verdwenen. Boeren sluiten met elkaar en met de staat productiecontracten, waarin de productiehoeveelheden, enzovoort worden afgesproken. Aanvankelijk werd de opbrengst door de staat opgekocht, maar sinds 1985 kunnen de boeren hun producten zelf op de markt brengen. De winst is voor de contractanten. Daarnaast kunnen de boeren de opbrengst van hun eigen stukje grond direct verkopen.

De volkscommunes bestaan nog wel. Zij stellen landbouwwerktuigen ter beschikking en kunnen van de boeren eisen dat ze onbetaald werk doen in het algemeen belang, bijvoorbeeld bij aanleg en onderhoud van wegen. Omdat er teveel boeren zijn en de industrie nog het overschot aan arbeiders nog niet kan opvangen, worden de boeren gedwongen ook op andere gebieden samen te werken.

`De Chinese boeren mogen nu voor een onbeperkt bedrag aandelen kopen in industriële en handelsco~peraties op het platteland. [...1 Jonge boeren met een diploma van een landbouwschool mogen met de staat contracten afsluiten voor het opzetten van gespecialiseerde bedrijven op het gebied van industriële produktie, mijnbouw, handel, inkoop, transport en dienstverlening. De regering hoopt dat hiermee een begin is gemaakt met een verschuiving van werk in de primaire produktiesector naar dat van de verwerkende industrie. Hierdoor zou arbeidsoverschot in de landbouw gestadig kunnen worden geabsorbeerd en ook handel en dienstverlening zullen worden gestimuleerd.'

Toch is het idee van de planeconomie niet verlaten. De staat blijft invloed uitoefenen op de landbouw door de prijzen van de produkten vast te stellen. En de boer verbouwt natuurlijk het liefst gewassen waarmee hij niet blijft zitten omdat ze te duur zijn.

2 Liberalisering is er ook in de industrie en handel. De directeuren van de staatsbedrijven mogen op vrij ruime schaal zelf beslissingen nemen over de produktie, de verkoop van de produkten, het aannemen en ontslaan van personeel en de lonen van het personeel. Voor een aantal belangrijke produkten geldt dat de staat de omvang van de produktie vaststelt: alles wat het bedrijf meer produceert mag het zelf verkopen. De extra-winst kan gebruikt worden voor het betalen van premies aan het personeel, betere voorzieningen voor het personeel, aanschaf van machines, enzovoort. Voor de meeste artikelen worden geen produktiehoeveelheden vastgesteld. De fabriek legt zich dan toe op artikelen waar grote vraag naar is.

`De bedoeling is de verkoopprijzen van allerlei zwaar gesubsidieerde produkten langzamerhand vrij te geven. Hierdoor zullen de prijzen eerst omhoog gaan (voor stedelingen gecompenseerd door inkomenstoelagen) als gevolg waarvan de produktie zal toenemen en deze produktieverhoging uiteindelijk in een daling van de prijzen zal resulteren. In juni 1985 werd de eerste ronde van officiële prijsverhogingen voltooid, waarbij vlees en andere voedselprijzen soms wel met 30% werden verhoogd. Om sociale onrust te voorkomen kregen de stedelingen een gemiddelde inkomenstoeslag van ongeveer 7,5 Yuan per maand per persoon.' 

3 De liberalisering is ook op andere gebieden merkbaar, zoals op dat godsdienstpolitiek. De communisten staan afwijzend tegenover iedere vorm van godsdienst, omdat godsdienst, zoals Marx al zei `opium van het volk' is. Door te geloven in een God vlucht de mens naar een hemelse beloning en is hij niet bereid aardse problemen aan te pakken. Maar het heeft volgens de Chinese autoriteiten geen zin godsdienst met geweld te onderdrukken. Dat is ook niet nodig want wanneer de problemen op aarde zijn opgelost, verdv de godsdienst vanzelf. De mens heeft dan geen behoefte meer om te vluc Mensen met een godsdienstige overtuiging werden lange tijd geduld, maa meer dan dat. Zij waren verdacht en waar mogelijk werden ze in hun vrij beperkt. Bijzonder verdacht waren de christenen. Was het christendom n verbreid door westerse imperialisten? Daarbij kwam dat de katholieken geestelijk leider hadden buiten China, namelijk de paus te Rome.

Tijdens de Culturele Revolutie werd een dieptepunt bereikt. Alles wat m godsdienst te maken had werd gezien als staatsgevaarlijk en verdween uil openbare leven.

In 1969 werd de vrijheid van godsdienst erkend, maar de sfeer bleef onvriendelijk en onderdrukkend. Met de komst van Deng kwam er een verandering ten goede. Hij stelde:

`De regering verzet zich niet tegen het geloof van mensen, mits zij hard werken en de wet onderhouden.' 

Godsdienst is een privé-zaak en het heeft geen zin gelovigen nodeloos tel zich in het harnas te jagen. Vanaf dat moment werd de houding van de regering soepeler.

`Vele religieuze gebouwen werden gerestaureerd en voor erediensten heropend. Heilige geschriften als de koran en de bijbel werden weer officieel gedrukt, religieuze leiders vrijgelaten en organisaties opnieuw geactiveerd.' 

In de nieuwe grondwet die China in 1982 kreeg, wordt nadrukkelijk verk] dat voor iedere burger godsdienstvrijheid bestaat en dat men omwille var geloof niet gediscrimineerd mag worden.

j) Nadelen van de modernisering

Het idee van Mao dat de mens veel kwaliteiten heeft die hij moet ontwik is verlaten. Wat China nodig heeft zijn specialisten. Dat betekent dat de nieuwe klasse van technocraten (directeuren, managers, specialisten) groeit dat begaafde jongeren meer kansen krijgen dan minder begaafde. `Om zo vlug mogelijk degelijk personeel te vormen voor de uitbouw van Vier Moderniseringen wordt het systeem van de "sleutel-scholen" ingevoerd. Zowel voor lager, middelbaar en hoger onderwijs worden "sleutel-scholen opgericht voor de meest begaafde leerlingen en studenten met de beste leraren en professoren. De minder begaafden komen in "trage klassen" terecht.' Een gevolg is ook corruptie. Sommige aanzienlijken proberen voor henzelf hun familie, vrienden of kennissen extra voorrechten te verkrijgen, zoals baantjes, extra neveninkomsten, smeergelden, enzovoort. Daartegen worden dikwijls felle perscampagnes gevoerd.

Ook de criminaliteit nam toe, meestal in de vorm van diefstal (80%) en geweldpleging (6 —8%). Hiertegen werd zeer hard opgetreden. `Zo kwam het in het najaar van 1983 tot een golf van executies van moordenaars, verkrachters, roofovervallers, ontvoerders en brandstichters.  [...] Hoewel de executies van enkele duizenden [...] internationaal nogal protesten hebben opgeleverd trekken de Chinezen zich hier weinig van aan. De autoriteiten wijzen met zekere trots op de resultaten van de afschrikmethode: een halvering van het aantal misdaden naar 4 per 10.000 inwoners in het midden van 1984. Vanuit de Chinese samenleving zelf komen ok nauwelijks protesten. Integendeel, deze campagne is populairder dan enig ndere van de afgelopen 35 jaar.' 

Voor de ideologische en traditionele Chinezen is de besmetting met westerse ivloeden uiterst bedenkelijk. Toen China de deur naar de kapitalistische inden openzette kwamen westerse artikelen zoals kleding, radio's, t.v.'s enzovoort in de winkels terecht. En de kopers gaan steeds meer opwiesterlingen lijken. De regering lanceerde in 1983 zonder succes een actie tegen geestelijke vervuiling.

k) De democratie

De Chinese Communistische Partij en de Chinese regering zijn bereid terwille van de Vier Moderniseringen minder op de voorgrond te treden. Zij geven meer ruimte aan instellingen en personen en dulden meer verdacht kapitalistische en westerse invloeden dan vroeger. Maar de Communistische Partij blijft bij alles leiding geven. Soms wordt de roep gehoord ook de politiek te moderniseren. Dat zou dan de vijfde modernisering zijn. Deze wordt echter resoluut van de hand gewezen. Er zou dan sprake zijn van een Bourgeois democratie naar westers model en de westerse democratie met haar verschillende partijen geeft de burgerij juist de kans het proletariaat te onderdrukken.

In een redevoering voor het Centraal Comité van de CCP viel Deng in 1980 fel uit tegen de `democraten' die hij ervan beschuldigde dat zij de eenheid in gevaar brachten en die hij op één hoop gooide met de `Bende van Vier', contra-revolutionairen, spionnen en misdadigers.

Inderdaad bestaan er verbindingen die uit sympathie met deze lieden gesloten werden... Zelfs partijleden en niet weinig kaders. Aan deze partijleden moet luidelijk gezegd worden dat hun standpunt buitengewoon verkeerd en extreem gevaarlijk is. Wanneer ze hun houding niet onmiddellijk en grondig veranderen, dan moeten ze van de partij disciplinair worden gestraft.

l) De levensstandaard

In vergelijking met de situatie in 1949 is de levensstandaard in China zonder meer gestegen maar tegen de achtergrond van onze welvaart moeten we ons daar geen overdreven voorstelling van maken.

Het zwakke punt blijft de landbouw. De hoeveelheid landbouwgrond is maar weinig toegenomen, terwijl de bevolking in de tussentijd meer dan verdubbeld is. Vandaar ook de strenge politiek van geboortenregeling.

Een tweede zwak punt is gebrek aan kapitaal en geschoolde krachten. De industrie wordt daardoor nog teveel in haar ontwikkeling geremd en juist de industrie moet zorgen voor hogere lonen, voor consumptieartikelen en voor de opvang van werklozen. Daar komt nog bij dat er veel kapitaal vrijgemaakt moet worden voor woningbouw, onderwijs, gezondheidszorg, enzovoort.

 In de arme gebieden leven de boeren dikwijls nog op de grens van het bestaansminimum. In andere gebieden en in de steden is er iets te zien van een beginnende welvaart. Als we over China praten hebben we het over een kwart van de wereldbevolking. Problemen die daar overwonnen moeten worden zijn altijd grootschalig 

IV De Volksrepubliek China tussen de Sovjet‑unie en de VerenigdeStaten, 1949-1986

a) De Volksrepubliek kiest voor de Sovjet-Unie 1950-1960

 We hebben ons tot nu toe beziggehouden met de binnenlandse ontwikkeling in de Volksrepubliek China. We gaan nu kijken naar de rol en de plaats van de Volksrepubliek in de internationale verhoudingen.

Eind 1949 was het de vraag hoe de Volksrepubliek zich zou opstellen ten opzichte van de twee grote tegenstanders in de Koude oorlog: de Sovjetunie en de Verenigde Staten. De Amerikaanse regering hoopte dat het nieuwe China zich onafhankelijk zou opstellen tegenover de Sovjetunie en in ruil daarvoor was men in Washington bereid Mao Taiwan te laten veroveren. Die verwachting was niet helemaal denkbeeldig, want de Russen hadden zich in voorgaande jaren nauwelijks bekommerd om de Chinese communisten.

Achteraf gezien is Communistisch China inderdaad zijn eigen koers gaan varen, maar eind 1949 zag Mao het meeste heil in een toenadering tot de Sovjetunie. Begin 1950 sloot de Volksrepubliek met de Sovjetunie een verdrag van vriendschap en wederzijdse bijstand. De Sovjetunie beloofde financiële en technische hulp voor de opbouw van China. In de Verenigde Staten ontstond het schrikbeeld van een agressief Russisch-Chinees complot in het Verre Oosten. Dat beeld was erg sterk toen midden 1950 communistische Noordkoreaanse troepen Zuid-Korea binnenvielen, en het `bewijs' was geleverd toen eind 1950 en begin 1951 honderdduizenden Chinese 'vrijwilligers` de Noordkoreaanse troepen te hulp kwamen op het moment dat de troepen van de Verenigdd Naties (voor het grootste deel Amerikanen) op het punt stonden definitief met de Noordkoreanen af te rekenen. De Amerikaanse generaal MacArthur, opperbevelhebber van de troepen van de VN in Korea, speelde toen met de gedachte bombardementen uit te laten voeren op Mantsjoerije en zo nodig gebruik te maken van de atoombom. Dit ging de Amerikaanse president Truman te ver. De kans dat de oorlog in Korea zou uitgroeien tot een Derde wereldoorlog, was levensgroot. MacArthur moest dan ook aftreden. Het Koreaanse conflict eindigde in 1953 met een wapenstilstand waarbij de 38e breedtegraad, de oorspronkelijke scheidingslijn, de wapenstilstandslijn werd tussen Noord- en Zuid-Korea. Intussen waren de verhoudingen tussen de Verenigde Staten en de Volksrepubliek wel grondig bedorven.

De Amerikanen pasten tegenover China, `de rode Chinese draak' hetzelfde wapen toe als tegen de Sovjetunie in Europa, namelijk dat van de containment, de indamming van de communistische invloed. Amerikaanse vlootstrijdkrachten werden naar de wateren rond Taiwan gestuurd; met Japan werd een vredesverdrag gesloten en in 1954 werd de Zuidoostaziatische Verdragsorganisatie (ZOAVO) opgericht. Leden waren Australië, Engeland, de Filippijnen, Frankrijk, Pakistan, Nieuw-Zeeland, Thailand en de Verenigde Staten.

De Verenigde Staten hadden er weinig oog voor:

• dat er wel degelijk meningsverschillen bestonden tussen de Sovjetunie en de Volksrepubliek, met name over grensgebieden;

• dat Mao in deze eerste periode van de Volksrepubliek vooral behoefte had aan rust, nodig voor de opbouw van China, en de consolidatie van de communistische partij;

• dat de steun van de Chinezen aan Noord-Korea ook uitgelegd kon worden als een reactie op een direct gevoelde bedreiging, omdat de troepen van de Verenigde Naties de Chinese grens erg dicht naderden. Teveel wellicht lieten de Verenigde Staten en hun bondgenoten zich beïnvloeden door de agressieve toon van de Chinese `Haat-Amerika'-campagne.

b) De breuk tussen de Volksrepubliek China en de Sovjetunie, 1960

Erg lang heeft de samenwerking tussen de Sovjetunie en de Volksrepubliek China niet geduurd en erg hartelijk is deze ook nooit geweest. Er waren nogal wat geschilpunten.

• De Volksrepubliek China maakte op volkenkundige motieven aanspraak op gebieden als Buiten-Mongolië (Mongoolse Volksrepubliek), de Amoerprovincie en de Kustprovincie, die door de Russen in de loop van de 19e en begin 20e eeuw bezet waren en zij beschuldigden de Sovjet-Unie van steun aan afscheidingsbewegingen in Sinkiang (Oost-Turkestan). In de 19e eeuw annexeerde Rusland gebruikmakend van het verval van het keizerlijke China Kazakhstan, Kirgizistan en Sinkiang. Daarna wekte Mantsjoerije de begeerte van de Russen (en Japanners) op. De Russen moesten dit gebied na de nederlaag tegen Japan in 1905 aan Japan overlaten. In 1911 werd Buiten-Mongolië met Russische steun autonoom. Op de conferentie van Jalta in februari 1945 beloofden de Amerikanen en Engelsen

De oostenwind overwint de westenwind

Stalin Buiten-Mongolië en herstel van vroegere voorrechten in Mantsjoerije, in ruil voor steun in de strijd tegen Japan. In 1954 gaven de Russen Sinkiang op, terwijl zij het jaar daarop uit Mantsjoerije terugtrokken.

• Daarnaast waren er ideologische geschillen. Het Russische communisme steunde vooral op het industriële proletariaat, het Chinese communisme vooral op het landbouwproletariaat. Het was een agrarisch communisme, in tegenstelling tot het Russische industrieel communisme. Volgens de Russische communisten was de communistische heilstaat alleen mogelijk na voltooiing van de industrialisatie. Voor de Chinezen was dit geen dwingende voorwaarde. De weg naar de communistische heilstaat was voor hen de weg van de collectivisering van de verschillende delen van het maatschappelijk leven in volkscommunes, waarbinnen de landbouw een zeer belangrijke plaats had. De Russen waren dan ook duidelijk geïrriteerd toen de Chinese communisten verklaarden dat zij door de Grote Sprong Voorwaarts de enige juiste en snelle weg naar de communistische maatschappij aflegden. Omgekeerd waren de Chinezen geïrriteerd door de grote nadruk die de Russen legden op de ontwikkeling van de zware industrie (ook in China), omdat dit ging ten koste van de landbouw.

Kwaad bloed zette ook de co-existentiepolitiek die de Russische partijleider Chroesjtsjov in 1956 op het 20e partijcongres in Moskou afkondigde. Deze co-existentiepolitiek, gericht op het vreedzaam naast elkaar bestaan van kapitalistische en communistische staten werd vooral ingegeven door de Russische angst dat bij een kernoorlog alleen verliezers zouden zijn. In de ogen van de Chinese communisten was een vreedzaam naast elkaar bestaan van een communistische en een kapitalistische wereld onmogelijk en het propageren ervan verraad aan de revolutionaire antikapitalistische principes van het zuivere communisme. De co-existentiegedachte werd dan ook met verontwaardiging van de hand gewezen. In de ogen van Mao waren de imperialisten (en dat waren de kapitalisten) met hun kernwapens slechts 'papieren tijgers', die machteloos stonden tegenover de socialistische anti-imperialistische wereldbeweging. Mao zag de toekomst als volgt:

— `De imperialisten zoeken hun heil in de onderdrukking van de volken van hun landen en van de volken van hun koloniën en semi-koloniën; bovendien vestigen ze hun hoop op de oorlog. Maar mogen ze van de oorlog iets verwachten? ... Als de waanwijze imperialisten het riskeren een derde wereldoorlog te ontketenen, zullen ze niets anders bereiken dan een volledige ineenstorting van het kapitalistische systeem van de hele wereld.'

Op 18 november 1957, als hij op de conferentie van de communistische partijen spreekt, zegt Mao het nog duidelijker:

— `Ik ben van mening, dat de internationale positie vandaag weer is aangekomen op een keerpunt. Er zijn twee winden op de wereld: de oostenwind en de westenwind. Een oud Chinees spreekwoord zegt: "Als de oostenwind niet de westenwind overwint, dan overwint de westenwind de oostenwind." Naar mijn mening is het het kenmerk van de huidige toestand, dat de oostenwind de westenwind overwint, dat wil zeggen, dat de socialistische krachten een verpletterend overwicht op de imperialistische krachten hebben verworven.' (12)

Een praktisch gevolg van de co-existentiepolitiek voor de Volksrepubliek was dat de Sovjet-Unie weigerde China te helpen met de ontwikkeling van kernwapens.

• Ook stonden de Chinese communisten steeds meer afwijzend tegenover de economische ontwikkeling van de Sovjetunie, die volgens hen bedenkelijke (kapitalistische) trekken ging vertonen. Zij verweten de Russische leiders dat deze in plaats van de revolutie te bevorderen, slechts een verhoging van de levensstandaard nastreefden en daarbij het maken van winst en het ontstaan van een nieuwe bevoorrechte klasse van specialisten aanmoedigden. Al deze wrijvingen kunnen we zien als het streven van een nog jonge mogendheid zich niet te laten bevoogden en haar eigen weg te bewandelen. In dit streven pasten ook de contacten die vanaf 1954 werden gelegd met jonge Aziatische landen, zoals India, Birma, Pakistan en Indonesië. In 1954 sloot China een handelsverdrag met India, waarbij handel en verkeer tussen India en Tibet werden geregeld. Grote sympathie ondervond de Volksrepubliek op de conferentie van Bandung (1955), waar 7 Afrikaanse en 23 Aziatische niet-gebonden landen hun problemen bespraken. Deze contacten versterkten de spanningen met de Sovjet-Unie, die juist in deze jaren probeerde haar invloed in de jonge Afrikaanse en Aziatische landen uit te breiden.

De spanningen tussen de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie- werden na 1955 steeds heviger en leidden er toe dat de Sovjet-Unie in 1960 haar hulp introk. Vanaf dat moment stonden beide mogendheden in openlijke rivaliteit en vijandigheid tegenover elkaar.

c) Het conflict tussen de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie

De breuk met Moskou in 1960, ook wel het Rode Schisma genoemd, betekende voor de Volksrepubliek dat ze werkelijk ingeklemd kwam te zitten tussen de Sovjetunie en de Verenigde Staten.

Tussen de Volksrepubliek en de Sovjet-Unie bestond een sfeer van openlijke vijandschap en rivaliteit (zie bijvoorbeeld hieronder de kwestie India). • De Sovjet-Unie werd nu openlijk en op felle wijze beschuldigd van revisionisme en verraad aan de communistische zaak. Het ging daarbij met name om haar verdragen met de Verenigde Staten, zoals het kernstopakkoord van 1963 en het non-proliferatieverdrag van 1968. Daardoor had de Sovjetunie haar ideologisch leiderschap in de communistische wereld verloren en berustte dit leiderschap in het vervolg bij de Volksrepubliek.

De Sovjet-Unie maakte zich bovendien schuldig aan sociaalimperialisme. In 1968 greep zij hardhandig in in Tsjecho-Slowakije, dat zijn eigen communistische weg dreigde te gaan. Een socialistisch land, dat zich schuldig maakte aan imperialisme, zette ongeveer alle socialistische (of communis­tische) idealen overboord. Imperialisme hoorde bij kapitalisme en was de doodsvijand van het communisme.

• Niet de Sovjet-Unie, maar de Volksrepubliek was de natuurlijke bondgenoot van de landen van de Derde Wereld. De Chinese communisten stelden, dat hun revolutie een beter voorbeeld was voor de ontwikkelingslanden dan de Russische.

`Het klassieke type van de revolutie in imperialistische landen is de (Russische) Oktober-revolutie. Het klassieke type in koloniale en semi­koloniale landen is de Chinese revolutie. [...] Dankzij het succes van onze revolutie hebben de denkbeelden van Lenin, aangevuld met die van Mao Zedong en de ervaringen van de CCP, vele honderden miljoenen mensen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika geïnspireerd.' (13) Waar mogelijk probeerde de Volksrepubliek door middel van ontwikkelingshulp sympathie te verwerven in de Derde Wereld. Maar deze hulp was dikwijls symbolisch van aard en de meeste ontwikkelingslanden wensten niet betrokken te worden in het Chinees-Russische conflict. Vanaf 1959 verspeelde de Volksrepubliek een deel van haar `goodwill' in Azië die zij sinds de conferentie van Bandoeng had opgebouwd. In 1959 sloegen Tibet Chinese troepen een opstand neer in Tibet dat door boeddhistische priesters Dalai Lama geleid werd. De Dalai Lama (hoogste priester) vluchtte naar India. De verhouding met India, al verslechterd door het Chinese optreden in Tibet, werd bijzonder slecht door een grensoorlog die de Volksrepubliek in 1962 voerde, waarbij zij zich tijdelijk meester maakte van een aantal gebieden tussen Tibet en India, waarop India recht meende te hebben. Tekenend voor de Chinees-Russische spanning was dat de Sovjetunie tijdens dit conflict vliegtuigen leverde aan India.

In 1965 verloor China zijn prestige in Indonesië. In dat jaar brak daar een opstand uit waarvan aangenomen werd dat de communisten (met op de achtergrond de Volksrepubliek) er de aanstokers van waren. Alles bij elkaar kwam de Volksrepubliek in de Derde Wereld steeds meer alleen te staan. • Geregeld viel de Volksrepubliek de Sovjet-Unie aan op het feit, dat ze onrechtmatig gezag uitoefende over gebieden aan de noordkant van China. In maart 1969 ontstonden er zelfs gevechten tussen Chinese en Russische patrouilles op eilandjes in de bevroren Oessoeri-rivier, de grensrivier tussen Mantsjoerije en de Kustprovincie. Deze grensconflicten, uitgelokt door China, waren een reactie op Russische acties, zoals het hinderen van de Chinese scheepvaart en visserij op deze rivier.

d) De Volksrepubliek China en de Verenigde Staten, 1960-1968

De verhouding met de Verenigde Staten bleef ook na 1960 slecht. Voor de Amerikanen was en bleef de Volksrepubliek een agressieve mogendheid die er naar streefde om heel Zuidoost-Azië in haar macht te krijgen. Dat bleek volgens hen duidelijk in de kwestie Vietnam. In 1954 hadden de Fransen zich teruggetrokken uit Indo-China en werd dit gebied verdeeld in de staten Laos, Cambodja, Noord-Vietnam, dat communistisch bestuurd werd, en Zuid Vietnam, met een kapitalistisch bewind. Vanaf 1957 probeerde de Zuidvietnamese Bevrijdingsbeweging, door de tegenstanders Vietcong (Vietnamese communisten) genoemd, met steun van Noord-Vietnam, de Zuidvietnamese regering ten val te brengen. Naarmate het conflict zich uitbreidde en de strijd heviger werd, gaven de Verenigde Staten meer steun aan Zuid-Vietnam en vanaf 1964 namen zij openlijk aan de strijd deel. De Volksrepubliek — en de Sovjetunie — steunden Noord-Vietnam, maar namen niet direct aan de strijd deel. Voor de Amerikanen was één ding duidelijk: als Zuid-Vietnam in communistische handen zou vallen zou door een reeks van communistische staatsgrepen heel Zuidoost-Azië, d.w.z. alle gebieden tussen Thailand en Australië, in communistische handen vallen. Dit wordt de domino-theorie  genoemd.

De Chinezen verklaarden dat de steun die de Amerikanen gaven aan Vietnam en andere Zuidoostaziatische landen typische voorbeelden waren van Amerikaans imperialisme, gericht op uitbreiding van hun invloed in Zuidoost-Azië. De Verenigde Staten waren voor hen vijand nummer 1.

e) Zoeken naar een opening, 1968-1979

Vanaf 1968 zien we langzamerhand een verandering optreden in de verhouding tussen de Volksrepubliek en de Verenigde Staten. Voorstander van toenadering tot de Verenigde Staten was vooral de Chinese premier Zhou Enlai (Chou En-Lai), die al sinds de Yanan-periode een van de belangrijkste figuren naast Mao was. Wat hem voor ogen stond was dat de Volksrepubliek, naast de Verenigde Staten en naast de Sovjetunie, de positie kreeg van grote mogendheid. Om dat te bereiken moest de Volksrepubliek ontzag afdwingen.

Vandaar bijvoorbeeld de ontwikkeling van een eigen atoombom (1964), een waterstofbom (1967) en een eigen ruimtevaartprogramma (1970, lancering van de eerste Chinese kunstmaan).

Op deze basis werd het mogelijk zijn toenadering te zoeken tot de Verenigde Staten  Struikelblok was aanvankelijk nog de kwestie Vietnam. Maar dat veranderde toen de Verenigde Staten na 1968 bereid bleken zich geleidelijk uit Vietnam terug te trekken.

In 1970 verklaarde Mao in een gesprek met de Amerikaanse journalist Edgar Snow dat hij graag een gesprek wilde hebben met de Amerikaanse president Nixon. `We werden op dit punt onderbroken door de komst van een paar glazen mao t'ai, een vurige likeur die in de provincie Kweitsjow uit rijst wordt gemaakt. Wij proostten en dronken. Tot mijn diepe schaamte moest de voorzitter [Mao] er mij op attent maken dat ik niet met de twee aanwezige dames had getoast. Waarom had ik dat in vredesnaam niet gedaan? Hieruit bleek wel dat ik de vrouwen ook nog niet als gelijken aanvaard had! Het was niet mogelijk om op dit moment al een algehele gelijkschakeling van mannen en vrouwen te krijgen, zo zei voorzitter Mao. Maar tussen Chinezen en Amerikanen behoefden er echt geen vooroordelen te bestaan. Tussen Chinezen en Amerikanen zou er wederzijds respect en aanvaarding van elkaars gelijkwaardigheid kunnen zijn. Mao zei dat hij veel vertrouwen had in de volken van de twee landen.

Als de Sovjetunie niet de weg zou wijzen dan zou hij zijn hoop vestigen op het volk van de Verenigde Staten. De Verenigde Staten alleen al hadden meer dan 200 miljoen inwoners. De industriële produktie was hoger dan in elk ander land en iedereen kon er onderwijs volgen. Hij verklaarde gelukkig te zijn als er een partij zou ontstaan die er de revolutie zou kunnen leiden. Hij verwachtte overigens niet dat dit spoedig zou gebeuren. Inmiddels bestudeerde het ministerie van Buitenlandse Zaken de kwestie van het toelaten van linkse, rechtse en `centrum' Amerikanen die China wilden bezoeken. Moest een rechtse figuur als Nixon, die een vertegenwoordiger was van het monopolistische kapitalisme toegelaten worden? Hij zou inderdaad welkom zijn, zo verklaarde Mao, omdat de problemen die er tussen China en de Verenigde Staten bestaan op het ogenblik via Nixon tot een oplossing gebracht moeten worden. Mao zou blij zijn met hem te kunnen praten, of hij nu kwam als toerist of als president van de Verenigde Staten.' 

Begin 1971 werd het bamboegordijn (vergelijk het `ijzeren gordijn' tussen de Oostbloklanden en West-Europa) wat opgetrokken: het Amerikaanse tafeltennisteam werd uitgenodigd om in de Volksrepubliek te komen spelen pingpongdiplomatie). De eerste contacten waren gelegd. De Amerikanen op hun beurt verzetten zich niet tegen het voorstel van Albanië de Volksrepubliek toe te laten tot de algemene Vergadering van de Verenigde Naties en van de Veiligheidsraad waarin de Volksrepubliek het vetorecht kreeg. Dit had wel tot gevolg dat Taiwan uit de volkerenorganisatie verdween.

Het jaar daarop (1972) bracht de Amerikaanse president Nixon een officieel bezoek aan de Volksrepubliek, waarna er geregeld contacten plaatsvonden op diplomatiek niveau, die uiteindelijk leidden tot het herstel van de

diplomatieke betrekkingen. Naar buiten toe was de opening gevonden en in snel tempo werden contacten gelegd en verstevigd met Canada, Japan, Australië, Nieuw-Zeeland en Westeuropese landen.

 

f Wat wil de Volksrepubliek? 

1 De Amerikanen moeten hun containment-politiek tegenover de Sovjet-Unie handhaven, zodat de beide supermogendheden elkaar in evenwicht houden. Zo kan ook voorkomen worden dat de Sovjet-Unie haar militaire macht kan concentreren tegen de Chinese noordgrenzen.

2 Door `goodwill' te kweken in West-Europa en de Derde Wereld probeert de Volksrepubliek te komen tot de vorming van een nieuw blok, naast het bestaande Amerikaanse en Sovjet-Russische blok. Om dit te bereiken verkondigen de Chinezen de theorie van de drie werelddelen:

`De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie vormen de eerste wereld; de ontwikkelingslanden in Azië, Afrika, Latijns-Amerika en elders vormen de Derde Wereld; tussen deze in bevindt zich de tweede wereld, die is samengesteld uit Europa, Japan, Canada en andere landen.

Op het ogenblik zijn de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten, de twee supermogendheden die de eerste wereld vormen, de grootste internationale onderdrukkers en uitbuiters van onze tijd en zij zijn de bronnen van een nieuwe wereldoorlog. Terwijl de ontwikkelde landen van de tweede wereld de landen van de Derde Wereld onderdrukken en uitbuiten, worden zij zelf tegelijkertijd onderworpen aan onderdrukking en uitbuiting, controle of bedreiging door de supermogendheden. In strategisch opzicht is Europa het brandpunt van de wedijver tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten om de wereldhegemonie. De Sovjet-Unie probeert West-Europa zijn waakzaamheid te doen verliezen, het te verdelen en stukje voor stukje te vernietigen en uiteindelijk geheel Europa te veroveren. Wij steunen de vereniging van West-Europa en hopen dat West-Europa sterk wordt.' 

De Volksrepubliek speculeert kennelijk op gevoelens van angst die er bestaan met betrekking tot de werkelijke bedoelingen van de Verenigde Staten en de Sovjetunie, om zo te komen tot een soort `verenigd front' tegen de twee `groten'. Opmerkelijk is dat de toon tegenover de Sovjetunie heel wat agressiever is dan tegenover de Verenigde Staten.

`Zij [d.w.z. de Sovjet-Unie] is de gevaarlijkste bron van een nieuwe wereldoorlog. [...] China en de Verenigde Staten verschillen in sociaal systeem en ideologie en er bestaan fundamentele verschillen tussen hen. Toch hebben de twee landen heel wat punten gemeenschappelijk met betrekking tot sommige zaken in de huidige internationale situatie.' 

3 Door steun te geven aan verzetsbewegingen in Zuid- en Zuidoost-Azië moet voorkomen worden dat de invloed van de Sovjet-Unie daar te groot wordt. Zo steunt de Volksrepubliek, in beperkte mate, de verzetsbeweging in Afghanistan tegen de daar optredende Sovjettroepen. Met bezorgdheid zien de Chinezen ook de groeiende invloed van de Sovjet-Unie in Vietnam. In 1975, twee jaar na het terugtrekken van de Amerikaanse troepen uit Zuid-Vietnam veroverden Noordvietnamese troepen dit gebied en werden Noord- en Zuid-Vietnam verenigd onder communistische leiding. In het nieuwe Vietnam groeide de Russische invloed, tot ongenoegen van de Volksrepubliek. In het buurland Cambodja kwam de communistische Rode Khmer-beweging aan de macht. Deze maakte zich schuldig aan de meest gruwelijke misdaden en als reactie daarop maakte een Vietnamees leger in 1978 een einde aan het bewind van de Rode Khmer. Prompt daarop namen de spanningen tussen Vietnam en de Volksrepubliek zo sterk toe dat een Chinees leger in 1979 een inval deed in Vietnam. Deze had weinig resultaat want de Vietnamezen houden de touwtjes in Cambodja tot op heden strak in handen. De Volksrepubliek steunt de anti-Vietnamese verzetsbeweging.

4 Een van de belangrijkste doelstellingen die de Volksrepubliek nastreeft is het terugwinnen van gebieden die vroeger tot het Chinese rijk behoorden. Daarom blijft ze vasthouden aan de eis, dat de Sovjetunie de ten onrechte ingelijfde gebieden aan de noordkant van China teruggeeft. Ook moet een eind gemaakt worden aan de laatste resten van het westers imperialisme. Zo werd in 1984 een overeenkomst met Engeland gesloten over de teruggave van Hong Kong. Dat moet uiterlijk in 1997 gebeurd zijn. Een grote doorn in het oog van de Volksrepubliek is het bestaan van het `andere' China, namelijk de  Republiek China op Taiwan (het vroegere Formosa). De Amerikanen hebben hun troepen uit Taiwan teruggetrokken, maar ze hebben niet de banden met Taiwan verbroken, ook niet militair. Daarom gaat de Volksrepubliek voorzichtig te werk. Stap voor stap moet Taiwan verzwakt en geïsoleerd worden. Wie Taiwan militair steunt moet dan ook rekenen op het ongenoegen van de regering in Beijing. Dat merkte met name de Nederlandse regering toen zij in 1981 akkoord ging met de levering van twee duikboten aan de Republiek China. De druk die de Volksrepubliek uitoefende op Nederland was zo doelgericht dat de Nederlandse regering in 1983 weigerde om een exportvergunning af te geven voor de levering van nog één tot vier duikboten. Waarom?

`China had Nederland gedreigd met een handelsboycot, die met name de haven van Rotterdam zou treffen. De Chinezen maakten duidelijk dat een herhaling van het `incident' van 1981, [...], zeer hoog opgenomen zou worden. China, dat Taiwan als een opstandige provincie beschouwt, had in 1981 de betrekkingen met Nederland op het gebied van handel en economische samenwerking op een laag pitje gezet. [...]. Wanneer de regering opnieuw een exportvergunning zou verlenen, verwachtte men bij BZ (Ministerie van Buitenlandse Zaken) dat China de betrekkingen met Nederland helemaal zou verbreken. Een conflict met een land met een bevolking van één miljard mensen, en de daaruit voortvloeiende sancties op het gebied van handel en economie, was volgens BZ een ernstige zaak ...' 

Wat werkelijk de doorslag gaf was dat de Nederlandse handel op China zou komen stil te liggen en die zag er zo veelbelovend uit door de vraag van China naar met name landbouwprodukten en industriële produkten.

`Verder oordeelde men bij BZ dat China, dat een nieuwe economische koers was gaan varen en haar planeconomie in zekere mate openstelde voor westerse invloeden, een potentieel grotere markt voor de Nederlandse industrie vormde dan Taiwan. Volgens een intern ambtelijk rapport [...1 ontwikkelde de Chinese economie zich zodanig dat belangrijke kansen voor de Nederlandse landbouw zouden ontstaan.' 

g) Conclusie

Als we alles overzien kunnen we zeggen dat er tussen het China van 1925 en dat van 1986 een levensgroot verschil bestaat. Toen was het een economisch en technisch achtergebleven land, nu is het een land dat zijn achterstand sterk aan het inhalen is. Toen was het een politiek verdeeld land, nu heeft het een sterk centraal gezag. In 1925 werd het sterk beïnvloed door West-Europa, de Verenigde Staten en Japan, nu laat het zijn stem horen in de wereldpolitiek en heeft het de status van een grote mogendheid.