We hebben 200 gasten online

CSE Europese integratie 1945-1900 Deel 2

Gepost in Europa

3 Stagnerende integratie: 1969-1985

vlag europa

Inleiding

De jaren zeventig begonnen goed voor de Europese integra­tie. De Gaulle was van het toneel verdwenen en het leek alsof daarmee de weg naar verdere integratie geëffend was. Maar door de energiecrisis en de inflatie gingen de lidstaten aan hun eigen economische politiek vasthouden: de nationale belangen overheersten. De gemeenschappelijke markt func­tioneerde weliswaar, maar de problemen rezen de pan uit. Men weigerde, wat de integratie betreft, een duidelijk doel te formuleren.

`De geest van Den Haag\' en de monetaire crisis

Het leek zo mooi te beginnen in 1969. Het struikelblok voor verregaande Europese integratie, De Gaulle en zijn ouder­wetse droom van Franse grootheid, gebaseerd op absolute soevereiniteit, was van het toneel verdwenen. Zijn opvolger Pompidou bleek in vele opzichten flexibeler. In West-Duitsland was Brandt bondskanselier geworden. Hij had met zijn Ostpolitik een betere verstandhouding met de DDR en de Sovjetunie bewerkstelligd. De Oder-Neissegrens was erkend en er werd een niet-aanvalsverdrag met Moskou gesloten.

Op 1 december 1969 begon de Haagse Topconferentie tussen staatshoofden en regeringsleiders van `De Zes\'. Men werd het er over eens dat er iets gedaan moest worden ten aanzien van voltooiing, verdieping en uitbreiding van de Gemeen­schap.

Wat de voltooiing van de Gemeenschap betreft: het land­bouwbeleid werd, zoals we reeds zagen, verder uitgewerkt. In 1970 werd men het eens over een eigen financierings­systeem van de Gemeenschap: haar inkomsten zouden voortaan bestaan uit douanerechten, landbouwheffingen een een deel van de BTW-ontvangsten.

Over verdieping van de Gemeenschap het volgende: als men één markt had dan moest er ook één munt komen. In tegen­stelling tot de VS en de Sovjetunie had Europa als vergelijk­bare economische macht te maken met zoveel verschillende geldsoorten als er lidstaten waren. In enkele jaren waren in sommige EG-landende prijzen met 100% gestegen, in ande­re landen met 20%. Dit had natuurlijk invloed op de waarde van de verschillende valuta. Daarom wilde men in 1972 een afspraak maken over de onderlinge verhouding van het geld. 111 1972 stelde men vast dat de verschillende muntsoorten niet meer dan 2,25% ten opzichte van elkaar in waarde zouden verschillen.

Dit was voor een aantal lidstaten niet haalbaar. In 1979 werd een nadere afspraak gemaakt. De ECU werd in­gesteld: een nieuwe munt die voorlopig zou dienen als een soort rekeneenheid ter vergelijking van de verschillende munteenheden. Dit gebeurde in het kader van het Europees Monetair Systeem (EMS). Dit systeem zal er in de toekomst voor moeten zorgen dat de handel geen belemmeringen meer ondervindt doordat in de Gemeenschap verschillende valuta worden gebruikt.

europa 1970

Ten aanzien van de uitbreiding van de Gemeenschap: in 1970 begonnen de onderhandelingen over de toetreding van Groot-Brittannië, Ierland, Denemarken en Noorwegen. Heath en Pompidou hadden in 1971 afgesproken dat de Europese eenwording verder zou gaan op basis van nationale staten. De Britten waren niet minder bang voor supranatio­nalisme dan de Fransen. In 1973 werden deze onderhande­lingen met succes afgesloten. Noorwegen haakte af, omdat een referendum aangaf dat de Noren geen prijs stelden op aansluiting bij de EG.

Toen kwam er een eind aan de positieve ontwikkelingen. De onderhandelingen over een Economische en Monetaire Unie (EMU) waren uiteindelijk op niets uitgelopen. Wel werden afspraken gemaakt over politieke samenwerking (EPS). De oliecrisis van 1973 toonde aan dat de EEG geen gemeen­schappelijk beleid kon voeren. Ieder land hield vast aan zijn eigen economisch beleid. De bereidheid tot samenwerking was ver te zoeken. De komst van de drie nieuwe leden verbe­terde de besluitvaardigheid niet.

Nieuwe problemen

In 1972 werd Mansholt voorzitter van de Europese Commis­sie. Hij publiceerde een brief waarin hij de aandacht vestigde op het feit dat nationale regeringen alleen niet meer in staat waren een harmonische economische politiek te voeren. Hij wees op de problemen waarmee de hele wereld werd ge­confronteerd, zoals de sterke bevolkingstoename, de voed­selproduktie, de milieuverontreiniging en het verbruik van de natuurlijke hulpbronnen. Mansholt wees erop dat Euro­pa hier een taak had. Het waren profetische woorden, geba­seerd op het onthullende rapport `Grenzen aan de groei\' van de Club van Rome. Het werd velen duidelijk dat op interna­tionaal niveau iets gedaan moest worden.

Maar wat kon het verdeelde Europa doen? Het had genoeg aan zijn eigen problemen.

In 1973 toonde de eerste oliecrisis dat de Europese landen hun nationale belangen stelden boven de gemeenschappelij­ke. Frankrijk wilde een Europees energiebeleid veilig stellen, maar de Amerikanen wilden het energievraagstuk oplossen in Atlantisch verband. Daartoe moest het Atlantisch bond­genootschap nader worden bekeken: Europa moest meer aansluiting zoeken bij de VS, vond Kissinger, de Ameri­kaanse minister van Buitenlandse Zaken. De Amerikanen konden moeilijk bezwaar hebben tegen de Ostpolitik van Brandt, maar eigenlijk vonden zij dat zij als wereldmacht hier het voortouw moesten nemen. Vandaar de Amerikaan­se wens tot versterking van het Atlantisch bondgenootschap. In West-Europa was men het hier niet mee eens. Men wist wat men niet wilde: betutteling door de VS, maar wat men wel wilde was niet zo duidelijk.

Een eigen Europees energiebeleid bleek ook moeilijk te reali­seren. De Arabisch-Israëlische oorlog van 1973 had de olie­prijzen enorm doen stijgen met als gevolg inflatie en econo­mische achteruitgang. Hier was een duidelijk Westeuropees beleid noodzakelijk. Sommige landen hadden Israël ge­steund. Voor die landen werd de Arabische oliekraan dicht­gedraaid. Ieder dacht alleen aan het eigen belang. Ook werd men het met de VS niet eens over olieproduktie en prijzen. Toch werden de onderhandelingen tussen de Westeuropese landen over het energiebeleid voortgezet. Het resultaat was dat in 1983 de EG minder afhankelijk was geworden van energie van de rest van de wereld. In 1983 was de import te­ruggebracht tot de helft van die in 1973.

Teleurstellend was, dat binnen de EG nationale industrieën subsidies van de nationale overheid ontvingen, in strijd met reeds gemaakte afspraken. Het bleek ook dat sommige landen toch nog handelsbelemmeringen opwierpen. Dat ge­beurde vaak op een verborgen manier. Wanneer een artikel uit Nederland naar de Bondsrepubliek werd vervoerd, werd dit soms verhinderd met het argument: het artikel voldoet niet aan de veiligheidsvoorschriften die bij ons gelden. De Gemeenschap functioneerde niet zoals was afgesproken.

In 1974 trad een aantal nieuwe politici aan. In Frankrijk was dat Giscard d\'Estaing, in Duitsland Helmudt Schmidt en in Groot-Brittannië de Labourleider Harold Wilson. Om de stagnerende besluitvorming een nieuwe stimulans te geven, werd besloten tot de instelling van een Europese Raad, waar­in staatshoofden en regeringsleiders zaten. Zij kwamen re­gelmatig bijeen om op topniveau de problemen te bespreken. Hetzelfde idee had De Gaulle gelanceerd. De Nederlanders hadden zich hiertegen toen fel verzet, omdat ze bang waren voor een Franse hegemonie in een Europa der Vaderlanden. Nu werd het gezien als een middel om uit het slop te komen. Maar de onenigheden over handel en financiën werden er niet door opgeheven.

Lichtpunten

Het beleid ten aanzien van de Derde Wereld kreeg in 1975 door het Verdrag van Lomé een duidelijke injectie. Al eerder waren er met vroegere koloniën associatieverdragen geslo­ten. Dit gaf deze landen economische voordelen in de vorm van vrijstelling van douanerechten bij uitvoer naar de EG. De associatieverdragen die met vroegere gebiedsdelen waren afgesloten, werden uitgebreid. Een groot aantal ontwikke­lingslanden in Afrika ten zuiden van de Sahara, het Cari­bisch gebied en de Stille Oceaan, voornamelijk vroegere Franse en Britse koloniën, profiteerden hiervan.

Het Lomé-verdrag betekende meer zekerheid voor de be­trokken landen, langlopende samenwerking en nadruk op gunstiger handelsvoorwaarden. Maar er was ook kritiek op Lomé. Landen die geen kolonie van een Europees land waren geweest, voelden zich buiten­gesloten.

Men beschuldigde de Europeanen van het voeren van een po­litiek die gunstig was voor sommigen, maar nadelig voor an­deren. Het Verdrag van Lomé werd verlengd en bijgesteld in 1975 en in 1984.

In Helsinki werd in 1975 de Slotakte van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa getekend. Vertegen­woordigers uit Oost- en Westeuropese landen, de VS en Ca­nada waren het eens geworden over de erkenning van men­senrechten, garandering van de Europese veiligheid en samenwerking op economisch gebied. Het leek het begin van een opening in het IJzeren Gordijn.

In 1979 werden de eerste rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement gehouden. Er kwam politieke partij­vorming op Europees niveau tot stand. De animo voor deze verkiezingen was niet geweldig. In Nederland bracht 57% zijn stem uit. In Groot-Brittannië was dit 32%. Over geheel Europa was het gemiddelde 65%. De eerste voorzitter van het gekozen Europees parlement was Simone Veil.

Er trad een licht herstel in op monetair vlak. De plannen voor een Europees Monetair Stelsel (EMS) werden omgezet in da­den: in 1978 werd de EMS geïnstitutionaliseerd. De wissel­koersen werden stabiel en de ECU werd ingevoerd.

Een twéede oliecrisis in 1979 had tot gevolg dat lidstaten hun eigen economie weer gingen beschermen.

Vooral op financieel gebied was de saamhorigheid ver te zoe­ken. Ieder land probeerde onder zijn financiële verplichtin­gen uit te komen. Vooral de Britten hadden grote problemen met hun bijdrage aan de Gemeenschap.

Wat niets kostte was het enthousiasme dat men in West-Europa toonde voor het succes dat de Polen hadden met hun vakbond Solidarnosc in 1980. Walesa, oprichter en leider van dit vrije vakverbond, werd een populaire figuur. Maar de staat van beleg, die onder druk van de Sovjetunie in 1981 in Polen werd afgekondigd, toonde aan dat de tijd van on­derdrukking nog niet voorbij was. De afspraken die men in 1975 in Helsinki had gemaakt, functioneerden kennelijk (nog) niet.

In Frankrijk kwam in 1981 Mitterand aan de macht. Griekenland, dat reeds lang solliciteerde naar het lidmaat­schap van de EEG, werd in 1981 geaccepteerd als tiende lid. De politieke veranderingen aldaar (er was een eind aan de militaire dictatuur gekomen) maakten deze stap mogelijk. Maar deze uitbreiding van de EEG was niet zo spectaculair. Een wezenlijk stimulerende verandering kwam van bin­nenuit.

Nieuwe stimulansen

De Europese eenwording was steeds gestimuleerd door ge­beurtenissen en ontwikkelingen van buitenaf. Vlak na de oorlog zagen we als stimulans de vrees voor een herstel van 41 Duitsland. Toen werd de Russische dreiging gezien als een motief tot samenwerking. Spaak was zich hiervan goed be­wust toen hij zei dat de Europeanen eigenlijk een monument voor Stalin moesten oprichten als dank voor zijn bijdrage tot de Europese eenwording.

In de jaren tachtig werd het Europese zakenleven bevreesd voor de Japanse en Amerikaanse technologie. Europa werd overspoeld met Japanse en Amerikaanse produkten. Hierte­gen moest iets gebeuren.

4 Herstel en perspectief 1992: 1985 tot 1990

Inleiding

Door de ondertekening van de Europese Akte of Acte Unique verbonden de lidstaten zich ertoe vóór 1992 een interne markt te realiseren. Bovendien werd de besluitvorming bin­nen de EG aanzienlijk verbeterd. Maar een aantal zaken bleef nog steeds onduidelijk. De invloed van het Europees parlement bleef veel te wensen over laten. Een Europees so­ciaal en cultureel beleid kwam niet goed uit de verf. En door de veranderingen in Oost-Europa werd de vraag: `Hoe groot is Europa?\' actueel.

De Europese Akte

In 1984 aanvaardde het Europees Parlement het Verdrag voor de Europese Unie afkomstig van de Italiaanse afge­vaardigde Spinelli. Dit verdrag sprak over een betere samen­werking binnen de Gemeenschap en over de vorming van een Europese Unie. In 1985 had de Europese Commissie een Wit­boek opgesteld waarin zo\'n 300 voorstellen werden ge­noemd die genomen moesten worden om de Europese een­heid te realiseren. Uiteindelijk leidden deze twee initiatieven in 1985 tot het opstellen van de Europese Akte.

Deze Akte betekende een herziening van het Verdrag van Ro­me en het doel was om de integratie te versnellen. De Europe­se Akte zou men kunnen betitelen als het perspectief 1992. Belangrijke punten uit de Akte waren:

1 Er werden vergaande afspraken op economisch gebied ge­maakt.

2 Er moest iets gedaan worden aan de verschillen die binnen de Gemeenschap bestonden.

3 Het milieu kwam aan de orde.

4 Er werden afspraken gemaakt over sociaal beleid.

5 Het landbouwbeleid moest op de helling.

6 Ten slotte moesten er institutionele hervormingen komen om de politieke samenwerking te verbeteren.

De punten 1 t.e.m. 5 worden afzonderlijk in dit hoofdstuk besproken, terwijl punt 6 aan de orde komt in hoofdstuk 5 dat gewijd is aan de instellingen van de EG.

1 Afspraken op economisch gebied

De binnengrenzen zullen worden opgeheven. Controles aan de binnengrenzen waren van belang voor de handhaving van de openbare veiligheid en de controle op het binnenkomen en vertrekken van reizigers, meer in het bijzonder van illegale immigranten, criminelen en terroristen, en voor het innen van BTW en accijnzen over goederen, die tussen lidstaten worden verhandeld. Ieder land moet nagaan waarom de be­lemmeringen nodig waren en wat er moet gebeuren om de be­lemmeringen te kunnen opheffen. Dat is geen eenvoudige zaak.

De landen mogen hun eigen industrie niet meer beschermen. Er zal een sfeer van openlijke concurrentie moeten heersen. De Europese landen hadden reeds heel wat gedaan op dit ge­bied. Beroemd is een uitspraak van het Europese Hof gewor­den inzake de vrij e verkoop van produkten. Produkten die in een lidstaat overeenkomstig de wetten zijn vervaardigd en in de handel gebracht, mogen vrij in de rest van de EG circuleren.

Er zal een eind komen aan alle controle op vervoer van goe­deren tussen de landen van de Gemeenschap.

`De beëindiging van nationale bescherming en onderlinge plagerijen zouden de consument en de wereldhandel naar schatting jaarlijks 17,5 miljard gulden kunnen opleveren. Die besparingen zijn onder andere mogelijk door de wegval­lende kosten van het invullen van formulieren en van wacht­tijden aan de grenzen. Om een voorbeeld te geven: een vrachtwagen die van New York naar Los Angeles rijdt haalt gemiddeld 67 kilometer per uur, maar een truck van Kopen­hagen naar Rome haalt gemiddeld slechts 20 kilometer, de snelheid van een postkoets.

Maar om 1993 of 1995 te halen, dienen de messen geslepen en de mouwen te worden opgestroopt. Om de interne markt te realiseren, zijn in totaal 325 besluiten nodig. Daarover moe­ten evenveel voorstellen komen.\'

Om het onderlinge handelsverkeer te bevorderen, is het noodzakelijk de produktie te harmoniseren. Hieronder ver­staan we het op elkaar afstemmen van de verschillende natio­nale produkten, zoals het gebruik van stekkers of de fabrica­ge van televisietoestellen. Frankrijk past op dit gebied nog steeds een ander systeem toe dan de rest van Europa.

Verder heeft ieder land zo zijn eigen opvattingen over de eisen die aan voedingsmiddelen gesteld moeten worden. In 1992 wil men hierin komen tot een zo volledig mogelijke ge­lijkheid van voorschriften.

2 Verschillen tussen de regio\'s

De verschillen tussen rijke en arme gebieden in de Gemeenschap moeten zoveel mogelijk worden tenietgedaan. Als de EG kans ziet de regio\'s die nu nog arm zijn welvarend te ma­ken, versterkt dat de economie van de hele Gemeenschap. Verschillende achtergebleven gebieden krijgen geld om bij­voorbeeld wegen aan te leggen.

Het Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling zal mid­delen beschikbaar stellen en bestuderen hoe deze middelen het best besteed kunnen worden.

3 Milieu

In de Europese Akte werd een afzonderlijke milieuparagraaf opgenomen, waarbij het principe wordt gehanteerd van `de vervuiler betaalt\'. Maar bij de concrete toepassing van alge­mene milieuverordeningen stuitte men op problemen.

`Toen de Staten-Generaal aan de minister van Volkshuisves­ting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dijpels, in ja­nuari 1989 bij wet unaniem toestemming gaven om fiscale maatregelen te treffen die de aanschaf van schonere auto\'s in Nederland zouden bevorderen, ging iedereen ervan uit, in­clusief de autobranche die op grote schaal auto\'s met kataly­satoren had ingekocht, dat deze maatregel op 1 februari daarop van kracht zou kunnen worden. Er liep echter nog een procedure bij de Europese Commissie over de vraag, of deze fiscale maatregel beschouwd zou kunnen worden als een maatregel met eenzelfde werking als die van een handels­belemmering die volgens de Europese Verdragen verboden is. De verkoop van buitenlandse auto\'s zonder katalysator, zo was de redenering van sommige autofabrikanten, zou door deze overheidsmaatregel nadelig worden beïnvloed. Het resultaat was dat de minister zijn milieubeschermende maatregel niet op het door regering en parlement gewenste tijdstip kon invoeren, omdat de Europese Commissie haar oordeel nog niet kon geven.\' (Tussen Straatsburg en Den Haag, 1989, blz. 221.)

4 Sociaal beleid

Het sociaal beleid is in de EG wel herhaaldelijk aan de orde geweest. In 1972 werd besloten het sociaal beleid krachtig op poten te zetten, maar de economische ontwikkelingen waren van dien aard dat er van een gemeenschappelijk beleid geen sprake was. Men had genoeg aan zijn eigen problemen. De Europese Akte heeft een nieuwe ontwikkeling op gang ge­bracht. Maar de problemen die daarbij opdoemen, zijn niet eenvoudig op te lossen. Welk systeem van sociale voorzie­ningen moet er komen? Het Nederlandse systeem voor de he­le Gemeenschap of het Spaanse? De verschillen op dit gebied zijn groot. Een werkloosheidsuitkering in Portugal is anders dan een in Nederland of in Duitsland.

Ook over de positie en rechten van de vrouw wordt in de lan­den verschillend gedacht. Welke problemen dit met zich mee kan brengen blijkt uit het voorbeeld van mevrouw Defrenne. In 1968 daagt de Belgische stewardess G. Defrenne haar voormalige werkgever, de luchtvaartmaatschappij Sabena, voor de rechter. Gedurende de periode dat ze werkt, heeft ze minder loon ontvangen voor hetzelfde werk dan haar man­nelijke collega\'s. De Belgische rechtbank legt de zaak voor aan het Europese Hof van Justitie. Die stelt haar in het gelijk op basis van artikel 119 van het EEG-verdrag van 1957, waarin sprake is van gelijke beloning voor gelijke arbeid voor mannen en vrouwen. G. Defrenne krijgt het achterstal­lige salaris alsnog uitbetaald.

Er zijn in de jaren zeventig duidelijke richtlijnen opgesteld. In 1976 werd vastgesteld dat vrouwen gelijke kansen moeten hebben bij sollicitatie en promotie: de richtlijn `Gelijke Be­handeling\'. Verder is er de richtlijn die ervoor moet zorgen dat mannen en vrouwen dezelfde sociale uitkeringen krij­gen. Een vrouw kan dus op grond van deze richtlijnen haar gelijk halen. Dat is reeds vaak gebeurd, zoals in het geval­Defrenne. Maar iedereen kan of wil zover niet gaan. De richtlijnen moeten dus in daden omgezet worden. Er zijn ac­tieprogramma\'s opgesteld, bijvoorbeeld over het opleiden van vrouwen in nieuwe industrieën.

Wat het resultaat zal zijn, is nog de vraag. De lidstaten heb­ben onlangs het voorbeeld gegeven en voor het eerst een vrouw benoemd als lid van de Commissie.

5 Europese Akte en de landbouw

In 1958 had men op de conferentie van Stresa een regeling ge­troffen om de Europese landbouw te steunen. Dit systeem had een positieve uitwerking gehad op de ontwikkeling van de Europese landbouw. De gegarandeerde prijs verzekerde de boeren een goed inkomen, maar de Europese prijzen la­gen soms beneden het wereldniveau. Dit systeem kostte veel geld en veroorzaakte overproduktie. In 1985 publiceerde de Europese Commissie een Groenboek over de `perspectieven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid\'. Men kwam tot de conclusie dat er een marktgericht prijsbeleid gevoerd moest worden. Dit betekende minder subsidies voor de boe­ren. Bij het verlaten van de kunstmatig hooggehouden prij­zen kwam er een eind aan overproduktie.

Er werden bovendien maatregelen genomen om landbouw­gronden een andere bestemming te geven. Deze besluiten zijn een hoopvol teken. Ze luiden echter slechts het begin in van een ontwikkeling naar een efficiënt en marktgericht Europees landbouwbeleid die nog meerdere j aren in beslag zal nemen. In het belang van de Gemeenschap en haar burgers worden alle betrokkenen daarom opgeroe­pen om de ingeslagen weg consequent te blijven volgen.\'

Maar niet iedereen zag het zo rooskleurig. De boeren en vis­sers gingen protesteren tegen de aantasting van hun inko­menspositie.

 Hoe moet het nu verder?

Er is reden voor optimisme: de politieke omstandigheden zijn gunstig voor een vergaande integratie. In 1986 werden Spanje en Portugal lid van de EG. Lange tijd waren de dicta­toriale regimes die in deze landen heersten een belemmering voor de toetreding. De Gemeenschap bestond nu uit twaalf leden, maar daarmee werd het vormen van een hechte een­heid er niet gemakkelijker op. Het is geen wonder dat in de Europese Akte een aantal zaken niet of nauwelijks aan de orde gesteld werd.

Wat de sociale politiek betreft, is de Europese Akte voor­zichtig en in feite tot niets verplichtend. De verschillen tussen de twaalf landen zijn op dit gebied moeilijker te overbruggen dan de economische.

Het op één lijn brengen van de sociale voorzieningen in de verschillende landen is geen kleinigheid. Nederland heeft op dit gebied bijvoorbeeld andere belangen dan Portugal. En dat geldt ook voor zaken als gelijkberechtiging van vrouwen en de rechten van immigranten. Het zal ook duidelijk zijn dat een land waarde welvaart laag is, minder aandacht zal hebben voor milieuvraagstukken dan een land met een hoge welvaart. Kortom, hoe groter de onderlinge verschillen des te groter de problemen bij het vor­men van een eenheid.

Voor velen was het ontbreken in de Europese Akte van iedere verwijzing naar cultuur een ernstig tekort. Er werd wel gesproken over een mediabeleid, maar dat was louter ingege­ven door overwegingen van economische concurrentie. Er zijn plannen om te komen tot een cultureel actieprogram, want Europa is niet alleen een economisch gegeven. Europa heeft een geschiedenis en in die zin is Europa zelfs groter dan het Europa van de twaalf. Dat bleek ook toen tengevolge van Gorbatsjovs perestrojka-politiek de kaarten in Europa grondig werden geschud.

Europa: West en Oost

De Europese integratie is vooral vlak na 1945 sterk beïnvloed door de politieke situatie in Oost-Europa. De Russische drei­ging bracht West-Europa bijeen. Maar dat Europa meer was dan West-Europa hadden de voorstanders van de Europese Beweging altijd voor ogen gehad. Een land als Tsjechoslo­wakije bijvoorbeeld had voor 1948 duidelijk een brugfunctie tussen Oost en West, maar de gebeurtenissen in 1948 maak­ten duidelijk dat Praag politiek gezien bij het Oosten hoorde. Het IJzeren Gordijn scheidde Oost en West.

En dat leek definitief. Het Oosten, onder andere Polen, de DDR, Tsjechoslowakije, Hongarije, was communistisch en daarmee afgescheiden van het Westen.

Toen De Gaulle sprak van een Europa van de Atlantische Oceaan tot de Oeral, werd dat gezien als een soort beeldspraak, maar de werkelijkheid was anders. De wereld van het Oosten was communistisch en dus slecht, en met zul­ke regimes kon en wilde men niet over integratie spreken.

Hoe men dacht in 1959 blijkt uit het volgende. `De Europese Unie heeft te Bazel bekendgemaakt dat zij graaf Coudenhove-Kalergie, de 64-jarige stichter van de Pan-Europese beweging, heeft uitgestoten. Dit besluit, dat met algemene stemmen werd aanvaard, werd genomen omdat hij in \"compromitterende\" brieven aan de Grote Vier had voor­gesteld Oost-Duitsland diplomatiek volledig te erkennen en het feit te aanvaarden dat er twee Duitse naties zijn. De Euro­pese Unie zegt, dat zijn voorstellen, \"een aanvaarding van de slavernij van de bevolking in Oost-Duitsland\" tot gevolg zou hebben.\'

Maar West-Europa werd sterker. De Westduitse economie en monetaire macht namen toe. De Fransen namen na 1969 een andere houding aan ten aanzien van Europa: minder n a­tionalistisch en meer Europees. Meedoen met Europa was voor Frankrijk nu een middel om de balans met Duitsland in evenwicht te houden. Er werd gesproken over toetreding van Groot-Brittannië en men was niet meer zo bang voor de drei­ging uit het Oosten. Integendeel: Willy Brandt begon een politiek van toenadering tot het Oosten. Het Westduitse stand­punt inzake de DDR was in de jaren vijftig en zestig duidelijk: eerst hereniging, dan ontspanning.

In 1969 bleek men in West-Duitsland bereid met de DDR te praten. Het leverde voorlopig als resultaat op dat de rege­ringsleiders Brandt en Stoph elkaar ontmoetten. Er werd gesproken over erkenning van de DDR en daarmee had de re­gering Brandt de Hallstein-doctrine die sedert 1955 de bui­tenlandse politiek van de BRD had bepaald, verlaten. De `doorbraak naar het Oosten\' was een feit.

Perestrojka

De zaken kwamen in een stroomversnelling terecht als ge­volg van Gorbatsjovs politiek van perestrojka. Onverwacht snel kwam er een eind aan de deling van Duitsland. In 1989 werd De Muur omvergehaald en in 1990 volgde de officiële hereniging van de twee Duitslanden. Daarmee waren de kaarten volkomen opnieuw geschud. De machtsverhoudin­gen waren veranderd.

`Duitsland en de andere Westeuropese mogendheden moe­ten zich de komende tien jaar eerst maar eens concentreren op de drie meest nabije landen van Centraal Europa: Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije. De Sovjet-Unie en de rest moeten we maar even vergeten... Toen de Europese Ge­meenschap werd opgericht, betrof die aanvankelijk ook maar een klein stukje van Europa, maar je moet ergens be­ginnen. Natuurlijk, Centraal Europa zal erdoor overrom­peld worden: eerst kwamen de Duitsers er met hun kanon­nen, nu met hun portefeuilles. Maar er is altijd één ding dat nog erger is dan geëxploiteerd te worden, en dat is niet geëx­ploiteerd te worden.

Centraal Europa heeft niets te bieden dan arbeidskracht — en dat product spoelt nu Duitsland al binnen. Vroeger of later moet daar een dam tegen worden opgeworpen, moet er iets worden -afgesloten, en dat betekent concentratie. Het enige andere product dat Centraal Europa heeft, is de drei­ging met een werkelijk grote crisis, economisch of anders­zins. Concentratie damt ook dat gevaar in. Bovendien is een begunstigende politiek voor de drie genoemde landen levens­vatbaar. Het zijn stabiele, compacte landen, met betrekke­lijk kleine groepen minderheden; het zijn, anders dan de twee multinationale staten Rusland en Joegoslavië, denkba­re leden van de EG.\' (VN-interview met T.G. Ash, 10 novem­ber 1990.)

5 De instellingen van de Europese Gemeenschap

Het Europees Parlement

Het Europees Parlement wordt sinds juni 1979 rechtstreeks gekozen door algemene verkiezingen. Het telt nu 518 leden, die elke vijf jaar worden gekozen: 81 afgevaardigden uit elk van de vier landen met de hoogste bevolkingsaantallen — de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk — en 60 uit Spanje, 25 uit Nederland, 24 uit België, Griekenland en Portugal, 16 uit Denemarken, 15 uit Ier­land en 6 uit Luxemburg.

De Europese afgevaardigden vormen politiek fracties, geen nationale delegaties.

De zittingen van het Parlement worden in Straatsburg gehouden. De achttien commissies die de werkzaamheden van de plenaire zittingen voorbereiden alsook de politieke fracties, vergaderen meestal in Brussel. Het secretariaat is in Luxemburg gevestigd. Zijn taken en bevoegdheden beslaan verschillende gebieden, te weten: - de wetgevende functie. Het Parlement is actief betrok ken bij de opstelling van de richtlijnen, verordeningen en besluiten door zich uit te spreken over de voorstellen van de Commissie.

Door de Europese Akte, waarbij de Europese verdragen werden herzien, zijn de wetgevende bevoegdheden van het Parlement versterkt. Zo kan het Parlement met name het \'gemeenschappelij ke standpunt\' van de Raad over een voor stel van de Commissie wijzigen. Indien de Commissie de amendementen van het Parlement overneemt, kan de Raad van Ministers de amendementen slechts met eenparigheid van stemmen afwijzen. Deze unanimiteit is ook vereist als de Raad zijn zienswijze wil handhaven, wanneer het Parlement het `gemeenschappelijk standpunt\' van de Raad heeft verworpen. Volgens de Europese Akte moet het Parlement internationale overeenkomsten en elke nieuwe uitbreiding van de Gemeenschap goedkeuren.

— de budgettaire functie. Het Parlement keurt de begroting van de Commissie goed, tenzij het besluit deze te verwerpen, hetgeen al tweemaal is gebeurd. In dat geval moet de gehele begrotingsprocedure van voren af aan worden overgedaan.

— een rol bij politieke initiatieven. Het ontwerp voor de Europese Unie van Spinelli had het Parlement zelf in 1984 opgesteld en goedgekeurd. Dit belangrijke initiatief leidde ertoe dat de regeringen de Europese Akte ondertekenden.

— de controlefuncties. Het Parlement kan met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen een mo­tie van afkeuring aannemen en de Commissie daarmee tot af­treden dwingen. (Dit is tot op heden nog niet gebeurd.) Het Parlement beraadslaagt over het programma van de Commissie en deelt haar zijn op- en aanmerkingen hierover mee.

Het Parlement controleert of het gemeenschapsbeleid deug­delijk wordt uitgevoerd en baseert zich daarbij met name op de verslagen van de Rekenkamer. Het oefent toezicht uit op de wijze waarop dit beleid van dag tot dag wordt gevoerd, vooral door mondelinge en schriftelijke vragen te stellen aan zowel de Commissie als de Raad.

-De ministers van Buitenlandse Zaken, die voor de politieke samenwerking van de twaalf lidstaten verantwoordelijk zijn, antwoorden eveneens op vragen van de afgevaardig­den. Tijdens driemaandelijkse samenspraken geven zij tekst en uitleg over hun optreden.

Tenslotte is het vaste praktijk geworden dat de zittende voor­zitter van de Europese Raad aan het Parlement verslag uit­brengt over de bereikte resultaten van iedere Europese Raad. Sedert het Parlement rechtstreeks wordt verkozen, heeft het zijn gezag flink vergroot. Het Parlement is nu nauwer en met meer inspraak bij het wetgevingsproces betrokken, ook al blijft het uiteindelijke beslissingsrecht in handen van de Raad van Ministers. Op het gebied van het Europees beleid, dat aan de bevoegdheden van de nationale parlementen is onttrokken — en waarover de Raad trouwens zijn besluiten achter gesloten deuren neemt — schiet de democratie nog te kort. Het Parlement heeft duidelijk te kennen gegeven dat het politieke actie zal blijven voeren om dit euvel te ver­helpen.

De Raad van Ministers, beslissings­orgaan

De Raad van Ministers is een duidelijk intergouvernemen­teel orgaan van de Gemeenschap, zetelt in Brussel en soms in Luxemburg. De Raad is belast met de voornaamste beleids­besluiten en is samengesteld uit ministers van alle lidstaten. Om de beurt vervullen de lidstaten voor een periode van zes maanden het voorzitterschap. De samenstelling van de Raad wijzigt naar gelang van het onderwerp dat aan de orde is: de ministers van Landbouw behandelen bijvoorbeeld de land­bouwprijzen, de ministers van Economische en van Sociale Zaken de werkgelegenheidsproblematiek. De ministers van Buitenlandse Zaken zorgen voor de coordinatie van de meer gespecialiseerde werkzaamheden van hun collega\'s. Ter ge­legenheid van de zittingen van de Raad en van bijzondere vergaderingen ontwikkelen zij ook een samenwerkingsbe­leid ten aanzien van grote internationale politieke pro­blemen.

Sinds 1975 komen de staatshoofden of regeringsleiders van de lidstaten en de Voorzitter van de Commissie, bijgestaan door de ministers van Buitenlandse Zaken, en een lid van de Commissie, twee- of driemaal per jaar als Europese Raad bijeen. Zij behandelen gemeenschapszaken en de politieke samenwerking. De Europese Raad vervult een oriënterende en stimulerende functie die niet mag worden onderschat, zelfs al worden niet direct rechtsgeldige besluiten genomen. Unanimiteit is in de Raad vereist voor bepaalde belangrijke besluiten. In de praktijk is door de ministers gestreefd naar unanimiteit, ook wanneer niets daartoe verplicht, hetgeen het communautaire (betrekking hebbend op de Gemeen­schap) besluitvormingsproces vertraagt. De Europese Com­missie heeft er altijd op aangedrongen dat meer gebruik wordt gemaakt van de in de verdragen voorziene mogelijk­heid besluiten te nemen met een gekwalificeerde meerder­heid van 54 van de 76 stemmen. De Bondsrepubliek, Frank­rijk. Italië en het Verenigd Koninkrijk beschikken elk over tien stemmen, Spanje over acht, België, Griekenland, Ne­derland en Portugal elk over vijf, Denemarken en Ierland elk over drie en Luxemburg over twee. Om ervoor te zorgen dat er sneller krachtige besluiten genomen kunnen worden, is onder de Europese Akte, waarbij de Europese verdragen zijn gewijzigd, de stemming bij meerderheid uitgebreid tot be­paalde belangrijke besluiten die in het bijzonder de voltooi­ing van de binnenmarkt aangaan, zoals ten aanzien van on­derzoek en technologie, de regionale politiek en de verbete­ring van de arbeidsomstandigheden.

De Europese Commissie, motor en beheerster

De Commissie is samengesteld uit ten minste één burger van elke lidstaat van de Gemeenschap. Zij bestaat op het ogen­blik uit zeventien leden: twee Duitse, twee Franse, twee Ita­liaanse, twee Britse en twee Spaanse en één uit elk van de an­dere landen. De leden van de Commissie worden in onderlinge overeenstemming benoemd door de regeringen van de lidstaten voor een periode van vier jaar. De Commis­sie is duidelijk supranationaal, want de leden oefenen hun ambt uit in het algemeen belang van de Gemeenschap. Zij mogen van geen enkele nationale regering instructies ont­vangen en zijn slechts onderworpen aan de controle van het Europees Parlement, dat als enige hen kan dwingen collec­tief af te treden.

De Europese Commissie heeft tot taak:

— er zorg voor te dragen dat de gemeenschapsregels en de beginselen van de gemeenschappelijke markt worden nage­komen. Als hoedster van de verdragen ziet de Commissie toe op de juiste toepassing van de verdragsbepalingen en van de door de andere instellingen genomen besluiten

— aan de Raad van Ministers van de Gemeenschap alle maatregelen voor te stellen die bij dragen tot de ontwikkeling van gemeenschappelijk beleid op verscheidene gebieden (landbouw, energie, industrie, onderzoek, milieu, sociale en regionale problemen, buitenlandse handel, de economische en monetaire unie). In 1989 heeft de Commissie 624 voorstel­len aan de Raad van Ministers voorgelegd

— het gemeenschapsbeleid uit te voeren.

De Commissie beschikt al over duidelijke eigen bevoegdhe­den in de sector kolen en staal (coordinatie van investerin­gen, toezicht op prijzen enzovoort), inzake mededinging (bestraffing van monopolies en toezicht op overheidssteun) en kernenergie (splijtstofvoorziening, toezicht op kernin­stallaties).

In andere gevallen handelt de Commissie op instructie van de Raad van Ministers. Bijvoorbeeld om te onderhandelen over handelsovereenkomsten met derden of bij het beheer van landbouwmarkten.

Ten slotte beheert de Commissie de fondsen en de gemeen­schappelijke programma\'s die het leeuwedeel van de ge­meenschapsbegroting opslokken. Deze zijn bedoeld om on­der andere de landbouwsector te steunen en te moderniseren (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw). De Commissie beschikt over een ambtelijk apparaat dat vooral geconcentreerd is in Brussel en in mindere mate in Luxemburg. Het is verdeeld over een twintigtal directoraten-generaal waar ongeveer 14 000 ambtenaren werken. Dit is minder dan de personeelsbezetting van menig nationaal mi­nisterie. Van het personeel houdt zich 20% bezig met vertaal­werk, omdat de negen talen van de Gemeenschap op voet van gelijkheid zijn erkend.

Het Hof van Justitie: in dienst van het recht

Het in Luxemburg gevestigde Hof van Justitie van de Gemeenschap is samengesteld uit dertien rechters, bijgestaan door zes advocaten-generaal. Zij worden allen in onderlinge overeenstemming voor zes jaar benoemd door de lidstaten. Hun onafhankelijkheid is gewaarborgd. Het Hof heeft vooral tot taak:

— op verzoek van een instelling van de Gemeenschap, van een lidstaat of van een direct betrokken particulier, bepaalde handelingen van Commissie, Raad van Ministers of van re­geringen, die onverenigbaar zijn met de verdragen, nietig te verklaren

— op verzoek van een nationale rechtbank, uitspraak te doen over de uitleg of de geldigheid van de bepalingen van het gemeenschapsrecht.

In 1989 is 385 maal beroep bij het Hof ingesteld.

Door de arresten en interpretaties bevordert het Hof`het ont­staan van een Europees recht dat voor iedereen geldt: com­munautaire instellingen, lidstaten, nationale rechterlijke in­stanties en de gewone burger. Het gezag van de uitspraken van het Hof inzake gemeenschapsrecht heeft immers voor­rang op dat van de nationale rechtbanken. Wanneer de Raad of lidstaten in gebreke zijn gebleven, kan het Hof in een door een particulier persoon aanhangig gemaakte zaak uitspraak doen, bijvoorbeeld over gelijke beloning van mannen en vrouwen of de vrije uitoefening van vrije beroepen in de hele Gemeenschap.

Het Economisch en Sociaal Comité en het Raadgevend Comité van de EGKS

Voordat een voorstel van de Commissie door de Raad wordt aangenomen, wordt het in de meeste gevallen niet alleen ter beoordeling aan het Europees Parlement toegezonden, maar ook aan het Economisch en Sociaal Comité. Dit is een raadgevend orgaan, samengesteld uit 189 leden. Het verte­genwoordigt werkgevers, vakbonden en veel andere belan­gengroepen, zoals afgevaardigden uit de landbouw- en con­sumentenorganisaties.

Het Comité heeft in 1989 171 adviezen uitgebracht, waaron­der 13 op eigen initiatief.

De vraagstukken betreffende kolen en staal worden voorge­legd aan het Raadgevend Comité van de EGKS, dat bestaat uit vertegenwoordigers van producenten in deze sectoren, handelaren, werknemers en verbruikers.

Verschillende gespecialiseerde raadgevende organen maken het verder mogelijk beroepsorganisaties en vakbonden te be­trekken bij de ontwikkeling van de Gemeenschap

eu enlargement

De begroting en de Rekenkamer

De uitgaven van de Gemeenschap beliepen voor 1990 48,8 miljard ECU, wat overeenkomt met 1 Wo van het bruto natio­naal produkt van `De Twaalf\'.

De begroting van de Gemeenschap wordt niet meer gefinan­cierd door nationale bijdragen maar door eigen middelen van de Gemeenschap:

— de douanerechten en landbouwheffingen op de invoer van produkten afkomstig uit landen buiten de Gemeenschap — een gedeelte van dein de lidstaten geïnde BTW-afdracht, dat volgens de uniforme grondslag (gemeenschappelijke verdeelsleutel) wordt vastgesteld

— sinds 1988, een nieuwe financieringsbron die op het wel­vaartsniveau van de lidstaten is gebaseerd.

In percentages uitgedrukt, waren de voornaamste uitgaven­posten van de begroting voor 1990 als volgt:

— steun voor de prijzen van landbouwproducten, moder­nisering van de landbouw en visserij: 59%

— regionaal beleid: 12%

— sociaal beleid: 9%

— gemeenschappelijke acties op het gebied van onderzoek, energie, industrie, milieu en vervoer: 4,7%

— hulp voor de Derde Wereld: 2,7% (plus de buiten de be­groting vallende uitgaven die zijn geregeld in het Verdrag van Lomé, waardoor het totaal aan beschikbare gelden ver­dubbelt)

— huishoudelijke uitgaven: 4,8% (met name voor de sala­rissen van de in totaal 20 600 ambtenaren en andere werkne­mers van de diverse instellingen van de Gemeenschap, maar ook de kosten van de gebouwen, de administratieve kosten enzovoort).

De Rekenkamer houdt toezicht op de begroting. Zij bestaat uit twaalf leden, die in onderling overleg voor zes jaar door de Raad van Ministers worden benoemd. De Rekenkamer beschikt over uitgebreide bevoegdheden om de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven te onder­zoeken en na te gaan of een goed financieel beheer werd gevoerd.