We hebben 299 gasten online

CSE Met de loep op Lancashire deel 1

Gepost in Europa

Inleiding

lancashire textiel gebied

Industrialisatie, machines en fabrieken. Als je de ogen sluit zie je schoorstenen met zwarte rook, grote gebou­wen met door opflikkerend vuur verlichte ramen. Je ziet kleine zwarte arbeidershuis­jes die tegen de fabrieksmu­ren aan zijn gebouwd. Op de achtergrond steken zwarte afvalbergen van steenkool­slakken scherp af tegen het donkere rood van de avond­schemering. De sissende en stampende machines wetenintussen van geen ophouden. Dag én nacht zwoegen de arbeiders. In het zweet des aanschijn verdienen zij hun dagelijkse brood.

Zulke fabrieken zijn er niet altijd geweest. Ook tijdgenoten die de eerste fabrieken zagen, viel het op dat hun wereld definitief aan het veranderen was. Een vrouw van een Engelse mijn­eigenaar schreef in 1775:

De Tyne-vallei waar ik woon zag er altijd groen en liefelijk uit. De hele streek is nu een bruine korst met hier en daar het zwarte gat van een mijnput, zodat ik niet langer kan pochen op ons fraaie uitzicht. Denton bijvoorbeeld heeft alles weg van een mieren­hoop: een immens aantal zwarte dieren in eeuwige bedrijvigheid. Bijna tachtig families werken daar, jongens al vanaf 7 jaar.

Wanneer en waarom gaven de bewoners van deze en vele andere groene valleien zich vrijwillig over aan de rokende schoorstenen, de `hellevuren' van de smederij en het eeuwigdurende gedreun van de machines?

Voor een antwoord op deze vraag moeten we terug naar het midden van de achttiende eeuw en op reis naar Noordwest-Engeland. We leg­gen vervolgens de loep op Lancashire en zien daar de eerste katoenfabrieken ont­staan. Daarna kunnen we gaan kijken welke gevolgen de komst van deze fabrieken heeft gehad voor het land­schap, de economie en de mensen die er hebben gewoond, gewerkt en geleefd.

Een Industriële Revolutie?

De bouw van de eerste fabrieken mar­keert het begin van de industrialisatie. Grote gebouwen werden neergezet om plaats te bieden aan watermolens of stoommachines. Die werden op hun beurt gebruikt voor het aandrijven van blaasbalgen in smelterijen en spin- en weefmachines in een katoenfabriek. Al snel waren de fabrieken niet meer uit het landschap weg te denken. Zij waren de vonk die de Industriële Revolutie deed ontbranden.

In de fabrieken gingen arbeiders aan de slag, die zich in ruil voor een schamel loon onderwierpen aan het tempo en de eisen van de machines. De aanvoer van extra voedsel moest worden geregeld want de arbeiders en hun gezinnen had­den geen lapje grond waar ze zelf hun voedsel konden verbouwen. Daar hadden ze bovendien geen tijd voor. In de omge­ving van de fabriek moesten huizen wor­den gebouwd want transportmiddelen om de arbeiders naar de fabrieken te ver­voeren, ontbraken. In een angstwekkend tempo verschenen nieuwe industrieste­den. De bevolkingsgroei, die in de land­bouwsamenleving eeuwenlang min of meer stabiel was gebleven, explodeerde. Zo zag een Duitser die in 1785 naar Manchester reisde tot zijn verbazing dat midden in een weiland een kerk werd gebouwd. Zijn Engelse medepassagier stelde hem gerust: 'The town will soon be here.'

Er moesten wegen worden aangelegd en kanalen gegraven om grondstoffen en steenkool naar de fabrieken te kunnen vervoeren en voor de afvoer van de pro­ducten die in de fabrieken werden geproduceerd. In de omgeving van Manchester werd in 1759 een peperduur kanaal gegraven met een bevaarbaar aquaduct! De bouwer, de hertog van Bridgewater, verdiende de kosten echter snel terug. De steenkool uit zijn mijn kon hij nu winstgevend in Manchester verkopen voor de helft van de oorspronke­lijke prijs. Ook het vervoer over langere afstanden nam enorm toe. De katoen die in de fabrieken rond Manchester werd verwerkt, was grotendeels afkomstig uit West-Indië en werd behalve op de Engelse thuis- markt voor een deel ook ver kocht in Europa en het verre Amerika. De eeuwenoude markt op het dorpsplein voor de kerk had gezelschap gekregen van een anonieme wereldmarkt.

Duidelijk is dat de industria­lisatie veel méér was dan enkel de komst van fabrie­ken. Het was een veelomvat­tend en complex proces dat zich geleidelijk ontwikkelde. Enerzijds is het daarom niet juist om te spreken van een revolutie want het was immers geen plotselinge omslag. Anderzijds veranderden de samenleving en de natuurlijke omgeving — het milieu — onherkenbaar en onomkeerbaar. Met horten en stoten kwam er een aanhou­dende economische groei op gang zoals de wereld voorheen nooit gekend had. In dat opzicht is het gebruik van de term `revolutie' dus wel op zijn plaats.

 De onverbiddelijke vrije markt

De komst van de fabrieken had vooral voor de traditionele nijverheid ingrijpen­de gevolgen. Het gebruik van steeds betere weefmachines resulteerde in steeds lagere textielprijzen. Daardoor kwamen de handwevers in grote finan­ciële problemen. Bovendien was fabrieksarbeid niet met handwerk te ver­gelijken. Terwijl de ambachtslieden en handwerkers vaak een goede vakoplei­ding hadden gehad en zelfde kwaliteit en hun werktempo bepaalden, was het werk in de fabriek eenvoudig en eenco- nig. Veel werk kon zelfs het best door ongeschoolde vrouwen en kinderen wor­den verricht. De econoom Adam Smith constateerde dat machines het werk ver­kortten en vergemakkelijkten maar ze hadden ook een keerzijde:

'Iemand die zijn hele leven doorbrengt met het uitvoeren van een paar simpele handelingen waarvan de effecten wellicht ook altijd dezelfde zijn (...) wordt in het algemeen zo stompzinnig en onnozel als een mens maar worden kan'.

Toch bleken de veranderin­gen niet meer te stoppen. Zo gauw de vrije markt een

grotere rol ging spelen nam de ijzeren wet van vraag en aanbod de regie in de eco­nomie over. Lagere prijzen van fabriekskatoen maakten het mogelijk dat steeds meer mensen katoenen kle­ren konden kopen. En die nieuwe kopers waren noodgedwongen vooral geïnteresseerd in een lage prijs. Zo steeg de , vraag naar fabriekskatoen en dus ook naar fabrieksarbeiders. Kwaliteit en vak­manschap leken hun beste tijd te hebben gehad. Veel handwerkers kwamen er achter dat de vrije markt een onverbidde­lijke meester was. Naar hun dure hand­werk was nog nauwelijks vraag, hen restte slechts de gang naar de fabriek.

Engeland zet de toon

De eerste stoommachines en de eerste fabrieken maakten Engeland tot het eer­ste geïndustrialiseerde land. Rond 1850 stond het land aan de top van haar industriële macht en tot ongeveer 1875 zou het land ook koploper blijven. Daarna werd het naar de industriële kroon gestoken door de Verenigde Staten en Duitsland. Ook de meeste andere West-Europese landen industrialiseerden in de loop van de negentiende eeuw. Evenals in Engeland ontstonden daar geïndustrialiseerde katoenregio's met handel overzee. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de Twentse katoenindus­trie. Toch was Engeland uniek omdat daar de industrialisatie begon. Hoe is de komst van die eerste Engelse machines te verklaren?

Een simpel antwoord op deze vraag is niet te geven. Het is duidelijk dat allerlei veranderingen een rol hebben gespeeld. Het is moeilijk uit te maken wat nu pre­cies die Industriële Revolutie heeft veroorzaakt.

In ieder geval had Engeland rond 1750 een gunstig ondernemersklimaat. Het land was de grootste koloniale macht en had als voordeel dat grondstoffen als katoen gemakkelijk van overzee konden worden aangevoerd. Bovendien waren sommige ondernemers door de kolonia­le handel rijk geworden zodat er behoor­lijk wat kapitaal beschikbaar was voor nieuwe investeringen. Tot slot speelde een rol dat in Engeland het liberalisme 'steeds meer aanhangers kreeg.

Veelkooplieden beweerden dat het goed was als zij in vrijheid hun ondernemingen tot bloei konden brengen. Baar zou ieder­een beter van worden; zij zelf, het vaderland en uiteindelijk zelfs het hele volk.

Maar ook andere factoren hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de Industriële Revolutie.

Op het Engelse platteland gingen moderne boeren al vroeg over op specia­lisatie en zij werkten graag met moderne landbouwwerktuigen om op arbeidskos­ten te sparen. Deze welvarende boeren waren in feite op winst gerichte onder­nemers die produceerden wat de markt vroeg. Door specialisatie steeg de land­bouwproductie en daardoor kon ook de bevolking groeien. Aansluitend begon toen ook de vraag naar bijvoorbeeld goedkope kleding toe te nemen.

Tot slot heeft het een belangrijke rol gespeeld dat de Engelsen aan het begin van de achttiende eeuw te maken kregen met een tekort aan hout als brandstof. Door van steenkool cokes te maken werd steenkool geschikt gemaakt als brand­stof voor de productie van ijzer. Toen men bij het delven van steenkool gebruik ging maken van stoommachines om het water uit de mijnen te pompen, was de cirkel rond. Energieschaarste, toene­mende mijnbouw en het gebruik van stoommachines bleken als schakels in de ketting van de industrialisatie te passen.

De loep op Lancashire

Een van de sectoren die het sterkst door de industrialisatie zou veranderen, was de textielnijverheid. De steeds moderne­re spin- en weefmachines brachten een ongekende productiviteitsstijging teweeg. Lancashire in het noordwesten van Engeland was het eerst aan de beurt. De regio kende al sinds de dertiende eeuw een florerende textielnijverheid. De komst van Vlaamse vluchtelingen die tijdens de Opstand in de zestiende eeuw de Nederlanden ontvluchtten, bracht een bloeiende lakenhandel naar de regio.

Lancashire maakte een grote sprong voorwaarts toen het zich eind zestiende eeuw ging concentreren op bombazijn, een nieuw weefsel dat gemaakt werd door een linnen schering te combineren met een katoenen inslag. Juist voor de verwerking van katoen was Lancashire ideaal. Veel textielwerkers hadden volop ervaring met linnen en er was al een complex handelsnetwerk van productie, opslag en verkoop voorhanden. Omdat vlas voornamelijk vanuit Ierland kwam en katoen in die beginjaren vooral uit Amerika werd aangevoerd, kende Lancashire een gunstige ligging. Bovendien waren de lonen er niet hoog. Door de schrale grond was men gewend aan een armoedig bestaan en de gilden van textielwerkers met hun vele bescher­mende regels in dit landelijke gebied, hadden niet veel invloed weten te bemachtigen. Tot slot was het vochtige klimaat zeer geschikt om katoen tot dra­den te spinnen.

Zo bracht de combinatie van een hoog ontwikkelde traditionele textielindustrie, lage lonen en een gunstige ligging Lancashire na 1750 in een unieke indus­triële stroomversnelling die de gehele samenleving op drift deed raken. 

Welke invloed had de ontwikkeling van de katoennijverheid op landschap, eco­nomie en samenleving in Lancashire?

 1 Lancashire aan de vooravond van de Industriële Revolutie

Inleiding

Tussen de inhammen van de Ribble in het noorden en die van de Mersey in het zuiden ligt het hart van het graafschap Lancashire. De grootste steden in dit gebied zijn Lverpool, de havenstad aan de Mersey in het zuidwesten en Manchester, een oude textielstad in het zuidoosten.

Door de ligging aan de westkant van Engeland is Ierland niet ver maar zelfs het verre Amerika lijkt er relatief dichtbij. De overheersende westenwinden maken het tot een vochtig gebied waar het maar liefst twee keer zoveel regent als in het veel oostelijker gelegen Londen. Ine westelijke kuststreken zijn vrij vlak maar meer naar het westen beginnen al de uitlopers van het Penninisch Gebergte.Dit gebergte met zijn vele in westelijke richting stro­mende riviertjes scheidde de streek vroeger enigszins van de rest van Engeland. Voor handelaren was Lancashire het makkelijkst te bereiken via zee. het gebied was rijk aan steenkool en er werd ook ijzererts gevonden.

In 1750 domineerde in Lancashire nog de land­bouw maar rond 1850 stond het bekend om zijn talrijke textielfabrieken. Binnen honderd jaar was het landbouwgebied veranderd in de eerste industriële samenleving.

Wat waren de belangrijkste kenmerken van de samenleving in Lancashire rond 1750?

1.1  Boeren en burgers

Rond 1750 werd Lancashire voorname­lijk bevolkt door kleine boeren. Tussen de rivieren, beken en moerassen lag schrale grond die vooral werd gebruikt voor akkerbouw. De meeste bedrijfjes leverden weinig op en bleven klein. De boeren produceerden deels voor zichzelf en deels voor de markten in naburige stadjes. Er waren ook boeren die zich hadden toegelegd op veeteelt, meestal omdat hun grond voor akkerbouw te nat was. Zij specialiseerden zich noodge­dwongen in de productie van melk, kaas en vlees en waren wat meer op de markt gericht dan hun akkerbouwende streek­genoten. Hun aantal was niet groot en deze bedrijfjes waren niet te vergelijken met de grote, marktgerichte veeteeltbedrijven van sommige grootgrond­bezitters elders in Engeland. Enkel in het noorden en in het westen waren de omstandigheden wat gunstiger en waren wat grotere bedrijven ontstaan.

De omvang van de bedrijven was in de loop van de zeventiende eeuw zelfs afgenomen. De bevolking was gestaag gegroeid en de bedrijfjes waren door vererving veelal opgedeeld tussen meerdere zonen. Bovendien hadden de boeren in Lancashire— net als overal elders in Engeland – te maken gekregen met de enclosure-wetten. Deze wetten maakten het mogelijk dat woeste gronden of door de boeren gemeenschappelijk gebruikte gronden privé-bezit werden. Zo kon het gebeuren dat een landheer zijn`slapend' eigendomsrecht op gemeenschappelijke grond deed gelden en er plotseling een hek om heen liet zetten. Een stukje bos veranderde dan in een weiland en werd voor de varkens van de dorpelingen ver­boden gebied. De landeigenaar kon ook besluiten een gedeelte van zijn grond te gelde te maken door het in de verkoop te doen. Voor de boeren was het eindresul­taat hetzelfde: pachtcontracten werden niet verlengd, boeren moesten verhuizen en het werd steeds moeilijker om nog dieren te laten grazen, hout te sprokkelen of eikels te verzamelen.

De enclosure-wetten maakten zo een eind aan een eeuwenoud ongeschreven gewoonterecht waar de boeren voordien altijd van geprofiteerd hadden. Vooral de kleinste boeren en d elandarbeiders waren afhankelijk geweest van de inmiddels omheinde gemeenschappelijke gronden. door deze enclosurers of omheiningen moesten zij op soek naar andere middelen van bestaan.

Behalve door boerderijtjes werd het platteland van Lancashire ook gekenmerkt door kleine mijnen. In de bodem zat veel steenkool en hier en daar ook ijzererts. Bij zo'n mijn lag vaak een smederij waar ijzererts tot smeedijzer werd verwerkt. Door steeds hogere ovens te bouwen werd het in de eerste helft van de acht­tiende eeuw ook mogelijk om ijzererts te smelten en te verwerken tot gietijzer. Gietijzeren pannen, haardplaten of zelfs kanonnen waren weliswaar minder sterk dan smeedijzeren versies, maar ze waren wel goedkoper. Sommige ondernemers waagden de sprong in het diepe. Met van familie en vrienden geleend geld open­den ze een kleine mijn waarbij al snel een hoogoven verrees. Deze hoogovens werden tot 1700 gestookt met houtskool waardoor de bossen in rap tempo ver­dwenen. Toen men erin slaagde van steenkool cokes te maken, konden de overvloedig aanwezige steenkoolvoorraden worden gebruikt als brandstof voor de ijzersmelterijen. Met het nieuwe cokes-ijzer was goed geld te verdienen en ook de groeiende vraag naar steen­kool klonk de mijneigenaren van Lancashire als muziek in de oren.

Hoewel het grootste deel van de bevol­king van Lancashire in dorpen en gehuchten woonde, waren er ook ste­den. De meeste steden zoals Preston, Blackburn, Wigan of Bolton waren klein, met tussen de 2000 en de 5000 inwo­ners. Maar er waren twee uitzonderin­gen: in Manchester leefden rond 1750 al zo'n zo 20.000 mensen en in Liverpool zelfs 26 000. Manchester had al een verleden als textielstad en bekende textielhande­laren als de familie Chetham verhandelden linnen, laken en katoen. Zij waren rijk geworden door tussenhandelaren met vlas en ruwe katoen naar de boeren op het platteland te sturen en vervolgens de in de huisnijverheid geweven textiel te verkopen aan handelaren in het verre Londen.

Liverpool was eerst en vooral een havenstad, gericht op Ierland en Amerika. Het achterland was voor Liverpool niet onbe­langrijk. De textielhandelaren kregen hun vlas uit Ierland en hun katoen uit Amerika immers via de haven van Liverpool. Daarnaast verdienden Liverpoolse ondernemers veel geld aan de koloniale handel en de slavenhandel.

1.2 De hele familie aan het werk

Aanwijzingen voor een marktgerichte textielproductie in Lancashire dateren al uit de dertiende eeuw. Het ging toen vooral om de bewerking van wol tot laken, een wollen weefsel met een vervilt oppervlak, Een wet uit 1566 bepaalde dat de lakeninspecteur in diverse steden een plaatsvervanger mocht aanwijzen om de noodzakelijke kwaliteitscontrole van geproduceerde laken uit te kunnen voe­ren. De hoeveelheid werk was hem ken­nelijk boven het hoofd gegroeid!

Naast de lakennijverheid was ook de, productie van linnen aanzienlijk. Via Chester en Liverpool werden vlasgarens uit Ierland aangevoerd terwijl er ook vlas werd verbouwd in het westen van Lancashire zelf. In de zestiende eeuw groeide Manchester uit tot textielstad nummer één waar zowel linnen als laken werd geproduceerd. Mede door samen­werking met kapitaalkrachtige en erva­ren handelspartners uit Londen werd `Manchester stof in heel West-Europa beroemd.

De tweede helft van de zestiende eeuw gaf ook de opkomst te zien van de zeer winstgevende productie van bombazijn, een mengweefsel van linnen en katoen. De katoen werd in ruwe vorm ingevoerd en daarna op primitieve spinnewielen tot garen gesponnen. Daarna werd het geweven waarbij de katoenen draad gebruikt werd als inslag en de steviger linnen draad als schering. Het eindresul­taat was een wat ruwe stof die veel goed­koper was dan laken maar soepeler dan linnen. In plaatsen als Oldham, Bolton en Blackburn overvleugelde bombazijn al snel de traditionele lakenhandel. Lancashire bewees buitengewoon geschikt te zijn voor de bewerking van de geïmporteerde katoen. Geen enkele andere streek in Engeland combineerde een vochtig klimaat, een hoogontwikkel­de linnennijverheid, ervaren spinners en wevers en een goed uitgewerkt handels­netwerk voor textiel. Daar kwam nog bij dat eeuwenoude gildenregels en wetten als de Calico Act van 1721 in het landelijke en afgelegen Lancashire niet golden zodat de lonen er lager waren dan elders in Engeland.

Het spinnen en het weven van de stoffen gebeurden vooral door boeren en land­arbeiders op het platteland. In steeds meer huisjes werd de grootste kamer gevuld met een spinnewiel en een weefgetouw die steeds meer de dagelijkse gang van zaken binnen het boe­rengezin gingen bepalen. Textielondernemers uit de stad maakten zo gebruik van de traditionele huisnij­verheid, door ze te combi­nren met een zogenoemd 'Putting-out-system. De ondernemers kochten wol, vlas en katoen en lieten tussenhandelaren die grondstoffen of halffabrikaten naar de boeren brengen en ze na bewerking weer ophalen. De boeren vaak familie van de tussenhandelaren en ondernemers, waren graag bereid tot thuiswerk want gedurende de winter­maanden was er op het land maar weinig te doen. Maar ook in de andere maanden waren extra inkomsten méér dan wel­kom. Veel boerenfamilies konden van hun kleine bedrijfje alleen niet leven. Een rapport uit 1634 verwijst zelfs naar:

"De armere mensen uit de buurt van Preston die het hele jaar rond huis vlas spinnen en weven en enkel nog in de oogsttijd buitens­huis werken".

Persoonlijke contacten en familierelaties tussen de tussenhandelaren en de gezinsvaders zorgden voor het nodige onderlinge vertrouwen. Bedenk dat ban­ken nog niet bestonden en diefstal of vernieling van dure grondstoffen moei­lijk te controleren was.

Binnen de gezinnen van de thuiswerkers gold een strikte arbeidsverdeling. Mannen en oudere jongens weefden, de vrouwen en de meisjes sponnen en de kleinere kinderen zorgden voor het schonen van de katoen, het kaarden en het opklossen van de garens. Door zo samen te werken leerden de kinderen de werkzaamheden van hun ouders en vie­len opvoeding en opleiding eigenlijk samen. De thuiswerkers werkten tegen stukloon maar waren meer uit op bestaanszekerheid dan op een zo hoog mogelijk inkomen. De inkomsten waren overigens zo laag dat ook maar weinig winst gemaakt kon worden.

Sommige ondernemers dachten dat het moeizame heen en weer reizen op het platteland best vermeden kon worden. Zij lieten grote hallen bouwen en plaat­sten daar hun weefgetouwen in.  Dat bood nog meer voordelen: de arbeiders konden zo beter worden opgeleid door gespecialiseerde leermeesters. Bovendien was er zo meer controle mogelijk op diefstal of knoeierij. Deze textielateliers of manufacturen leidden wel tot hogere vaste kosten en dus tot grotere risico's. George Strickland, een ondernemer, was bereid dat risico te nemen en bouwde een hal groot genoeg om aan één kant een rij weefgetouwen van verschillende soort neer te zetten en aan de andere kant een grote ruimte open te houden waarin door vrouwen en kin­deren gesponnen kon worden. (...) Eens gaf deze onderneming werk aan honderdvijftig personen, maar de achteruitgang van de stoffenexport had tot gevolg dat dit aantal, naar ik meen, nu minder dan twaalf bedraagt.

1.3 De opmars van de katoen

Na 1750 begon de productie van katoe­nen stoffen snel te groeien.

In de jaren na 1770 werd het bombazijn geleidelijk vervangen door 100 procent katoenen stoffen. Katoen was soepeler en dus prettiger om te dragen, kon goed, worden gewassen, liet zich zonder pro­blemen glad strijken en kon gemakkelijk worden gekleurd en bedrukt. Veranderingen in het modebeeld droe­gen verder bij aan de groeiende popula­riteit van katoenen boven- en onderkle­ding. Zelfs de betere kringen maakten snel de overstap naar deze nieuwe stof­fen.

Door het toenemende gebruik van spin­machines namen de arbeidskosten snel af en werd katoen steeds goedkoper. Wat oorspronkelijk een luxe uit Indië geïmporteerde stof was geweest werd langzaam maar zeker voor steeds grotere groepen betaalbaar. Bovendien waren de kwaliteit en de wasbaarheid van de nieuwe stoffen zodanig verbeterd dat zich na 1770 voor het eerst een omvangrijke handel in tweedehands kleding ging ontwikkelen. Dit leidde tot een verdere verlaging van de prijzen en dus tot een nog grotere afzetmarkt. Daar kwam nog bij dat het aantal katoenplantages in West-Indië en Klein-Azië werd uitgebreid waardoor het aanbod groeide en de inkoopprijzen begonnen te dalen. Een lap katoen die in 1780 nog vier Engelse ponden kostte, bracht in 1850 nog maar vijf shilling op. Een prijsdaling van bijna negentig procent!

A WATT engine of 1787, equipped with rotatory motion and the engineer's patent governor. The boiler is on the extreme left, supplying steam to the cylinder, whose piston raises and lowers the beam which turns the big wheel. Bron http://www.cottontimes.co.uk

In de beginjaren verkochten de textiel­ondernemers de katoenen stoffen gro­tendeels op de Engelse thuismarkt. De afzet was niet moeilijk door de groei van de bevolking. De vraag naar kleding en dus ook de vraag naar katoen nam gestaag toe. Het toenemende gebruik van machines had echter ook internationale gevolgen. Engelse katoen werd in vergelijking met katoen die in andere landen op meer tra­ditionele manieren werd geproduceerd, steeds goedkoper. Bovendien kregen de machinaal geproduceerde garens een steeds fijnere kwaliteit die nog aan de groeiende populariteit van Engelse katoen bijdroegen.

Voor Lancashire bood de machinale productie dus enor­me afzetmogelijkheden overzee en vanaf 1790 zien we dan ook een snelle stijging, van de export van bewerkte katoen. De katoennijverheid bood steeds meer mensen werk. Overalw aren spinners enw evers actief om aan de snel groeiende vraag te voldoen. Rond 1800 was maar liefs een van de vier arbeiders in Lancashire als handwever actief en in sommige plaatsen zelfs meer dan de helft.

De katoennijverheid had volop geprofiteerd van gunstige Engelse ondernemingsklimaat en de daarmee samenhangende nieuwe uitvindingen. De steenkoolmijnen en de ervaring in het gebruik van stoommachines om water uit de mijnen te pompen stimuleerden ook de voortdurende mechanisering en modernisering in de katoen industrie. Na 1800 zou de stoommachine ook zijn opwachting maken in de textielindustrie en zouden steeds meer fabrieken verschijnen. Voorlopig kon het succesvolle 'putting-out-system' de groeiende markt nog bedienen. De unie­ke mogelijkheid om zonder veel investe­ringen en risico's in de huisnijverheid een succesvolle onderneming te starten had de textielindustrie explosief doen groeien en begon Lancashire al onher­kenbaar te veranderen.

2 Lancashire onder de rook van de machines

Inleiding

stoom machine watt

Na 1770 hadden de manufacturen hun beste tijd gehad. De op handkracht aan­gedreven machines uit de huisnijverheid kregen concurrentie. Grote, kolenvre­tende en vuurspuwende stoommachines uit de kolenmijnen werden getemd en geschikt gemaakt voor de aandrijving van verbeterde spinmachines. Ook loco­motieven, schepen en zelfs primitieve auto's werden voorzien van stoomaan­drijving. Textielfabrikanten werden min­der afhankelijk van wind-, water- en spierkracht en produceerden met moderne machines zo goedkoop moge­lijk, zoveel mogelijk katoen. Manufacturen en werkplaatsen groeiden zo uit tot heuse fabrieken waarbinnen de stoommachine een centrale plaats innam. De combinatie van spinmachi­nes, stoomaandrijving en groeiende win­sten bleek onweerstaanbaar. Het aantal fabrieken in Lancashire nam in aantal en omvang sterk toe.

Door de aanvoer van nieuwe arbeiders die in de fabrieken gingen werken, ont­stonden nieuwe stadjes en groeiden de reeds bestaande steden. Groeiende bestaansmogelijkheden deed het aantal inwoners van Lancashire binnen hon­derd jaar verdriedubbelen. Deze onge­kende groei bracht een stroom van nieu­we mogelijkheden, uitdagingen en pro­blemen met zich mee. Het Lancashire van 1850 was een heel ander gebied dan de rustieke, landelijke streek die het rond 1750 nog was. In dit hoofdstuk richten we ons daarom op de vraag:

Hoe beïnvloedden de veranderingen in de katoennijverheid het platteland van Lancashire?

2.1 Van spinnewiel tot fabrieksschoorsteen

De groeiende Engelse bevolking en de enorme markt overzee leidden tot een stijgende vraag naar textiel. Ondernemers, handelaren en wevers zouden veel meer kunnen verdienen als ze maar voldoende katoengaren konden kopen van de spinners. Maar het aantal spinners was beperkt en één wever had al snel vier of vijf ijverige spinners nodig om hem van draad te voorzien. Deze rem op verdere economische groei bracht de Royal Society of Arts (Koninklijk Genootschap voor Techniek) ertoe een beloning uit te loven aan degene die een machine wist te ontwerpen die zes dra­den tegelijk zou kunnen spinnen. Al gauw demonstreerden verscheidene uit­vinders hun machines maar geen enkele voldeed. De ene was te groot, de ander trok de draden stuk en de derde was al in elkaar gezakt voor de demonstratie was begonnen. Toch gingen de uitvin­ders door, al raakte de prijsvraag bijna vergeten, maar de behoefte aan een nieuwe spinmachine werd intussen steeds sterker. Een winstgevend patent op een goed functionerende spinmachi­ne bleef uitvinders verleiden tot nieuwe pogingen.

In 1764 was het eindelijk raak: James Hargreaves plaatste 16 spindels naastelkaar en bracht deze aan het draaien door een groot liggend wiel. Er konden voortaan zestien draden tegelijk gespon­nen worden. De nieuwe, betrekkelijk simpele machine werd `spinning engine' genoemd wat al snel verbasterde tot `Spinning Jenny'.

THOMAS HIGHS'S spinning jenny, an illustration from Edward Baines's History of the Cotton Manufacture in Great Britain.

De ondernemers aarzelden niet de machine aan te schaffen; het spinnen ging voortaan veel sneller en dus veel goedkoper. In 1784 waren er al 20.000 `Spinning Jennies' in gebruik. Toch had de een­voudige `Jenny' zijn beper­kingen het spinnen moet vaak worden onderbroken worden om op te klossen en de draad die zo werd gesponnen, was wat grof en brak snel. Zij kon wel goed worden gebruikt als inslagdraad maar als schering was zij eigenlijk te zwak.

Beide problemen werden vier jaar later opgelost door de uitvinding van het`waterframe', een nieuwe en grotere spinmachine van Richard Arkwrright.  Deze machine kloste zelf op en produceerde een grove maar sterkere draad. Deze sterke katoenen draad kon zowel voor inslag als voor schering gebruikt worden en voor het eerst kon er in Engeland zuivere katoen worden gesponnen. Door zijn omvang moest het `waterframe' wel worden aangesloten op water-, of (wat later) stoomkracht.

De derde belangrijke nieuwe spinmachine was afkomstig van Samuel Crompton. Hij ontwikkelde in 1779 een machine die een fijne maar toch sterke draad kon spinnen. Omdat deze machine eigenlijk weer een soort kruising was van de `Jenny' en het `waterframe' werd ze genoemd naar de muilezel, een kruising van een ezel en een paard. Zo'n 'muile­zel' telde al snel zo'n negenhonderd spindels en een geoefende muilezelspin­ner spon maar liefst driehonderd keer zoveel garen als een spinner aan een spinnewiel! Omdat alleen een ervaren wever de `muilezel' optimaal kon gebrui­ken, groeiden muilezelspinners uit tot de nieuwe elite onder de arbeiders. Maar de vooruitgang stond niet stil       en de komst van de automatische muilezel van Roberts in 1830 maakte de vakkunde van deze spinnerselite alweer overbodig.

Uiteindelijk leverde de technologische vernieuwing een enorme productietoe­name en was de voortdurende moderni­sering van de machines onomkeerbaar.

Arkwright wist dat zijn machine te groot en te zwaar, was voor huisspinners. Hij betrok daar­om al in 1771 een heuse spinfabriek in Cromford. De aandrijving van de machi­nes gebeurde aanvankelijk met watermolens en de fabriek werd daarom 'mill' genoemd. Om de duurdere gebouwen en machines terug te kunnen verdienen moest er in zijn fabriek dag en nacht gewerkt worden. De spinners gebruikte kaarsen maar in 1805 kreeg de fabriek gaslicht. Dat bleek de stookkosten met maar liefst 70 procent te verlagen.

Andere ondernemers volgden het voor­beeld van Arkwright en bouwden ook zo'n 'mill' maar sommigen bouwden hun fabriek niet langer aan het water. Vanaf 1782,konden zij bij de machinefa­briek van Boulton & Watt een heuse op en neer gaande beweging van een door stoom samengeperste zuiger via een krukas een draaiende beweging die weer kon worden gebruikt om spinma­chines te laten draaien. Deze nieuwe fabrieken waren niet langer afhankelik van wind of water maar van de aanvoer van steenkool. Zo goeide het aantal stoommachines.

Voor sommige thuiswevers was het nog een bijverdien­ste maar een snel groeiend aantal weefde het hele jaar door. Een ervaren en handi­ge wever kon in zijn eigen huis best een behoorlijk inkomen bij elkaar weven. In 1784 bouwde dominee Cartwright de eerste echte weefmachine maar die func­tioneerde eigenlijk pas naar behoren rond 1803. Vanaf toen deed de weefma­chine bijna alles automatisch het wer­pen van de spoel door de schering, het aandrukken van de inslagdraad en het opdraaien van het geweven doek. Toen een nieuwe generatie weefmachines werd aangesloten op stoommachines en zelfs in staat bleek ook fijne weefsels te maken, was dit de nekslag voor de thuis­wevers. De handwevers waren zo boos over deze in hun ogen oneerlijke concur­rentie dat ze de nieuwe machines zelfs met hamers te lijf gingen. Uiteindelijk leverde dat maar bitter weinig op. Net als de vakbekwame muilezelspinners decennia eerder zagen de handwevers hun inkomsten snel dalen. Uiteindelijk moesten ook zij noodgedwongen naar de fabriek. Ook de handwevers werden zo ingehaald door de techniek.

2.2 Kleine stadjes worden groter

Zie onderstaand voorbeeld van de ontwikkeling van de steden Liverpool en Manchester

 

Liverpool

Manchester

1700

6.000

8.000

1750

22.000

18.000

1800

83.000

84.000

1850

376.000

303.000

 

 

 

De opkomst van de stoommachines betekende het begin van het einde van de huisnijverheid op het platteland van Lancashire. Niet alleen het spinnen en het weven maar ook het kaarden, het vollen, het bleken en het bedrukken van de katoen werden steeds meer gemecha­niseerd. Al snel werden stoommachines ingezet voor de noodzakelijke aandrij­ving. Overal startten ondernemers fabrieken in de hoop op toekomstige winsten.

In Bolton, een slaperig provinciestadje ten noordwesten van Manchester, werd de eerste stoommachine pas in het jaar 1800 in gebruik genomen. Bolton was van oudsher beroemd om zijn fijne katoengarens en dus niet toevallig de woonplaats van Samuel Crompton, de uitvinder van de `muilezel'. Mede door deze bekende plaatsgenoot legden zelfs de beroemde thuisspinners uit Bolton en omgeving het uiteindelijk af tegen de moderne `muilezels'. Na 1820 nam het aantal stoommachines er snel toe en kon in Bolton zelfs een voornamelijk een op de katoennijverheid gerichte machinebouwindustrie tot bloei komen

In deze nieuwe fabrieken werden steeds betere en omvangrijkere muilezels ont­wikkeld die voor een deel in de eigen stad verkocht werden maar die ook op de nationale en zelfs op de internationale markt werden afgezet. Uiteindelijk deden in Bolton de muilezels bijna geheel automatisch hun werk. De huisnijverheid in de omgeving van de stad was toen al bijna verdwenen, de meeste thuisspinners waren noodge­dwongen bij de fabrieken aan de rand van de stad komen wonen.

Behalve de roem van de fijne katoenen garens had Bolton ook nog het voordeel van de steenkolenmijnen in de omge­ving. Een deel van de steenkool werd verstookt in de `eigen' stoommachines maar na 1828 kon de steenkool via de nieuwe spoorlijn naar Manchester en Liverpool worden vervoerd. De treinver­binding bracht de groei van het stadje in een stroomversnelling. Katoenen garens, bewerkte katoenen weefsels, steenkool en textielmachines konden voortaan gemakkelijker worden afgevoerd. Steden als Manchester en zelfs de verre wereldstad Londen waren plotseling dichtbij. Tegelijkertijd brachten de stoomtreinen steeds grotere hoeveelheden ruwe katoen en ijzer en steeds meer nieuwkomers naar de stad. De bevolking van Bolton groeide van 4600 in 1750 naar 17.000 in 1800 waarna de groei zich versneld door­zette. De meeste nieuwkomers waren voormalige landarbeiders die het in de huisnijverheid niet vol wisten te houden. Toch betekende de kleinschalige landbouw ook een rem op de Urbanisatie, de trek naar de katoensteden.Veel kleine boeren bleven de voorkeur geven aan hun armetierige eigen boerderijtje boven de onzekerheid, de discipline en de onderdanigheid die hoorden bij de fabrieken in de stad.

Wat gold voor Bolton, gold in grote lij­nen ook voor andere kleine katoenstad­jes zoals Preston, Oldham en Wigan. Ook zij groeiden door de komst van fabrieken en fabrieksarbeiders al was daar van echte grootschalige verstedelij­king geen sprake. Rond 1850 haalde geen van de genoemde stadjes de 50.000 inwoners. Zij waren in omvang gegroeid maar bleven ver achter in de schaduw van Liverpool en Manchester.

2.3 Arbeiders onder dak

De groeiende urbanisatie veroorzaakte nieuwe problemen. De nieuwe arbeiders moesten een dak boven hun hoofd heb­ben, liefst in de directe omgeving van de pas opgerichte fabrieken. Natuurlijk leidde dat tot problemen. Niet zelden verdwenen nieuw aangekomen families met z'n allen in kleine vochtige kelder­woningen of werden ze ondergebracht in een donkere zolderkamer net onder het lekkende dak. Speculanten hoopten snel rijk te worden door de bouw van kleine, goedkoop gebouwde rug-tegen­-rug arbeiderswoningen. Een heel blok kon in hun ogen toe met één waterpomp en één buitentoilet en de ramen hoefden echt niet open te kunnen! Fabriekseigenaren namen de verhalen over de miserabele woonomstandighe­den voor kennisgeving aan. Zij richtten zich geheel en al op de gang van zaken in de fabriek en bekommerden zich ver­der nauwelijks om hun arbeiders. Maar al te vaak wisten ze niet eens waar die precies woonden. Zelf kwamen ze nooit in de bedompte, drukke en smerige arbeidersbuurten. Als de zaken goed gingen en er flink geld verdiend werd, kochten ze maar wat graag een landgoed een tiental kilometers verderop zodat ze alle ellende niet hoefden te zien. In eer­ste instantie verhuisden ze eerst naar de deftige voorsteden van de stad. Daar waren arbeiders alleen welkom om te sjouwen, te klussen of te poetsen. Er waren echter ook ondernemers die zich om het lot van hun arbeiders bekommerden. Veel ondernemers waren streng gelovig en zagen naastenliefde als een belangrijke waarde. Soms waren de arbeiders en hun gezinnen al lang bij hen in dienst en waren er hechte banden ontstaan. Andere ondernemers waren zelf afkomstig uit de arbeidersklasse en waren niet vergeten hoe ze vroeger zelf door hun bazen behandeld waren. Zij verkeerden nog graag zelf tussen hun arbeiders en besteedden een flink deel van de winsten aan liefdadigheid of aan publieke voorzieningen als een stadsbi­bliotheek, een muziektheater of een con­certgebouw.

Het verst gingen ondernemers als Thomas Bazley, Robert Gardner, Robe Owen en de broers Henry en Richard Ashworth. Zij stelden niet de winst maar de fabriek centraal en daar hoorden in hun ogen de arbeiders ook bij. Zij zagen al snel hoe afhankelijk hun fabrieken dus uiteindelijk hun winsten waren van de arbeiders die er werkten. Arbeiders die goed waren gehuisvest, waren gezonder, werkten harder en lieten het minder vaak afweten. Ze waren tevreden over hun werk en beseften meestal maar al te goed dat ze het beter hadden dan veel andere arbeiders. In goede maar ook in slechte tijden bleven zij hun baas trouw wat de continuïteit van de fabriek ten goede kwam. Terwijl elders de arbeiders voortdurend met een scheef oog naar andere fabrieken en werkplaatsen keken in de hoop de zaken beter voor elkaar te kunnen krijgen, waren de arbeiders bij Bazley, Gardner of Owen al snel even trots op hun fabriek als de eigenaren zelf. Verandering van baan betekende voor deze werknemers meestal verslechtering en de fabriekseigenaar kon daarom op zijn mensen rekenen.

Toen begin negentiende eeuw in Bolton het aantal 'mills' snel toenam, schoten ook hier de huurhuisjes voor de arbeiders als paddestoelen uit de grond.

Naarmate de stad groeide en het aantal fabrieken steeg, verslechterde de kwaliteit van de arbeidershuisjes. Langzaam maar zeker begonnen net als in het naburige Manchester heuse sloppenwijken te ontstaan. Robert Gardner, de kersverse eigenaar van de zes verdiepingen hoge Dean mills net buiten de stad besloot dat het anders moest. Hij stel zich als doel om van zijn fabriek een echte gemeenschap te maken. Om de zaken groots aan te pakken ging Gardner in 1843 samenwerken met Thomas Bazley, een geestverwant die de textielindustrie zijn sporen al meer dan verdiend had. Samen bouwden zij bij de fabrieken een nieuw weversdorp: Barrow Bridge. Er verschenen in snel tempo meer dan driehonderd met gas verlichte arbeidershuizen van goede kwaliteit. Om de gemeenschapszin ver­der te verhogen werd een school, een leeszaal, een coöperatieve winkel, een badhuis en een gezamenlijke eetzaal gebouwd. Beide ondernemers maakten veel werk van hun pogingen om de arbeiders te beschaven. Dat blijkt wel uit het feit dat in de leeszaal op de boven­verdieping van de school educatieve lezingen werden gegeven die door meer dan tweeduizend mensen tegelijk wer­den bijgewoond. Toen in 1844 het bad­huis werd geopend meenden Gardner en Bazly hun werknemers zelfs te moeten verblijden met de komst van een heus orkest dat vol vuur Handel's Messiah ten gehore bracht.

Verhalen over het succesvolle sociale experiment bereikten uiteindelijk ook de hoofdstad. De`Illustrated London News' kwam een kijkje nemen en schreef vol bewondering over `de goed georgani­seerde gemeenschap die alle Utopia's van de hemelbestormende filosofen verre in de schaduw stelde.' Een van de lezers van het juichende artikel was prins Albert. Was het dan toch mogelijk om industrie te verenigen met daadwer­kelijke vooruitgang? Albert besloot zelf naar Barrow Bridge te gaan om het nieu­we Utopia met eigen ogen te kunnen zien. Toen hij aankwam stond de har­monie van Barrow Bridge al in het gelid. Op de tonen van de mee marcherende arbeidersfanfare trok de prins door Bazleystreet, langs de arbeidershuizen en bekeek hij de fabrieken en de overige centrale gebouwen. Hij sprak er met ondernemers, fabrieksbazen, monteurs en arbeiders en raakte diep onder de indruk van de onderlinge verbondenheid die hij overal om zich heen zag. De prins sloot zijn bezoek af met de opmerking dat Barrow bridge het beste bewijs was dat de nieuwe fabrieken mensen konden binden. Ze moesten niet langer worden afgeschilderd als gevaarlijke twistappels die rijk en arm steeds verder uit elkaar dreven.

Ook Henry en Richard Ashworth bouwden dorpen bij hun fabrieken in Egerton. Zodra roet uit de fabrieks­schoorstenen de huisjes smoezelig had gemaakt, kwamen de schilders die op kosten van de fabriekseigenaren de straat weer voorzagen van een fris wit uiterlijk. Telkens als er een huisje vrij kwam meldden zich minstens twintig kandidaten `want de huisjes waren de beste werkmanshuisjes die er te vinden waren'. Daar stond tegenover dat de bewoners zich wel de onverwachte maar veelvuldige minutieuze inspecties door beide heren moesten laten welgevallen. Ze kwamen hoogstpersoonlijk controle­ren of de kamers wel schoon waren, keken of het beddengoed fris gewassen was en liepen na in hoeverre de huisraad nog compleet en goed onderhouden was. Om zich een beter beeld te kunnen vormen van de dagelijkse gang van zaken in het huisje wilden ze de kinde­ren spreken en vroegen ze de ouders naar een overzicht van hun inkomsten en leefgewoonten. Zonder blikken of blozen benadrukte Henry Ashworth in 1833 tegen een onderzoekscommissie naar de omstandigheden in fabrieken: `Na afloop van zo'n bezoek noteren we de indrukken van het bezoek in een spe­ciaal daarvoor aangelegd logboek.'

Zo groeiden Egerton en wat later ook Barrow Bridge uit tot vaste aanlegplaat­sen van iedere autoriteit die meer wilde weten over de nieuwe fabriekssamenle­ving van het noorden.

In tegenstelling tot deze modeldorpen verslechterden intussen de omstandig­heden in Bolton zelf. De nieuwe arbei­derswijken kenden straten noch riolering en het stadsbestuur had niet de financiële middelen zoals de paternalis­tische ondernemers van Barrow Bridge of Egerton. Ook hier moest het geld van welvarende ondernemers uiteindelijk een oplossing brengen. Een uitbraak van cholera in 1840 maakte duidelijk dat de situatie uit de hand liep. Een combinatie van liefdadigheid en eigenbelang deed bestuurders en ondernemers de handen ineenslaan. Er kwam een waterleiding met publieke pompen en steeds meer straten profiteerden van de in 1820 geïntroduceerde gaslantaarns. Met steun van de ondernemers nam de kerk de scholing van de arbeidersjeugd op zich

3 Manchester wordt Katoenpolis

Inleiding

Manchester kende rond 1750 al een tex­tielgeschiedenis die minstens vijfhon­derd jaar terugging. Oude stadsrekenin­gen laten zien dat er al rond 1250 ververs woonden in de wijk Ancoats en dat er zo'n veertig jaar later al meerdere vol­lersmolens draaiden. De verwerking van wol, vlas en later katoen had de stad tot bloei doen komen en haar qua inwoner­tal uit doen groeien boven alle andere steden in Lancashire met uitzondering van de havenstad Liverpool. Hoewel groter in omvang leek de stad halverwege de, achttiende eeuw in veel opzichten nog steeds op het Manchester van de late Middeleeuwen. Deze continuïteit was bedrieglijk- De katoennijverheid zou een revolutie teweeg brengen en het aanzien van de stad binnen honderd jaar onher­kenbaar veranderen. Binnen een eeuw zou de traditionele textielstad verande­ren in een moderne Katoenopolis.

Hoe beïnvloedde de katoennijverheid de leefomgeving in Manchester?

3.1 Nijverheid wordt industrie

Wie rond 1790 Manchester naderde, zag een skyline waarin kerktorens de dienst uitmaakten. De nijverheid was in die tijd nog voornameiijk huisnijverheid. Het handmatig weven van linnen en bombazijnen stof­fen voerde de boventoon. De meeste wevers werden slecht betaald, woonden in kelders en krotten en verrichtten hun werk in armetierige omstandigheden. Het vochtige klimaat, de lage lonen en de vaardigheden van de thuiswerkers maakten de stad zeer geschikt voor het weven van katoen. Textielhandelaren uit Londen en Liverpool wisten al vroeg contacten te leggen met koopliedenfamilies uit Manchester aan wie zij de bewerking van de ruwe katoen en het vlas toever­trouwden. In de loop van de achttiende eeuw waren steeds meer landarbeiders van het platteland of zelfs uit Ierland naar Manchester gekomen om zich voltijds op het weven te storten.

Voor de kooplieden betekende dit dat ze minder tijd verloren aan het verdelen van de ruwe katoen en de garens en het ophalen van de eindproducten. De wevers op het platteland kregen zo steeds minder werk en ook zij begonnen naar de stad te trekken. Daar werkten zij in hun eigen schamele woning of wer­den ze in nieuw opgerichte manufactu­ren aan het werk gezet.

De kooplieden organiseerden de textiel­productie. Zij regelden de verdeling en het vervoer van grondstoffen en halffa­brikaten en zorgden voor de opslag in speciaal gebouwde warenhuizen. Uiteindelijk verkochten ze de stoffen op provinciale markten en op jaarmarkten in de verdere omgeving. Een aanzienlijk deel van de weefsels verdween richting Londen of werd zelfs verkocht in verre Amerikaanse steden als New York of Philadelphia.

Thomas Smith, een textielproducent uit Manchester die zelf nog afkomstig was uit een weversgezin, vertelde in 1785 aan een onderzoekscommissie van het House of Lords dat hij klanten had in Londen, Ierland en Amerika. Hij ver­klaarde voorts:

'door schade en schande te hebben geleerd dat het absoluut noodzakelijk is voor een eige­naar van een manufactuur om zoveel mogelijk zélf alle stappen te beoordelen van de handelsconnecties waar hij deel van uit­maakt. Alleen door voortdurende aandacht en hoogste ijver kan de handel blijven flore­ren. Kwaliteit van de stoffen, veranderingen in de markten en vooral de kredietwaardig­heid van de betrokken handelspartners moe­ten steeds in het oog gehouden worden. Juist de goedkopere producten zijn voor de handel het meest waardevol want zij zijn altijd het gemakkelijkst te verkopen. De kunst is vooral goedkoop in te kopen want dan kun je zelfs met een redelijke winst altijd nog kopers vinden..

De introductie van spinmachines zoals de `Jenny', het waterframe en vooral de`muilezel' eind achttiende eeuw, veran­derde de traditionele manufacturen in enkele jaren in fabrieken. De eerste spinmachines werden nog aangedreven met behulp van watermolens en werden direct aan het water gebouwd. Plaatsgebrek leidde al snel tot de bouw van 'mills' op het platteland. Wel aan het water maar wat verder van de stad af. Deze ontwik­keling werd bijgestuurd in 1789 toen Peter Drinkwater als eerste in Manchester zijn spinmachines liet aandr ijven door een moderne stoommachi­ne van de firma Watt & Boulton. Toen andere ondernemers volgden bleek de ligging van Manchester al snel een con­currentievoordeel. Direct ten zuiden van de stad lagen de steenkoolmijnen en door nieuw aangelegde kanalen was deze steenkool goedkoop naar de stad te transporteren. Direct aan de kanalen verrezen tal van nieuwe textielfabriekjes die dankbaar gebruikmaakten van het kanaal voor de aanvoer van grondstoffen en steenkool, voor het vochtig houden van de katoen en voor de afvoer van eindproducten. Kort na 1800 waren er in en rond Manchester al meer dan honderd stoomspinnerijen te vinden.

Textielfabrikanten uit andere steden in Lancashire bezochten de nieuwe fabrie­ken in Manchester, bestudeerden de bouwtekeningen en gingen aan de slag om in hun eigen stad of ergens op het platteland een vergelijkbare fabriek op te richten. Zo zette Manchester de toon voor Lancashire.

Net als bij de katoenspinnerijen was ook bij de diverse veredelingsbedrijven veel geld te verdienen met de inzet van machines. Het bleken van de katoen gebeurde vroeger in de open lucht met behulp van botermelk en het kon maan­den duren voor een lap katoen goed gebleekt was. Na 1750 waren er nieuwe zuren ontdekt die ook konden worden gebruikt voor het bleken van katoen. Door de katoen in enorme door stoom aangedreven wastrommels te wassen met dit nieuwe bleekpoeder duurde het bleken van katoen nog slechts één dag. De stoommachines werden ook al snel gebruikt voor het verven en het bedruk­ken van de katoen. Volgens Edward Baines, een geschiedschrijver van de technologische ontwikkeling van de regio, kon een door twee man bediende drukmachine sneller werken dan honderd drukkers met ieder een assistent.

Door de komst van deze grote textielbedrijven kregen fabrikanten en textielhandelaren uit Manchester steeds meer invloed op de textielnijverheid van het omringende platteland. Het weven van garens gebeurde in die tijd nog voornamelijk met d ehand. Omdat er steeds meer draad werd geproduceerd nam ook de vraag naar handwevers flink toe. Steeds meer landarbeiders lieten de akkerbouw voor wat ze was en richtten zich geheel op het weven. Voor de hand­wevers waren de decennia rond de eeuw­wisseling gouden jaren maar ook hier stond de technologische ontwikkeling niet stil. In 1802 installeerde William Horrocks in Stockport het eerste stoom­weefgetouw en bijna onmiddellijk daar­na begon het stukloon voor de handwe­vers te zakken. Rond 1822 kwamen de sterk verbeterde stoomweefgetouwen van Harp & Roberts op de markt. Deze nieuwe weefmachines leverden prima kwaliteit katoen en werkten tien keer zo snel als een handwever.

Om de nieuwe machinale weefgetouwen effectief te kunnen gebruiken, moesten weer nieuwe grote fabrieken worden gebouwd. Door ruimtegebrek in Manchester werden deze laatkomers vooral op het platteland en in andere katoensteden in de omgeving gebouwd. Hun komst veroorzaakte een verdere daling van het stukloon in de regio en veel handwevers dreigden in serieuze problemen te komen. De handwevers herinnerden zich het droeve lot van de eens zo trotse `muilezel'-spinners. Toen in 1826 de vraag naar katoen tijdelijk terugviel en massale werkeloosheid dreigde, kwamen ze in actie. Na enkele onrustige dagen waren meer dan dui­zend stoomweefgetouwen stukgeslagen en zaten er 43 opgepakte handwevers achter slot en grendel.

3.2 De spin in het industriële web

De urbanisatie voltrok zich in Manchester snel. Terwijl er rond 1770 nog maar nauwelijks 22 000 mensen woonden, was in 1850 de grens van 300.000 inwo­ners al gepasseerd. Ook de omvang van de stad flink was toegenomen.

Al de nieuwbouw was neergezet zonder veel aandacht voor planning of ruimtelij­ke ordening. Niet de wensen van de bewoners maar de wensen van de vrije markt hadden centraal gestaan. Manchester was begin negentiende eeuw een stad geworden vol pakhuizen en na 1820 was ook het aantal stoomspinnerij­en flink gaan groeien. De bedrijvigheid, de beroemde katoenbeurs, de transport­mogelijkheden en de aanwezigheid van arbeiders hadden tal van nieuwe onder­nemers naar de stad gelokt waarvan sommigen zelfs afkomstig waren uit het buitenland.

De open ruimtes tussen de pakhuizen en de nieuw gebouwde fabrieken vielen in de handen van speculanten en veranderden in sloppenwijken. In enkele jaren werden ze vol gebouwd met rijen kleine huisjes, meestal rug-aan-rug gebouwd om onderdak te kunnen bieden aan zoveel mogelijk arbeiders. Het oordeel over de opmerkelijke veran­dering van de stad liep sterk uiteen. Andrew Ure schreef na een rondreis langs de steden van Lancashire in 1835:

"Ik zag tienduizenden, ouderen, jongeren en mensen van middelbare leeftijd, mannen en vrouwen, die allen hun dagelijks brood, hun kleding, hun woning en hun huisraad ver­dienden zonder veel te hoeven zweten. Ze werkten beschermd tegen de brandende zon in de zomer en de vorst in de winter in gebou­wen die ruimer en beter geventileerd zijn dan veel van de kantoren van de bestuurders en magistraten van onze hoofdstad. In deze indrukwekkende hallen verzamelt de goedaardige stoommachine talloze knechten om zich heen, geeft ieder van hen een eigen taak en in plaats van pijnlijke spieren van het sjouwen te krijgen hoeven zij enkel de reusachtige armen van de machine in de gaten te houden die voor hen het zware werk doen".

Friederich Engels gaf na een bezoek aan de fabriek in Manchester, waarvan zijn vader mede­-eigenaar was, een heel ander beeld van het leven van de arbeiders aldaar:

"Manchester was vol met vuil stinkende krot­ten en kelderwoningen zonder enig sanitair, volgepakt met in lompen geklede en slecht gevoede mensen, buurten waar varkens wroetten in de afvalhopen naast slecht gepla­veide straten en waar de rivier de Irk als een zwart, open riool traag voortstroomde, een ondraaglijke walm verspreidend".

Rond 1830 vond nog een revolutionaire verandering plaats. In de dertiger jaren werden in Manchester de eerste spoorlijnen aangelegd en kreeg de stoommachi­ne ook vat op het transport. De fabrikan­ten en textielhandelaren maakten dank­baar gebruik van de nieuwe transport­mogelijkheden. Voor de arbeiders waren de lasten voorlopig groter dan de lusten. Bijna onafgebroken denderden de trei­nen langs hun slaapkamerraampjes maar treinkaartjes bleven voor hen vooralsnog onbetaalbaar. Overigens bleven juist in Manchester de kanalen nog lange tijd een geduchte concurrent van de trein. De mogelijkheid om grote hoeveelheden steenkool, katoen of andere grondstof­fen per schip over de eerder gegraven kanalen te vervoeren, hield de kosten van transport over water laag.

Het toenemend aantal fabrieken, de nabijheid van steenkoolmijnen, het net­werk van kanalen en spoorwegen en de groei van de textielhandel deden Manchester veel sneller groeien dan de overige steden in Lancashire. Rond 1830 woonde meer dan tweederde van de bevolking van Manchester minder dan vijftien jaar in de stad. De meeste nieuw­komers waren afkomstig van het omrin­gende platteland en maar al te vaak waren zij gedwongen naar de stad te ver­huizen omdat de kwijnende plattelands­nijverheid hen steeds minder mogelijk­heden bood. De komst van de stoommachines had de ondernemers verlost van de afhankelijkheid van waterkracht en maakte het economisch aantrekkelijk om juist in Manchester een fabriek neer te zetten. In jaren dat de werkeloosheid op het platteland toesloeg, zochten grote groepen landarbeiders hun toe­vlucht tot de stad. Het waren voorname­lijk jongeren en jonge ouders die nog in de kracht van hun leven waren en bereid waren de banden met hun dorp te ver­breken in ruil voor een onzeker bestaan in de stad. Veel van deze nieuwkomers zagen hun verhuizing als tijdelijk en hoopten hun onzekere en onbekende bestaan in de stad na enkele jaren weer te kunnen verruilen voor een nieuwe start in hun vertrouwde dorp.

Voor de ondernemers was het vooral interessant dat de lonen door de komst van hele families laag konden blijven want als het even kon gaven zij de voorkeur aan vrou­wen en kinderen. Ze speelden daarom gretig in op het `putting-out-system' dat op het platteland rond Manchester zo wijd verbreid was geweest. Moeders en kinderen werd gevraagd zich samen met de pas aangenomen vader bij de fabriekspoort aan te melden. Omdat het meeste werk in de fabrieken vrij eenvou­dig was, speelden ervaring, spierkracht of vakbekwaamheid niet zo'n grote rol. Iedereen die voor weinig geld wilde wer­ken kon aan de slag. Veel kinderen moe­ten in die beginjaren de indruk gehad hebben dat zij nog steeds voor hun vader werkten en niet voor de onbekende baas van de fabriek.

In de jaren 1817-1818 en 1822 hadden nog betrekke­lijk `kleine' hongersnoden in Ierland nieuwe emigratiegolven naar Engeland veroorzaakt. Een groot aan­tal mensen kwam uiteinde­lijk terecht in Manchester. Voor deze verarmde gastarbeiders was de kans op terugkeer miniem en ze waren bereid tegen de allerlaagste lonen aan het werk te gaan. Terwijl veel Engelse nieuwko­mers eerst nog probeerden hun beroep als handwever weer op te pakken schrokken deze Ieren niet terug voor het uiterst impopulaire fabriekswerk. Als in het rampjaar 1846 de aardappel­oogst in Ierland helemaal mislukt, neemt de immigratie van Ieren naar de nieuwe fabrieken in Lancashire onge­kende vormen aan. Rond 1850 werkten er al meer dan 50.000 Ieren in de fabrieken van Manchester.

3.3 Éen stad, twee werelden

In 1845 schreef Benjamin Disraeli, de latere Engelse premier, een roman over het nieuwe Engeland zoals zich dat na de eeuwwisseling had ontwikkeld. In de roman komt de volgende dialoog voor:

'Goed, de nieuwe maatschappij moge dan nog in haar kinderschoenen staan,' zei Egremont met een lichte glimlach, `maar, hoe dan ook, onze Koningin regeert over de meest voortreffelijke natie die ooit bestond.' 'Welke natie?' vroeg de jongere vreemdeling, 'want zij regeert over twéé naties.' (...) Ja,' hernam de jongere vreemdeling na een korte pauze, 'twéé naties, die niet met elkaar omgaan en waartussen geen sympathie bestaat; die even onbekend zijn met elkaars gewoonten, gedachten en gevoelens, alsof zij de bewoners van verschillende gebieden, ja zelfs verschillende planeten waren; die wor­den gevormd door een verschillende opvoe­ding, worden gevoed met verschillend voed­sel, worden geleid door verschillende gedra­gingen, en worden geregeerd door dezelfde wetten.' `U bedoelt...', zei Egremont aarzelend. `De rijken en de armen.'

Disraeli legde hier de vinger op een zere plek. De successtory van de onderne­mers was de lijdensweg van de arbeiders geworden en beide groepen waren met het groter worden van de fabrieken steeds meer van elkaar vervreemd geraakt. De meedogenloze wet van de vrije markt die samenwerking en pater­nalisme verving door concurrentie en minimale kosten, dreven fabrikanten en arbeiders uit elkaar. Ook in Manchester trokken succesvolle ondernemers en handelaren zich terug in luxe buitenhui­zen in de half landelijke gebieden ten zuiden van de stad. De arbeiders bleven achter in de troosteloze oude wijken als in zwarte roetsluiers gehulde sloppen­wijken tussen de schoorstenen van de fabrieken.

De snelgroeiende middenklasse van geschoolde ambachtslieden, winkeliers, onderwijzers en kantoorpersoneel bevolkte nieuw gebouwde woningen in het centrum van de stad waar ook het stadhuis, de banken en de katoenbeurs te vinden waren. Geleidelijk ontstond een fijnmazig netwerk van grote en min­der grote sociale verschillen tussen wij­ken en straten waarvan in veel gevallen alleen de bewoners van de straten zelf weet hadden. Zo kon het gebeuren dat de bewoners van de eerste helft van de straat neerkeken op de bewoners van de tweede helft omdat ze het idee hadden dat de mensen daar wat minder verdienden. Iedereen probeerde zoveel mogelijk `op stand' te wonen en met een nette huiskamer, aardige meubels en gescheiden slaapkamers een burgerlijk ideaal vorm te geven. Vooral de lagere middenklasse vond het erg belangrijk om zich te kunnen onderscheiden van het `grauw' zoals de arbeiders werden genoemd. Hoewel de inkomsten vaak niet veel hoger lagen dan die van de geschoolde arbeiders deden zij hun uiterste best zichzelf als een hogere sociale klasse te presenteren. Een huis in een nette straat werd zo voor hen een levensvoorwaarde. De plaatselijke overheid kreeg nauwe­lijks greep op al deze ontwikkelingen.

Omdat alleen de rijke burgers mochten stemmen stond de politiek bol van libe­rale sentimenten. De overheid moest een 'nachtwakersstaat' zijn en zich dus voor­al richten op het voorkomen van misda­den en ernstige verstoringen van de openbare orde als stakingen of— erger nog — de sporadische aanvallen op de machines in de fabrieken. In 1812 werd op het vergrijp van `machine breaking' zelfs de doodstraf gesteld en binnen een jaar was al een groot aantal wanhopige arbeiders opgehangen. De landelijke politiewet van 1835 gaf de overheid nog meer bevoegdheden om snel en kracht­dadig in te grijpen bij dreigende arbeids­onrust.

Toch begonnen steeds meer hoge heren in Londen zich ongemakkelijk te voelen bij de toenemende sociale ellende in de fabrieken en de sloppenwijken in het Noorden. Charles Mott, een lid van de parlementaire commissie omtrent de armenwetten werd voor inspectie vanuit Londen naar Lancashire gestuurd. Hij keerde met een alarmerend rapport terug. Hij schreef onder meer:

'Het district wordt bewoond door mensen die nauwelijks de staat van wilden zijn ontste­gen, ze leven zonder moraal en hun kinderen lijken geen morele en sociale verplichtingen te kennen.'

Bovendien maakten de hoge sterftecijfers ondubbelzinnig duidelijk dat de sloppenwijken een broeinest van besmettelijke ziekten waren. Die ziekte­kiemen hielden zich niet aan de kunst­matige sociale scheiding tussen de diverse klassen zodat niet enkel arbei­ders het slachtoffer werden. Londen reageerde in 1835 met de Public Health Act, die lokale overheden in snel groei­ende industriesteden verplichtte voor­taan te zorgen voor waterleiding, riole­ring en bestrating.

 Zie voor deel 2: