We hebben 132 gasten online

CSE De afbraak van het Britse en Franse wereldrijk Deel 2

Gepost in Azië en Afrika

Algerije onafhankelijk

De gaulle versus de OAS

1 Frans bezit

Bevrijders van de Turken

Sinds de zestiende eeuw behoorde Algerije tot het Turkse rijk. De heerser van Algerije, de dey, leefde echter als een zelfstandig vorst. Het land werd bewoond door Arabieren, Turken, Kabylen, Moren en joden. Ieder volk voerde zijn eigen taal en leefde naar eigen gebruiken. De islam vormde een bindend element, behalve voor de joden.

Het grootste deel van de bevolking woonde in dorpen en leefde van de schapenteelt en de verbouw van graan. Voor de meesten betekende dit een karig bestaan.

Ruzie over een geldlening leidde ertoe dat de Fransen in 1830 het zwak verdedigde Algerije bezetten. Het gebied bleek al spoedig aantrekkelijk voor kolonisten. Door goed gebruik te maken van de grond wisten de colons een rede­lijk welvarend bestaan op te bouwen. Vooral in de wijn­bouw werd veel geld verdiend. In 1900 waren er al meer dan een half miljoen colons, tegen vier miljoen Algerijnen. De Fransen beschouwden zich in 1830 als de bevrijders van de Algerijnse volken uit de handen van de Turkse overheersers.

Verzet

De Algerijnen waren echter niet zo ingenomen met de komst van de Europese militairen en kolonisten en er ont­stond dan ook verzet tegen de Fransen. In 1847 werd een opstand onder leiding van Abd el Kadr bedwongen. Ook in 1870-1871 vond een grote opstand plaats, die meer dan zeven maanden duurde. Uiteindelijk werd deze bedwon­gen door het leger. Maar de echte overwinnaars waren de colons. Allerlei denkbeelden die in Frankrijk de kop opstaken over gelijkberechtiging van de Algerijnen, kon­den weer onder de grond gestopt worden, nu de Algerijnen zo'n ruwe, bloedige opstand veroorzaakt hadden. De colons legden hun superioriteit ook vast in de wet. Dit was van groot belang, aangezien de inheemse bevolking sneller groeide dan de Frans-Algerijnse. Men was karig met het toekennen van burgerrechten aan inheemsen, maar men aarzelde niet deze groep hogere belastingen te laten betalen.

Assimilatie

Zoveel mogelijk verfransen, dat werd de politiek van Frankrijk ten opzichte van de inheemse Algerijnen. Naar Franse scholen gaan, de Franse taal leren en zo langzamer­hand een deel van het Franse moederland worden. Dat proces van aanpassing, van assimilatie, zag er in de prak­tijk heel anders uit. Het schone streven van assimilatie gold in feite alleen voor de Europeanen in Algerije. Zij kregen een goede opleiding en zij werden gezien als de ei­genlijke bewoners van het land. Zij kregen volledige Fran­se burgerrechten met een eigen vertegenwoordiging in het Franse parlement in Parijs. De Algerijnse moslims werden als tweederangsburgers beschouwd, onderdanen oftewel `sujets'.

Slechts een handjevol sujets slaagde erin om voor de Eerste Wereldoorlog door naturalisatie burgerrechten te krijgen. Rond 1900 volgden 150 Algerijnse leerlingen het voortgezet onderwijs. Koranscholen, die de basis vormden voor het leren lezen, werden gesloten om plaats te maken voor Franse onderwijsinstellingen. En die werden nauwe­lijks opgericht voor de inheemsen.

De colons vonden het dom en gevaarlijk om de inheemsen lezen en schrijven te leren, want dat zou leiden tot de kreet `1'Algérie aux Arabes'. Tot aan 1930 bezocht slechts 6% van de Algerijnse kinderen een school. De vruchten van de assimilatiepolitiek bleven voorbehouden aan een kleine moslimelite. 

Opkomend nationalisme

De inheemse bevolking groeide van 2,3 miljoen in 1856 tot 8,5 miljoen in 1954, maar de landbouw bracht te weinig op. In 1887 waren er op elke Algerijn drie schapen, in 1900 nog maar anderhalf. Hongersnoden en zware belastingen verergerden het lot van de fellahs (de arme boeren). Dui­zenden boerenzonen trokken naar de stad en kwamen in aanraking met de moderne wereld in Algiers, Oran en Phi­lippeville. De overstap naar Frankrijk, waar geld te verdie­nen was, werd al gauw gemaakt. De Eerste Wereldoorlog, waaraan 173 000 Algerijnse moslims deelnamen, versterk­te de emigratie. In 1923 bevonden zich bijna 100 000 Alge­rijnen in het Franse `moederland'. Deze ontwikkeling zou voor de Algerijnse samenleving grote gevolgen hebben.

`De islam is mijn godsdienst, het Arabisch mijn taal en Al­gerije is mijn land,' dat was de leus van de Oelama, één van de eerste politiek-religieuze organisaties van betekenis in Algerije. De Oelama eiste terugkeer naar een zuivere strenge vorm van de islam; zij verwierp alcohol, tabak, dansen, muziek en sport. Met de echte politiek wilde de Oelama zich eigenlijk niet bezighouden, wel wakkerde zij de gevoelens van nationalisme aan.

Wie zich wel nadrukkelijk met de politiek wenste te be­moeien was Messali Hadj, een revolutionair die door zijn verschijning herinneringen opriep aan Raspoetin. Hij werd geboren in 1898 in Tlemcen, kreeg westers onderwijs en diende in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk. Hij bleef in Frankrijk werken en werd lid van de communisti­sche partij. In 1927 werd Messali voorzitter van een groep Algerijnse arbeiders rond Parijs: de Étoile Nord­Africaine. In tegenstelling tot de Oelama wilde hij de islam moderniseren. Sociale eisen werden vermengd met politie­ke: Messali wilde een herverdeling van de grond onder de fellahs, een revolutionaire strijd voor totale onafhankelijkheid en algemeen kiesrecht. Verbanning en gevange­nisstraf werden zijn deel.

De derde stroming, de meest gematigde in het interbellum, werd gepersonifieerd in Ferhat Abbas. Hij ging op een Franse school, studeerde aan de universiteit van Algiers en meende dat een absolute gelijkwaardigheid van Algerijnen met de Fransen te bereiken was. Hij geloofde (nog) niet in een Algerijnse onafhankelijkheid, maar in assimilatie. `La France c'est moi,' schreef Ferhat Abbas in 1936.

De Franse regering in die tijd moest niets hebben van de extreme Oelama en Messali Hadj. De ex-gouverneur van Algerije, Violette, deed een poging om de assimilatie te verruimen: 20 000 moslims zouden het recht krijgen om met de 200 000 Franse kiezers mee te stemmen. Dan zou een begin gemaakt kunnen worden met wederzijds begrip tussen Fransen en Algerijnen.

Maar grote druk van de colons op de regering zorgde er­voor dat het wetsvoorstel werd ingetrokken. Vooral voor Ferhat Abbas was dit een bittere teleurstelling. Hij zocht zijn doel sindsdien in de richting van de Algerijnse onaf­hankelijkheid.

Algerije en de Tweede Wereldoorlog

De Franse nederlaag tegen de Duitsers in 1940 maakte op de Algerijnen een diepe indruk. Frankrijk was vernederd en had blijkbaar zijn tijd gehad. Er gingen zelfs stemmen op om de belasting voortaan maar aan de Duitsers te beta­len. Afgesneden van het moederland, maakte Algerije zware tijden door. Het tekort aan levensmiddelen en grondstoffen werd vooral door de armere moslims aan den lijve gevoeld.

Op politiek gebied heerste grote verwarring. Alle Franse kolonies in Centraal-Afrika steunden generaal De Gaulle in zijn strijd tegen de Duitsers. Frans-Algerije echter koos voor de pro-Duitse regering van Vichy.

In november 1942 landden de Amerikanen en Engelsen in Algerije, voorzien van een indrukwekkende hoeveelheid goederen en geld, daarbij een sfeer van vrijheid en anti­kolonialisme oproepend. Generaal Giraud, die nu de lei­der van de vrije Fransen in Algerije was geworden, had echter geen oren naar een petitie van de moslims voor meer burgerrechten. Hij wilde alleen soldaten. En Algerije leverde ze.

Manifest

In februari 1943 kwam Ferhat Abbas met het `Manifest van het Algerijnse volk', waarin gelijke rechten voor de Algerijnen de kern vormden. Abbas ging te ver in de ogen van de Fransen en kreeg huisarrest. Vanuit Brazzaville (Kongo) hield generaal De Gaulle in 1944 een rede waarin hij aan alle koloniën niet minder dan zelfbestuur beloofde. Voor Ferhat Abbas en ook Messali was deze belofte weinig meer dan die van Violette in 1936 en zij richtten op 14 maart 1944 in Sétif het Amis du Manifeste et de la Liberté (AML) op. Door de verschrikkelijke gebeurtenissen van 1945 in Sétif stierf het AML een vroegtijdige dood. Maar het AML had een grote propagandistische waarde gehad. De colons echter zagen, toen de vrede in 1945 aanbrak, dit als een teken om met grote voortvarendheid de oude, kolo­niale politiek voort te zetten.

De schijn van gelijkheid

Op het meedogenloze neerslaan van de opstand te Sétif volgde een periode van betrekkelijke rust aan het politieke front.

De Franse regering achtte het raadzaam om de Algerijnen een nieuw bestuursstatuut te geven. Op 20 september 1947 werd het van kracht. Een Assemblée Algérienne kwam tot stand met twee kamers van elk 60 zetels. De eerste werd ge­kozen door voornamelijk de Frans-Algerijnen, de tweede vertegenwoordigde de moslims. Het statuut gaf aan dat er democratisch gekozen gemeenteraden zouden komen, het Arabisch werd nu ook als officiële taal geaccepteerd en moslimvrouwen kregen stemrecht. Maar juist deze zaken die een wezenlijke vooruitgang konden betekenen voor de moslims, hadden een twee derde meerderheid nodig. De colons konden al die hervormingen dus gemakkelijk tegen­houden. Dat gebeurde ook, maar de angst voor het steeds groeiende aantal moslims was zo groot, dat de colons de verkiezingen gingen frauderen.

Bij de verkiezingen in 1947 vielen in de moslimkamer 41 zetels toe aan regeringskandidaten, negen aan Messali acht aan Ferhat Abbas en de onafhankelijke socialisten kregen er twee. Een moslimleider verklaarde dat de uitslag hem niet verraste. Van veel diepere betekenis vond hij de openlijke minachting die de Fransen aan de dag legden voor de Arabische bevolking. Die was voor schut gezet bij deze nepverkiezingen. Het geloof dat de Fransen echte hervormingen wensten en ook wilden doorzetten, zakte weg.

2 Strijd om onafhankelijkheid

Een nieuwe generatie?

Na 1945 ontwikkelde zich een nieuwe generatie Algerij­nen, een generatie die genoeg had van allerlei manifesten en beloften die toch geen politieke zoden aan de dijk zet­ten. Door oorlogsgeweld gevormd en van vage marxisti­sche idealen voorzien zocht deze groep haar weg in harde acties. Ben Bella die als 22-jarige had meegevochten, was een van hen. Na Sétif besloot hij in de politiek te gaan en hij organiseerde het verzet tegen de Fransen. Hij werd met velen van zijn aanhangers door de Fransen gevangengeno­men. Na zijn ontsnapping uit de gevangenis maakte Ben Bella vanuit Cairo plannen om een gewapend conflict in Algerije te beginnen.

gevangenneming

Er kwam een samenwerking tot stand tussen verschillende Algerijnse groeperingen. Men koos voor een negenhoofdig leiderschap. Dit gebeurde ook om spanningen die tussen Kabylische en Arabische afgevaardigden bestonden, niet te laten escaleren. De negen hadden grote bewondering voor Ho Chi Minh, die aan de andere kant van de wereld ook een onafhankelijkheidsstrijd tegen de Fransen voerde. Op de dag dat de nederlaag van de Fransen daar bekend werd, kwamen de leiders bijeen. Het besef dat een gek­necht volk de Fransen had verslagen, deed hen besluiten de opstand voor te bereiden. Op 10 oktober kozen zij de naam FLN: Front de la Libération Nationale. De opstand werd gepland op 1 november, overal in Algerije, vanaf 00.01 uur.

Het FLN voert oorlog

In de nacht van Allerheiligen werden in alle delen van Al­gerije aanslagen gepleegd op politieposten en kazernes. Het meeste succes werd geboekt in het onherbergzame ge­bied van de Aurès, maar van een massale steun van de be­volking was geen sprake.

De Frans-Algerijnen sloegen terug, maar in Frankrijk zelf maakte men zich niet zo druk over de opstand, zeker de eerste dagen niet. De Franse regering sprak zich in de loop van november duidelijk uit voor de eenheid Frankrijk-Algerije en besloot eerst de opstand te onderdrukken. Daarna zouden dan plannen voor verbetering van de Alge­rijnse positie ten opzichte van het moederland gelanceerd worden.

De Fransen voerden hun troepensterkte op, zetten hun vreemdelingenlegioen in, maar slaagden er niet in het FLN-verzet te vernietigen. De kleine groepjes Algerijnse strijders kwamen de winter door en ervoeren dit, met hun leiding in binnen- en buitenland, als een morele overwin­ning. Het FLN kreeg morele steun van Arabische staten en bracht zijn strijd zelfs in de Verenigde Naties ter sprake. De Franse regering beloofde intussen integratie in plaats van assimilatie. Alle moslims zouden binnen zeer korte tijd de volledige burgerrechten ontvangen en geheel wor­dén opgenomen in het Franse politieke en bestuurlijke systeem. De colons protesteerden uiteraard heftig tegen deze plannen.

Toen op 20 augustus 1955 rond Philippeville door het FLN een slachting onder de Europese bewoners werd aangericht (er vielen 71 doden), nam het leger wraak. Dit kostte 1273 moslims het leven. In het stadion van Philippeville werden vele gevangenen geëxecuteerd. Dit dreef de Europeanen en de Algerijnen definitief uit el­kaar. Voortaan was iedere moslim een rebel en voelden ve­le moslims zich nu gedwongen een `heilige oorlog' te voeren tegen de colons.

Het FLN juichte deze ontwikkeling toe en dwong zelfs de fellahs mee te doen met de strijd door de dorpen te terrori­seren. In de gebieden waar het FLN heerste was dan ook geen sprake van overreding van de bevolking door sociale hervormingen, scholing enzovoort. Angst voor repressail­les deed veel dorpen steun verlenen aan de Algerijnse guerrilla.

Franse pogingen om het analfabetisme aan te pakken en landhervormingen door te voeren slaagden ook niet. Van hun kant boycotten de colons als deze plannen maar er werd wel keihard gewerkt aan de `pacificatie'. Midden 1956 waren er 400.000 Franse soldaten in Algerije. Het FLN reageerde hier ook weer op met toenemend geweld.

Het FLN in het defensief

Op 20 augustus 1956 kwam de top (200 man) van het FLN bijeen in een eenvoudig boswachtershuis in Soummam, midden in Kabylië. Er volgden twintig dagen van verhitte debatten, midden in Algerije, niet gestoord door de Fran­sen. Er werden belangrijke besluiten genomen: er kwam een nationaal bevrijdingsleger en men ging zich nu ook be­zighouden met de stadsguerrilla. Besloten werd verder dat de binnenlandse leiding de boventoon zou voeren boven de buitenlandse. Dit tot grote woede van onder andere Ben Bella, die in het buitenland zat te wachten om naar Alge­rije gesmokkeld te worden. De binnenlandse leiding vond dit te riskant. Het contact tussen deze twee groeperingen kwam nauwelijks tot stand en dat was sinds 22 oktober 1956 nog moeilijker. Het vliegtuig dat Ben Bella naar Tu­nis zou brengen werd door de Fransen gekaapt. Ben Bella kwam in Franse gevangenschap terecht en bleef geïnterneerd tot 1962.

Het binnenlandse FLN maakte van de stadsguerrilla een serieuze zaak. Bloedige aanslagen in Algiers volgden elkaar in een hoog tempo op. De Franse reactie bleef niet uit. De colons werden steeds feller en de meest radicale groep, de zogenoemde ultra's, begonnen een even bloedige tegenterreur tegen de moslimbevolking. Het Franse leger, onder leiding van de parachutistengeneraal Massu, brak met grof geweld het FLN-verzet in de slag om Algiers (januari-september 1957). In meer dan vijftig gebouwen in de stad werd door het leger systematisch gefolterd. Tienduizenden Algerijnen werden in concentratiekampen op­gesloten. Langs de grens met Tunesië werd de Morice-linie opgericht, een ondoordringbare versperring van mijnen en prikkeldraad, om de Algerijnse infiltraties uit die landen tegen te gaan. De Fransen boekten hiermee succes. Het contact tussen de onderdelen van het FLN-leger in en bui­ten Algerije werd zeer ernstig belemmerd. Maar militaire successen leiden niet automatisch tot politieke.

Dat bleek spoedig toen de Fransen op 8 februari 1958 een Tunesisch grensdorpje bombardeerden, waarbij vele slachtoffers vielen. Het Franse leger was tevreden, maar de wereld reageerde verontwaardigd. De Franse regering, zowel in Parijs als in Algiers, had geen toestemming verleend en wees de actie af. De militairen, die het vuile werk opknapten, voelden zich verraden door de politici die geen enkele oplossing in het conflict te bieden hadden.

De roep om een sterke man

De Franse regering was al jaren zwak. Om de haverklap stemde het parlement de regering weg. Er kwam dan een nieuwe die vaak slechts enige maanden standhield. De oor­log in Algerije drukte zwaar op de Franse economie. In Al­gerije werd onder de colons de roep om een sterke man luider. Men wilde een sterke man die Algerije definitief Frans zou houden.

Als zo iemand niet in Parijs gevonden kon worden dan zou Frans-Algerije het zelf wel oplossen en zich politiek losma­ken van het moederland. Vooral het leger in Algerije voel­de veel voor dit laatste. Men had het gevoel het FLN nagenoeg definitief verslagen te hebben en vermoedde dat de nieuwste regeringsplannen in Parijs meer in de richting van zelfbestuur voor Algerije zouden gaan.

Eind april en begin mei was Algiers het toneel van grote betogingen waarin de leuze 'L'Algérie Francaise' luid werd verkondigd.

Op 9 mei stuurde de Franse opperbevelhebber in Algerije, Salan, een telegram naar Parijs met de mededeling `... dat het hele leger in Algerije zich intens beledigd zou voe­len als Frankrijk Algerije zou opgeven ...' De dreigende woorden ` ... het valt niet te voorzien hoe het Franse leger reageert in zijn wanhoop ...' klonken als een ultimatum. Op 13 mei legde generaal Salan een krans bij het oor­logsmonument in Algiers voor drie door het FLN geëxecu­teerde Franse soldaten. Na de plechtigheid steeg uit de menigte de kreet op: `Naar het Forum.' Hier stond het pa­leis van de gouverneur-generaal. Half spontaan, half geor­ganiseerd trok men op naar het Forum en bezette het regeringsgebouw. Een Comité van Algemeen Welzijn werd opgericht als vervanging van de officiële regering. Opper­bevelhebber Salan steunde het comité en riep twee dagen later tot de grote menigte: `Vive la France' en: `Vive De Gaulle'.

De Gaulle

De gedachte dat de grote generaal de enige was die het Al­gerijnse probleem voor Frankrijk kon oplossen had ook hier postgevat. Op 19 mei trad De Gaulle naar buiten. Op een persconferentie gaf hij te kennen respect voor het Franse leger te hebben en kritiseerde hij tevens de onmach­tige regeringen van de Vierde Republiek. Hij verklaarde bereid te zijn zich weer met zaken van landsbelang te be­moeien, maar dan zou de volksvertegenwoordiging hem het vertrouwen moeten geven. De gebeurtenissen hielpen De Gaulle.

Op 24 mei sloeg de rebellie van Algiers over naar Corsica en dreigde over te slaan naar het moederland. Op 29 mei stelde De Gaulle zijn eisen: de macht van het parlement moest verminderen, die van de regering verstevigd worden. Op zondag 1 juni kreeg De Gaulle het vertrouwen van de Nationale Vergadering met 329 tegen 224 stemmen. Er kwam een nieuwe grondwet en De Gaulle werd de komen­de tien jaar de grote man in Frankrijk.

De colons waren opgetogen en De Gaulle vertrok naar Al­giers. Op 4 juni riep hij een uitzinnige menigte van colons en moslims toe: `Je vous ai compris.' (Ik heb u begrepen.) Hij bevestigde de gelijkheid van de diverse bevolkings­groepen in Algerije. Dit betekende dus volledige integratie van moslims in Frans-Algerije. Hij sprak ook over verzoe­ning en de kreet `l'Algérie Fran~aise' kwam slechts één keer over zijn lippen. Niemand wist hoe De Gaulle de kwestie Algerije zou oplossen. Moslims hoopten op onaf­hankelijkheid terwijl de colons hem als de redder van hun grondgebied zagen. Misschien wist De Gaulle het zelf nog niet precies. Eén ding stond wel voor De Gaulle vast: Frankrijk mocht niet aan deze kwestie te gronde gaan.

3 Algerije en De Gaulle

Zelfbeschikking voor Algerije

De Gaulle wilde zoveel mogelijk steun voor zijn (nog niet geheel duidelijke) politiek hebben en bereidde een referen­dum voor.

Op 28 september 1958 vroeg De Gaulle aan alle Franse ge­bieden of ze onmiddellijke zelfstandigheid wensten, zon­der verdere financiële steun van Frankrijk, of dat ze lid wilden blijven van de Franse gemeenschap, met intern zelfbestuur.

De gaulle 's belofte aan algerije

Het FLN riep met allerlei middelen op tot boycot van het referendum, maar 80% van de moslims (mannen en vrou­wen) stemde en hiervan was 70% voor de integratiege­dachte. Althans zo werd de uitslag uitgelegd. Maar de moslims kozen meer voor een De Gaulle die uiteindelijk aan de verschrikkingen van de oorlog een einde zou maken.

De Gaulle ontwierp plannen voor een grootse ontwikke­ling van de moslimbevolking: herverdeling van landbouw­gronden, het bouwen van 200 000 huizen binnen vijf jaar en onderwijs voor iedereen.

Het FLN had al voor het referendum op 19 september een voorlopige Algerijnse regering in ballingschap gevormd in Cairo, onder leiding van Ferhat Abbas. Het FLN begon nu ook in Frankrijk pro-Franse Algerijnen te terroriseren. Ook tussen de Algerijnen onderling heerste een felle strijd die in 1958 in Frankrijk 1000 slachtoffers kostte.

In Algerije werd de situatie voor de vrijheidsstrijders steeds penibeler. Het Franse leger trad hardhandig op. Meer dan 1 miljoen moslims werden gedeporteerd naar an­dere delen van het land om zo de guerrilla van zijn steun­punten te beroven.

Doordat veel FLN-soldaten overliepen naar de Fransen ontstond er een sfeer van `overal zijn verraders onder ons'. Dit leidde weer tot massale `zuiveringen' binnen het Alge­rijnse kamp.

Het leger, de colons en het FLN radicaliseerden. Toch luk­te het de Fransen niet om Algerije geheel te pacificeren. Daar komt bij dat de Fransen in het moederland genoeg van de oorlog hadden. Ook internationaal werd de druk op Frankrijk groter om Algerije los te laten.

Op 16 september 1959 kwam De Gaulle met een plan waar­bij Algerije na de terugkeer van de vrede binnen vier jaar zelf mocht bepalen voor welke toekomst het koos: afschei­ding, verfransing of `een Algerijnse regering door Algerij­nen' met steun van Frankrijk. Onderhandelingen met de voorlopige Algerijnse regering kwamen nog niet van de grond.

Bij de colons was de teleurstelling over het optreden van De Gaulle groot. Zijn belofte van zelfbeschikking voor Al­gerije was een ontgoocheling voor hen, die De Gaulle in mei 1958 als redder hadden binnengehaald.

Burgeroorlog dreigt

Toen de bij de colons populaire generaal Massu door De Gaulle naar Parijs werd teruggeroepen, sloeg de vlam in de pan. Frans-Algerijnse ultra's richtten in de straten van Al­giers barricaden op en in januari 1960 ving een week aan van straatgevechten tegen de politie. De Franse bevolking van Algiers steunde de 2000 gewapende opstandelingen, het leger aarzelde. De Gaulle negeerde de `week van de barricaden' en herhaalde de eis tot zelfbeschikking'voor de Algerijnen. Het leger steunde de opstandelingen niet, de barricaden werden veroverd en de barricadenstrijders ge­vangengenomen.

Te Melun bij Parijs onderhandelde de Franse regering in juni 1960 voor het eerst officieel met de Algerijnen. Deze gesprekken leverden nog niets op. In het najaar van 1961 gaf De Gaulle duidelijk te kennen dat in de nabije toe­komst niet slechts een Algerijns Algerije zou bestaan maar zelfs een Algerijnse republiek.

Felle botsingen tussen de politie en de colons bleven niet uit. Ook zag men hier en daar al de groenwitte vlag van het FLN wapperen. Paratroepen schoten op moslimde­monstranten die nu ook de straat gingen gebruiken om hun politieke wensen kracht bij te zetten. Een jonge gene­ratie van nationalisten gaf een nieuwe impuls aan de strijd die het FLN voerde.

Opnieuw liet De Gaulle een referendum uitschrijven, waaruit moest blijken of men vertrouwen in De Gaulle had of niet. Zo niet, dan zou hij aftreden.

De uitslag van het referendum van 8 januari 1961 over het zelfbeschikkingsrecht van Algerije gaf een verrassend hoog aantal ja-stemmers (70%). Van de Franse bevolking van Algerije stemde ruim 7010 `non'.

Hoewel het Algerijnse probleem nog niet was opgelost, was nu wel zeker dat er een einde zou komen aan een `l'Al­gérie Francaise'.

Evian

De Fransen openden in mei de onderhandelingen met de Algerijnen te Evian, een plaatsje aan de grens met Zwitser­land. In de onderhandelingen vormde de Sahara een strui­kelblok. De Algerijnen wilden dat dit gebied met zijn rijkdom aan olie en gas, onderdeel van de vrije Algerijnse staat zou worden. De onderhandelingen stokten, maar het zouden juist de radicale l'Algérie Fran~aise-aanhangers worden, die de Algerijnen deden besluiten om in februari 1962 verder te beraadslagen met de Franse regering.

Opstand van generaals

de gaulle als overwinnaar

Intussen wensten de ultra's de dreigende afbraak van Frans-Algerije niet te accepteren. In februari 1961 was in Madrid, onder leiding van de in vrijwillige ballingschap vertoevende generaal Salan, de OAS (Organisation de l'Ar­mée Secrète) opgericht, een organisatie die iedereen die toenadering zocht tot deAlgerijnse eisen tot vijand ver­klaarde. Dat ondervond de burgemeester van Evian, toen hij vermoord werd door de OAS wegens 'medeplich­tigheid'.

Tot in de hoogste top van het Franse leger nam de kritiek op De Gaulle toe. Toen deze op 11 april in een persconfe­rentie onomwonden te kennen gaf achter zijn plan te blij­ven staan om Algerije zelfbestuur te geven, was voor een aantal generaals en kolonels de maat vol. In de nacht van 21 op 22 april 1961 werd in Algiers de macht door hen overgenomen, zonder slag of stoot. Maar het leger bleef massaal trouw aan De Gaulle, die op de avond van de 23ste april een beroep op de Franse bevolking deed: 'Man­nen en vrouwen van Frankrijk! Help mij.'

De putsch liep op niets uit, geweld werd er niet gebruikt. De leiders kregen langdurige gevangenisstraffen. Intussen gingen de OAS-aanslagen in Frankrijk zelf door. De Alge­rijnen besloten deze terreursfeer te doorbreken en gingen weer naar de vergadertafel terug.

Op 18 maart 1962 werd een staakt-het-vuren in Algerije af­gekondigd en werden de `akkoorden van Evian' getekend. Frankrijk erkende de soevereiniteit van de staat Algerije, met alle vijftien departementen, de Sahara incluis.

De republiek Algerije

Zo eindigde de zevenjarige oorlog in 1962. Resultaat: 25 000 Franse militairen, 20 000 Europeanen en 200 000 Algerijnen waren gevallen. Over het aantal slachtoffers bestaat grote onenigheid, met name over het laatste getal dat wel eens honderdduizenden meer zou kunnen bedra­gen. De Franse militaire kosten beliepen totaal 55 miljard francs, ongeveer 15°7o van de hele Franse begroting in die jaren.

In de maanden na de akkoorden van Evian, van april tot augustus 1962, woedde er echter nog een hevige terreur. De OAS verhoogde haar activiteiten, liet bommen midden op marktpleinen ontploffen en boezemde de stedelijke be­volking angst in.

De Algerijnse bevolking ging niet op de terreur in en het beoogde doel van de OAS — chaos in een land zonder lei­ders zodat de OAS de macht kon overnemen — werd niet bereikt. De OAS bereikte in feite precies het tegendeel. Pieds-noirs verlieten massaal Algerije. Midden 1962 waren reeds een half miljoen, de helft van alle pieds-noirs, ver­trokken.

Zo werden de bepalingen van Evian, die de Fransen in Al­gerije allerlei garanties gaven, door de werkelijkheid ach­terhaald. De OAS staakte het vuren in Algiers in juni 1962.

Op 1 juli 1962 stemde de massaal opgekomen Algerijnse bevolking voor de onafhankelijkheid. De opbouw van het land kon beginnen. Maar ook nu zou hieraan vooraf een golf van geweld door het land trekken. De harki's, moslimsoldaten in Franse dienst, werden beschouwd als collaborateurs en `ontslagen'. Voor de meesten betekende dit dat ze omgebracht werden.

Binnen het FLN ontstond een strijd om de macht, die na felle protesten van de bevolking van Algiers eindelijk ophield. Ben Bella werd leider van de regering. Algerije werd een eenpartij staat, sterk nationalistisch met socia­listische idealen. Alle Franse bezittingen werden genationaliseerd. Landbouwcoöperaties ontstonden en de industrie werd op gang gebracht. Een groot gebrek aan technisch en administratief personeel remde de opbouw en de bevolking groeide. De opbrengsten van de rijke gas- en olievelden, aangevuld met Franse leningen, stabiliseerden de wankele Algerijnse economie.

Op cultureel gebied koos Ben Bella voor een krachtige ara­bisering die moeizaam tot stand kwam. Voor vele Algerij­nen was ook het Arabisch een vreemde taal. Internationaal ontwikkelde Algerije zich als voorvechter voor de belangen van de Derde Wereld.

Ben Bella, meer leider door zijn beminnelijke persoonlijk­heid dan door verstandige economische politiek, werd in 1965 door Boumedienne opzij gezet.

Algerije kwam in wat rustiger vaarwater.

Tegenwoordig is Algerije een zich moderniserende staat. De grote bevolkingsgroei (meer dan 20 miljoen inwoners) is nog steeds oorzaak van grote problemen op het gebied van huisvesting, voeding en ontwikkeling.