We hebben 124 gasten online

Deel 2 Duitsland en Europa 1945-2000

Gepost in Europa

deling duitsland

4. Welke internationale en nationale ontwikkelingen verklaren de bouw van de Muur?

4.1 1961, de bouw van de Muur

De DDR kampte met een grote vluchtelingenstroom naar de BRD. In juli 1961 nam deze nog meer toe. Na overleg met Chroesjtsjov en het Warschaupact werden in de nacht van 12 op 13 augustus de grenzen van Oost-Berlijn naar West-Berlijn gesloten. De westerse Geallieerden bleven passief. Door veel mensen in de BRD en in het Westen werd de Muur als een symbool van onvrijheid en onderdrukking gezien. De bouw van de Muur en de lauwe reactie van de geallieerden daarop betekenden dat de 'Politik der Stärke' niet meer werkte.

4.2 Welke internationale ontwikkelingen tussen 1955 en 1961 bevorderden de bouw van de Muur?

  • Een nieuwe leider in de Sovjetunie

Na de dood van Stalin in 1953 kwam Chroesjtsjov aan de macht. Hij probeerde te breken met het verleden door een destalinisatie-campagne te beginnen. Hij kondigde een politiek van vreedzame coëxistentie met de kapitalistische landen aan. Dit bracht internationaal wel wat ontspanning, maar de ideologische strijd ging door.

  • Versterking West-Europese samenwerking

Frankrijk nam afstand van de VS en zocht toenadering tot de BRD. Adenauer verwelkomde enerzijds deze toenaderingspoging, die hem anderzijds in verlegenheid bracht omdat hij groot belang hechtte aan de band met de VS. De regeringen in Parijs en Bonn hoopten beide door de onderlinge samenwerking hun politieke positie in West-Europa te versterken.

In maart 1957 werd de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opgericht door Frankrijk, BRD, Italië en de Benelux-landen. De aantrekkingskracht van de BRD voor de DDR-burgers werd hiermee vergroot. Het tot stand komen van de EEG in 1957 paste heel goed in Adenauers politiek van 'Westbindung' en 'Westintegration'. Deze versterkte West-Europese samenwerking werd door het Oostblok als bedreigend ervaren.

  • Crisis rond Berlijn

spotprent chroestjov

'Ons ideaal is een veelomvattende ideologie' 1962

Chroesjtsjov voelde zich eind jaren vijftig nog meer onder druk staan door twee andere problemen: de vijandige en kritische houding van de communistische bondgenoot China en de grote aantallen vluchtelingen die via Berlijn naar de BRD gingen.

Hij stelde eind 1958 een ultimatum aan de drie Westerse bezettingsmachten: zij moesten zich binnen zes maanden terugtrekken uit Berlijn. Engeland en de VS waren verontwaardigt en weigerden West-Berlijn op te geven, maar leken wel bereid een aanvullende eis van Chroesjtsjov - erkenning van de DDR - in te willigen.

Chroesjtsjov bleef bij zijn eis ten aanzien van Berlijn. Kennedy gaf in de zomer van 1961 aan dat het hem vooral om de bescherming van West-Berlijn ging.

Chroesjtsjov gaf in augustus 1961 toestemming voor de bouw van de Muur. Kennedy zweeg en deed niets. Hij legde zich daarmee neer bij de ontstane situatie en accepteerde de deling van Duitsland.

4.3 Welke nationale ontwikkelingen tussen 1955 en 1961 bevorderden de bouw van de Muur?

  • De aantrekkingskracht van de BRD

De enorme economische groei ging door en de welvaart bleef stijgen, mede dankzij de EEG (Wirtschaftswunder).

Adenauer hield vast aan zijn verwachting dat de DDR ten onder zou gaan. Gezien de slechte economische situatie en de politieke onderdrukking in de DDR zou dit niet lang hoeven duren. Door de goede economische situatie in de BRD was daar volop werk voor de vluchtelingen uit de DDR.

Adenauer bleef, ondanks zijn hoge leeftijd, aan de macht. Bij de verkiezingen van 1957 verwierf hij een absolute meerderheid voor de christen-democraten.

  • De falende economie van de DDR

De DDR had een planeconomie en probeerde een eigen Wirtschaftswunder te creëren. Dit zou goed uitkomen in de ideologische strijd tegen de BRD. Maar de doelstellingen van verschillende centraal vastgelegde plannen werden niet bereikt, mede als gevolg van een gebrek aan kapitaal. Er was sprake van economische stagnatie in de DDR.

Vele DDR-burgers, onder wie een groot aantal jongeren, vluchtten naar de BRD. Naast economische motieven hadden de vluchtelingen ook politieke motieven voor hun vertrek.

4.4 De Berlijnse Muur, ijkpunt in de discussie over schending van menselijke waarden ?

Door de bouw van de Berlijnse Muur en incidenten die daarop volgden, leefde de naoorlogse ideologische discussie over waarden zoals deze zijn vastgelegd in de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties (1948), weer op. Beide Duitslanden betichtten elkaar van schending van menselijke waarden. Voor de DDR-autonteiten was de muur een verdedigingslinie tegen bewuste ondermijning van de volksdemocratie in de DDR. De vluchtelingenstroom was in hun ogen een onderdeel van een door de BRD georganiseerde mensenhandel. Voor BRD-burgers was de muur het bewijs dat de DDR een totalitaire staat was waarin mensen na 1961 waren opgesloten.

De discussie sloot aan bij de Koude Oorlogspropaganda van de jaren vijftig, waarin elk van beide Duitslanden de ander beschuldigde van gedragingen die herinnerden aan het nazisme.

5. Welke internationale en nationale ontwikkelingen leidden tot de 'Ostpolitik' van Brandt?

5.1 1969, een breuk met het verleden

In de BRD werd in 1969 Willy Brandt gekozen tot bondskanselier.

willy brandt

In de regeringsverklaring werd het bestaan van 'twee staten in Duitsland' feitelijk erkend. Willy Brandt wilde de verstarde Oost-West tegenstelling doorbreken en koos voor 'Wandel durch Annäherung'. Tevens wilde hij in het Oostblok de angst voor (West-)Duits revanchisme wegnemen. Aanvaarding van de sinds 1945 bestaande status quo en uitbreiding van de contacten met het Oosten moesten op den duur een Duitse hereniging mogelijk maken.

  • Brandts politiek kreeg de naam 'Ostpolitik'.

In de DDR wees partijleider Ulbricht deze gedachte af; hij streefde naar een volkenrechtelijke erkenning van de DDR.

5.2 Welke internationale ontwikkelingen tussen 1961 en 1969 maakten de 'Ostpolitik' van Brandt mogelijk?

  • Cubacrisis

In 1962 wilde Chroesjtsjov Cuba van offensieve raketten voorzien. Hij zou zo de militaire druk op de VS kunnen verhogen. Kennedy reageerde met een blokkade van Cuba. Uiteindelijk bereikten de VS en de SU een diplomatieke oplossing voor het geschil.

In de BRD groeide de kritiek op de VS, in het bijzonder op Kennedy die in vergelijking met 1961 (bouw van de Berlijnse muur) nu wel daadkrachtig optrad. Duitse politici gingen sterker twijfelen aan de bereidheid van de VS om West-Duitsland bij een daadwerkelijke oorlog tegen de SU te verdedigen. Werd het geen tijd voor een eigen buitenlands beleid inzake Oost-Europa? .

De Cubacrisis leidde tot een bezinning op atoomwapens. In 1963 kwam een verdrag over kernproeven tussen de VS en de SU tot stand. Er was sprake van een omslag; SPD-politici waaronder Willy Brandt, maakten van het verbeterde politieke klimaat gebruik om contacten met de DDR aan te knopen. Zij wilden de ontspanning in Europa begunstigen in plaats van afremmen.

  • Praag 1968

  • praagse lente

Lente in Praag 'Help de wissel is kapot' 1968

In 1968 leidde Alexander Dubcek de Praagse Lente in met de verklaring dat er ruimte moest zijn voor discussie op politiek gebied. Kritiek op het communistische regime zag Ulbricht als een directe bedreiging voor de DDR. Ulbricht wist Brezjnew en de andere Oostblokleiders te overtuigen; de Praagse Lente werd door een invasie van Warschaupacttroepen gesmoord. Als rechtvaardiging voor deze daad werd de Brezjnev-doctrine afgekondigd.

Het onderdrukken van de Praagse Lente en de Brezjnev-doctrine maakten Brandt duidelijk dat inzake de betrekkingen met de DDR via Moskou moest worden onderhandeld.

De ontvangst van de 'Ostpolitik' buiten Duitsland

In de VS ontstond de vrees dat de BRD met de 'Ostpolitik' los kwam te staan van het Atlantisch bondgenootschap en de speelruimte voor de VS in de relatie met de SU zou verkleinen. Door intensieve contacten met de VS te onderhouden, nam Brandt deze vrees weg.

Argwaan bij de Europese bondgenoten nam Brandt weg door zich samen met Frankrijk binnen de EEG in te zetten voor verdere Europese eenwording.

Er heerste wantrouwen in het Oostblok, gevoed door angst voor Duits revanchisme. Door bezoeken aan de SU en andere Oostbloklanden wilde Brandt dit wantrouwen opheffen. Zijn belofte een Europese veiligheidsconferentie te beleggen om de in Jalta bepaalde grenzen vast te leggen en de toezegging economische en technologische hulp aan de SU te bieden, maakten Brezjnew tot medewerking bereid.

5.3 Welke nationale ontwikkelingen tussen 1961 en 1969 maakten de 'Ostpolitik' van Brandt mogelijk?

  • Behoefte aan een nieuwe koers

Na 1961 verloor Adenauer geleidelijk zijn gezag; hij trad in 1963 af. De volgende kabinetten in de BRD werden geconfronteerd met groeiende ontevredenheid; de economie maakte voor het eerst sinds het 'Wirtschaftswunder' een periode van neergang door.

De naoorlogse generatie uitte zich in luidruchtig protest. Ze had veel kritiek op het democratische gehalte van de BRD, op de rol die de politieke leiders vroeger gespeeld hadden, op de passieve rol van haar ouders in het Derde Rijk, op de plaatsing van atoomwapens op Duits grondgebied en op de rol die de VS speelden in Vietnam.

Mede om aan de onvrede tegemoet te komen, koos de SPD voor een progressieve politieke koers, zichtbaar in leuzen als 'Mehr Demokratie wagen'. Betere contacten met de Oost-Europese landen pasten in deze koers. Deze contacten zouden ook de economie van de BRD te goede komen.

  • De positie van Ulbricht

Ulbricht was een fervent tegenstander van toenadering tot de BRD, zolang deze niet op de voorwaarden van de DDR kon plaatsvinden. Ulbrichts positie in de DDR en in het Oostblok was aanvankelijk sterk. Begin jaren zestig was de productiviteit in de DDR fors gestegen, de basislonen waren verhoogd en de levensmiddelenkaarten waren afgeschaft. Rond 1965 was er zelfs een klein Oost-Duits 'Wirtschaftswunder'; de productie van consumptiegoederen was verdrievoudigd en het openbaar voorzieningenniveau was gestegen. De DDR wilde binnen enkele jaren de BRD voorbij streven.

Eind jaren zestig liep dit 'Nieuwe Economische Systeem' vast in de Oost-Duitse bureaucratie en kapitaalschaarste. Het systeem had geen oplossingen kunnen bieden voor de problemen die inherent zijn aan een centraal geleide economie. De DDR moest om economische redenen het rijke westen en speciaal de BRD benaderen. Door zich daartegen te verzetten, ondergroef Ulbricht zijn machtspositie. In 1971 zou hij worden vervangen door Honecker.

int verhoudingen 1959

int verhoudingen 1982

legenda

6. Welke internationale en nationale ontwikkelingen plaatsten de BRD op de voorgrond in Europa?

6.1 1979, het NAVO-dubbelbesluit

Op aandringen van bondskanselier Schmidt en met steun van Frankrijk en Engeland kwam in december 1979 het NAVO-dubbelbesluit tot stand. De NAVO besloot met de SU te gaan onderhandelen over de middellange afstandswapens en legde vast dat de kernbewapening in West-Europa zou worden vernieuwd als de onderhandelingen zouden mislukken.

Opvallend was de centrale rol van Schmidt bij de voorbereiding en het totstandkoming van dit besluit.

6.2 Welke internationale ontwikkelingen tussen 1969 en 1979 droegen bij aan de toenemende invloed van de BRD?

  • Europese ontspanning

De BRD sloot tussen 1970 en 1972 verdragen met de SU, Polen en de DDR die de naoorlogse grenzen vastlegden. Deze staten konden vervolgens profiteren van een royale stroom D-markkredieten.

De meeste westerse landen erkenden daarop de facto de DDR als zelfstandige staat. BRD en DDR werden in 1973 lid van de VN.

Tussen de DDR en de BRD werden overeenkomsten gesloten over onder meer de bezoekersregelingen.

De Bondsrepubliek werd tot politiek-economische spil in West-Europa. De goede persoonlijke relatie tussen bondskanselier Schmidt en president Giscard d' Estaing van Frankrijk versterkte die positie. Beide leiders bleken het eens over de oprichting van het EMS ter bestrijding van de dollarcrisis en over de toenadering tot Oost-Europa, de detente. Binnen de optiek van Schmidt kon die toenadering alleen gestalte krijgen vanuit een sterke 'Westbindung' en vanuit een solide veiligheidspositie die op dat moment ter discussie stond.

  • De positie van de VS

De ondertekening van Salt-I met de Sovjet Unie in 1972, de terugtrekking van de Amerikanen uit Vietnam en het besluit van Carter om de NAVO het neutronenwapen uiteindelijk toch niet ter beschikking te stellen, vergrootten in West-Europa de angst dat de VS hun betrokkenheid bij Europa wilden heroverwegen.

Tegelijkertijd ontnamen de effecten van de zwakke dollar, het Watergate-schandaal en de inconsistente houding van Carter de VS het vanzelfsprekend leiderschap van het Westen.

  • Veiligheid in Europa

De installatie van SS-20 raketten, waarmee de SU zijn militaire machtspositie in Europa versterkte, was in strijd met de geest van de Slotakte van Helsinki, getekend tijdens de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (1975).

Kanselier Schmidt maakte in het najaar 1977 zijn zorgen over de Westduitse en de Europese veiligheid wereldkundig. Hij lanceerde een voorstel voor vernieuwing van de NAVO-bewapening én gelijktijdige onderhandelingen met de SU.

6.3 Welke nationale ontwikkelingen tussen 1969 en 1979 droegen bij tot deze nieuwe rol voor de BRD?

  • Een nieuwe 'Ostpolitik'

De 'Ostpolitik' was in het parlement en de politieke partijen omstreden, maar verkiezingen in 1972 toonden aan dat de bevolking deze door de SPD begonnen toenadering tot het Oostblok steunde.

De uitvoering van de 'Ostverträge' maakte de BRD tot een respectabel partner in West-Europa.

  • De positie van Schmidt

Schmidt zette de 'Ostpolitik' voort, maar kreeg met andere omstandigheden te maken dan Brandt. Hij zag de plaatsing van de SS-20's als reële bedreiging van de West-Duitse veiligheid en wilde daarom de toenadering voortzetten vanuit een sterke door de VS ondersteunde defensie.

Door de populariteit van de vredesbeweging, de economische recessie en het optreden van de Rote Armee Fraktion (RAF) ondervond Schmidt veel kritiek. Bij de verkiezingen in 1976 bleek de meerderheid van zijn coalitie fors geslonken.

In de jaren daaropvolgend liet Schmidt zich kennen als kundig diplomaat en compromisloos bestrijder van het linkse terrorisme. Zijn regering slaagde - eerder dan andere landen in Europa - er in door maatregelen de economische recessie in te perken.

7. Welke internationale en nationale ontwikkelingen verklaren de val van de Berlijnse muur?

7.1 9 november 1989, de val van de Berlijnse muur

Op 7 oktober 1989 werd in aanwezigheid van Gorbatsjov, de nieuwe leider van de SU, het veertigjarig bestaan van de DDR gevierd. Tegelijkertijd waren er massale demonstraties tegen de DDR-regering. Gorbatsjov drong aan op hervormingen en was niet bereid troepen van de SU ten gunst van het SED-regime in te zetten. Op 18 oktober werd Honecker vervangen door Krenz; Krenz kondigde ingrijpende hervormingen aan. De concessies gingen zover dat op 9 november de muur, en daarmee ook het ijzeren gordijn, 'viel'.

7.2 Welke internationale ontwikkelingen tussen 1979 en 1989 droegen bij tot de val van de muur?

  • Ontwikkelingen in Polen

De ontwikkelingen in Polen in de jaren tachtig maakten duidelijk dat het communistisch systeem niet onaantastbaar was. In de zomer van 1980 was er een stakingsgolf onder leiding van Lech Walesa. De stakers eisten stakingsrecht, een einde aan de censuur en recht op onafhankelijke vakbonden. De Poolse regering gaf toe en sloot overeenkomsten met de nieuwe vakbond Solidariteit. Spoedig daarna eiste Solidariteit ook politieke rechten.

Keer op keer moest de Poolse communistische partij toegeven; geleidelijk werd haar alleenheerschappij aangetast. De ontwikkelingen in Polen werkten in meer of mindere mate in andere Oostbloklanden door.

  • Perestroika en Glasnost gorby

De snel groeiende kosten van de wapenwedloop, de uitzichtloze oorlog in Afghanistan en de problemen rond de opvolging van Brezjnew zorgden voor een crisisstemming in de SU.

In 1985 werd Gorbatsjov de nieuwe partijleider in de SU. Hij wilde Perestrojka, diepgaande veranderingen in economie, politiek en samenleving; deze moesten gepaard gaan met Glasnost (openheid). Deze processen maakten veel los en dwongen Gorbatsjov tot drastische veranderingen in het beleid. Zo gaf de SU feitelijk haar leidende rol in het internationale communisme op en kregen de Oostbloklanden ruimte voor een eigen ontwikkeling. De Brezjnevdoctrine werd buiten werking gesteld. De groeiende onzekerheid bij leiders van een aantal Oostbloklanden voedde het openlijk verzet van oppositiegroepen in die landen.

houd de deur dicht

Gorbatsjovs openheid en bereidheid tot concessies maakten in 1987 het INF-akkoord mogelijk. Gorbatsjov hoopte vergeefs van de betere contacten met het westen te kunnen proberen en zo hervormingen in de SU en in de Oostbloklanden tot stand te brengen. Door zijn houding heeft Gorbatsjov het einde van het Oostblok versneld.

Het westen was niet voorbereid op het snelle einde van de Koude Oorlog in 1989. Zo twijfelde de regering-Kohl of de INF-akkoorden niet te ver gingen. Er ontstond in de BRD discussie over de 'Westbindung'.

7.3 Welke nationale ontwikkelingen tussen 1979 en 1989 droegen bij tot de val van de muur?

  • Het financieel-economisch bankroet

De betere contacten van de DDR met de BRD zorgden voor een constante geldstroom richting DDR en gaven de DDR beperkte toegang tot de EG-markt. Partijleider Honecker wilde deze geldstroom vergroten om alsnog een socialistische welvaartsstaat met een eigen DDR-nationaliteit te ontwikkelen. Tegenvallende opbrengsten van export naar het westen dwongen de DDR steeds meer lenigingen met het westen af te sluiten. Dit leidde tot een financieel-economische crisis; met de gevolgen daarvan werd de bevolking van de DDR in sterke mate geconfronteerd.

  • Het politiek-morele bankroet

Ondanks de liberalisering in de naburige Oost-Europese landen hield Honecker vast aan een orthodox communistische koers. Sinds de jaren zeventig werd met behulp van de Stasi elke vorm van oppositie onderdrukt door intimidatie en chantage en door 'Ausbürgerung" van dissidenten. Protest was alleen mogelijk in bijeenkomsten in kerkelijk verband.

In stilte groeide de ontevredenheid; steeds meer mensen stelden in kleine kring de legitimiteit van de DDR-regering ter discussie. Door uitzendingen van de Westduitse televisie en door andere contacten met het westen werd het gebrek aan vrijheid en welvaart steeds scherper gevoeld.

In de zomermaanden van 1989 dreigde een leegloop van de DDR; via Oost-Europese buurlanden kwam een vlucht naar de BRD op gang. Gelijktijdig vonden er in de DDR openlijk demonstraties plaats voor reisvrijheid, vrije verkiezingen en andere hervormingen. Het politiek-morele bankroet van de DDR-regering werd zichtbaar in de leuze 'Wir sind das Volk'.

8. Opnieuw discussie over Duitsland

8.1 1990, gemengde reacties op de Duitse eenwording

Helmut Kohl presenteerde een paar weken na de val van de Muur een plan om de Duitse eenwording mogelijk te maken. Dagelijks bezochten enkele duizenden burgers van de DDR de BRD en de roep om hereniging werd in de DDR steeds sterker ("Wir sind ein Volk"); in de BRD waren de reacties op dit plan gemengd. De eenwording voltrok zich in een stroomversnelling. Op 3 oktober 1990, nog geen jaar na de val van de Muur, werden de beide Duitslanden één staat.

Gedurende dat jaar was in Europa uiteenlopend gereageerd op het perspectief van een snelle eenwording. Bij de regeringen in Parijs en Londen kwamen herinneringen op aan de agressieve politiek die in het verleden door Duitsland als eenheidsstaat was gevoerd. Voor de SU was Oost-Duitsland oorlogsbuit en een veiligheidsgarantie geweest. Polen drong aan op een snelle erkenning van de Oder-Neisse als grens tussen Duitsland en Polen. Ook rees de vraag of een Duitse staat die door de eenwording een groter gewicht en meer bewegingsvrijheid zou krijgen, ingepast kon worden in de Europese verhoudingen van na de Koude Oorlog.

De VS hadden de minste bedenkingen tegen de eenwording. President Bush toonde groot vertrouwen in de stabiliteit van de Duitse democratie. Wel stelde hij als voorwaarde dat Duitsland na de eenwording lid zou blijven van de NAVO.

Kohl toonde zich zowel in de NAVO als binnen de Europese Unie een betrouwbare partner. Hij steunde het Amerikaanse standpunt en deed aan de Franse president Mitterrand de toezegging mee te willen werken aan de monetaire integratie in Europa. Een accoord over de oprichting van de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de invoering van de euro werd bereikt in het verdrag van Maastricht (1991).

8.2 Duitsland: een betrouwbare partner, maar geconfronteerd met te veel problemen?*

  • Nieuwe verhoudingen en de rol van Duitsland

De eenwording van de beide Duitslanden betekende het einde van het machtsevenwicht dat na de Tweede Wereldoorlog was ontstaan. Na het wegvallen van de Sovjet-Unie als de gemeenschappelijke vijand was het na 1990 niet meer vanzelfsprekend dat de VS in Europa de hoofdrol speelden. Bij de ontwikkeling van nieuwe verhoudingen in Europa kreeg Duitsland, alleen al door zijn ligging in Midden-Europa, zijn toegenomen bevolkingsaantal en in economische kracht, een nog belangrijkere rol.

  • Problemen

Hoewel van Duitsland een hoofdrol werd verwacht, bestond aan de andere kant het gevaar dat een te actieve politiek weerstanden zou oproepen die gevoed werden door herinneringen aan het Duitse expansionisme. Binnenlands bleek de integratie van de oostelijke deelstaten veel moeizamer te verlopen en meer geld te kosten dan werd gedacht. Gelijktijdig deden vooral de nieuwe democratieën in Midden-Europa in financieel opzicht een beroep op Duitsland. In de loop van de jaren negentig kreeg Duitsland bovendien met een grote werkloosheid te kampen, het gevolg van een stagnerende economie die om een grondige modernisering vroeg.

De vraag kwam op hoe de nieuwe Duitse eenheidsstaat op deze combinatie van eisen en verplichtingen zou reageren.

Literatuur

Historisch kader

Frits Boterman, Moderne geschiedenis van Duitsland 1800 -1990 (Amsterdam 1996).

Eberhard Jaeckel, Das deutsche Jahrhundert. Eine historische Balanz (Stuttgart 1996).

Christian Graf von Krockow, Die Deutschen in Ihrem Jahrhundert 1890 - 1990 (Reinbek 1990).

Hoofdvraag

Dennis L. Bark en David R. Gress, A History of West Germany. Volume I and II (Oxford 1993).

Frits Boterman en Willem Melching, De Duitse Phoenix. De geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw (Amsterdam 1996).

Mary Fulbrook, Anatomy of a dictatorship. Inside the GDR 1949 - 1989 (Cambridge 1992/New York 1995).

Christian Hacke, Die Aussenpolitik der Bundesrepublik: Weltmacht wider Willen? (Stuttgart 1997).

Jens Hacker, Der Ostblock. Entstehung, Entwicklung und Struktur 1939 - 1980 (Baden-Baden 1983).

Ronald Havenaar, Van Koude Oorlog naar nieuwe chaos 1939 - 1993 (Amsterdam 1993).

Wolfram F. Hanrieder, Deutschland, Europa, Amerika: die Aussenpolitik der Bundesrepublik Deutschland 1949 - 1994 (München 1995).

F. Wielenga, Schaduwen van de Duitse geschiedenis. De omgang met het nazi- en DDR-verleden in de Bondsrepubliek Duitsland (Amsterdam 1993).

Deelvraag 1 en 2

H. Graml, Die Allierten und die teilung Deutschlands. Konflikte und Entscheidungen 1941 - 1948 (Frankfurt am Main 1985).

C. Klessmann, Die doppelte Staatsgründung. Deutsche Geschichte 1945 - 1955 (Göttingen 1991).

Hans-Peter Schwarz, Vom Reich zur Bundesrepublik Deutschland im Widerstreit der aussenpolitischen Konzeptionen in den Jahren der Besatzungsherrschaft 1945 - 1949 (Stuttgart 1980).

Deelvraag 3 en 4

A. Düring-Manteuffel, Die Bundesrepublik Deutschland in der Aera Adenauer. Aussenpolitik und innere Entwicklung 1949 bis 1963 (Darmstadt 1988).

Manfred Hagen, DDR - Juni '53. Die erste Volkserhebung im Stalinismus (Stuttgart 1992).

Hans-Peter Schwarz, Adenauer. Der Aufstieg 1876 - 1952 en Adenauer. Der Staatsman 1952 - 1967 (Stuttgart 1986 en 1991).

Peter Siebenmorgen, Gezeitenwechsel. Aufbruch zur Entspannungspolitik (Bonn 1990).

Deelvraag 5, 6 en 7

Timothy Garton Ash, In naam van Europa. Duitsland en het gespleten continent (Amsterdam 1993).

Arnulf Baring, Machtwechsel. Die Aera Brandt-Scheel (Stuttgart 1982).

D.J. Elzinga, Een kleine flat in Leipzig. De ongehoorde waarheid over Oost-Duitsland (Amsterdam 1991).

G.J. Glaesner (red.), Die DDR in der Aera Honecker. Politik, Kultur, Gesellschaft (Opladen 1988).

Helga Haftendorn, Sicherheit und Stabilität. Aussenbeziehungen der Bundesrepublik zwischen Oelkrise und NATO-Doppelbeschluss (Stuttgart 1986).

Hans-Herman Hertle, Der Fall der Mauer. Die unbeabsichtigte Selbstauflösung des SED-Staates (Opladen 1996).

Heinrich Pothoff, Die 'Koalition der Vernunft'. Deutschlandpolitik in den 80er Jahren (Stuttgart 1995).

Deelvraag 8

M.C. Brands en R. Havenaar, 'De centrale plaats van Duitsland in de Europese politiek. Bindende kracht of bron van divergentie?', in: Challenges in the East (Den Haag 1995) 85-152.

W. Melching en L. Paul, De integratie van Oost en West Duitsland (Amsterdam 1997) docentenboek en leerlingenboek.

Rolf Oosterloo, De ondergang en overname van het andere Duitsland (Amsterdam 1994).

Casussen

- Deelvraag 2

U. Herbert en O. Groehler, Zweierlei Bewältigung. Vier Beiträge über den Umgang mit der NS-Vergangenheit in den beiden deutschen Staaten (Hamburg 1992).

Cl. Vollnhals (red.), Entnazifizierung. Politische Säuberung und Rehabilitierung in den vier Besatzungszonen 1945 - 1949 (München 1991).

- Deelvraag 3

A. Baring, Der 17. Juni 1953 (Stuttgart 1983).

Manfred Hagen, DDR - Juni '53. Die erste Volkserhebung im Stalinismus (Stuttgart 1992).

- Deelvraag 4

Willy Brandt, Erinnerungen (Frankfurt am Main 1989).

H.P. Schwarz, (Hrsg.), Berlin-Krise und Mauerbau (Bonn 1985).

-Deelvraag 5

G.J. Glaessner (Hrsg.), Die DDR in der Aera Honecker. Politik, Kultur, Gesellschaft (Opladen 1988).

D.J. Elzinga, Een kleine flat in Leipzig. De ongehoorde waarheid oer Oost-Duitsland (Amsterdam 1991).

- Deelvraag 6

Stefan Aust, Der Baader Meinhof Komplex (Hamburg 1987).

- Deelvraag 7

B. Faulenbach (Hrsg.), Die Partei hat immer recht. Aufarbeitung von Geschichte und Folgen der SED-Diktatur (Essen 1994).

F. Wielenga, Schaduwen an de Duitse geschiedenis. De omgang met het nazi- en DDR-verleden in de Bondsrepubliek Duitsland (Amsterdam 1993).