We hebben 192 gasten online

CSE Europa en de buitenwereld 1150-1350

Gepost in Europa

CENTRALE VRAAG

Waardoor was er een opbloei van de contacten tussen Europa en de buiten-Europese wereld en waarom bleven ondanks deze opbloei naast de nieuwe beelden over de buiten-Europese wereld bestaande beelden voortleven?

1 Europa omstreeks 1150

1.1 Wat zijn de voornaamste kenmerken van het Europa van omstreeks 1150?

Het begrip Europa kan in de Middeleeuwen op verschillende manieren worden ingevuld afhankelijk van de gekozen invalshoek: geografisch-staatkundig, gods­dienstig, economisch of cultureel.

1.1.1 Geografisch

De geografische grenzen van Europa vielen in grote lijnen samen met de grenzen van het christendom. Een deel van de gebieden die tot Europa werden gerekend, had een gemeenschappelijke geschiedenis: zij hadden behoord tot het rijk van Karel de Grote. Breidde het christendom zich uit, dan werd Europa groter en omgekeerd. De buiten-Europese wereld bestond uit al die gebieden die bewoond werden door mensen met een ander geloof dan het Latijns-christelijke. Zelfs gebieden waar chris­tenen woonden die de paus in Rome niet als leider erkenden, zoals het Byzantijnse Rijk, werden niet tot Europa gerekend.

De gebieden die Europa vormden zijn niet te vergelijken met de nationale staten die wij nu kennen. In dit Europa speelde de belevingswereld van de meeste mensen zich voornamelijk af binnen de nauwe horizon van de eigen regio. Zij identificeerden zich met de plaats waar zij woonden of het graafschap waar zij zich thuis voelden en waar zij elkaar verstonden. Pas aan het eind van de aan de orde zijnde periode begonnen zich nationale staten te ontwikkelen.

1.1.2 Godsdienstig

De middeleeuwer gebruikte het woord Europa zelden anders dan als geografisch begrip. Voor de gemeenschap van mensen die de kern van Europa vormde, gebruikte men meestal het begrip christianitas (christenheid). Die gemeenschap werd extra sterk gevoeld indien er sprake was van tegenstellingen met `anderen', zoals de moslims. Zo voelde het Latijns-christelijke westen ook een tegenstelling ten opzichte van het Grieks-christelijke oosten.

Aan het eind van de lle eeuw kwam de kruistochtgedachte op. Er werd een beroep gedaan op de christelijke wereld voor een gezamenlijk optreden naar buiten. De pausen, als leiders van de christelijk-Europese wereld, wierpen zich op als voor­trekkers van de kruistochten. Ze probeerden daarmee zich door Europese koningen te laten erkennen als opperheer. Dit had effect in de buiten-Europese gebieden: in geschriften uit de Arabische en Aziatische wereld werd de paus meestal als wereldlijk leider van Europa genoemd. Het optreden van geestelijke orden in heel Europa versterkte ook het gevoel van verbondenheid.

Vele gelovigen gingen op bedevaart binnen Europa. Deze pelgrimstochten ver­sterkten het gevoel van een christianitas. Zo betrok de bedevaart naar Santiago de Compostela het Iberisch schiereiland, waarvan het christelijk deel door de Reconquista steeds groter werd, sterker bij dit christelijke Europa.

1.1.3 Economisch

De agrarische maatschappij veranderde in de 12e eeuw in een agrarische-verste­delijkte samenleving ten gevolge van een opleving in de economie, waarbij sterke regionale verschillen bleven bestaan. De bevolking groeide. Kooplieden dreven handel over steeds grotere afstanden binnen en buiten Europa. De steden kwamen op. Er ontstond een geldeconomie en de mobiliteit nam sterk toe, waardoor de inwoners van uiteenlopende delen van Europa met elkaar in contact kwamen.

Op de jaarmarkten van de Champagne ontmoetten handelaren uit het Middellandse-Zeegebied handelaren uit het Noordzeegebied en het Oostzeegebied. Hierdoor werden twee economische hoofdsystemen met elkaar verbonden. De verbindingen over de Alpen tussen Noord-Italië en het Donaugebied met Zuid-Duitsland herleefden.

1.1.4 Sociaal-cultureel

In sociaal opzicht was er sprake van grote verschillen tussen verschillende groepen in de samenleving. Er was een standen-samenleving. Slechts een zeer klein deel van de bevolking kon het zich veroorloven niet voortdurend bezig te zijn met het ver­garen van de primaire levensbehoeften. Ook binnen die groep konden maar weinig mensen lezen en schrijven. Dat leerden voornamelijk diegenen die een werkkring vonden binnen de kerkelijke instellingen. De grotere mobiliteit als gevolg van de economische opleving bevorderde ook intellectuele contacten. Deze ontwikkeling resulteerde in het ontstaan van universiteiten, die op hun beurt weer het reizen van geleerden en studenten stimuleerden.

2 Beeldvorming in Europa omstreeks 1150 over de buiten-Europese wereld

2.1 Welke beelden hadden de inwoners van Europa omstreeks 1150 van de buiten-Europese wereld?

De middeleeuwers hadden geen eenduidig beeld van hoe de aarde er uit zag.

Het gangbare wereldbeeld was dat van de aarde als platte schijf. Op kaarten werd dit verschillend weergegeven.

Uit de Oudheid was aan de middeleeuwse mens het beeld overgeleverd, dat het bewoonbare land van de aarde was verdeeld in drie continenten, Europa, Azië en Afrika. Zij werden door water van elkaar gescheiden en werden gezamenlijk door water omgeven. De hele Middeleeuwen door bleef dit besef gemeengoed. Europa en Afrika werden van elkaar gescheiden door de centrale zee, die als het ware midden in het land lag: de Middellandse Zee. Het water van de rivier de Nijl scheidde Afrika van Azië, hoewel men soms de Rode Zee als de grens beschouwde. Europa en Azië werden van elkaar gescheiden door het water van de Zwarte Zee en de rivier de Don, die daarin aan de noordoostzijde uitstroomde. Dit ruime Europabeeld kwam dus heel dicht in de buurt van de hedendaagse geografische opvatting omtrent Europa.

to kaart

Op de populaire OT-kaarten worden de drie continenten door een `T' van rivieren en zeeën van elkaar gescheiden. Boven de waterdwarsbalk ligt Azië met in de top in het oosten het aards paradijs. Onder de waterdwarsbalk liggen links in het noorden Europa en rechts in het zuiden Afrika. De bestaande waterbalk is de Middellandse Zee, die geheel in het westen uitmondt in de Atlantische Oceaan. De werelddelen worden omringd door water in de vorm van een `O'. Het Heilige Land met Jeruza­lem ligt in het midden. Deze kaarten hadden een symbolische functie. Daarnaast bestond het idee dat er — naast de drie bekende werelddelen — nog een vierde continent moest bestaan, waar de antipoden of tegenvoeters woonden. Dit continent was voor gewone stervelingen onbereikbaar wegens de grote hitte en de onafzienbare woestijnen rond de evenaar. Ook wist men `zeker' dat daar, en in delen van Afrika en Azië, allerlei andere fantasiewezens woonden. Doordat veel van deze wezens in populaire verhalen voorkwamen, waren deze ideeën wijd verbreid.

De meeste geletterden stelden zich de aarde voor als het bolvormig centrum van een eveneens bol- of eivormig heelal. Omstreeks 1150 heeft het schijfidee waarschijnlijk nog overheerst, maar dankzij de nieuwe contacten tussen oost en west kwamen, `nieuwe' geschriften uit de Oudheid ter beschikking die eveneens het bestaan van de ronde aarde beschreven. De echte doorbraak van dit beeld kwam echter na 1150. Er bestonden ook fantasiebeelden van een fabelachtig rijk. Ergens in Azië zou een christelijk rijk bestaan waarover een priester-koning Jan heerste, die regeerde met een `scepter van smaragd'.

Van de Arabische wereld bestonden twee soorten beelden: de Arabieren als vijanden van de christelijke wereld en de Arabieren als fascinerende leveranciers van luxe en kennis.

2.2 Op welke kennis waren die beelden gebaseerd?

De kennis in Europa omstreeks 1150 over de buiten-Europese wereld was een merkwaardige mengeling van soorten kennis, die we naar hun herkomst of over-leveringswijze kunnen onderscheiden.

2.2.1 Kennis uit de Klassieke Oudheid en de Arabische wereld

ptolomeus

In 1154 werd het werd het werk van Ptolemaeus door de befaamde geleerde Al Idris gebruikt om een wereldkaart samen te stellen. Al Idris had veel door Europa gereisd en wist daardoor hoe dit continent er uit zag.

Allereerst was kennis gebaseerd op overgeleverde `geleerde' kennis uit de klassieke Oudheid, zoals van de astronoom Ptolemaeus. Van hem komt het beeld van de bol­vormige aarde. Zijn werk was tot de 12e eeuw fragmentarisch overgeleverd. Heel lang kopieerden middeleeuwse auteurs klakkeloos de gezaghebbende ge­schriften, waardoor tegenstrijdige gegevens naast elkaar bleven voortbestaan. Rond 1150 was de vraagbaak bij uitstek de grote encyclopedie van Isidorus van Sevilla die omstreeks 600 was samengesteld. Daarin is zowel het beeld van de bolvormige aarde van Ptolemaeus als dat van de aarde als platte schijf te vinden.

Daarnaast was er kennis uit de Arabische geleerde kringen doorgesijpeld. Contacten met de Arabische cultuur in Sicilië en het Iberisch schiereiland hadden omstreeks 1000 geleid tot vertalingen van Arabische teksten over wiskunde en astronomie. Dit leidde tot de introductie van de algebra en allerlei rekentechnieken, ook op monetair gebied. Het was voornamelijk eenrichtingsverkeer: Europa had de meer ontwikkelde Arabische wereld weinig te bieden.

2.2.2 Kennis uit reisverslagen

De schaarse reisverslagen uit de voorafgaande honderden jaren en de verhalen waarmee handelaren, schippers, pelgrims naar de heilige plaatsen in Palestina, gezanten en kruisvaarders van hun reizen thuiskwamen, bevatten veel informatie. Zeelieden wisten veel af van zeestromingen, kustlijnen, eilandengroepen in de oceaan, en de trek van vissen en vogels.

De paar handelaren die wisten door te dringen tot gebieden die verder oostelijk of zuidelijk lagen dan de kusten van Klein-Azië brachten vage informatie over afge­dwaalde christenen `achter' de Arabieren: de nestorianen. Veel pelgrims trokken in het spoor van de kruisvaarders naar de nieuwbevrijde gebieden en vertelden thuis van hun belevenissen. Ten gevolge van de stichting van de kruisvaardersstaten na de Eerste Kruistocht (1096-1099) namen de contacten met Arabische handelaren toe. De kennis gebaseerd op overleveringen en eigen waarnemingen drong nauwelijks door tot gezaghebbende geschriften.

Omstreeks 1150 `wist' men van een `Priester Jan, patriarch van de Indiërs', die contact met Rome had gezocht en Jeruzalem wilde komen bevrijden. Er bestonden ook enkele reisverslagen uit voorafgaande eeuwen. Van de fantasieverhalen van de reizen van Sint Brandaan verscheen rond 1150 een vertaling in het Middelnederlands.

2.2.3 Kennis uit goederen

De kennis van de buiten-Europese wereld had ook een materieel aspect in de vorm van de buiten-Europese goederen die als gevolg van de kruistochten en de opleving van de Italiaanse handel Europa bereikten. Europeanen leerden met eigen ogen en mond de rijkdommen van het oosten kennen. Producten als zijde, specerijen en edel­stenen kwamen sporadisch Europa binnen. Zij behoorden tot de luxe die slechts de adel (in wereld en kerk) zich kon permitteren. Vrijwel al het goud dat Europa importeerde kwam uit Noord-Afrika.

3 Opbloei van de contacten met de buiten-Europese wereld 1150-1350

3.1 Welke omstandigheden begunstigden de opbloei van de contacten?

Hierop zijn verschillende visies mogelijk.

Ontwikkelingen binnen Europa leidden tot toename van de interesse in de buiten-Europese wereld:

— De economische groei in de 12e eeuw leidde tot een toename van de welvaart en daarmee van de behoefte aan luxegoederen van buiten Europa. Economische groei leidde ook tot het zoeken naar afzetgebieden voor Europese goederen buiten Europa. De opkomst van handel en scheepvaart, in het bijzonder vanuit de Italiaanse havensteden. Italiaanse kooplieden vestigden zich in de kruisvaarders-staten en hadden handelskantoren in steden als Jeruzalem, Damascus en Antiochië. Gedurende de hele 13e eeuw beheersten de Venetianen de handel met Byzantium waar kooplieden uit de hele Europese wereld handelskantoren vestig­den. De opleving van de handel in het Oostzeegebied maakte dat de water- en landwegen via West- en Zuid-Rusland naar Azië een nieuw belang kregen.

— De nieuwe machtsaanspraken van de kerk. Deze bleken uit een krachtiger leider­schap van de paus zowel intern als naar buiten. Dit leidde tot een militant op­treden tegenover `vijanden' van de kerk wat tot gevolg had dat de grenzen van de christelijke wereld verlegd werden door de kruistochten en de Reconquista.

— Het streven van Europese wereldlijke heersers naar vergroting van hun macht buiten het `kleine' Europa van de 11e eeuw leidde tot het stichten van kruis­vaardersstaten en de verovering van gebieden in het zuiden van het Iberisch schiereiland, Oost-Europa en Noord-Afrika. De Vierde Kruistocht eindigde op initiatief van Venetië met de verovering van Constantinopel. Nu was voor het eerst de Zwarte Zee vrij toegankelijk voor Europese handelaren die daardoor rechtst­reeks aansluiting met en toegang tot de post- en karavaanwegen kregen. Italiaanse kooplieden vestigden zich op de Krim.

— De bloei van kathedraalscholen en universiteiten vergrootte de behoefte aan wetenschappelijke kennis.

Europa reageerde voornamelijk op en profiteerde van de veranderde omstandig­heden elders in de wereld:

— Het uiteenvallen van de islamitische wereld en de maatregelen van de Saracenen tegen christenen lokten de kruistochten uit. De Iberische Reconquista profiteerde van de verdeeldheid in het islamitische deel van het Iberisch schiereiland.

— De politieke rust in het Mongoolse Rijk van de groot-khan tussen 1250 en 1300

— de Pax Mongolica — maakte een naar verhouding goed onderhouden en be­veiligd wegennet mogelijk.

— De ontwikkeling van islamitische rijken in Noord-Afrika stimuleerde de handel in goud. Goud was onder andere belangrijk voor het slaan van munten.

— Berichten over christelijke heersers in Azië wakkerden de nieuwsgierigheid aan en wekten hoop op een bundeling van krachten tegen de islam.

3.2 Wie reisden er vanuit Europa naar de Arabische en Aziatische wereld?

Reizigers naar de Arabische en Aziatische wereld waren missionarissen, pelgrims, kruisvaarders, handelaren, diplomaten en wetenschappers. Mensen gingen vaak om meerdere redenen op reis.

Het is duidelijk dat vooral mannen reisden; vrouwen reisden slechts als zij hun man vergezelden. Alleen vrouwen die tot de elite behoorden of daarbij in dienst waren, of vrouwen die speciale taken in geestelijke orden hadden, reisden zelfstandig. Vrouwen uit lagere kringen gingen soms op bedevaart, maar slechts rijke, adellijke dames konden zich permitteren de verre reis naar Jeruzalem te maken.

3.3 Welke motieven hadden reizigers om deze reizen te ondernemen?

3.3.1 Godsdienstige motieven

— Pelgrims en kruisvaarders gingen omwille van het geloof naar het Heilige Land. De pelgrims wilden de heilige plaatsen in Palestina bezoeken. De kruisvaarders wilden het Heilige Land bevrijden van de Saracenen om, het vrij toegankelijk te maken voor christenen.

Een voorbeeld van een kruisvaarder is de hoge edelman Godfried van Villehardouin, die de Vierde Kruistocht mede organiseerde. Een ander voorbeeld is de eenvoudige ridder Robert van Clari, die zich bij deze kruistocht aansloot.

Beiden hebben daarover geschreven. De reizen van Jan van Mandeville zijn het meest bekende voorbeeld van een heel populair boek dat voor een deel de vorm van een pelgrimsverslag heeft, hoewel het niet zeker is dat hij de reizen echt zelf gemaakt heeft.

— Geestelijke orden stuurden missionarissen om de buiten-Europese wereld te kerstenen. Zij stichtten missieposten, onder andere in Azië. Toen bleek dat de nestorianen in het Mongoolse Rijk nog talrijk waren, stimuleerde dit de pogingen van deze orden daar voet aan de grond te krijgen. Zij wilden de nestorianen hetzij bekeren hetzij met hen samenwerken tegen de islam.

Een voorbeeld van zo'n missionaris is Willem van Rubroek, die in zijn reisverslag zijn religieuze discussies met nestorianen beschreef.

3.3.2 Economische motieven

- Handelaren profiteerden bij uitstek van de onder 3.1 genoemde gunstige om­standigheden om hun handel uit te breiden. Een voorbeeld van een Venetiaanse koopmansfamilie die via Byzantium naar China reisde was de familie Polo. Marco Polo dicteerde later in een Genuese gevangenis zijn reisverhalen aan een medegevangene.

— Kruisvaarders probeerden in het Heilige Land een nieuw bestaan op te bouwen of anderszins te profiteren van de veroveringen. Hiervan wordt melding gemaakt in Arabische en Europese kronieken.

3.3.3 Politieke motieven

— Diplomaten werden door pausen en koningen uitgezonden naar het Mongoolse Rijk en naar het vermeende rijk van Priester Jan.

Het Mongoolse eenheidsrijk breidde zich ook richting Europa uit. Na het eerste wapengekletter ontwikkelde zich een diplomatie met een deels religieuze inhoud. De Mongoolse khans werd gevraagd de christenen welgezind te zijn en samen te vechten tegen de vijanden van het christendom. De eerste die door de paus als gezant werd uitgezonden was Jan van Plano Carpini, in 1245. Na zijn terugkeer schreef hij `Geschiedenis der Mongolen'.

File:Prester John map.jpg

— Een geval apart was het `Rijk van Priester Jan'. In de 12e eeuw werd in een `brief van Pape Jan' een aanbod gedaan voor samenwerking tussen zijn rijk en Europa. Het rijk van Priester Jan ging functioneren als de verhoopte medestander in de strijd tegen de islam. Nagenoeg iedere reiziger die zich verder dan Klein-Azië waagde verwachtte of hoopte iets van het rijk van deze mythische christelijke vorst te horen of te zien. Reizigers, onder andere Marco Polo, waren allemaal naar dit rijk op zoek, maar ze kwamen er nooit. Alleen Willem van Rubroek had veel kritiek op alle geruchten.

3.3.4 Wetenschappelijke motieven

De meeste reizigers met een wetenschappelijke belangstelling waren geestelijken. Maar nieuwsgierigheid of wetenschappelijke belangstelling waren zelden het enige motief.

Een voorbeeld van iemand die vooral uit wetenschappelijke belangstelling reisde was de edelman en geestelijke Raymundus Lullus (omstreeks 1300). Hij stichtte een klooster dat een vertaalcentrum werd. Hij was een sterk voorstander van contacten met nestorianen en van pogingen om islamieten te bekeren.

Een ander voorbeeld van iemand die blijk gaf van een enorme nieuwsgierigheid naar de buiten-Europese wereld was Willem van Rubroek. Een voorbeeld van een niet-Europese reiziger die reisde om wetenschappelijke redenen was de Berber Ibn Battuta. Hij reisde aanvankelijk uit religieuze motieven en voor zijn opleiding, maar hij bleef reizen uit nieuwsgierigheid en honger naar kennis. Hij reisde onder andere door Europa. Hij beschreef de reisroutes, landen en volken zeer uitvoerig. Daarbij had hij oog voor de ontberingen onderweg en andere problemen die reizigers tegen­kwamen. Vooral zijn beschrijvingen van zijn reizen door de Sahara en Centraal-Afrika zijn uitzonderlijk.

4 Het reizen naar en door de Arabische en Aziatische wereld, 1150-1350

4.1 Hoe moeilijk kon reizen naar en door de Arabische en Aziatische wereld zijn?

4.1.1 Reizen in de Middeleeuwen in het algemeen

Een reis in de Middeleeuwen verliep anders dan tegenwoordig. Een gemiddelde dagreis over land van 30 kilometer was normaal, zeker omdat een deel van het gezel­schap vrijwel altijd te voet reisde. Maar zelfs een geheel te paard reizend gezelschap legde zelden meer dan 60 kilometer per dag af. Over water, zee of rivier, was, als wind en stroom meezaten, een dagafstand van 150 kilometer een topprestatie. In het slechtste geval was ook hier 30 kilometer het maximum. De ontwikkeling van grotere, veiliger en snellere schepen in de periode van de 12e tot en met de 14e eeuw was een wezenlijke verbetering. Naast betere schepen maakten het kompas en hulp­middelen om aan de hand van de sterren de positie te bepalen, het mogelijk om lan­gere afstanden over open water af te leggen. Waar landwegen waterwegen kruisten, waren zelden bruggen aangelegd. Meestal moest de reiziger een doorwaadbare plaats of een pontveer benutten.

De (zee)wegen waren slecht en werden onveilig gemaakt door struikrovers en piraten. Het dragen van een herkenbaar pelgrimsteken of het dragen van het habijt van een geestelijke moest een reiziger vrijwaren voor beroving. Dit werkte lang niet altijd. Het dragen van kleding met het wapen van een vorst kon helpen, maar ook agressie uitlokken. Meestal moest een reiziger een geleidebrief van de machthebber hebben.

Grenzen waren nauwelijks herkenbaar, behalve waar ze samenvielen met een rivier, een kustlijn of een ander duidelijk markeringspunt. Wel waren er vaste controle­punten als stadspoorten en tolhuizen. Vooral het dichte netwerk van tollen kon het handelsverkeer zeer belemmeren. Wel werden vaak tegen betaling vrijstellingen verleend aan bepaalde groepen. Onderweg konden reizigers gebruik maken van kloosters en andere vormen van gastvrijheid. De groei van de steden maakte het de reizigers gemakkelijker. Tolbarrières konden het reizen bemoeilijken. Binnen Europa spraken kooplieden vooral de volkstaal. Waarschijnlijk beheersten veel handelaren uit de ene (Romaanse) taalgroep redelijk een taal uit de andere (Germaanse) taalgroep of omgekeerd. De intellectuele en politieke elite binnen Europa sprak Latijn.

4.1.2 Reizen naar en door Arabië en Azië

Reizigers naar en door deze gebieden hadden te maken met de praktische belemme­ringen. Voor sommigen vonden zij een oplossing.

— De duur en de kosten van de reis. Marco Polo heeft er bijvoorbeeld drie en een half jaar over gedaan om in Noord-China te komen.

— Taalverschillen. Bij de contacten met de Arabische wereld waren in het bijzonder inwoners van het Iberisch schiereiland en van het koninkrijk Sicilië en inwoners van de Kruisvaarderstaten belangrijke tussenpersonen. Italiaanse kooplieden die zich in plaatsen als Constantinopel en Damascus vestigden, en na 1204 in de Italiaanse vestigingen op de Krim, beheersten vaak een taal uit het `gastland'. Voor reizen verder Azië in kon kennis van het Syrisch, de taal van het nestoria­nisme van belang zijn. Hoe verder men in Arabië of Azië doordrong, hoe groter de problemen werden. Reizigers maakten vaak gebruik van tolken uit de grens­gebieden.

— Het bepalen van de juiste route. De OT-kaarten waren daartoe grotendeels onbruikbaar: zij hadden vooral een symbolische functie. Men ging in plaats daar­van plaatsnamen in de volgorde van de route achter elkaar (met de route als verbindingslijn) plaatsen. Daarnaast probeerde men de plaatsen ook ruimtelijk te situeren: een belangrijke stap op weg naar wat de moderne cartografie kan worden genoemd. Reizigers maakten ook gebruik van kompas en astrolabium.

— De infrastructuur. De ontwikkeling van een systeem van post-en karavaanwegen in Arabië en Azië en ontwikkeling van scheepvaartverbindingen over de Indische Oceaan vergrootten de reismogelijkheden. Van de laatste maakten echter vooral de bewoners van de Arabische-Aziatische wereld gebruik. Westerlingen werden zelden toegelaten.

— Religieuze verschillen en politieke tegenstellingen. Het feit dat in Arabië de islam de heersende godsdienst was, leverde naast politieke-religieuze spanningen ook problemen op voor de directe handel langs de zuidelijke routes naar en door Azië. Voor de Arabieren was dit bij het verkennen van de niet-Europese wereld, vooral na ca.1000, vaak een voordeel. Europese reizigers moesten om de eerste'door­laatpost' te kunnen passeren een reisvergunning van de plaatselijke machthebbers zien te krijgen. Hierbij waren geschenken aan en machtigingen van autoriteiten onmisbaar.

4.2 Welke factoren bemoeilijkten het leggen van contact van Europese reizigers met Arabieren en Aziaten?

Naast de bovengenoemde praktische problemen werkten vooral de wederzijdse beeldvorming en verwachtingen belemmerend. Geloof en taal vormden een barrière. De Mongolen verwachtten van de Europeanen dat dezen zich `spontaan' kwamen onderwerpen en de groot-khan als leider van de wereld zouden erkennen. De paus van zijn kant verwachtte hetzelfde van de groot-khan. De Mongolen waren wel geïnteresseerd in het christendom, maar voelden niet voor de keuze voor één staatsgodsdienst. De Europeanen verwachtten dat de Mongolen bereid zouden zijn tot samenwerking tegen de islam en tot bekering tot het christendom. In de Arabische wereld was er buiten directe confrontaties in de kruistochten sprake van grote tolerantie jegens christenen en joden. Islam, christendom en jodendom waren alle drie boekgodsdiensten. De meeste Arabische auteurs beschouwden de `Franken', zoals zij de Europeanen noemden, vooral als barbaren.

5 Gevolgen van de contacten

5.1 Welke nieuwe kennis kwam uit de Arabische en Aziatische wereld naar Europa en waarop was deze kennis gebaseerd?

De nieuwe kennis was gebaseerd op vertalingen van wetenschappelijke geschriften, op waarnemingen en op nieuwe goederen.

5.1.1 Wetenschappelijke kennis

De volgende kennisgebieden werden door vertalingen van voornamelijk Arabische wetenschappelijke geschriften ontsloten:

— Filosofie. Arabische wijsgeren hadden de beschikking over een veel groter deel van de klassieke filosofische teksten, zodat zij een voorsprong hadden op het Europese denken over aarde en kosmos. Zij hadden geen last van belemmeringen die de Latijns-christelijke kerk het denken oplegde.

— Astronomie en geografie. De meeste klassieke auteurs waren alleen in een Arabische versie bewaard gebleven. Door de vertaling van deze Arabische geschriften werd de kennis van de Europeanen spectaculair vergroot.

Bovendien hadden de Arabische reizigers, handelaren en geleerden er veel nieuwe kennis aan toegevoegd. De Arabisch wereld vormde immers de schakel tussen Zuid-Oost-Azië, Afrika en Europa. Ook had iedere moslim waar ook ter wereld de verplichting minstens éénmaal de reis naar Mekka te maken.

Arabische ontdekkingen die in Europa werden geïntroduceerd waren het astrola­bium en het kompas: wetenschappelijke uitvindingen die direct toegepast werden in de samenleving. Na 1150 brak het klassieke inzicht dat de aarde een bol was werkelijk door.

— Algebra. De contacten met de Arabische wereld leidden tot de introductie van de Arabische cijfers met inbegrip van het getal nul. Zo werden allerlei ingewikkelde berekeningen mogelijk, die met de bestaande middeleeuwse rekentechnieken niet goed uitgevoerd konden worden.

— Geneeskunde. In de medische wetenschap was de kennis van het gebruik van allerlei geneeskrachtige kruiden in de Arabische wereld veel verder ontwikkeld. De studie van de anatomie en de chirurgie waren de eerste medische specialismen. Dit had te maken met een grotere geneigdheid in de Arabische wereld tot het verrichten van wetenschappelijke experimenten. Ook bereikte de Europeanen via de Arabische wereld de beschrijving van ziektebeelden waarmee tot dan toe on­bekende ziekten geïdentificeerd konden worden.

— Alchemie. In de Arabische wereld was men doorgegaan met experimenteel onder­zoek naar de alchemie, de scheikunde van de Griekse Oudheid. Men had daaraan allerlei kennis uit India en China toegevoegd. Grote Arabische medici als Avicenna (Ibn Sina) in het begin van de 11e eeuw en Averroës (Ibn Roesjd) in de 12e eeuw waren ook op het gebied van `al chimia' beroemd. Hun kennis bereikte vooral via het Iberisch schiereiland Europa, maar de alchemie hoorde niet tot de door de kerk bevorderde kernvakken van de middeleeuwse wetenschappen. Toch deed ook een geleerde geestelijke als Raymundus Lullus aan alchemie. In de Arabische wereld werden experimenten niet tegengehouden, hoewel bij­voorbeeld religieuze bezwaren tegen alcoholgebruik het verfijnen van distilleer-methoden afremden.

5.1.2 Waarnemingen

De waarnemingen en reisverslagen van handelaren, kruisvaarders, pelgrims, missionarissen, diplomaten en zeelieden.

— De praktijkkennis van de zeelieden bevestigde de theorie over de bolvorm van de aarde. Zij namen waar dat objecten wegzonken en opdoken achter de horizon.

— Reisverslagen gaven rechtstreekse indrukken en beelden van reizigers in den vreemde. Het uiterlijk van de Aziaten leidde tot grote verwarring. Men verbaasde zich over de normadische leefwijze van de Mongolen en tegelijkertijd over de verfijnde cultuur in de Chinese stedelijke samenleving. Er deden verhalen de ronde over enorme rijkdommen en over vreemde mens- en diersoorten. De reiziger beschreef wat hij zag met het eigen begrippenapparaat. Zo werd het uiterlijk van de Aziaten vergeleken met hondenkoppen. De verhalen over de Arabische wereld van Klein-Azië, Noord-Afrika en het zuiden van het Iberisch schiereiland waren minder fabelachtig. Er sprak waardering uit voor de leefwijze aldaar en een redelijk inzicht in de islam. De reisverhalen over Zuid-Azië en Midden-Afrika, waar men nauwelijks kwam, bevatten meer fantastische ele­menten. Hieronder volgen drie voorbeelden van reisverslagen.

File:Route rubrouck 1253 55.JPG

De route die Van Rubroeck tussen 1253-1255 volgde

Willem van Rubroek, die in het midden van de twaalfde eeuw naar Karakoram reisde, schreef zijn `Verslag van de reis naar het land der Tartaren' voor de Franse koning. Hij zag de Mongoolse samenleving als `een andere wereld' en hij maakte melding van Europeanen her en der in Azië: krijgsgevangenen, mijnbouwdeskun­digen, vrouwen die met nestoriaanse Aziaten getrouwd zijn. Zo vermeldde hij de Parijse zilversmid Willem Boucher, die op de Balkan door de Mongolen gevangen was genomen, en daarna carrière had gemaakt als kunstenaar aan het hof van de groot-khan. Hij deed verslag van religieuze discussies en van zijn problemen met de tolken.

Beroemd werden de memoires van Marco Polo: `De beschrijving van de wereld'.

File:Travels of Marco Polo.jpg

Hij werd de hoofdpersoon van zijn eigen reisverslag. Na zijn verblijf in China reisde hij langs de zeeroute om Indië, via Perzië naar Italië terug, waarbij hij veel pro­blemen moest overwinnen. In zijn boek heeft Marco Polo ook allerlei gegevens over landen en verschijnselen van horen zeggen opgenomen; daarin zitten veel fantasie­elementen en geografisch is het weinig betrouwbaar. Het is geen reisgids. Andere beschrijvingen, bijvoorbeeld van het Chinese papiergeld, lijken nauwkeuri­ger. Recent is de discussie weer losgebarsten over de vraag of het hele verhaal wel­licht verzonnen is, en handig samengesteld uit andere verhalen.

In de `Reizen' van Jan van Mandeville is bijna alle in de voorafgaande twee eeuwen vergaarde kennis bijeengebracht. Het is zowel een bron van kennis als een voor­beeld van de verwerking van nieuwe kennis. Omstreden is of Mandeville zelf de reizen maakte die hij beschreef. Het eerste deel van zijn boek heeft de vorm van een pelgrimsverslag van een reis naar het Heilige Land. Dan volgt een stuk over zijn leven bij de sultan van Egypte. Na het stuk over Egypte en omstreken volgt het deel van het boek over `koninkrijken, landen en eilanden in de oostelijke delen van de wereld'. Dat gedeelte lijkt helemaal samengesteld te zijn op basis van andere geschriften. Er zitten fantasierijke hoofdstukken in met beschrijvingen van wonder­lijke landen en wezens, met inbegrip van het land van Priester Jan, maar ook nauw­keurige beschrijvingen van het plaatsbepalen met behulp van de sterren en metingen van de bolvorm van de aarde.

Er waren ook niet-Europese reizigers als Ibn Battuta en Al Idrisi. Battuta's kennis, vooral over streken waar Europeanen nauwelijks kwamen, bereikte langs indirecte weg Europa en raakte vermengd met andere, minder betrouwbare informatie. Al Idrisi bundelde omstreeks 1150 veel Arabische geografische kennis, die daardoor in één keer beschikbaar kwam.

File:Al-Idrisi's world map.JPG

Al-Idrisi's wereldkaart uit 1154. Het zuiden is aan de bovenkant van de kaart

5.1.3 Goederen

Nieuwe gewassen en producten uit Arabië en Azië bereikten Europa of kwamen nu in grotere hoeveelheden Europa binnen: rijst, rietsuiker, damast (uit Damascus), gaas (uit Gaza), papier, zuidvruchten, kristalglas (en de techniek om dit te maken), parels, zijde en specerijen.

5.2 In welke mate werd deze nieuwe kennis verspreid?

5.2.1 Goederen

Nieuwe goederen bereikten bepaalde groepen in de samenleving. Exclusieve Azia­tische en Arabische producten vonden hun weg eerder naar huishoudens en keukens van de Europese elite en de vorstenhoven dan naar die van eenvoudige lieden. Ze bereikten eerder steden dan het platteland.

5.2.2 Kennis

Vanuit de vertaalcentra op Sicilië, het Iberisch schiereiland en Akko kwam de verspreiding van nieuwe kennis op gang. In Europa waren Genua, Venetië en Mallorca centra van scheepvaart en cartografie. Een voorbeeld hiervan is de Catalaanse Wereldatlas (ca. 1370, Mallorca), waarin joodse, Arabische en Europese kennis samenkwam.

Binnen Europa waren universiteiten centra van nieuwe wetenschappelijke kennis, hoewel de meeste praktische wetenschappen daar niet werden gedoceerd. De nieuwe kennis op het gebied van geografie, de medische wetenschap, algebra, filosofie en alchemie vinden we ook terug in een stroom van encyclopedische werken in het Latijn en/of de volkstaal. Zowel in volkstalige leerdichten en reis­verhalen als in literaire geschriften werd kennis over de buiten-Europese wereld verwerkt.

Voor de kennisname van de vele verhalen over de buiten-Europese wereld en de beschouwingen over aarde en kosmos was in eerste instantie van belang dat men kon lezen en in welke taal de tekst was geschreven. In het begin van de 13e eeuw werd bepaald dat iedere parochie een school kreeg waar onderwijs in de volkstaal werd gegeven.

Er bleven grote verschillen in alfabetiseringsniveau. Omstreeks 1350 kon maximaal een derde deel van de stedelijke bevolking en een zesde deel van de landelijke bevolking lezen. Nog steeds was het alfabetisme onder adel, geestelijkheid en koop­lieden het meest verspreid. Naast het kunnen-lezen speelde de beschikbaarheid van teksten een rol. Voorlezen en voordragen door onder andere troubadours en mins­treels bleven een belangrijke plaats innemen in de kennisoverdracht. Liederen wekten vooral interesse voor andere culturen op. In de muziek hadden oosterse tradities hun weerslag op de melodieën en instrumenten.

Toch drong de nieuwe geografische kennis nauwelijks tot de massa van de bevolking door. De meeste Europeanen bleven via de kerk kennismaken met een symbolisch beeld van de werkelijkheid.

6 Afname van de contacten

6.1 Welke omstandigheden belemmerden na 1350 verdere toenadering tussen Europa en de Arabische en Aziatische wereld?

— Kort na 1290 ging met de laatste kruisvaardersstaat het enig overgebleven Euro­pese bolwerk in Klein-Azië verloren: de val van Akko in 1291 markeerde een ommekeer in de contacten tussen Europa en de Arabische en Aziatische wereld. Dit belemmerde de aansluiting bij de zuidelijke karavaanroutes. Deze routes leden ook onder de strijd van de Mongolen, vooral in Perzië.

— Vlak voor 1350 bereikte de pest, de Zwarte Dood, vanuit Centraal-Azië Europa. Deze ziekte verspreidde zich via de handels- en oorlogsroutes over Europa, de Arabische wereld, Klein-Azië en Noord-Afrika en verstoorde de handelsbetrek­kingen. Tezelfdertijd brak ook in China de pest uit, die daar gezien werd als een kwaad dat uit het westen kwam.

— Het uiteenvallen in Centraal- en Zuid-Azië van het Groot-Mongoolse Rijk in zelf­standige khanaten, maakte een einde aan de Pax Mongolica. Dit belemmerde de handel tussen oost en west. Eén van die khanaten maakte West-Rusland aan zich schatplichtig. Zo raakte Rusland afgezonderd van Europa.

— In China kwam vlak na 1350, na de overheersing van de Mongolen, een nieuwe keizerlijke dynastie aan de macht, die zich ook om binnenlands-politieke redenen voor contacten met het westen (Centraal-Azië en Europa) afsloot.

— In Klein-Azië kwam het Osmaanse Rijk op. Dit rijk vormde een barrière tussen Europa en de rest van de Arabische wereld.

— In 1350 kwam een eind aan de demografische groei van Europa. De Zwarte Dood en de Honderdjarige oorlog hielden Europa zodanig bezig dat de belangstelling voor de buitenwereld afnam.

Na 1350 waren de contacten met Arabië en Azië sterk afgenomen. Europa keerde zich westwaarts.

7 Beeldvorming in Europa omstreeks 1350 over de buiten-Europese wereld

7.1 In hoeverre leidde nieuwe kennis tot nieuwe beelden over de buiten-Europese wereld?

7.1.1 Geografische beelden

Geografische beelden betroffen zowel de aardrijkskunde van de bekende wereld als meer algemene beelden van de wereld en het heelal. De betere kennis van de aardrijkskunde en het landschap begon tussen 1300 en 1350 door te dringen in de cartografie. Anno 1350 waren er verschillende soorten kaarten in omloop. Kaarten gaven de wereld weer als ideaaltype, als symbool, of beoogden de juiste reisroutes en ligging van landen weer te geven. Kaarten hadden ook een soort functie als geschiedenisboek, waarbij belangrijke personen/gebeurtenissen uit de geschiedenis der (christelijke) mensheid werden samengebald op een kaart. In de kerk, waar men geen behoefte had aan een geografisch wereldbeeld, maar juist aan een symbolische weergave, waarbij Jeruzalem het middelpunt was, bleef een duide­lijke voorkeur voor de OT-kaart bestaan. Het merendeel van de inwoners van Europa was voornamelijk vertrouwd met deze symbolische kaart, waarop de sym­bolische voorstelling het duidelijkst zichtbaar werd.

De Catalaanse Wereldatlas van ca. 1370 was een poging alle verzamelde kennis in beeld te brengen. In deze atlas staan plaatsen en hun namen, rivieren, bergketens, vlaggen en wapenschilden, economische activiteiten, zoals scheepvaart in typisch Arabische schepen en parelduikers vermeld.

File:Delli.jpeg

Catalaanse wereldatlas West-Azië

Sinds de tweede helft van de 13de eeuw werden ook praktijkkaarten voor zeelieden, de zogenaamde portolaankaarten, gemaakt. Deze werden steeds gedetailleerder en trachtten fragmentarische nieuwe kennis met oude beelden te verzoenen en te com­bineren. De details die op deze kaarten stonden, moesten schippers in staat stellen op zee de kustlijn te herkennen en de juisten haven te vinden. Daardoor werden andere elementen summier weergegeven.

Het beeld van een ronde aarde was inmiddels doorgedrongen. De berekeningen leverden een aarde op met een omtrek die een vierde tot een vijfde deel kleiner was dan in werkelijkheid. Totdat Europeanen rondom Afrika de tropische zone pas­seerden, werd de Sahara als natuurlijk bewijs gezien voor het bestaan van een onbewoonbare, hete gordel op aarde, waarachter de tegenvoeters leefden. Op deze manier konden oude ideeën over de verdeling van de aarde in zones en continenten met de bolvorm worden verenigd.

De uiteenlopende functies van kaarten leidden ertoe dat verschillende soorten kaar­ten naast elkaar bleven bestaan en dat sommige kaarten feitelijke details en sym­bolische beelden met elkaar verenigden.

7.1.2 Beelden van vreemde landen en volken

Door reisverhalen, encyclopedieën, fictionele literatuur en liederen was op ruimere schaal dan ooit informatie over de buiten-Europese wereld beschikbaar. De bekende wereld was in twee eeuwen tijd groter geworden, terwijl de denkbeel­dige grens waarachter allerlei fantasiewezens leefden nog steeds bestond. De mid­deleeuwse mensen hadden behoefte aan de aanvulling van de waargenomen wereld

met fantasiebeelden die aansloten bij hun geloof in de onuitputtelijke wonderbaar­lijkheid van de schepping.

In talloze reisverhalen en liederen vinden we het ideaalbeeld van het Rijk van Priester Jan terug. Een niet-Europese, niet blanke, maar wel christelijke samenleving die vooral in Azië werd gedacht, werd zelfs als beter dan de Europese afgeschilderd. Het besef van andere beschavingen `achter' de Arabische wereld en het besef van de Russische en Aziatische eindeloosheid werd door dit alles versterkt.

Het haast etnografische reisverslag van Willem van Rubroek bevat nauwelijks fan­tasie-elementen en spreekt twijfel uit over het bestaan van het mythische Rijk van Priester Jan. Zijn reisverslag kreeg geen ruime bekendheid.

In de dertiende eeuw groeide de kritiek in wetenschappelijke kring op de fantasie­verhalen. Zo stelde de dertiende-eeuwse Hollandse schrijver Jacob van Maerlant vast dat in de `Reizen van Sint Brandaan' `leugens' stonden.

7.1.3 Beelden over de Moslims en de Mongolen

In de eerste helft van de 13de eeuw was er in Europa een levendig, cultureel en intellectueel klimaat ontstaan waarin allerlei Arabische verworvenheden konden worden geabsorbeerd en toegepast. Het hof van Frederik II op Sicilië was een schit­terend voorbeeld van de samensmelting van verschillende culturen. De kerk bleef het echter anders zien: daar groeide door de Arabische invloeden ook een nieuwe angst. Wie `samenleefde met de Saracenen' kon op een veroordeling rekenen. Keizer Frederik II werd in 1245 beschuldigd van heulen met de Saracenen om vervolgens als ketter te worden veroordeeld. Het kerkelijk besluit in 1215 om joden en Sara­cenen te verplichten een geel herkenningsteken op de kleding te dragen kan ge­nomen zijn uit vrees voor identiteitsverlies. De angst werd ook gevoed door het feit dat Europeanen die de islam leerden kennen zich soms bekeerden.

De Mongoolse invallen in Europa en de daarbij uitgeoefende terreur veroorzaakten een angstbeeld. Omstreeks 1280 vergeleken de Engelsen Zeeuwse, Hollandse en Friese zeerovers met de Tartaren. Een Engelse wereldkroniek omstreeks 1250 beeldde de Mongolen als kannibalen uit. Dit beeld vinden we ook in reisverhalen.

7.2 Waarom bleef een geheel vernieuwde beeldvorming over de buiten-Europese wereld uit?

Om dit te kunnen verklaren, moeten de volgende met elkaar samenhangende factoren in aanmerking worden genomen:

— De overheersende rol van de kerk in de middeleeuwse samenleving en haar invloed op het denken van de mensen.

— De gewoonte af te gaan op de overgeleverde waarheden van de autoriteiten, die het moeilijk maakte nieuwe kennis die op waarnemingen of experimenten berustte voor waar te houden.

— De mate van verspreiding van nieuwe kennis en nieuwe beelden hing samen met het ontwikkelingspeil van de bevolking. Reisverhalen, waarin de meeste fantasie­elementen voorkwamen, vonden de grootste aftrek. Ook waren de bronnen van mondelinge en schriftelijke kennisoverdracht nauwelijks te controleren.

De overtuiging van de inwoners van Europa dat de eigen godsdienst en kennis superieur waren stond een grote openheid voor andere culturen in de weg.

- Na 1350 namen de contacten met Arabië en Azië sterk af en richtte Europa zich meer naar het westen