We hebben 116 gasten online

CSE Met de loep op Lancashire Deel 2

Gepost in Europa

4 De spin in het katoenweb

lancashire textiel gebied

Inleiding

In de achttiende eeuw werden de in Lancashire vervaardigde katoenen weef­sels nog voornamelijk verkocht op de binnenlandse markt, maar rond 1800 begon dat te veranderen. Groeiende con­currentie dwong de textielfabrikanten tot een speurtocht naar nieuwe afzet­markten in Europa, Amerika en later zelfs het verre Azië. Natuurlijk waren deze verre markten riskant maar tegelij­kertijd herbergden ze talloze potentiële nieuwe klanten. Met een goed georgani­seerd handelsnetwerk zou Lancashire uit kunnen groeien tot de spin in een wereldwijd web van katoenvezels.

kaart empire wereld

Engelse koloniale gebieden

Hoe beïnvloedde de katoensector de ver­bondenheid van Lancashire met de rest van de wereld?

4.1 Engeland krijgt nieuwe kleren

Iedere katoenen lap die eind achttiende eeuw in Lancashire van de weefgetouwen kwam, was gemaakt met een specifiek doel. Zo werden er aandrijfriemen voor machines van gemaakt, lakens en gordij­nen of draagtassen. Toch werd al snel het merendeel van de weefsels gebruikt om er kleren van te maken. Juist voor kleding was het nieuwe weefsel ideaal. Katoen was goedkoop, sterk en kon op hoge temperatuur gewassen worden. Dat had als grote voordeel dat bacteriën zo'n wasbeurt niet overleefden. Bovendien leek het wel of de stof door veelvuldig wassen alleen maar gladder en prettiger werd. Door het netjes te strijken zag het er weer als nieuw uit. Katoen was ook nog eens heel veelzijdig. Door een fijne weefmethode te kiezen kon het worden gebruikt als alternatief voor linnen ondergoed of zelfs voor dure zijden kousen. Gebruikte je daarentegen ruwer garen of combineerde je katoen met lin­nen dan kon je er zelfs een sterke overjas van maken die in duurzaamheid en warmte niet onderdeed voor een wollen of zelfs een leren jas. Tot slot was katoen zeer geschikt om te bedrukken. Allerlei nieuwe kleuren en patronen maakten de nieuwe weefsels voor veel kopers onweerstaanbaar.

File:Horrockses display.jpg

De gunstige prijs-kwaliteitverhouding werd begin negentiende eeuw nog ver sterkt door nieuwe uitvindingen. Zo maakte de eenvoudige maar invloedrijke katoenmachine van de Amerikaanse uit­vinder Eli Whitne het mogelijk om 50 maal zo snel de zaadjes uit de katoenve­zels te verwijderen. De arbeidsproducti­viteit op de Amerikaanse plantages nam daarmee enorm toe. De kostprijs van ruwe katoen zakte flink maar door de toegenomen productie stegen toch de winstmogelijkheden voor de plantage eigenaren. Geen wonder dat het aantal plantages in de Verenigde Staten snel begon te groeien en daarmee ook de hoeveelheid katoen. Amerika produceer­de in 1793 10.000 balen katoen, in 1801 100.000 balen en in 1835 zelfs al meer dan 1.000.000! De enorme productie en de relatief lage katoenprijzen maakten Amerika al snel de voornaamste katoen­leverancier.

Na 1830 was het stoomweefgetouw de kinderziektes te boven en nam de pro­ductie van volledig machinaal geweven stoffen snel toe. Ook hier leidde een snellere productiewijze tot sensationele prijsdalingen van de geproduceerde weefsels. De uitvinding van de naaima­chine rond 1840 leidde weer tot de ont­wikkeling van een grootschalige confec­tienijverheid en bracht de katoenen kle­ding definitief binnen het bereik van de gewone man. Friedrich Engels consta­teerde in 1840 met enige spijt:

"Wol en linnen zijn bijna uit de kleerkasten van de werkende klasse verdwenen en katoen heeft hun plaats overgenomen. Shirts zijn gemaakt van gebleekt katoen, de jurken zijn van gedrukt katoen en een wollen petticoat aan een waslijn is een zeldzaamheid gewor­den. De mannen dragen geen leren broeken of jassen meer, het spreekwoordelijke arbeiders­kostuum is nu van Manchester ribfluweel".

Door de groeiende vraag naar katoen raakte het zuiden van Lancashire steeds meer gedomineerd door de katoenfa­brieken. Het aantal textielarbeiders over­vleugelde al snel het aantal akkerbou­wers. Steeds meer landbouwproducten werden noodgedwongen aangevoerd vanuit andere regio's. Het agrarisch-ste­delijke Lancashire was een industriële samenleving geworden.

4.2 Lancashire en het buitenland, de wind in de zeilen?

De katoenindustrie was altijd al afhanke­lijk geweest van overzeese gebieden. Katoen groeide enkel in warme streken en zonder import zou er in Lancashire nooit een omvangrijke katoenindustrie zijn gekomen. Na 1790 werd het buiten­land ook steeds belangrijker voor de export van katoen. Eerst was vooral de Amerikaanse markt aanzienlijk geweest maar al snel werd het dichtbevolkte Europa de grootste afnemer. Toen in tweede helft van de negentiende eeuw in veel West-Europese landen een moderne binnenlandse katoenindustrie begon te groeien, verschoof het zwaartepunt van de Engelse katoenexport uiteindelijk naar markten in India, China en Zuid-Amerika.

Tussen 1815 en 1855 zou de export van katoenen weef­sels bijna verdubbelen maar deze groei kwam niet van­zelf. Ze ging gepaard met veel ondernemersrisico, grote verliezen en enkele spectaculaire faillissemen­ten. Het bekendste slacht­offer van deze vroege inter­nationale katoenhandel was wel Robert Gardner, de ondernemer van_ Barrowbridge.In 1847 had hij meer aan 100.000 Engelse ponden schuld ter­wijl de waarde van zijn pakhuizen, spin-en weeffabrieken slechts op 92 000 pond geschat werd. Gardner wist zeker dat hij zijn schulden op termijn gemakkelijk af zou kunnen betalen en vroeg om uitstel van betaling. Hij ging zelfs naar het par­lement om te benadrukken dat hij nog voor zo'n 200.000 pond katoenen eind­producten bezat die onderweg waren naar Braziliaanse, Amerikaanse en ande­re klanten overzee. Het was tevergeefs. De Bank of England vond het speculatie en mooipraterij en bleef koppig aandrin­gen op een snelle afbetaling van de schulden. Katoen overzee of niet, een faillissement was onontkoombaar.

In 1836 werd in de Katoenbeurs van Manchester een lijst opgehangen met de bedrijfsresultaten van de Lowell katoen­fabrieken in Massachusetts in het oosten van de Verenigde Staten. Het hing er enige maanden maar het lokte nauwe­lijks reacties uit. De weinige fabrikanten die de moeite namen de cijfers te bekijken, constateerden zelfvoldaan dat de Amerikaanse machines nog aangedreven werden door watermolens terwijl in Lancashire de stoommachine het pleit al lang gewonnen had. In hun ogen was wel duidelijk dat Lancashire veel moder­nere fabrieken had, veel betere ingeni­eurs en vooral een veel beter handelsnet­werk. De concurrentie overzee moest volgens hen nog veel leren!

Als de heren het papier beter hadden bekeken, hadden ze gezien dat in Lowell inmiddels 4500 weefmachines draaiden in acht grote fabrieken. Merrimack Manufacturing Co., de grootste fabriek, had alleen al meer dan 1200 weefmachi­nes waar 1321 vrouwen en 437 mannen aan werkten. De fabrikanten van Lancashire wilden blijkbaar niet inzien dat Amerika een inhaalslag had gemaakt. Al snel zouden landen als Frankrijk, Duitsland, België en later India en Japan volgen.

Deze nieuwkomers hoefden niet opnieuw het wiel uit te vinden. De Britse machinefabrikanten hadden hun dure machines niet uit liefdadigheid ontwik­keld. Voor hen waren buitenlandse klan­ten in principe even interessant als de Engelse afnemers van hun machines. Machinemaker James Nasmyth zou maar al te graag buitenlanders uitnodigen om eens te komen kijken naar zijn meest moderne machines. Openheid leidde in zijn ogen tot meer afzet, meer werk en dus meer winst. Veel katoenfabrikanten dachten daar vooralsnog anders over. Ze weerden buitenlanders op hun moderne afdelingen uit vrees voor `industriële spionage'. In december 1811 schreef een verontrus­te ondernemer aan de douaneautoriteiten dat:

"(...) een mecanicien per koets vertrokken was met de bedoe­ling aan te monsteren in de haven van Falmouth met een grote koffer met gereedschap­pen en ijzerwaren afkomstig uit En else katoenfabrieken waarna daar bijna meteen een `Jenny' fabriek verrees. Ook het `waterframe' en de `muilezel' waren destijds al binnen enkele jaren in het buitenland nage­maakt. De Engelse regering besloot tegemoet te komen aan de oproep van de fabrikanten. Er kwamen wetten tegen de vlucht van moderne productietechnolo­gie naar het buitenland. Agenten die geschoolde arbeiders voor het buiten­land probeerden te ronselen, liepen kans op een boete van vijfhonderd Engelse ponden en een jaar gevangenisstraf. Op clandestiene export van moderne textiel­machines kwam een boete van tweehonderd Engelse ponden te staan. Toch trokken de textielfabrikanten uiteinde­lijk aan het kortste eind. Behalve het feit dat het verbod weinig effectief was, werkte ook het opkomende liberalisme niet mee. Deze opkomende politieke stroming propageerde vrijhandel boven protectie. Liberalen zagen de vrijheids­beperkingen als achterlijk. In 1824 wer­den alle beperkingen op emigratie van arbeiders opgeheven en in 1843 werd zelfs machinefabrikanten volledig de vrije hand gegeven. Moderne textielma­chines gingen voortaan de hele wereld over. Lancashire begon steeds meer ter­rein aan buitenlandse concurrenten te verliezen. Toch was het niet de nieuwe openheid die Lancashire uiteindelijk op achterstand zou zetten. De zelfgenoeg­zaamheid van de ondernemers was een veel groter gevaar. Arrogantie maakte de Lancashire fabrikanten blind voor bui­tenlandse uitvindingen. Zo bleek ook in Lancashire de wet van de remmende voorsprong te werken.

4.3 Op zoek naar zekerheid

De groeiende overzeese handel was behalve een uitdaging ook een risico. Katoenfabrikanten, arbeiders en kooplieden werden steeds afhankelijker van schommelingen in de vraag op de wereldmarkt. Misoogsten, plotselinge veranderingen in het modebeeld of het uitbreken van een oorlog konden leiden tot flinke prijsdalingen en dus scherp dalende winsten en lonen. Zo leidden de napoleontische oorlogen in het begin van de negentiende eeuw tot een flinke terugval van de afzet naar Europa. Nog rampzaliger was het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1861. De blokkade van de zuidelijke havens deed de aanvoer van ruwe katoen prak­tisch stil vallen. Fabrikanten reageerden meteen door de werktijden te verkorten maar al snel moesten de eerste fabrieken definitief hun poorten sluiten en ont­stond er een heuse katoen-hongersnood. In Manchester werd een Centraal Steuncomité opgericht en toen de druk te groot werd moesten zelfs twee natio­nale steunfondsen de ergste nood in de katoenregio te lijf.

De fabrikanten probeerden op allerlei manieren de groeiende onzekerheid te verkleinen. Door uitbreiding van hun activiteiten zoals de oprichting van een Katoenbeurs probeerden zij meer scha­kels in de handel onder controle te krijgen. Eigen handelsagenten gingen in het buitenland zelfde ruwe katoen inkopen en lieten die vervolgens naar Engeland vervoeren. Ondertussen probeerden ze tevens uit Engeland aangevoerde eindproducten te evrkopen. De grootste koopman-fabrikanten zoals John Rylands uit Manchester gingen hierin nog verder. Rylands zette een eigen bank op en begon een eigen machinefabriek die al zijn textielfabrieken van goed onderhouden machines voorzag.

Een andere manier om de schommelin­gen in de vraag te ondervangen was de bouw van steeds meer pakhuizen. Als de prijzen zakten gingen de ondernemers minder verkopen en namen de voorraden in de pakhuizen toe, terwijl bij prijsstij­gingen de pakhuizen werden leegge­haald om aan de gestegen vraag te kun­nen voldoen. Deze voorraadvorming bleek een effectieve buffer tegen de prijsschommelingen en de pakhuizen verdienden zichzelf al snel terug. Het economische belang van de pakhuizen kan moeilijk worden overschat. Tussen 1807 en 1825 steeg hun aantal in Manchester met 50 procent tot meer dan 1800. Het geld om deze pakhuizen te kunnen bouwen en beheren kon worden geleend bij Londense of buitenlandse banken, die steeds vaker in Manchester een nieuw filiaal inrichtten. Ook rijke buitenlandse kooplieden als de Rothschilds vestigden zich in de bloeiende stad. Hun kennis van de wereldmarkt en beheersing van financiële risico's brachten meer zekerheid in de wereld van de katoen. Fabrikanten van gedrukte katoenen weefsels verkoch­ten hun producten voor een afgesproken prijs waarna de ervaren internationaal opererende kooplieden de export voor hun rekening namen. Spectaculaire faillissemen­ten, zoals eens Robert Gardner had moeten ondergaan, kwamen daar­door nog maar nauwelijks voor.

5 Boeren worden arbeiders

Inleiding

Vanaf 1750 begint de werkgelegenheid in de katoensector te groeien. In 185o zijn er in Lancashire al meer katoenar­beiders dan boeren. Voor het eerst in de geschiedenis kregen grote groepen mannen, vrouwen en kinderen bijna dage­lijks te maken met vaste werktijden, strenge opzichters en lawaaiige, ratelen­de machines. Naarmate de fabrieken groeiden verloren knecht en baas elkaar steeds meer uit het zicht om ten slotte als arbeider en werkgever in gescheiden werelden tegenover elkaar te komen staan. In stoffige fabrieken verdienden de zwoegende arbeiders hun schamele loon, teveel om te sterven maar te wei­nig om van te leven. Uiteindelijk zou de wal het schip keren. Angst voor de woede van de snel groei­ende arbeidersklasse bracht fabrikan­ten, werkers en overheid uiteindelijk bij elkaar om samen de grootste misstanden aan te pakken.

Hoe beïnvloedde de katoennijverheid arbeidsverhoudingen en bestaanszeker­heid?

5.1 Arbeidslust of werkdwang?

Eind achttiende eeuw verschenen er aan de riviertjes en kanalen in Lancashire steeds meer katoenfabrieken. Meestal waren ze klein en de afhankelijkheid van het water garandeerde nog een spreiding over het gehele gebied. In 1789 werd in Manchester voor het eerst een stoommachine gebruikt om de spinmachines aan te drijven. De fabrieken concentreerden zich daarna vooral in het zuiden waar de steenkool gedolven werd. Al snel kregen de katoenfabrieken gezelschap van nieu­we fabrieken: er verschenen machinefa­brieken, textieldrukkerijen en naaiate­liers. Langzaam maar zeker verscheen een nieuw landschap, gedomineerd door hoge schoorsteenpijpen, afvalbergen steengruis en zwart uitgeslagen arbei­dershuisjes.

Ook voor de mensen op het platteland waren de veranderingen onontkoom­baar. De fabrieken produceerden volop garen en de thuiswerkers stapten nood­gedwongen over op weven. Toch duurde ook dit niet lang; na 1810 raakte ook het weven steeds meer gemechaniseerd erg restte de thuiswerkers niet veel anders dan de gang naar de fabriek. Het fabriekswerk was bepaald niet popu­lair. Veel thuiswerkers vergeleken de fabrieken met gevangenissen waar land­lopers en misdadigers dwangarbeid ver­richtten. Een textielfabrikant die een aantal `thuiswevers' in zijn fabriek pro­beerde te disciplineren noteerde:

"De mannen legden een hartgrondige hekel aan de dag aangaande regelmatige werk­tijden en gedragsregels. (...) Zij waren erg ontevreden, omdat zij niet konden komen en gaan naar eigen goeddunken, geen vrije dagen konden nemen als zij daar zin in had­den en hun bestaande arbeidspatroon niet konden voortzetten. Na werktijd kregen ze ruzie met de andere werklui zodat zij nog meer walgden van de fabriek. Ik kon niets anders doen dan er mee stoppen".

Zo gauw deze arbeiders uitbetaald kre­gen bleven ze de volgende dag zonder bericht weg. Ze hielden ook hardnekkig vast aan de eeuwenoude traditie om op verjaardagen van belangrijke heiligen niet te werken. Vanwege de afkeer van de fabrieken werden zelfs bijna vergeten nepheiligen vereerd. Op maandag vier­den de nieuwbakken arbeiders als het even kon het feest van`Saint Monday' en verscheen er bijna niemand. De echte vrijbuiters plakten er voor het zielenheil nog een `Saint Tuesday' achteraan en kwamen pas op woensdagmorgen weer aangewaggeld. Natuurlijk sloegen de fabrikanten al snel terug: met boetes en beloningen, stukloon en vooral door het aannemen van gehoorzamere vrouwen en kinderen werden de mannen in het gareel gedwongen. Vooral als na 1820 het aanbod van katoen de vraag tijdelijk overtreft, vliegen de fervente aanhangers van `Saint Monday' massaal de laan uit.

In de fabrieken ontwikkelde zich al snel een arbeidsdeling waarin iedere arbeider een eigen taak moest verrichten. Deze arbeidsdeling leidde weer tot een hiërarchie tussen arbeiders onderling naar taak en beloning. Zo keken manne­lijke fabrieksspinners neer op de man­nen die kaardden, drukten, bleekten of sjouwden. Daaronder kwamen dan weer de vrouwen die lichter werk deden. Helemaal onderaan stonden de kinderen. Ze verdienden weinig en stonden maar al te vaak onder toezicht van strenge opzichters of moesten samenwerken met hardvochtige spinners of wevers. Henry Mayhew, een schrijver en advocaat die zich interesseerde voor deze fabriekskinderen, schreef over een van hen:

"Toen hij acht of negen was, begonnen zijn benen onder de druk van het zware werk langzaam door te zakken. Zijn bezorgde moe­der smeerde de beentjes in met olie, legde pleisters en verbanden aan, maar kon het zich niet veroorloven het kind thuis te laten.

Langzaam maar zeker zakten ze naar binnen tot de knieën uiteindelijk elkaar raakten. De jongen werd voor het leven kreupel".

Voor de vrouwen was de gang naar de fabriek zwaar. Zij kregen vaak taken die weinig status hadden. Hun inkomen werd als aanvulling op het gezinsinko­men gezien en hoefde dus niet zo hoog te zijn. Zo kaardden de vrouwen de wol terwijl de mannen de spinmachines bedienden. Als er nieuwe, vaak zwaarde­re, machines kwamen werden ze bediend door mannen waarna vrouwen aan de lichtere, verouderde en minder winstgevende machines werden gezet. Vrouwelijke opzichters waren onbekend, alleen mannen hadden iets te zeggen in de fabriek. Met argumenten als 'geringere lichamelijke kracht' en `inferieure intelligentie' werden vrouwen `op hun plaats' gehouden. Als een fabrikant geld vrijmaakte voor opleiding en training van zijn werknemers was het daarom vanzelfsprekend dat mannen de opleidingsplaatsen gingen bezetten. Zo groeide uiteindelijk het verschil in kennis en vaardigheden.  Vrouwen waren evenmin welkom in de vakbonden zodat ook daar vooral de belangen van de mannen cen­traal stonden. Daar komt nog bij dat de vrouwen na hun werkdag ook nog thuis aan de slag moesten. Voor een extra cur­sus was geen tijd, naast fabrieksarbeid­ster was zij immers ook moeder en huis­houdster.

5.2 Eén fabriek, twee werelden

Mede door de komst van de stoomma­chine groeiden de fabrieken in omvang. Rond 1850 waren er in Lancashire ruim 150 fabrieken waar meer dan 250 arbei­ders werkten en meer dan 80 fabrieken waar zelfs meer dan 500 arbeiders werk­ten. De fabrieken op het platteland waren doorgaans wat kleiner dan in de grote stad. Op het platteland werkten in een fabriek gemiddeld zo'n 140 werkne­mers terwijl dat aantal in de fabrieken in Manchester al 220 bedroeg.

Deze fabrieken stonden ver af van de eerste manufacturen waar de eigenaar en zijn arbeiders elkaar nog persoonlijk hadden gekend. Veel fabrikanten zagen de grote aantallen arbeiders als noodza­kelijke verlengstukken van de machines waarmee zij werkten en deden weinig moeite om hen te leren kennen. De fabriek was vooral een middel om geld te verdienen en de arbeiders waren daar weer een vanzelfsprekend onderdeel van. Sommige succesvolle fabrikanten gingen zelfs nog een stap verder. Zij trokken zich terug in een mooi landhuis op het platteland, kochten een grote lap grond en begonnen een leven van een traditio­nele Engelse edelman. Het bestuur van de fabriek en de onderhandelingen met de arbeiders werden overgelaten aan jon­gere familieleden, betrouwbare onderge­schikten en strenge opzichters.

De onderhandelingen over de hoogte van het (stuk)loon, de werktijden en de arbeidsomstandigheden werden aanvan­kelijk per bedrijf gevoerd maar al snel zochten de ondernemers contact met andere werkgevers om te komen tot gezamenlijke afspraken. Zo probeerden ze te voorkomen dat ze tegen elkaar uit­gespeeld werden en dat arbeiders voort­durend op de loop gingen als elders de lonen wat hoger waren. De arbeiders probeerden dit voorbeeld te volgen. Een kleermaker die zich in 1811 in de stad vestigde, schreef:

"Zo gauw ik vast werk had moest ik me inschrijven bij de vereniging. Dit is een groep kleermakers die samenwerken om sterker te staan bij de loononderhandelingen. Ieder lid betaalt maandelijks wat geld om een fonds op te richten waaruit families betaald kun­nen worden als er eens gestaakt moet wor­den. De stakers zelf krijgen dan wat 'zwer­versgeld' zodat zij tijdelijk de stad uit kun­nen tot het conflict tussen de werkgever en zijn personeel is bijgelegd".

De ondernemers hadden de overheid aan hun zijde. In 1800 was er een wet aange­nomen die vereniging van arbeiders met het oog op loononderhandelingen verbood. Een historicus oordeelde:

"De wet van de werkgevers werd nu ook de wet van de staat. Werkers moesten hun bazen voortaan gehoorzamen zoals zij de staat moesten gehoorzamen. Deze wet, die alle gezamenlijke actie van arbeiders om voor hun gemeenschappelijke belang op te komen verbood, was de meest volledige overgave van de staat aan één klasse in de gehele geschie­denis van Engeland".

Toch werd de soep niet zo heet gegeten als hij werd opgediend. Volgens een onderzoekscommissie uit 1824 was de wet eigenlijk een dode letter. Schoenmakers, drukkers, papiermakers, kleermakers en spinners hadden alle­maal hun eigen organisaties opgericht. De verenigingen beweerden elkaar enkel bij te staan bij ziekte en bij begrafenis­sen en zich niet te bekommeren om de hoogte van het loon maar iedereen wist beter. De noodzakelijke boekhouding van de contributie werd verstopt in geheime gaten in de vloer en indien nodig ontmoetten de leden elkaar stie­kem ergens in het moeras. In Lancashire organiseerden de katoenspinners zich zelfs in alle openheid en reageerde de overheid opvallend lauw. Zo waren er in de onrustige jaren van 1818 tot 1822 in Lancashire maar zeven daadwerkelijke veroordelingen op grond van het vereni­gingsverbod.

De stakende arbeiders hadden veel meer te vrezen van hun werkgevers. Stakingen vonden meestal plaats na loonsverlagin­gen in slechte tijden. De fabrieksmaga­zijnen en de pakhuizen waren dan echter overvol. Fabrikanten spraken daarom onderling af gewoon hun poot stijf te houden, in te teren op hun voorraden en bijvoorbeeld het machtige wapen van de Uitsluiting  te hanteren. Uiteindelijk kwam bij de vakbonden de bodem van de stakingskassen in zicht en maar al te vaak moesten de stakers met hangende pootjes terug naar de fabriek. De meeste arbeiders mochten op de verslechterde voorwaarden weer aan de slag maar de stakingsleiders waren op een zwarte lijst gezet. Zij konden een baan in de textiel wel vergeten. De werkgevers gebruikten de wet eigenlijk vooral om mee te drei­gen. Stakingsleiders waren volgens de wet immers criminelen, oproerkraaiers die thuishoorden in de gevangenis! Zo werden arbeiders die zich verzetten tegen uitbuiting met de wet in de hand zwart gemaakt.

File:McConnel & Company mills, about 1820.jpg

McConnel& Company Mills rond 1820

Ook in andere opzichten was de positie van de arbeiders zwak. Door de komst van de machines waren hun ambachtelij­ke vaardigheden steeds minder belang­rijk geworden. Terwijl vroeger handwe­vers werden opgeleid door ervaren wevers in de traditie van het meester/­leerlingsysteem, leerden de arbeiders het fabrieksweven in enkele weken. Een fabrikant nam een paar goed betaalde ervaren wevers in dienst en liet deze geschoolde krachten steeds nieuwe ongeschoolde arbeiders inwerken die vervolgens voor het loon van een onge­schoolde arbeider aan de slag gingen. Een ander middel in de handen van de fabrikant om de kosten te drukken was het aantrekken van migranten uit Ierland. Deze nieuwkomers waren bereid voor lagere lonen in de fabrieken aan de slag te gaan. De Engelse arbei­ders reageerden vijandig op hun komst en probeerden hen zoveel mogelijk tegen te werken. De socialist Karl Marx vond dat maar kortzichtig. Hij constateerde in 1860:

"Elke industriestad in Engeland heeft nu een verdeelde arbeidersklasse. Overal zijn er twee vijandige kampen, de Engelse arbeiders en de Ierse arbeiders. De Engelse arbeider haat de Ierse arbeider als een concurrent die de lonen ondergraaft. In vergelijking met de Ier ziet de Engelse arbeider zichzelf als superieur en ver­zet hij zich tegen elke samenwerking. Daarmee stelt hij zich aan de kant van de Engelse kapitalisten en bevordert zo zijn eigen onderdrukking".

De arbeidsomstandigheden weerspiegel­den de zwakke positie van de arbeiders. Volgens tijdgenoten bepaalden niet de arbeiders maar de machines het tempo van de fabriek:

"Zolang de machines draaien moeten de men­sen werken — mannen, vrouwen en kinderen zijn gekoppeld aan ijzer en stoom. De breek­bare mens-machines staan bloot aan duizend ontberingen, maar zij lijken onwrikbaar vastgeketend aan de ijzer-machines die geen ontberingen en vermoeidheid lijken te kennen".

Het tempo van de machines, boetes, dreiging met ontslag en stukloon dreven de arbeiders voort door hun zestien­urige werkdagen. Ook de stoffige, voch­tige, lawaaiige ruimtes en de gevaarlijke werkmaterialen als lood, kwik en allerlei bleekmiddelen eisten hun tol. In veel fabrieken was een arbeider van boven de vijftig een zeldzaamheid. Turner Thakrah, een Engelse arts, stond in 1832 bij de uitgang van een textielfabriek in Manchester en zag de arbeiders naar buiten komen:

"De kinderen zagen er allemaal slecht gekleed en ziek uit en liepen op blote voeten. De meesten leken niet ouder dan een jaar of zeven. De mannen varieerden meestal in de leeftijd van vijftien tot vijfentwintig en waren net zo bleek en mager als de kinderen. De vrouwen zagen er nog het beste uit, maar ook zij waren verre van fris en monter. Hier zag ik een gedegenereerd ras, mannen en vrouwen die nooit oud zullen worden en kinderen die nooit zullen uitgroeien tot gezonde volwassenen. het was een treurig spektakel"

De overheid hield zich lang afzijdig. Vurige pleidooien van werkgevers voor individuele vrijheid vonden daar een gewillig oor. Zelfs goedwillende bestuurders en artsen raakten maar al te vaak onder de indruk van indringende waarschuwingen voor commerciële rampspoed indien aan deze misstanden van hogerhand een eind zou worden gemaakt. Toch kon de overheid niet lan­ger de ogen sluiten. Diverse onderzoe­ken in de industriesteden leidden in 1833 tot de eerste serie 'Factorv Acts'. Erg ver gingen de maatregelen nog niet omdat de overheid nog moeite had met de spagaat van bescherming van arbei­ders aan de ene kant en die van werkge­legenheid aan de andere kant. De werk­tijden van vrouwen en kinderen werden beperkt en de meest gevaarlijke toestan­den in de fabrieken werden verboden. Wel kwam er een arbeidsinspectie die de naleving van deze eerste beperkingen van de ondernemersvrijheid controleer­de.

5.3 Groeiende bestaanszekerheid?

Gingen de arbeidersgezinnen er door de industrialisatie op vóóruit of was er juist sprake van een terugvallende levensstandaard?

Over deze vraag hebben tal van wetenschappers verwoed gedebatteerd maar een definitief antwoord is nauwe­lijks te geven. Zeker is dat de bevolking van Lancashire na 1700 flink begon te groeien, dat de sterftecijfers en de huwe­lijksleeftijd daalden en de geboortecij­fers stegen. De gezinnen werden groter en de steden begonnen snel te groeien. Zeker in de beginfase van de industriali­satie steeg de vraag naar arbeiders sneller dan het aanbod waardoor lonen ste­gen. Aan de andere kant waren er regel­matig problemen. Perioden van hoog- en laagconjunctuur wisselden elkaar steeds af. Telkens als de markt tijdelijk inzakte vielen de lonen terug en moesten er

arbeiders vroegtijdig naar huis. Een bij­zonder hevige crisis volgde op het uit­breken van de Amerikaanse Bugeroorlog in 1861. De blokkade van de havens in het zuiden van de Verenigde Staten beroofde Lancashire van haar katoenimport en leidde tot een heuse katoen-hongersnood. In novem­ber 1862 waren al meer dan een kwart miljoen mensen in Lancashire volledig afhankelijk van de armenzorg. Op het platteland hadden veel arbeiders nog een akkertje met wat groenten maar in de stad waren ze helemaal afhankelijk geworden van de fabrieken.

Ook de familiecyclus van de arbeidsgezinnen had voorlopig nog een grote invloed op hun levensstandaard. Als de kinderen klein waren moesten man en vrouw samen proberen een gezinsinkomen te verdienen. Door de kosten van voedsel, kleding en de woning kon er nauwelijks worden gespaard. Als de kin­deren wat groter werden gingen zij ook naar de fabriek en droegen ze bij aan het gezamenlijke inkomen. Vaak kon moe­der dan stoppen met het fabriekswerk en was het gezin economisch wat minder kwetsbaar. Pas aan het einde van de negentiende eeuw waren de lonen van de arbeiders genoeg gestegen om een heel gezin te onderhouden en verruilden veel moeders de fabrieken voor het huishou­den.

File:Graph rel lvl indz 1750 1900 01.png

De lage lonen en de bestaansonzeker­heid maakten de arbeidersgemeenschap tot een hechte gemeenschap. De meeste nieuwkomers in de stad vestigden zich in de buurt van familieleden en oude bekenden uit het dorp. Deze familie- en buurtnetwerken zorgden voor een eerste opvang, bemiddelden bij het vinden van werk en hielpen elkaar in tijden van ziekte en nood. Vooral de arbeidersvrou­wen hadden een scherp oog voor fami­lies die in problemen kwamen en orga­niseerden dan gemeenschappelijke ondersteuning. Deze onderlinge hulp was méér dan liefdadigheid, het sterke gemeenschapsgevoel was een levens­voorwaarde omdat de overheid het in zulke gevallen liet afweten. In de arbeiderswijken wist iedereen maar al te goed dat ze het bij tegenslag niet van bestuur­ders of van werkgevers moesten hebben. Men hielp elkaar in de verwachting ook zelf geholpen te zullen worden. Omdat de arbeiders in de fabriek hadden geleerd samen te werken en zich te onderwerpen aan allerlei regels en afspraken, gingen zij ook onderling steeds meer afspraken maken en vastleg­gen die in hun gemeenschappelijke belang waren. Zo richtten zij gezellig­heidsclubs, bouwverenigingen, spaar­bankjes en schooltjes op. Nog belangrij­ker was de oprichting van verbruikscoö­peraties, winkels opgericht door arbei­ders waar allerlei spullen collectief wer­den ingekocht die weer zonder winst aan de aangesloten arbeiders werden ver­kocht. Samen met de gezamenlijke voet­balclub, fanfare, duivenmelkersvereni­ging en wielerclub maakte de coöperatie de arbeiderswijk even hecht als ooit het boerendorp was geweest.

Soms droegen ook werkgevers bij aan de bestaanszekerheid en het gemeen­schapsgevoel van hun arbeiders. De katoenfabriek van Robert Owen in New Lanark was een modelfabriek waar niet langer dan 10 uur gewerkt werd. Hij opende winkels waar zijn arbeiders goedkoper terecht konden en waar betaald werd met speciale bankbiljetten met de waarde van een aantal gewerkte uren. In Bolton deden Bazley en Gardner hun uiterste best om de bestaanszeker­heid, de gezondheid en de ontwikkeling van hun arbeiders te bevorderen. Door arbeiders te scholen werden ze geschik­ter voor het werk in de fabriek, kwamen ze op tijd en waren ze gehoorzaam. Bovendien kregen deze werkgevers zo dankbare en loyale werknemers die zich niet alleen verantwoordelijk voelden voor elkaar maar ook voor de fabriek.

Toch bleven zulke werkgevers in Lancashire een uitzondering. De meeste werkgevers zagen hun arbeiders vooral als een bron van inkomsten en zetten ze bij terugvallende vooruitzichten zonder aarzeling op straat. Daarna waren de arbeiders afhankelijk van elkaar of moesten ze noodgedwongen terugvallen op de minimale armenwetten.

6 Machines aan het werk, vloek of zegen?

Inleiding

De komst van machines was het begin van het einde van de traditionele agra­risch-stedelijke samenleving van Lancashire. Ongekende hoeveelheden katoenen garens en bedrukte weefsels werden voortaan vervaardigd door een handjevol ervaren textielarbeiders, geholpen door grote groepen kinderen en vrouwen. Sommige jongemannen begonnen een carrière als handwever maar eindigden 40 jaar later als steenrij­ke textielmagnaten. Slaperige dorpen aan snelstromende riviertjes groeiden binnen vijftig jaar uit tot rokende indu­striesteden waarin allerlei nieuwkomers leerden de stoomfluit van de fabrieken te gehoorzamen. De rol van de Kerk, de rolverdeling binnen de gezinnen, de rol van het stadsbestuur, alles werd anders, maar werd het ook beter?

Welke reacties riepen de veranderingen op in de samenleving?

6.1 Ieder zijn deel?

De nieuwe tolwegen, kanalen, mijnen en fabrieksschoorstenen riepen uiteenlo­pende reacties op. Een rondleiding in een bedrijvige fabriek was voor de een 'n blik in een toekomst vol beloften, maar voor de ander eerder een reis door het voorportaal van de hel. 

Volgens Andrew Ure, professor aan de universiteit in Glasgow, waren machines boven alles een onuitputtelijke bron van nieuwe welvaart:

"Stoommachines zorgen zelf voor hun verme­nigvuldiging. Zij creëren een enorme vraag naar brandstof maar lenen tegelijkertijd hun krachtige armen om mijnen te graven en kolen te delven. Zij bieden werk aan talloze mijnwerkers, machinebouwers, monteurs, scheepsbouwers, schippers en textielwerkers. Zij maken de aanleg van kanalen en spoor­wegen mogelijk. Zij brengen welvaart maar maken het tegelijkertijd mogelijk dat grote stukken landbouwgrond vrijkomen voor de productie van gewassen voor mensen. Vruchtbare stukken land die vroeger moesten worden gebruikt voor voedsel voor ossen en paarden. De stoommachines werken boven­dien goedkoop en worden nooit moe zodat ze goedkope producten maken die geruild kunnen worden tegen allerlei noodzakelijke of prettige goederen uit het buitenland. De machines hebben drie overduidelijke voordelen:

1) Ze produceren artikelen die zonder machines niet eens gemaakt kunnen worden.

2)  Bij dezelfde inspanning van arbeid, tijd en kapitaal produceren zij meer stuks die bovendien van een constante kwaliteit zijn.

3) Zij maken het mogelijk kostbare geschool­de arbeid te vervangen door goedko ree nauwelijks geschoolde arbeid.

Charles Babbage, een ambitieuze uitvin­der die al rond 1850 probeerde met 'stoommachinetechniek' een rekenma­chine te ontwikkelen, was vooral enthousiast over de maatschappelijke gevolgen van de technologische groei:

"Op arbeid wordt niet meer neergezien(..) de bijen zijn méér in tel dan de vlinders van de samenleving; rijkdom wordt minder beschouwd als vrijheid van arbeid dan als roep tot inspanning. daadkracht, initiatief en doorzettingsvermogen worden als nooit tevoren beloond!".

De voorstanders van de machines bena­drukten dat het werk in de fabrieken veel eenvoudiger, minder inspannend, hygië­nischer en veel effectiever was. Ze beweerden dat machines op termijn voor lagere kosten en een sensationeel stij­gende productie kunnen zorgen. Groeiende winsten, minder lichamelijke inspanning en uiteindelijk welvaart voor iedereen, de lang gekoesterde toekomst­droom! Een steeds sterker wordende stroom nieuwe en steeds verfijndere machines leek de droom binnen handbe­reik te brengen.

File:Thomas Malthus.jpg

De grimmige Theorie van Malthus, die beweerde dat een aanzienlijke groei van de welvaart onmogelijk was door de combinatie van beperkte groeimogelijk­heden van de landbouw en de rampzalige neiging tot bevolkingsgroei in gunsti­ge perioden, leek door de komst van machines definitief te zijn achterhaald. Door de enorme katoenproductie te kop­pelen aan internationale vrijhandel zou Lancashire uit kunnen groeien tot het welvarende textielatelier voor de gehele wereld. Iedereen kon er aan het werk en de fabrieken zouden iedereen van goed­kope, maar kwalitatief hoogwaardige textiel kunnen voorzien.

Tegelijkertijd waren er ook tal van tijdg­enoten, die een veel minder rooskleurig beeld hadden van de opdringende mechanisering en de rokende schoor­steenpijpen. Als zij een fabriek bezochten waren het niet de reusachtige machines die de meeste indruk maakten maar de armzalige mensen die aan de machines werkten.

Bekende schrijvers als Charles Dickens, Richard Carlile en Elizabeth Gaskell Op arbeid wordt niet meer neergezien (...) de beschreven in hun romans vooral de donkere kanten van het fabrieksleven. Kinder- en vrouwenarbeid, lange werk dagen en lage lonen waren voor hen veel belangrijker dan het maatschappelijke slagen van enkele succesvolle onderne­mers. Zo beschreef Richard Carlile in zijn tijdschrift `The Lion' een nauwkeurige reconstructie van de treurige levensgeschiedenis van Robert Blincoe. Op zijn zevende had het weeskind Robert een veertienjarig contract gekregen bij een spinnerij. Met tachtig andere weeskinde­ren vertrok hij naar de fabriek. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat wer­den ze geschopt en geslagen, aan de haren getrokken en gestompt. Er moest veertien tot zestien uur per dag gewerkt worden. Maar het kon nog erger, want toen Robert elfjaar was ging de fabriek failliet en kwam hij in een andere fabriek waar kinderen die niet genoeg presteer den, gestraft werden door de tanden af te vijlen. Door zwaar werk, slaapgebrek en slecht voedsel stierven veel van Roberts vrienden al in hun jeugdjaren. Elizabeth Gaskell publiceerde in 1848 de roman `Mary Barton: A tale of, Manchester life'. Ook Gaskell koos over­duidelijk de kant van haar hoofdpersoon en bekritiseerde de hebberige fabrieks­bazen die hun personeel niet als kinde­ren maar als vingervlugge mens-machi­nes leken te beschouwen. Veel lezers` raakten onder de indruk van deze 'social novels'en vroegen om ingrijpen van hogerhand om aan de misstanden een einde te maken.

Ook economen en wetenschappers waren lang niet allemaal positief over de gevolgen van de sensationele opkomst van de fabrieken. Volgers de bekende econoom Ricardo was samenleving niet op de juiste weg. Hevige sociale conflicten en steeds terugkerende perio­den van crisis hadden hem aan het twij­felen gebracht. Iedereen was overduidelijk vooral uit op bezitsvermeerdering. Maar toch waren de mensen die het hardste werkten juist niet degenen die het meest profiteerden. Volgens Ricardo waren de grootste profiteurs niet eens de fabrieksondernemers zelf maar vooral de grootgrondbezitters. De vraag naar graan was sterk gegroeid maar invoer vanuit het buitenland werd tegen gegaan door de Graanwetten van 1815. Door heffing van invoerrechten was de prijs van graan binnen dertig jaar maar liefst verviervoudigd. De ondernemers moes­ten daarom de lonen van hun arbeiders noodgedwongen verhogen. Inmiddels waren de prijzen van het brood echter ook weer gestegen en profiteerden de arbeiders nauwelijks van de loons­verhoging. Zo werden vooral de groot ­grondbezitters slapend rijk en bleven de fabrieksarbeiders in armoede en ellende achter.

De gezworen kameraden Friedrich Engels en Karl Marx gingen in hun ana­lyse nog een stapje verder dan Ricardo. Volgens hen was de rol van de grootgrondbezitter al bijna uitgespeeld en waren er nog maar twee hoofdpersonen in het drama van het kapitalisme: arbei­der en kapitalist. In hun ogen waren de kapitalistische ondernemers slachtoffer en dader tegelijk; kapitalistische uitbui­ters door economische wetten noodge­dwongen op jacht naar rijkdom. De kapitalist moest de lonen van zijn arbei­ders wel zo laag mogelijk houden want anders zou hij door andere ondernemers worden weggeconcurreerd. De arbeider had niets meer in te zetten dan zijn arbeidskracht en ook hij kreeg te maken met de concurrentie van zijn talrijke lot­genoten. Zo draagt volgens Marx en Engels het vrije ondernemerschap reeds de kiem tot haar eigen vernietiging in zich, want het zal uiteindelijk komen tot:

.." een steeds kleiner aantal kapitaalmagna­ten die het productieproces monopoliseren en een steeds grotere massa van onderdrukte en uitgebuite proletariërs. Maar zo groeit ook het verzet van de arbeidersklasse, die steeds in aantal toeneemt en die, gedisciplineerd, vereend en georganiseerd raakt door de mee­dogenloze economische wetten van het kapi­talisme zelf. Uiteindelijk zal de doodsklok van het kapitalisme onherroepelijk gaan lui­den en zal een opstand van de proletariërs de kapitalistische eigenaars onteigenen!".

6.2 Van 'King Ludd' tot Richard Cobden, katoen in opstand

Net zoals Marx voorspelde, nam gedu­rende de negentiende eeuw het verzet van de textielarbeiders toe. Vooral in slechte tijden waarin de voedselprijzen stegen en het stukloon juist daalde, kon het smeulende verzet plotseling opflak­keren. Ook als nieuwe machines hand­werkers of geschoolde fabrieksarbeiders werkeloos maakten, reageerden zij soms woedend. Toen in Derby de invoering van een verbeterde breimachine gepaard ging met een loonsverlaging trokken grote groepen woedende arbeiders op naar de fabrieken om de nieuwe machines te vernielen. Bij de vernielde machi­nes werden verklaringen achtergelaten ondertekend met `King Ludd', waarna de opstandige arbeiders al snel Luddieten genoemd werden. `Ludd' beklemtoonde dat ziin acties heel doelgericht waren:

"De schuldigen mogen sidderen, alle eerlijke ondernemers gaan vrijuit.

Mijn woede geldt enkel de nieuwe machine, die haalt de prijzen onderuit.

Deze onheilsmachines verdienden ter dood te worden veroordeeld;

daarover was de hele bedrijfstak geheel onverdeeld.

En Ludd, die ondanks alle tegenstand nooit verzaakt

is daartoe tot opperbeul gemaakt!".

Binnen een jaar werden er meer dan dui­zend machines vernield. De politie werd bij haar opsporing tegengewerkt door andere arbeiders en de overheid probeer­de terug te slaan door doodstraf door ophangin te stellen op het nieuwe ver­grijp van 'machine-breaking'. In York moesten enkele 'breakers' hun arrestatie uiteindeliik met de dood bekopen.

Rond 1830 was het wéér mis en kregen diverse fabrikanten dreigbrieven in de bus:

"Sir, middels dit schrijven waarschuwen wij U dat indien U Uw machines niet zelf vernie­tigt, wij onze arbeiders hiermee zullen laten beginnen. Getekend namens allen,

Swing

Wie deze Captain Swing was wist nie­mand, maar op diverse plaatsen werden stoommachines met de beroemde - machinaal geproduceerde — mokerha­mers van de firma Enoch & Taylor finaal stuk geslagen en in brand gestoken. De overheid en de ondernemers gingen fanatiek op zoek naar de mythische reïn­carnatie van King Ludd maar natuurlijk werd ook Swing nooit gevonden.

De overheid zette spionnen in die achter de geruchten over een op handen zijnde algehele opstand van textielarbeiders in Lancashire aan moesten. Deze spionnen kwamen al snel terug met allerlei sterke verhalen over geheime genootschappen van oproerige arbeiders die een heuse revolutie tegen de bestuurders zouden voorbereiden. Behalve de opgewonden verslagen van deze spionnen zijn er ech­ter nooit bronnen gevonden die zulke grootschalige politieke samenzweringen bevestigden. Luddisme leek eerder voort te zijn gekomen uit actuele economische nood dan uit een zorgvuldig opgezette politieke strategie.

Toch zat de schrik bij de gevestigde orde er goed in en hier en daar begonnen plaatselijke autoriteiten grote onderne­mers medeverantwoordelijk te stellen voor de sociale onrust. Steeds vaker wei­gerden zij zich te laten gebruiken als waakhond van de fabrikanten.

Misschien stelden ze was het niet eens zo'n slechte zaak indien geschoolde arbeiders pogingen ondernamen om zich te organiseren om zo hun bazen en politiek wat meer tegenspel te kun­nen bieden. De arbeiders wezen er ondertussen op dat nieuwe industrie­steden als Manchester, Birmingham, Sheffield en Leeds bijna een half miljoen inwoners telden maar dat zij geen van alle een vertegenwoordiger hadden in het Engelse parlement.

In Manchester wilden deze geschoolde arbeiders laten zien dat zij geen onrust­stokers waren en dat ze op een verant­woordelijke manier voor hun belangen op konden komen. Ze organiseerden een massabijeenkomst om Henry Hunt te steunen als vertegenwoordiger van alle arbeiders in Lancashire. Het stadsbe­stuur van Manchester vertrouwde de zaak niet helemaal en hield de cavalerie van Cheshire, een burgerlegertje van winkeliers en kleine handelaren, achter de hand om in te kunnen grijpen. Toen het stadsbestuur vanuit een raam aan het `St. Peter's Field' het aantal demonstran­ten aan zag groeien tot ruim 50.000, steeg de onrust. Dreigde hier de lont voor de revolutie vlam te vatten? Onder de indruk van de massale spreekkoren gaven de stadsbestuurders opdracht Hunt uit voorzorg te arresteren. Door de plotselinge verschijning van de op de demonstranten inhakkende cavalerie ontstond er paniek die uiteindelijk resul­teerde in elf doden en ruim vierhonderd gewonden.

File:Peterloo Massacre.png

Het 'Peterloo Massacre' maakte eens te meer duideljjk hoezeer de traditionele Engelse politieke verhoudingen door de industrialisatie waren achterhaald.

Samen met industriële ondernemers en vertegenwoordigers van de nieuwe middenklasse drongen de arbeiders aan op hervormingen, vooral omdat de verou­derde indeling in kiesdistricten de nieu­we industriesteden politiek machteloos hield. De ondernemers en de midden­klasse uit de steden kregen in 1832 hun zin toen de `Reform Bill' werd aangenomen.

Eerste pagina van de Reform Act

Deze nieuwe wet moderniseerde de kiesdistricten door nagenoeg leeggelo­pen kiesdistricten het recht van verte­genwoordiging in het parlement te ont­nemen ten gunste van de gebieden waar de industriesteden lagen. Bovendien kre­gen voortaan ook huurders van panden of fabrieken actief kiesrecht en werd voor hen een eigen `democratisch' House of Commons (soort Tweede Kamer) ingesteld. Voor de arbeiders was deze hervorming een grote teleurstelling want zij hadden nog steeds geen kiesrecht. Toen het nieuwe House of Commons bovendien wetgeving voorbe­reidde tegen de vorming van vakbonden en vóór de bestraffing van stakingslei­ders voelden zij zich regelrecht verra­den.

 De textielarbeiders en de lagere midden­klasse verenigden zich daarom na 1830 in de Chartisten beweging. De Londense arbeider William Lovett begon een arbeidersvereniging met het doel `in een gezamenlijke bond het intelligente en invloedrijke deel der werkende klasse in stad en land te verenigen' om zo beter voor hun belangen op te kunnen komen. In 1838 stelde deze vereniging het `People's Charter' op. Het bevatte zes punten:

1) algemeen mannenkiesrecht,

2) jaarlijkse parlementsverkiezingen,

3) geheime stemming

4) afschaffing van de vermogeneis voor parlementsleden,,

5) betaling van parlementsleden

6) een ver­dere modernisering van de verdeling van het land in kiesdistricten.

Het Chartisme ging echter verder dan enkel politieke eisen. Een spreker op een massavergade­ring in Manchester betoogde vol vuur:

"Chartisme, mijne vrienden, is niet alleen een politieke beweging die u in de eerste plaats het stemrecht wil verschaffen. Chartisme is een zaak van levensbelang. De Charter bete­kent een goed huis, goed eten en drinken, welvaart en kortere arbeidstijden".

Binnen twee maanden na de publicatie van het Charter sloot Feargus. O' Connor, de uitgever van de voor­naamste arbeiderskrant 'The Northern Star', zich aan bij de Chartisten. Al snel ontwikkelde hij binnen de beweging een radicale vleugel die staking en en regelrecht geweld niet schuwde. Deze militanten stichtten in 1840 in Manchester de `Nationale Charter Bond' en probeer­den een algemene, landelijke staking van de grond te krijgen. Nu werden de spoorwegen gebruikt om snel militairen naar de ontevreden arbeidersstreken te vervoeren. Deze militairen slaagden erin veel stakingen in de kiem te smoren door de leiders zo snel mogelijk op te pakken.

De economische depressie van 1841 en 1842 verscherpte de tegenstellingen nog verder en deed de aanhang van de Chartisten weer toenemen. Op openbare massabijeenkomsten gonsden alweer snel de geruchten over een op handen zijnde algemene staking. Vooral in Lancashire nam met de groeiende werke­loosheid ook de sociale onrust snel toe. Uiteindelijk barstten daar de zogenaam­de 'Plug Plot' rellen los en dreigde de vlam echt in de pan te slaan. In tal van fabrieken legden de arbeiders het werk neer en in Oldham liepen mijnwerkers, spinners, machinebouwers en landarbei­ders zij aan zij door de straten. Al snel was sprake van de eerste algemene sta­king in de geschiedenis van het kapita­lisme. De arbeiders verklaarden niet aan het werk te gaan voordat het algemeen (mannen)kiesrecht, de Tien-Uren Wet en het herstel van de lonen naar het niveau van 1840 gerealiseerd zouden zijn. De Nationale Charter Bond' hield haar nationale vergadering op 16 en 17 augus­tus midden in het roerige Manchester. Zij riep op tot een landelijke algemene staking. Inderhaast aangevoerde militai­ren wisten hier en daar met geweld de orde te herstellen maar uiteindelijk was het niet het geweld van de militairen maar de honger en de uitputting van de stakers en hun gezinnen die dealgeme­ne staking wisten te breken.

In de jaren daarop trok de economie enigszins aan en kozen de arbeiders voor een andere strategie. Vooral de geschoolde arbeiders zagen meer per­spectief in de acties van de vakbonden. Voor de vakbonden waren politieke eisen meer iets voor de langere termijn, op korte termijn richtten zij zich veel meer op economische eisen als loons­verhoging en verkorting van de werktij­den. Zeker nu de vraag naar arbeiders weer toenam, boden onderhandelingen van de vakbonden veel meer kans op succes dan de wilde stakingsacties van de Chartisten.

Ondertussen hadden ook de onderne­mers niet stil gezeten. Zij zagen in dat de nood onder de arbeiders hoog was en stuurden aan op een verlaging van de kosten van het levensonderhoud door afschaffing van de gehate Corn Laws (Graanwetten) van 1815. Als de invoer­rechten op graan zouden vervallen zouden broodprijzen zakken waardoor de koopkracht van de arbeiders zou stijgen.

Richard Cobden, een ondernemer uit Manchester, vormde daartoe in 1838 de Anti-Corn- Law- League. De arbeiders stonden een beetje aan de zijlijn. Zij hadden niet al te veel vertrouwen in de menslievende bedoelingen van hun meesters en zij waren het `verraad' van 1832 nog niet vergeten.

Maar in tegenstelling tot de arbeiders waren de ondernemers en de midden­klasse inmiddels wel vertegenwoordigd in het parlement. Zo konden zij hun eco­nomische eisen wel politiek kracht bij­zetten zonder over te hoeven gaan tot contraproductief revolutionair geweld. Tijdens de regering van Robert Peel, nota bene een voormalige katoenfabri­kant uit Manchester! werden de graan­wetten ingetrokken. De `lords of the loom', de heren van het weefgetouw, hadden de macht van de `lords of the soil', de heren van de grond, eindelijk gebroken. Na de eerste slag door middel van de Reform Bill, betekende de intrekking van de graanwetten bijna de knock-out voor de traditionele Engelse macht­hebbers. De industrie was in Engeland ook in politiek opzicht een doorslagge­vende factor geworden.