We hebben 123 gasten online

CSE De afbraak van het Britse en Franse wereldrijk Deel 1

Gepost in Azië en Afrika

CSE De Afbraak van het Britse en Franse wereldrijk

1 Het koloniale bestel

Het oude India

India is tegenwoordig een moderne natie, net als het buur­land Pakistan. Het heeft een hoofdstad, een volkslied, een nationale vlag en het is vertegenwoordigd in alle belangrij­ke internationale organisaties.

Voordat de Britten zich met dit gebied gingen bemoeien, dus voor de koloniale periode, vormde India geen natie in de moderne westerse zin van het woord. Een dynastie van islamitische keizers, de mogols, had de vele volkeren van het gebied in Noord- en Midden-India onderworpen. De mogols hadden op deze manier een zekere eenheid tot stand gebracht. De bovenlaag van deze agrarische en feo­dale samenleving was grotendeels islamitisch. De meeste boeren waren Hindoes. Gedurende de mogolperiode leef­den ze betrekkelijk vreedzaam naast elkaar. Vanaf het begin van de zestiende eeuw hadden Portuge­zen, Nederlanders, Britten en Fransen zich met India be­moeid. En in steeds toenemende mate. De concurrentie­strijd, soms letterlijk met de wapens uitgevochten, werd gewonnen door de Britten. Rond 1750 was Engeland de enige overgebleven Europese grootmacht op het subcon­tinent.

De macht van de mogols brokkelde in dezelfde jaren snel af. De East India Company, die van de Britse regering het handelsmonopolie op India had gekregen, breidde in de eeuw erna haar macht geleidelijk over heel India uit. Han­del was niet meer het eerste doel. Veel lucratiever was de belastinginning die in veel vorstendommen werd overgeno­men van plaatselijke belastingpachters en overheden. De Company ging het gebied besturen.

Het duurde vele jaren voordat de Britse bestuurders er achter kwamen dat India niet geregeerd kon worden zoals men dat in Engeland gewend was. De onderlinge verschil­len tussen de provincies in India waren vaak groter dan bijvoorbeeld tussen Schotland en Spanje.

De Britten deden rond 1800 energieke pogingen om hun kennis van het nieuw verworven bezit te vergroten en ook Indiërs profiteerden daarvan. Zo werd het Fort William College in Calcutta gesticht, waar Britse en Bengaalse ge­leerden taal, cultuur en godsdienst van het land bestudeer­den en beschreven. En waar een kleine elite van Indiërs in aanraking kwam met moderne westerse ideeën. Ideeën die zich veel later ook tegen de Britten zelf zouden keren .. .

Grote verschillen

Het reusachtige gebied werd bevolkt door een groot aantal verschillende volken, met wel veertien talen en meer dan 800 dialecten. Ook andere religieuze minderheden vonden er een plaats naast Hindoes en moslims, zoals sikhs, christenen en joden.

Waren de moslims tijdens de mogolperiode de machtigste groep, met de komst van de Britten veranderde dat. De moslims wilden eerst niets met de nieuwe heersers te ma­ken hebben. De Hindoes zagen echter hun kans schoon en verbeterden, door met de Britten samen te werken, hun positie. Het resultaat was uiteindelijk dat de Hindoes maatschappelijk en cultureel de meerderen werden en dat de moslimgemeenschappen in India in verval raakten. Duidelijk is dat deze ontwikkeling de verhouding tussen de beide religieuze gemeenschappen niet ten goede kwam.

De Britten hebben altijd dankbaar gebruik gemaakt van deze groeiende tegenstelling, de politiek van verdeel ­en heers.

Naarmate de Hindoes als groep steeds sterker werden gin­gen de Britten de moslims weer meer begunstigen.

Kastenstelsel

Een belangrijk kenmerk van de Hindoesamenleving was het kastenstelsel. Iedereen had zijn vaste plaats in de kaste, de volksgroep, waarin hij of zij geboren was. En als dat in een hoge kaste was, dan was dat te danken aan de goede daden die die persoon in vorige levens verricht had. Het kastenstelsel was wel wat ingewikkelder dan de vier hoofdkasten die de Britten aanvankelijk meenden te on­derscheiden (de brahmanen = priesters, de kschatirya's = militairen, de vacja's = kooplieden, de soedra's = diena­ren). Er waren subtiele onderverdelingen in wel 2000 kasten, van wezenlijk belang voor de Indiërs, maar nauwe­lijks te volgen voor de Europeanen.

Helemaal onderaan de ladder stond de enorme groep der onaanraakbaren of paria's. Deze mensen werden door de anderen als onrein beschouwd. Iedere vorm van omgang was verboden. De naam onaanraakbaar werd buitenge­woon letterlijk genomen. Alleen het nederige en `onreine' werk was voor hen bestemd. Als ze al werk hadden was het niet meer dan straatveger, latrineschoonmaker, slager. Hindoetempels mochten ze niet betreden. Deze akelige toestand werd door de Hindoes aanvaard en in stand ge­houden, ook door de paria's zelf. Aan je verdiensten of gebreken uit je vorige levens kon je nu eenmaal toch niets veranderen.

Hindoes en moslims

Tussen Hindoes en moslims bestonden grote verschillen.  De islam leert dat er maar één God, Allah, is. Het hindoeïsme is polytheïstisch, kent dus meer goden. Veel Hindoes hadden bovendien het idee gekregen dat moslim eigenlijk uit de kaste van de onaanraakbaren stamden en dus onrein waren. Dat leidde tot een nog grotere verwijdering tussen de beide groepen.

Huwelijken tussen Hindoes en moslims waren onbestaanbaar, men verafschuwde elkaars leefgewoonten. Zo was voor veel Hindoes de koe een heilig dier. Ze leefden vaak vegetarisch. Moslims mochten weer wel vlees eten behalve varkensvlees. En hoewel men vaak dicht bij elkaar woonde, was er toch erg weinig contact. Andere eet- en kleedgewoontes werden op deze manier symbolen van onoverbrugbare verschillen.

De muiterij en de koloniale reactie

Het kwam als een blikseminslag. Volkomen onverwacht plaatselijk en met bloedig geweld. Het schokte de Britten tot in het diepst van hun ziel en de herdenking ervan bleek nog tijdens de kroningsdurbar te leiden tot heftige emoties.

Was het de eerste nationalistische opstand tegen de koloniale bezetters? Was het een strijd om onafhankelijkheid ? Wat gebeurde er eigenlijk in deze `Wind of Madness' Probeerden de Britten er dan niet het beste van te maken met moderniseringen, onderwijs, wegenbouw, spoorwegaanleg, strafrechtverbetering enzovoort? Dat probeerden de Britten inderdaad, maar dat is ook precies een van de oorzaken van de opstand.

De vonk in het kruitvat was de invoering van nieuwe munitie die met behulp van wat vet makkelijk in de loop van het geweer gebracht kon worden. In dat vet was dierlijk vet verwerkt: varkens- en rundervet. Niets om je over op te winden, zou men zeggen, maar voor Hindoes zijn runde­ren heilig en voor moslims zijn varkens onrein.

In het noorden van India gonsde het van de geruchten in de kazernes. In Mirat, ten noorden van Delhi, weigerden de sepoys, zoals de inheemse soldaten van de Company ge­noemd werden, het gebruik van deze munitie. Zonder hun grieven ernstig te nemen, werden 85 soldaten in de boeien geslagen en voor tien jaar in het gevang gesmeten. Op zon­dag 10 mei 1857 brak toen de hel los. Alle Europeanen, mannen, vrouwen en kinderen werden neergeschoten of met messen en sabels afgeslacht. De `Wind of Madness' was opgestoken. In andere delen van het noorden van In­dia werden Europeanen zonder aanzien des persoon aan­gevallen.

De muiterij werd betrekkelijk snel neergeslagen. In 1859 was alles voorbij. Met vaak gruwelijke wreedheid aan bei­de zijden was de strijd gestreden. De massamoord van Cawnpore stond voor jaren in het geheugen van de Britten gebrand. Niet alleen vanwege het verraad van de muiters, die aan honderden vrouwen en kinderen vrije aftocht be­loofd hadden en ze desondanks vermoordden.

De Britse reactie bij het horen van dit bericht en het vinden van de lijken was minstens zo gruwelijk. Gevangen mui­ters werden gedwongen het geronnen bloed van de grond te likken, werden opgehangen en kregen, terwijl ze nog leefden, varkens- en rundvlees door hun keel geduwd om ze te verdoemen in hun volgende leven.

Hoewel de bedoeling van de rebellie duidelijk de verdrij­ving van de Britten was, vonden deze gebeurtenissen niet plaats uit nationalistische motieven. Het gebied waar de Britten op tegenstand stuitten was beperkt. Grote delen van India bleven rustig. Indische troepen hielpen mee met de onderdrukking van de muiterij. Het waren religieuze motieven, angst voor de doorbreking van het kastenstelsel, overtreding van godsdienstige wetten, die een oorzaak vormden van de muiterij. Het was een verlangen naar te­rugkeer van de oude tijden, zonder de nieuwe technieken van spoorwegen en dergelijke. Moslims kwamen in bewe­ging om de volstrekt machteloze 80 jaar oude mogolvorst in Delhi weer in ere te herstellen. De muiterij was een pre-nationalistische en traditionalistische opstand.

Politieke veranderingen; India een echte kolonie

De muiterij maakte een eind aan de heerschappij van de East India Company. India werd vanaf 1 november 1858 rechtstreeks door de Britse regering bestuurd.

In Londen kwam een aparte minister voor India. In de hoofdstad van India, Calcutta, kwam een 'viceroy', een onderkoning. Deze bezat zeer veel macht omdat er geen parlement was dat hem controleerde. Hij kreeg wel advie­zen van een 'Executive Council' en een wat grotere 'Le­gislative Council'. De eerste groeide uit tot een regering, de tweede tot een parlement. Dat gebeurde heel geleidelijk in de loop van ongeveer 90 jaar Brits bestuur. We zullen op die ontwikkeling hierna telkens terugkomen.

In de Legislative Council zaten enkele Indiërs, een paar be­langrijke vorsten. Hoewel de macht van deze Council op centraal niveau beperkt was, bleek hieruit toch al vroeg een principiële bereidheid van de Britten om Indiërs bij het bestuur te betrekken.

India was verdeeld in gebieden waar de Britten zelf direct regeerden en 562 vorstendommen, een derde van het grondgebied, waar hun macht indirect, via de traditionele, vaak islamitische vorst werd uitgeoefend. Sommige van deze vorstendommen waren groot en rijk, andere omvat­ten niet meer dan een stad en enkele dorpen.

Het Britse koloniale bestuur

De twee steunpilaren van de Britse macht, tot aan de onaf­hankelijkheid van India in 1947, waren het leger, de Indian Army, en het bestuursapparaat, de Indian Civil Service, ICS.

De ervaring van de muiterij had de Britten geleerd meer op eigen kracht te vertrouwen. De verhouding Britten-Indiërs was in het leger van de Company 1:9. In het nieuwe leger werd die 1:3.

De hoogste posten in het Britse bestuursapparaat vormden samen de ICS. Daar waren voor goed opgeleide en ambi­tieuze jonge Britten schitterende carrières te maken. Dat kon als topbestuurder van districten en provincies. Dat kon in de rechterlijke macht of in de diplomatieke dienst van de onderkoning.

Het ICS stond bekend om zijn doeltreffendheid en onom­koopbaarheid. Er heerste een `esprit de corps'. Er ontwik­kelden zich nieuwe ideeën over de taak die de Britten in India te vervullen hadden: opvoeden, recht en orde brengen, beschavingsarbeid enzovoort. Paternalistisch en idea­listisch, maar zeker niet uitsluitend op exploitatie van de kolonie gericht. De leden van dit exclusieve corps waren Britten. In 1870 was er maar één Indiër bij in dienst.

Naarmate de `beschavingsmissie' succesvoller werd en westers onderwijs en westerse ideeën van nationalisme en democratie tot een bovenlaag van Indiërs doordrong, be­gon de roep om deelname aan het bestuur toe te nemen. Met vertraging en frisse tegenzin gaven de Britten daaraan toe. Ze zagen wel in dat participatie op den duur tot zelf­bestuur en onafhankelijkheid moest leiden. En dat mo­ment wilden ze het liefst in de zeer verre toekomst zien. Maar in 1930 was zo'n 30% van de ICS Indisch.

De modernisering van het bestuur was niet het enige resul­taat van de Pax Brittannica in India. Er werden scholen en universiteiten gesticht. Rond 1900 waren er 30 000 Indi­sche academici.

Er werden ook grote investeringen gedaan in de infrastruc­tuur van het land. Ondernemende Britten zetten plantages op, waar thee, indigo, katoen en dergelijke werden ver­bouwd. Industriële bedrijven werden gesticht zoals de jute-industrie. Om de Britse textielindustrie te verzekeren van voldoende en regelmatige katoenaanvoer werd de katoenproductie in India enorm uitgebreid. Bovendien groeide daardoor in dat land ook een eigen katoenverwer­kende industrie.

Ook de overheid deed zeer belangrijke investeringen. Irri­gatieprojecten, wegenaanleg, het graven van kanalen, de aanleg van een reusachtig spoorwegnet dat misschien meer dan welke andere factor de eenheid van India bevorderde, post, telegraaf en telefoon, hospitalen enzovoort.

Maar we moeten goed in het oog houden dat voor de meeste Britten de belangrijkste reden van hun aanwezig­heid in India was dat zij en hun moederland er financieel beter van werden. De massa van de Indische bevolking, de boeren, leefde in bittere armoede, waar misoogsten voor ziekte en hongerdood konden zorgen. De Britse kolonisten daarentegen leefden vaak in oneindig betere omstandighe­den, omringd door bedienden, en verzorgd met nederig­heid en toewijding.

Superieur

De vooraanstaande positie van de Britten, hun welvaart, hun technische superioriteit versterkten in niet geringe ma­te een algemeen gevoel van zelfoverschatting. Waren zij niet de brengers van beschaving, van vrede, van efficiënt en goed bestuur? Hadden zij niet het ware geloof, de juiste tafelmanieren? Spraken zij niet het foutloze Engels? Het was toch niet voor niets dat juist zij de heersers waren van het grootste 'empire' dat de geschiedenis ooit had gezien? En waren zij niet blank?

Velen waren vervuld van paternalisme. Slechts zeer weini­gen waren in staat op voet van gelijkheid met Indiërs om te gaan. Om werkelijk respect te tonen voor cultuur, reli­gie en geschiedenis van dit reusachtige land. Het feit dat de Britten eigenlijk maar een heel kleine en duidelijk her­kenbare minderheid waren in het zeer dichtbevolkte India heeft ongetwijfeld voor gevoelens van bedreiging gezorgd. En daardoor weer de neiging om zich af te zonderen, zich beter te voelen dan de anderen, versterkt. De clubs, waar alleen blanken lid van konden zijn, waren plaatsen waar de traditionele Britse waarden, van patriottisme tot de 'af­ternoon tea', gekoesterd werden. Clubs waren de broed­plaatsen van koloniaal conservatisme.

Groeiend nationalisme

De Britten volgden een voorzichtige en trage politiek waar het ging om het betrekken van Indiërs bij het bestuur van het land. Modernisering en onderwijs zagen ze als belangrijkste voorwaarden daarvoor. Het uiteindelijke doel was zelfbestuur, maar dat was natuurlijk nog lang niet in zicht. De politieke beweging die meer dan welke andere Organi­satie ook de onafhankelijkheid van India zou bewerkstelli­gen, de Indian National Congress Party, werd in 1885 opgericht op initiatief van de oud-bestuursambtenaar Hume. Hoewel het altijd de bedoeling van de Congrespar­tij is geweest alle Indiërs, Hindoes en moslims te vereni­gen, was het een duidelijke Hindoe-organisatie. De meeste moslims wilden er niets mee te maken hebben. Aanvanke­lijk vond het Congres zijn aanhang vooral in de goed op­geleide stedelijke Hindoe-elite. Het Congres begon gematigd en parlementair, en men vertrouwde op de goede wil van de Britten. Op den duur groeide de Congrespartij uit tot een massa-organisatie.

Maar er bestond natuurlijk nog altijd de onderstroom van Hindoefundamentalisme, met een voedingsbodem in de brede massa van de bevolking. Deze fundamentalisten bestreden elke verandering die door de Britten van boven­af opgelegd werd en die de traditionele waarden van het hindoeïsme aantastten. Zo was er bijvoorbeeld verzet te­gen de wet die in 1891 de minimum huwelijksleeftijd voor meisjes tot twaalf jaar verhoogde.

Drie oorlogen en een mislukte deling

Indiërs zagen in minder dan twintig jaar het sprookje van de westerse onoverwinnelijkheid ontmaskerd. De moei­lijkheden die de Britten hadden tijdens de Boerenoorlog (1899-1902) in Zuid-Afrika, waar ook een belangrijke In­dische minderheid woonde, waren een eerste teken. En de overwinning in 1904 van het Aziatische Japan op Rusland, naast Engeland de grootste imperiale macht in Azië, deed de mythe van de westerse superioriteit ook geen goed.

Bengalen

In India zelf kwamen onvrede en groeiende nationalisti­sche verlangens na 1903 duidelijk tot uiting in Bengalen. Deze provincie met maar liefst 78 miljoen inwoners moest om bestuurlijke redenen worden gedeeld vond onderko­ning Curzon. Een verdelingsplan was het resultaat. Deze krachtige en zeer zelfbewuste bestuurder trok grofweg een streep, voegde bij de delen nog een en ander toe en de zaak zou geklaard zijn. Resultaat zou zijn dat de (Hindoe-)Ben­galen in beide nieuwe provincies een minderheid gingen vormen.

Dit was duidelijk een vorm van verdeel-en-heers-politiek van de Britten vond men. Hindoes voelden zich achter­gesteld bij moslims en die voelden zich weer door de woede van de Hindoes bedreigd.

Het protest tegen het delingsplan was vreedzaam: kran­teartikelen, meetings, een boycot van Britse goederen en­zovoort. Maar het bleek in 1905, toen de deling een feit was, tevergeefs. Toen namen kleinere en gewelddadiger groepen het initiatief. Bommen ontploften en Britten wer­den vermoord.

Britse reactie

De Britten reageerden toen op een manier die we telkens zullen terugzien. Harde repressie enerzijds en een beetje toegeven aan de eisen anderzijds.

Honderden Bengalen werden gearresteerd en kranten wer­den verboden. Het openlijk verzet werd zoveel mogelijk en met redelijk succes de kop ingedrukt. Tezelfdertijd werden hervormingen voorbereid en na enige jaren ook ingevoerd. In 1909 werd de Indian Councils Act ingevoerd. De wet betrof wijzigingen in het centrale en provinciale bestuur.

Op centraal niveau kreeg de Legislative Council meer Indi­sche leden en meer bevoegdheden. De weg naar een vorm van parlementaire controle was voorzichtig ingeslagen. De provinciale Councils ondergingen dezelfde verandering en werden bovendien voortaan gekozen (door een beperkt aantal Indische kiezers).

Heel belangrijk was de toekenning van een vast aantal moslimzetels in die provinciale Councils. Door het census-kiesrecht zouden de — verarmde — moslims anders nau­welijks vertegenwoordigd zijn. Deze regel betekende een steun in de rug voor de moslims in het algemeen en moslimpartijen in het bijzonder. Die hoefden nu de kracht van de Congrespartij niet meer zo te vrezen. Het Congres was woedend. Het bleef vasthouden aan de claim Hindoes én moslims te vertegenwoordigen, hoewel het Hindoe-element oppermachtig was.

Als sluitstuk van het drama in Bengalen werd in 1911 de deling waarmee alles begonnen was, ongedaan gemaakt. In ruil daarvoor verloor Calcutta de status als hoofdstad. Dat werd Delhi, het oude centrum van het mogolrijk. Deze symbolische daad deed de nationalisten natuurlijk erg goed. India werd erdoor herinnerd aan zijn groots verleden.

Dat de moslims nu een eigen stem in de politiek kregen was te danken aan de oprichting van een nationale moslimpar­tij, de Moslim Liga, in 1906. Deze partij kwam op voor de rechten van de moslims in heel India. (Er bleven wel pro­vinciale moslimpartijen.) Men zag in de Congrespartij een groeiend bolwerk van de Hindoemacht. De verdeeldheid tussen beide bevolkingsgroepen werd door dit alles wel vergroot. De Britten zagen dat met enige voldoening.

Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) betekende een radica­le breuk in de houding van de Indiërs ten opzichte van En­geland en het Westen in het algemeen. Wat waren de oorzaken van die breuk?Voor het eerst zagen tienduizenden gewone Indiërs Europa met eigen ogen, vanuit de loopgraven. Die indruk vernie­tigde de mythe van Recht, Beschaving en Vrede waarmee de Britten *n koloniale macht rechtvaardigden. Er bleken meer machtige landen te zijn buiten Engeland en Rusland. Zelfs de Britse superioriteit op zee bleek niet on­aantastbaar. De Russische Revolutie bracht de val van het tsarendom en een belofte van bevrijding.

De Amerikaanse president Wilson sprak in zijn vredesplan van veertien punten van het zelfbeschikkingsrecht van alle volken. Dat was wel wat anders dan de moeizaam verkre­gen gunsten die de Britten genadiglijk toestonden.

India, dat de Britse oorlogsinspanning geweldig en aan­vankelijk ook van harte steunde (meer dan 1 000 000 sol­daten waarvan 60 000 in Europa; 130.000.000 pond), verwachtte een beloning in de vorm van zelfbestuur on­middellijk na de oorlog. Niet als gunst maar als recht. Tenslotte had in oktober 1914 Prime Minister Asquith ge­zegd dat `vanaf heden kwesties die India aangaan vanuit een nieuw gezichtspunt moesten worden benaderd'. En minister Montagu had dat in 1917 nog eens aangescherpt door zelfbestuur te beloven, al bleef hij vaag over tempo en tijdstip.

Het Congres had de eis van zelfbestuur duidelijk gesteld. De ruzie met de Moslim Liga over de gegarandeerde moslimzetels in de Councils was bijgelegd en de Liga on­dersteunde de Congreseis. Overal in het land waren sinds 1916 `Home Rule Leagues' actief. De verwachtingen wa­ren zeer hoog gespannen.

2 Indisch nationalisme 1919-1940

1919: Government of India Act

Wat kwam er uiteindelijk voor India uit? 1n1919 kwam de Government of India Act tot stand. Er waren enkele belangrijke uitgangspunten:

— Parlementair zelfbestuur in fasen zonder het stellen van een termijn.

- Decentralisatie. De provinciale regeringen kregen meer bevoegdheden op wetgevend en uitvoerend terrein, zoals het vaststellen en innen van grondbelasting. Bovendien kreeg iedere provinciale regering Indische ministers op de­partementen als onderwijs, landbouw en gezondheidszorg. Ministeries als justitie, politie en financiën bleven echter onder directe controle van de Britse gouverneur.

Op centraal niveau werd de Legislative Council omge­doopt in Legislative Assembly. Het aantal gekozen leden daarvan ging nu een meerderheid vormen. Het kiesrecht werd weer wat uitgebreid. Het begon al wat op een echt parlement te lijken. Maar de onderkoning hield het veto­recht op alle belangrijke besluiten.

Te weinig en te laat: dat was het gevoel bij het Congres, de Moslim Liga en grote delen van de bevolking. Dit was toch geen volledig zelfbestuur! Het vertrouwen in de Brit­ten was zeer ernstig geschokt. Hoewel de Government of India Act belangrijke concessies bracht en onherroepelijk de weg naar zelfbestuur was ingeslagen, konden en wilden de Indiërs het geheel niet anders zien dan terugkomen op eerdere beloften.

De woede werd nog veel groter door de zogenaamde Row­latt Bill. Deze zeer strenge wetgeving was gericht tegen wat de Britten `revolutionaire samenzweringen' noemden. Niet alleen voelden de nationalisten zich ten onrechte als terro- risten behandeld, de Rowlatt Bill was al afgekondigd voor de nieuwe Assembly zich erover had kunnen uitspreken. Het Congres beschouwde het als een klap in het gezicht. Protestacties volgden.

De nationalistische campagne in 1920-1922

In deze campagne kregen de Britten met Gandhi te maken. Deze man, die zijn onuitwisbaar stempel zou drukken op de geschiedenis van de dekolonisatie van India, was een tegenstander waar de Britten niet op rekenden, die ze niet begrepen, maar die meer dan wie ook de Indische massa's wist te bereiken en voor zijn doeleinden wist te mobi­liseren.

De vreedzame stakingen die Gandhi organiseerde brachten ook hier en daar geweld met zich mee. Een aanval op een Britse arts in Amritsar leidde tot een moordpartij van de kant van een Britse generaal. Honderden doden en gewon­den waren het resultaat. De steun die deze officier in Enge­land kreeg, ook na zijn ontslag wegens wangedrag, zweepte de gemoederen in India hoog op. Gandhi veroor- deelde de Britse overheid: `Samenwerking op welke ma­nier dan ook met deze duivelse regering is zondig.'

Wie was deze Gandhi?

Gandhi

Mohandas Gandhi (1869-1948) kwam uit een gegoede Hin­doefamilie. Na een studie in Engeland, waar hij de wester­se cultuur goed leerde kennen, ging hij naar Zuid-Afrika. Daar werd hij hardhandig geconfronteerd met discrimina­tie en racisme. De groeiende Indische gemeenschap was daarvan ook het slachtoffer. Gandhi besloot zich daarte­gen te verzetten en werd al snel de leider van de Indiërs. Daar ontwikkelde hij ook zijn idee van satyagraha, letter­lijk zielekracht. Het was een mengsel van oude Hindoe-ideeën en westerse, christelijke ideeën. Het was zijn visie op geestelijke hervorming van India, de onafhankelijkheid die dat zou bewerkstelligen en de strijdmethoden die daar- voor gebruikt moesten worden.

Het allerbelangrijkste was het zoeken naar Waarheid. Andere elementen waren geweldloos verzet als strijdmiddel, burgerlijke ongehoorzaamheid, zoeken naar God, hongerstaking om de tegenstander door schaamte tot toege­ven te dwingen, non-coöperatie om de tegenstander te verzwakken, gelijkheid, ook voor paria's en vrouwen; het was geen religie, geen filosofie, geen ideologie of politieke theorie. Hèt was van alles wat. Gandhi was dan ook eerder een leraar, een profeet, iemand met een universele bood­schap dan een politicus. Hij werd dan ook Mahatma Gandhi genoemd. Mahatma betekent Grote Ziel en is een traditionele Indische eretitel.

Terug in India tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Gandhi al snel de grote leider van de Congrespartij. Hij sprak de ongeletterde massa aan, met zijn traditionele kle­dij, zijn sobere levensstijl, zijn morele verontwaardiging en zijn niets ontziende streven naar Waarheid en Vrijheid. Hij was een fel tegenstander van de godsdienstige ver­deeldheid in India. Hij was de eerste nationalistische leider die door kon dringen tot de harten en de hoofden van de eenvoudige Indiër. Hij was voor de Britten levensge­vaarlijk!

Burgerlijke ongehoorzaamheid

De nationalistische campagne van 1920-1922, met als inzet onmiddellijk zelfbestuur, had zijn felheid gekregen door de moord in Amritsar en de nasleep daarvan en zijn vorm door de methoden van Gandhi. Bovendien werkten Con­gres en Moslim Liga samen. De diepe verdeeldheid leek overwonnen, verdeel-en-heers werkte niet meer.

Algemene stakingen, oproepen tot non-coöperatie, waar­bij iedere medewerking aan het Britse bestuur werd gewei­gerd (dus ook ontslag nemen als je erbij in dienst bent), boycotacties: grote delen van het land waren in rep en roer.

Gandhi stond ook aan de wieg van de khaddarbeweging, genoemd naar de ruwe Indische katoen die op een eenvou­dig spinnewiel werd gesponnen. Indiërs zouden de Britse katoen moeten boycotten en zelf weer massaal hun katoen dienen te produceren. Gandhi eiste van de politieke leiders van het Congres dat zij iedere maand een bepaalde hoe­veelheid katoen zelf zouden spinnen. Natuurlijk gaf hij zelf het voorbeeld en het Congres volgde hem. Op deze manier maakte hij het spinnewiel tot het symbool van In-dia's onafhankelijkheid. Hij ging al jaren niet meer ge­kleed in westerse kleren, maar in steeds eenvoudiger traditionele Indische kleding.

Arrestatie

Het bezoek van de Engelse kroonprins aan India in 1921 en de demonstraties en onlusten die daarvan het gevolg waren leidden tot de gevangenneming van omstreeks 30.000 Congresmedewerkers. Hoezeer Gandhi het geweld verafschuwde en het binnen de perken hield, de moord op een aantal politiemannen werd de aanleiding om ook Gandhi in 1922 te arresteren. Hij had uit protest tegen de moord overigens de campagne al beëindigd. Hij werd tot zeven jaar veroordeeld. Ook duizenden andere Congresle­den verdwenen achter de tralies.

Er kwam nu ook spoedig een eind aan de eensgezindheid tussen moslims en Hindoes en aan de onrust. Congres en Moslim Liga groeiden weer uit elkaar. De moslims, met 25010 van de bevolking altijd in de minderheid, zagen met groeiend wantrouwen de machtsaanspraken van het Con­gres. De Congrespartij op haar beurt verdacht de moslims in het algemeen en de Liga in het bijzonder ervan met de Britten onder één hoedje te spelen. De Britten waren tevreden.

Na zijn voortijdige vrijlating in 1924 bleef het een tijdlang stil rond de Mahatma. Hij schreef, mediteerde, vastte en wachtte op nieuwe ontwikkelingen.

De volgende stap in de richting

De effecten van de grondwetswijzigingen van 1919 (Government of India Act) zouden na tien jaar worden on­derzocht, zo was bepaald. De Britten deden meer dan hun best; ze gingen in 1927 al aan het werk met de Commissie-Simon. Een gebaar van goede wil, dacht de regering­Baldwin in Londen. Helaas vergaten ze Indiërs in de com­missie te zetten. Opnieuw zouden alleen Britten uitmaken hoe het stond met de ontwikkeling naar zelfbestuur.

De verontwaardiging in India was groot. Men boycotte de werkzaamheden van de commissie en nu vroeg de Con­grespartij in 1928 om volledige onafhankelijkheid. De nieuwe onderkoning Lord Irwin zag wel in dat er een gebaar gemaakt moest worden in de richting van de natio­nalisten. Een Rondetafelconferentie in Londen, nadat de regering had verklaard dat de status van dominion het doel was van de Britse politiek, dat was zijn idee. In Londen zou dan gesproken worden over de volgende stap in deze richting. Het kostte hem heel wat moeite, maar de conser­vatieve regering in Londen draaide bij.

Je zou zeggen dat de Congrespartij hiermee tevreden kon zijn. Maar tijdens de partijvergadering van Lahore in 1929 bleek dat de radicale vleugel onder leiding van Jawarharlal Nehru en Subhas Bose helemaal geen zin had om over `de volgende stap in de richting' te praten.

De Congrespartij was van een elitaire club in een massa­partij veranderd. Er bestond een duidelijke socialistische stroming. Nehru was daar één van de voormannen van. Gandhi was na een periode van rust weer volop terug in de politiek. Hij behoorde niet tot de linkervleugel. Overigens waren Nehru en Gandhi goed met elkaar bevriend.

Tot verrassing van velen — Gandhi was geen socialist - en waarschijnlijk om een splitsing van de partij te voorkomen, sloot Gandhi zich bij hun opvatting over onmiddel­lijk zelfbestuur aan en men besloot een geweldloze campagne tegen de Britten te starten. Het Congres wilde alleen over de details van een directe overgang naar de sta­tus van dominion praten. Gandhi nam de leiding van de campagne op zich en hij koos opnieuw voor een verrassen­de vorm.

Zoutmars contra zoutmonopolie

De koloniale overheid had al heel lang een monopolie op de produktie, de verkoop en de belasting van zout, één van de belangrijkste voedingsmiddelen in een tropisch klimaat. Tegen dit zoutmonopolie richtte Gandhi zijn campagne. Niet door demonstraties en pamfletten, maar door een tocht van 241 mijl naar de zee. Wekenlang trok de nu 61-jarige Gandhi, omringd door een toenemende schare van volgelingen en journalisten door het land, toegejuicht door tienduizenden Indiërs. Iedereen begon over de zout­mars te lezen en te praten en de opwinding in India steeg met de dag. Overal werden demonstraties en stakingen ge­organiseerd.

De onderkoning trachtte het tij te keren door aan Gandhi's tocht geen aandacht te schenken, maar tever­geefs. Op 5 april 1930 tenslotte bereikte Gandhi de zee bij Dandi en pakte wat zout op van het strand. Daarmee over­trad hij de wet. Maar hij niet alleen, want overal in India begonnen mensen zout te maken voor eigen gebruik. Een grote campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid was gestart die alle leiders van het Congres weer in de gevange­nis bracht, meestal wegens overtreding van de zoutwet.

Twee zaken waren van belang bij deze campagne. Ten eerste deden voor het eerst op grote schaal vrouwen mee. Ten tweede hielden de moslims zich afzijdig.

Rondetafelconferenties

De eerste Rondetafelconferentie werd in oktober 1930 ge­houden. Wegens de boycot was er niet één Congresverte­genwoordiger. Erg representatief was de Indische delegatie dan ook niet. Er werd niet veel bereikt. Alleen het werk voor een nieuwe grondwet werd gestart.

Lord Irwin zag wel in dat hij om succes te hebben, Gandhi en het Congres moest overhalen mee te doen. Dat lukte na een 'wapenstilstandovereenkomst' in 1931. Datzelfde jaar vertrok Gandhi naar Londen voor de tweede Rondetafel­conferentie.

Zijn verschijning maakte grote indruk op het publiek. Hij sprak met beroemdheden en met eenvoudige textielarbei­ders die door de boycotacties in India in hun bestaan be­dreigd werden. Maar op de conferentie bereikte hij niet veel. In sommige kringen in de Conservatieve Partij wilde men van geen enkele concessie weten: de ouderwetse impe­rialisten. Winston Churchill minachtte Gandhi en noemde hem `een halfnaakte fakir'. Deze keerde onverrichterzake naar India terug waar aan de campagne van geweldloos verzet en burgerlijke ongehoorzaamheid spoedig een eind kwam.

In Engeland heerste verdeeldheid. De oppositie, de La­bour Party, wilde onafhankelijkheid voor India. Clement Attlee bijvoorbeeld, een Labourleider en toekomstige minister-president van Engeland, had zich daarover in het begin van de jaren dertig ondubbelzinnig uitgelaten. De re­geringspartij, de Conservatieve Partij, onder leiding van Baldwin, was onderling verdeeld. Dat maakte de zaak er niet eenvoudiger op. Maar de trend die in 1919 met de Government of India Act begonnen was, zette toch door. Oorzaken daarvan waren het succes van de hervormingen van 1919, de snelle economische ontwikkeling van India en vooral de alsmaar groeiende kracht van het nationalisme dat in Gandhi zo'n unieke leider had.

Government of India Act 1935

Dit was de naam van de nieuwe grondwet. Wat waren de belangrijkste kenmerken?

Ten eerste werd het doel van de Britse politiek duidelijk genoemd: zelfstandigheid door middel van de status van dominion binnen het empire. Alleen werd er geen termijn of datum bij genoemd.

Ten tweede werd de ontwikkeling van een federale struc­tuur in India enorm versterkt. Dit zou bij de uiteindelijke dekolonisatie een doorslaggevende rol spelen.

Voor de provincies betekende de Act een uitbreiding van het kiesrecht tot één zesde van de volwassen bevolking. Ook vrouwen kregen kiesrecht. Iedere provinciale regering was nu in haar geheel verantwoording schuldig aan het provinciale parlement, de Council. Deze kreeg bovendien meer bevoegdheden. In deze Councils behield de moslim- gemeenschap haar vaste aantal zetels. De bedoeling was dat er coalitieregeringen gevormd werden.

De centrale regering in Delhi bleef onder leiding van de on­derkoning maar werd samengesteld uit leden van de natig-  nale Assembly. De Assembly werd uitgebreid tot 375 leden.

Deze Government of India Act, in1935 in Londen aange­nomen, werd van kracht in 1937. Waarom moest dat twee jaar duren?

Conservatieven en vorsten

Er moest nog iets geregeld worden, namelijk de positie van de vorstendommen van India.Nog steeds werd één derde deel van het land niet rechtstreeks door de Britten maar in­direct, via de maharadja's en dergelijke, door hen bestuurd. Deze vorsten waren zeer trouwe aanhangers van de Britse kroon geworden. Het nationalisme had weinig invloed op hen. Zij vormden een sterk conservatief element.

De Conservatieven inEngeland wilden dit element be­schermen en versterken. Ze zagen ook wel in dat onafhan­kelijkheid eens onvermijdelijk zou zijn, maar er moest dan een India zijn met zo sterk mogelijke politieke en economi­sche banden met Engeland. De vorsten kregen daarom 125 van de 375 zetels in de Assembly en bovendien ruim­schoots de tijd (in ieder geval twee jaar) om te beslissen of ze eigenlijk wel met het voorgestelde federale India wilden meedoen.

Sommigen treuzelden erg lang, tot na de feitelijke invoe­ring in 1937. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoor­log was wel duidelijk dat ze het liefst alles bij het oude wilden laten. In de verdere ontwikkelingen speelden ze toen geen rol meer. Hun laatste kans hadden ze verzuimd. Ze waren levende fossielen uit een vervlogen tijd ge­worden.

Pakistan een droom?

Met de Moslim Liga was het in de jaren na de samenwer­king met de Congrespartij bergafwaarts gegaan. De belangrijkste partijleider, Jinnah, was teleurgesteld terug­gegaan naar Engeland. De partij die zei namens alle moslims in India te spreken, kon die claim niet waarma­ken. In de provincies werd de Liga volledig overvleugeld door de plaatselijke moslimpartijen. De positie ten opzich­te van het Congres was dus ook erg zwak. Het wantrouwen ten opzichte van de Britten nam toe. Te­gelijkertijd groeide de angst voor Hindoe-overheersing.

Er heerste een toenemend gevoel van isolement. Sommige moslims gingen dromen van een eigen land voor hun ge­loofsgenoten. In Engeland werd in 1930 door een Indische moslimdichter een naam bedacht, Pakistan. P stond voor Punjab, A voor Afganen, K voor Kasjmir, S voor Sind en het toevoegsel 'stan' betekende `land'. Pakistan betekende ook nog `land van de Zuiveren'. Daarnaast wilde men een Hindoestan voor de Hindoes van India. Een verleidelijke droom voor sommigen. Maar hoe en wanneer zou zoiets verwezenlijkt kunnen worden? En wie moest de moslims naar zo'n doel leiden? Dat werden steeds dringender vra­gen. Lang nog bleef de twijfel. Misschien was het toch mo­gelijk samen met de Hindoes één staat te vormen.

Jinnah werd in 1934 teruggeroepen door zijn partij. Men had hem nodig om de uitdaging van de nieuwe grondwet het hoofd te bieden. Jinnah was een knap politicus. Achter zijn onbewogen, elegant en zeer westerse uiterlijk ging een gedreven persoonlijkheid schuil. Hoewel vertegenwoordi­ger van de moslims was hij zelf nauwelijks gelovig. Zijn voertaal was Engels. Lang hoopte hij dat er voor de Moslim Liga een rol was weggelegd in de vorming van één nieuwe staat. In 1937 verloor hij die hoop.

Verkiezingen 1937

De verkiezingen voor de provinciale parlementen waren een enorm succes voor het Congres. Men ging in negen van de elf provincies regeren, waarvan in zes op basis van een absolute meerderheid. In geen enkele provincie was dat de Liga gelukt. Men hoopte nog op samenwerking in coalities met het Congres, maar die wees dat overal van de hand. De Moslim Liga stond volkomen buiten spel.

Jinnah begon toen openlijk te spreken over de islam als basis voor de vorming van een natie. Hij was nog niet zo ver dat de Moslim Liga officieel de vorming van een eigen staat Pakistan ging nastreven, maar hij was er wel heel dichtbij. Hij vond bij vele moslims een willig oor.

En Gandhi? Hij en zijn partij geloofden heilig in de een­heid en ondeelbaarheid van India. Gandhi bleef al zijn krachten inzetten om de tegenstellingen tussen Hindoes en moslims te overbruggen. Maar er waren krachten aan het werk, die sterker waren dan hem.

3 De Tweede Wereldoorlog

Een blunder

India raakte op een eigenaardige manier bij de oorlog be­trokken. Onderkoning Linlithgow verklaarde namens In­dia de oorlog aan Duitsland. Hij had er met geen enkele Indiër tevoren over gepraat. Dat kwam, op zijn zachtst ge­zegd, slecht over.

Het Congres reageerde woedend en stapte uit alle provinci­ale regeringen. Het zou gedurende de oorlog daar ook niet meer in terugkeren.

De drie partijen die de toekomst van India bepaalden, de Britten, het Congres en de Moslim Liga, zijn tijdens de oorlog in een impasse geraakt wat betreft de onafhanke­lijkheidskwestie.

De Britten weigerden tijdens de oorlog iets te veranderen aan de status van India. Dat was hun politiek in de Eerste Wereldoorlog geweest en dat bleef ook nu zo. Wel wilde men overleggen over de vorm van de onafhankelijkheid na de oorlog. Er werd geen termijn genoemd.

Het Congres weigerde mee te werken aan de regering zo­lang er geen onmiddellijke onafhankelijkheid van een ver­enigd, ongedeeld India tot stand werd gebracht. Dus gaf het geen enkele steun aan de oorlogsvoering.

Jinnah maakte de vorming van Pakistan in 1940 tot offi­cieel doel van zijn partij. Onafhankelijkheid voor India, ja, maar dan wel in delen. De Liga steunde de Britse oor­logsinspanningen wel.

Subhas Bose: collaborateur of nationalist pur sang?

Hoe stond het ondertussen met het Congres? Dat was ten prooi aan verdeeldheid. Een radicale groep onder leiding van Subhas Bose eiste een keiharde aanvalstegen de Britten nu ze het zwakst waren. Bose begon vast met anti-Britse agitatie. Zijn arrestatie volgde snel in maart 1940.

Maar er waren ook democraten die Hitler niet in de kaart wilden spelen. Gandhi zei dat hij geen onafhankelijkheid wilde op basis van Engelands ondergang. Linlithgow bood het Congres in augustus 1940 een plaats in de centrale re­gering en in de Adviesraad voor de Oorlogsvoering aan. Geen onmiddellijke onafhankelijkheid dus. Gandhi en het Congres vonden dat te weinig en in oktober 1940 startte een geweldloze anti-oorlogscampagne op basis van de me­thode van burgerlijke ongehoorzaamheid. Opnieuw wer­den duizenden Congresleden gearresteerd.

Bose ontsnapte, vluchtte naar Berlijn, sprak met Hitler die hem per onderzeeboot naar de Japanners stuurde. Daar rekruteerde Bose onder de gevangen Indische soldaten 20 000 man om de Britten te bevechten. Met steun van Ja­pan vormde hij in 1943 een Voorlopige Regering in Singa­pore. Zijn soldaten hebben met weinig succes tegen de Britten in India gevochten. Bose overleefde de oorlog niet.Hij kwam bij een vliegtuigongeluk om het leven in ju­ni 1945. De soldaten van zijn Indian National Army wer­den na de oorlog, na enige kleine moeilijkheden, weer in India toegelaten.

De missie Cripps

De Verenigde Staten raakten na 1940 gaandeweg steeds meer betrokken bij de oorlog. Op 13 augustus 1941 ver­klaarden Churchill en Roosevelt in het Atlantic Charter onder meer dat zij allebei `het recht van alle volken eerbie­digen de regeringsvorm te kiezen waaronder zij willen leven'.

Nu zou dat het einde van het Britse empire betekenen en zover wilde Churchill, de conservatief van de oude stem­pel, helemaal niet gaan. Vandaar dat hij in september 1941 in het Lagerhuis verklaarde dat dit niet zou gelden voor In­dia en Birma. Het is niet moeilijk om te voorspellen hoe deze uitspraak bij het Congres aankwam.

In maart-april 1942 kwam er een missie naar India onder leiding van de socialistische minister Cripps. Cripps deed een aanbod aan het Congres en aan de Moslim Liga. Het Congres vroeg hij, in ruil voor volledige vrijheid van India binnen of buiten het Empire na de oorlog, deelname aan de regering van India en actieve ondersteuning van de strijd tegen Japan.

Nehru en andere Congresleden hadden daar wel oren naar, Gandhi niet. Hij sprak van een `verlopen cheque van een failliete bank'. Hij eiste, en met hem het Congres, onmid­dellijke feitelijke machtsoverdracht, speciaal in defensie­aangelegenheden. Dit nu ging Cripps te ver.

Cripps beloofde aan de Moslim Liga, dat bij een toe­komstige onafhankelijkheid provincies het recht zouden hebben buiten de federatieve dominion India te blijven als ze dat wensten. Jinnah heeft deze belofte van Cripps nooit vergeten. Toen de standpunten tegenover elkaar bleven staan vertrok Cripps zonder iets bereikt te hebben.

Quit India

Wat kon het Congres nu doen? De partij had een nieuwe leider gevonden in Nehru (1889-1964). Niet dat Gandhi zich totaal had teruggetrokken, integendeel, maar de prak­tische leiding lag al lang niet meer in zijn handen.

Nehru was in 1929 partijvoorzitter geworden en had dat ambt enige tijd vervuld. Hij was een man van hoge aristo­cratische geboorte, een scherpe geest, een elegante, be­weeglijke verschijning. Hij straalde energie en ongeduld uit. Ofschoon hij sterke socialistische sympathieën had en de rol van de godsdienst in India negatief beoordeelde, was hij een trouwe vriend en volgeling van Gandhi gewor­den. Hij was gelouterd en beroemd geworden door de vele gevangenschappen als gevolg van de nationalistische cam­pagnes. Hij heeft alles bij elkaar meer dan negen jaar in de gevangenis gezeten.

Met de zegen van Gandhi startte Nehru de grote campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid, van boycot en non-coöperatie onder de naam `Quit India', vrij vertaald `Brit­ten eruit'. Gandhi noemde de Britse aanwezigheid in India een provocatie voor de Japanners om India aan te vallen. Zoveel openlijke tegenwerking in oorlogstijd konden de Britten niet tolereren en 6000 Congresleden en leiders wer­den geïnterneerd. Ook Gandhi en Nehru. Gandhi werd we­gens zijn gezondheid in 1944 weer op vrije voeten gesteld. De rest bleef tot mei 1945 gevangen.

De Britten kwamen onder toenemende druk te staan. De bijdrage van India aan de oorlogsinspanning was enorm. Ongeveer 700 000 Indische soldaten vochten in Birma te­gen de Japanners. Wapens, olie, voedsel, bases voor de Amerikanen, India kon onmogelijk gemist worden. Anti-Britse gevoelens liepen vaak hoog op. Ook tussen moslims en Hindoes verslechterde de situatie aanhoudend.

De nieuwe onderkoning Wavell, veldmaarschalk van be­roep, begon na aankomst in 1943 direct de gruwelijke hon­gersnood in Bengalen te bestrijden. Daar waren minstens anderhalf miljoen slachtoffers gevallen.

Hij slaagde er niet in de Indische partijen op één lijn te krijgen. De verdeeldheid was overigens wel naar de zin van Churchill die India `het bolwerk van de Britse heerschap­pij' vond. Van Wavells plannen om in Londen een confe­rentie te organiseren kwam niet veel terecht, met name toen het in de oorlog beter ging voor de Britten. Uiteinde­lijk werd er in Simla in juni 1945 geconfereerd. Wavell, Jinnah en Nehru konden het niet eens worden. De confe­rentie mislukte.

4 Eenheid of scheiding: India 1945-1947

Socialistische regering in Engeland

Op 26 juli 1945 werd Churchills nationale kabinet na de verkiezingen vervangen door een socialistische regering. Attlee werd Prime Minister.

Nu kon er ook vaart gezet worden achter de onafhanke­lijkheid van India. Attlee en zijn partij waren allang over­tuigd van de noodzaak van onafhankelijkheid. Men wilde de zaak snel, zonder bloedvergieten en liefst in over­eenstemming met alle partijen afsluiten. En als het even kon met behoud van de eenheid van India, maar desnoods na een deling.

De Moslim Liga was de oorlog met een gegroeid zelfver­trouwen doorgekomen. De aanhang van de partij was ver­breed. De massa van arme moslims had zich gevoelig getoond voor de eis van een eigen staat. Het was alleen zaak dit voor heel de wereld aan te tonen.

Dat lukte wonderwel in de eerste na-oorlogse verkiezingen van eind 1945-begin 1946. De Liga veroverde bijna alle moslimzetels in de provinciale parlementen (439 van de 494) en alle moslimzetels in de Assembly. Jinnahs claim de hele moslimgemeenschap te vertegenwoordigen was bewe­zen. Het versterkte zijn positie enorm. Voor Jinnah was er nu nog minder reden om zijn ideaal van een vrij Pakistan voor de moslims uit handen te geven.

Het Congres hield nog steeds vast aan een ondeelbaar In­dia na de onafhankelijkheid. De zaak zat muurvast.

Wavells laatste poging

Het was aan de Britten om te proberen overeenstemming te krijgen tussen Liga en Congres over de toekomst van In­dia. Haast was geboden. De situatie in het land verslech­terde. Die begon al af en toe op een burgeroorlog te lijken. Een energieke poging om uit de impasse te raken werd ge­daan door een kabinetsdelegatie uit Londen, aangevuld met onderkoning Wavell. Er kwam in maart 1946 een in­genieus plan op tafel. De twee belangrijkste elementen daarin waren dat India een eenheid zou blijven in een losse federatie met weinig centrale macht, waaruit op den duur misschien een Pakistan zou kunnen ontstaan. Het andere element was het voorstel een voorlopige regering met Con­gres en Liga te vormen die verkiezingen voor een grond­wetgevende Assembly zou moeten organiseren.

De onderhandelingen sleepten zich voort, de delegatie werd er doodmoe van. Op 25 juni 1946 waren Liga en Congres het eindelijk min of meer eens over het eerste ele­ment. Toen besloot men alvast verkiezingen te houden, ook al was er nog geen voorlopige regering. Jinnah was woedend. Hij voelde zich verraden. Hij had vast gerekend op enkele zetels in de Voorlopige Regering. Ondanks de grote successen van zijn partij, en van het Congres, in de verkiezingen van juli 1946, weigerde Jinnah in de regering zitting te nemen. Er zat niet één Ligaminister in de nieuwe regering onder leiding van Nehru. Hij riep daarentegen 16 augustus op tot `directe actie'. Die kwam er en leidde tot ernstig bloedvergieten tussen moslims en Hindoes. Uiteindelijk besloot Jinnah toch tot de regering toe te tre­den, in oktober 1946. Niet om mee te werken maar om dwars te liggen en tijd te winnen. Ook een conferentie in Engeland aan het eind van dat jaar bracht geen oplossing. Wavell was het meer dan beu. Hij zag geen enkele oplos­sing meer. Als de Indiërs chaos wilden, dan maar chaos vond hij.

De laatste troef: Mountbatten

Ghandi met het echtpaar Mountbatten

Attlee riep de totaal ontmoedigde Wavell terug en stuurde als laatste onderkoning Lord Louis Mountbatten. Mountbatten vroeg en kreeg nagenoeg blanco volmachten. En een datum. Medio 1948 zou Engeland India verlaten of de Indiërs het nu onderling eens waren of niet.

In maart 1947 kwam hij in India aan. Mountbatten was de juiste man op het juiste moment. Charmant, van konink­lijke bloede, een oorlogsheld, vol zelfvertrouwen dat hij de zaak zou klaren.

Hij confereerde in twee maanden 133 keer met de leiders. Tussen hem en Nehru ontstond een grote mate van onder­ling vertrouwen. Gandhi werd gefotografeerd met zijn hand op de schouder van Lady Mountbatten. Jinnah week niet. Met de dood voor ogen — niemand wist dat hij kan­ker had — stevende hij zonder een moment te twijfelen op zijn droom af, Pakistan.

Mountbatten had al snel in de gaten dat er niets anders mogelijk was dan delen. Ook Nehru zag ten langen leste geen andere oplossing meer. De bittere pil moest geslikt worden. Gandhi was ontgoocheld. Zijn droom van reli­gieuze tolerantie en eenheid ging in rook op.

Hoe moesten de twee dominions nu gevormd worden? Voor de meeste vorstendommen lag de keus voor India voor de hand. Kasjmir lag moeilijk. Na de onafhankelijk­heid zouden India en Pakistan daarover oorlog voeren. Er waren de twee grote, religieus gemengde provincies Bengalen en Punjab. Wat moest daarmee gebeuren? Er waren twee mogelijkheden. Ten eerste zouden ze in hun geheel bij Pakistan of bij India kunnen komen. Ten twee­de zouden de provincies gedeeld kunnen worden: de moslims in het Pakistaanse en de Hindoes in het Indische deel. Daarover werd in beide provincies gestemd. Beide kozen voor de tweede oplossing. Als je als Hindoe of moslim de pech had in het `verkeerde' deel te wonen, dan mocht je natuurlijk altijd verhuizen. Oost-Bengalen werd Oost-Pakistan, tegenwoordig Bangladesh.

De Labourregering ging snel akkoord met het plan, maar voor de wetswijziging was ook de medewerking van de Conservatieven en dus van Churchill nodig. Hij gaf zich ten langen leste gewonnen.

De onafhankelijkheid

Mountbatten besloot in zijn eentje, toen zijn delingsplan werd aangenomen, de datum van onafhankelijkheid met bijna een jaar te vervroegen. Het zou 15 augustus 1947 worden.

Er moest nog een gigantische hoeveelheid werk worden verricht in een absurd korte tijd. Grenzen werden haastig getrokken; het geld, de schuld, alles, tot en met de inventa­ris van de ministeries werd verdeeld; miljoenen mensen kregen een nieuwe nationaliteit. Het was 'sheer madness, fantastic communal madness', zei Mountbatten.

Voor velen eindigde die 'madness' in een tragedie. Hin­does verlieten gebieden die Pakistaans zouden worden, moslims trokken in tegenovergestelde richting. Honderd­duizenden, miljoenen mensen raakten op drift. Dit alles veroorzaakte een afschuwelijke uitbarsting van geweld tussen Hindoes en moslims. Hele gemeenschappen werden uitgemoord. Treinladingen vluchtelingen stierven op de rails. Gewapende benden stroopten landstreken af. Latere schattingen spreken van 500 000 doden en 11 miljoen vluchtelingen. Maar Mountbatten bleef toewerken naar 15 augustus 1947.

De overdracht van de macht verliep feestelijk. Nehru werd de leider van India, Jinnah van Pakistan. Delhi was op 15 augustus overstroomd door een uitzinnig feestvierende menigte van miljoenen mensen. Mountbatten werd toege­juicht. Anti-Britse sentimenten verdwenen. Beide landen traden toe tot het Gemenebest.

Voor de profeet van de geweldloosheid, de kampioen van de eenheid, was 15 augustus geen feestdag. Hoewel hij door zijn persoonlijke inzet — zijn hongerstakingen ble­ken vaak effectief — geweld had voorkomen, toch was zijn ideaal van tolerantie en eenheid in haat en bloedver­gieten ten onder gegaan.

Gandhi was de onbetwiste leider en leraar van zijn volk. Maar hij had ook vijanden. Orthodoxe Hindoes namen hem zijn religieuze tolerantie kwalijk. Vooral zijn jaren­lange ijveren voor de emancipatie van de paria's — hij had ze omgedoopt tot haryans, kinderen van het licht — had in deze kringen kwaad bloed gezet.

Op 30 januari 1948 werd Mahatma Gandhi, de geweldlo­ze, door een jonge fanatieke Hindoe doodgeschoten.

Einde van het empire

Met de onafhankelijkheid van India was het Britse Empire beroofd van zijn fundament. Had Curzon het niet gezegd? `Zolang als we India regeren zijn we de grootste macht in de wereld. Als we het verliezen zullen we rechtstreeks ver­vallen tot een derderangsmogendheid.'

De onafhankelijkheid was tot stand gebracht. Later dan vele Indiërs hadden gehoopt, veel vroeger dan menige Brit ooit had gedacht, zeker degenen die de kroningsdurbar van Curzon in 1903 nog hadden meegemaakt.

Zie voor deel 2: CSE De afbraak van het Britse en Franse wereldrijk Deel 2