We hebben 362 gasten online

CSE De Sovjet-Unie in de jaren 1924-1964

Gepost in Europa

De Sovjet-Unie  in de jaren 1924-1964

Het politieke stelsel in de Sovjet-Unie

sovjet unie vlag

Met de naam Sovjet-Unie, voluit Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR), is eigenlijk iets vreemds aan de hand. De benaming geeft namelijk een aanduiding van de formele staatsinrich­ting. We doelen op het woord `sovjet', dat in het Russisch niet meer dan `raad' betekent. De sovjets ontstonden in de Russische revolutie van 1905 en waren van oorsprong spontane comités van stakende arbeiders. In het revolutiejaar 1917 ontstonden opnieuw sovjets, binnen het leger en in fabrieken. Het staatsapparaat van de Sovjet-Unie is officieel nog steeds opgebouwd uit sovjets, hoewel de over­heersende instelling in het land de Communistische Partij van de Sovjet-Unie is, de CPSU, waarover later meer.

De organisatie van de staat

Volgens de huidige grondwet, die uit 1977 dateert, is de Sovjet-Unie een federatie die uit vijftien deelstaten bestaat, unierepublieken genaamd. Deze unierepublieken hebben elk een eigen grondwet en bijvoorbeeld ook een eigen Wetboek van Strafrecht. Volgens art. 72 van de grondwet heeft elke unierepubliek het recht zich van de federatie af te scheiden, die immers tot stand is gekomen door `de vrije zelfbeschikking der naties'. In de praktijk zou dat niet worden getolereerd.

De grondwet noemt ook een aantal terreinen (art. 73) die exclusief binnen de competentie van de Unie (de centrale overheid in Mos­kou) vallen. Daaronder vallen de buitenlandse politiek en defensie, maar ook tal van kwesties van sociaaleconomische aard, zoals eco­nomische planning, belastingen en loon- en prijsbeleid. Uit derge­lijke bepalingen blijkt al dat de soevereiniteit van de unierepublie­ken in de praktijk sterk is ingeperkt, ondanks het feit dat de uniere­publiek in de grondwet (art. 76) een `soevereine ... staat' wordt genoemd. Men moet dus de stelling dat de Sovjet-Unie een federa­tie is niet al te letterlijk opvatten. Daar komt bij dat de CPSU, de drijvende kracht van het sovjetstelsel, niet federatief maar strak centralistisch is opgebouwd.

De Opperste Sovjets

Volgens art. 108 van de grondwet is de Opperste Sovjet van de USSR het hoogste staatsorgaan van de Sovjet-Unie. Het is een vertegen­woordigend lichaam, dat uit twee Kamers bestaat: de `Raad van de Nationaliteiten', waarin onder andere de vijftien unierepublieken hun vertegenwoordigers hebben, en de `Raad van de Unie', waarin de gekozen vertegenwoordigers zitting hebben van districten uit het hele land met een gelijk aantal inwoners. Elke Kamer heeft hetzelf­de aantal afgevaardigden, nl. 750. Beide Kamers hebben gelijke rechten, bijvoorbeeld op het punt van wetgeving. Elke unierepu­bliek heeft ook een Opperste Sovjet, die uit één Kamer bestaat; daarnaast zijn er sovjets op provinciaal en plaatselijk gebied. De Opperste Sovjets worden gekozen voor een periode van vijf jaar, de overige sovjets voor twee-en-een-half jaar. De Opperste Sovjets zijn geen parlementen zoals die in het Westen bestaan. Westerse parlementen zijn vrijwel het gehele jaar door bij wetgevende en controlerende arbeid betrokken. De leden van de Opper­ste Sovjet van de USSR komen doorgaans slechts twee keer per jaar gedurende enkele dagen bij elkaar. Zij hebben allen een full-time beroep en hun lidmaatschap is een nevenactiviteit. Het leeuwendeel van de formele wetgevende arbeid moeten de leden van de Opper­ste Sovjet (ook die van de unierepublieken) dus overlaten aan andere organen.

propaganda

Het Presidium

Eén van die organen is het Presidium van de Opperste Sovjet, dat door de twee Kamers in een gezamenlijke zitting wordt gekozen en tussen de zittingen van de Opperste Sovjet als hoogste staatsorgaan fungeert. De Voorzitter van het Presidium van de Opperste Sovjet fungeert als staatshoofd (president) van de Sovjet-Unie.

Het Presidium heeft op papier vergaande bevoegdheden. Het kan zo'n beetje elk denkbare bestuurlijke daad stellen zolang deze niet in strijd is met de grondwet of deze wijzigt. Goedkeuring achteraf door de Opperste Sovjet is wel nodig, maar wordt soms pas veel later gegeven. Het Presidium vaardigt decreten uit, vormt minister­ies of schaft ze af, ratificeert grenswijzigingen tussen unierepublie­ken en benoemt en ontslaat leden van de Ministerraad.

Het kan ook belangrijke beslissingen nemen waarvoor géén goed­keuring achteraf door de Opperste Sovjet vereist is, zoals het ver­klaren van oorlog, het afkondigen van gedeeltelijke of algehele mobilisatie, het benoemen van het opperbevel van de strijdkrachten m het ratificeren en opzeggen van verdragen. Het kent voorts ook orderscheidingen toe.

De meeste tijd van de zittingen van de Opperste Sovjet wordt besteed aan het aanhoren van lange regeringsverslagen. Er worden geen diepgaande meningsverschillen uitgedragen en de stemmingen zijn altijd unaniem. Niet de goedkeuring door de Opperste Sovjet is het belangrijkste stadium van de wetgeving in de Sovjet-Unie, want die is vanzelfsprekend. Juist het voorbereidende stadium is belangrijk, waarin de hoogste partijorganen en eventueel de ministeries de voornaamste rol spelen.

De Ministerraad

Aan de top van de staatsbureaucratie staat de Ministerraad, die volgens de grondwet het hoogste uitvoerende orgaan van de so­vjetstaat is. Tot 1946 werd de Ministerraad Raad van Volkscommissarissen  genoemd. In de Ministerraad hebben onder meer ministers en de voorzitters van staatscomités zitting (bijvoorbeeld die van het Staatscomité voor Wetenschap en Technologie).

De Ministerraad wordt benoemd door de Opperste Sovjet van de USSR in een gezamenlijke zitting van de twee Kamers. De Minis­terraad telt rond de 100 leden en komt vier keer per jaar bij elkaar. Het heeft een Presidium waarin onder andere de Voorzitter van de Ministerraad (de premier) zitting heeft.

Meer dan de helft van de ministeries beweegt zich op het terrein van economisch bestuur en industrieel beleid. Bij hen berust de primaire zorg voor de vervulling van het economisch plan. Aange­zien de Opperste Sovjet op het punt van wetgeving geen grote activiteit ontplooit, hebben vele beslissingen van de Ministerraad in de praktijk kracht van wet. De belangrijkste regelgevende instanties in de Sovjet-Unie op het centrale niveau zijn dus formeel de Opper­ste Sovjet van de USSR en zijn Presidium en de Ministerraad (deze laatste vaak samen met het Centrale Comité van de CPSU).

Verkiezingen

De verkiezingen voor de Opperste Sovjets en andere sovjets in den lande zijn geen verkiezingen zoals wij die bijvoorbeeld in Nederland kennen. Per kiesdistrict is er maar één (communistische) kandidaat. Mensen worden op allerlei manieren onder druk gezet om te gaan stemmen. Is de kiezer eenmaal in het stemlokaal aangeland, dan kan hij of zij volstaan met het in de stembus stoppen van het biljet met de naam van die ene kandidaat erop. Alleen iemand die het met de voorgestelde kandidaat niet eens is, dient het stemhokje binnen te gaan om de naam door te strepen. Niet veel sovjetburgers durven dat.

Dit alles heeft tot gevolg dat het opkomstpercentage hoog is — het is onveranderlijk rond de 98% van de kiezers — en het aantal stemmen op de door de CPSU geselecteerde kandidaten al evenzeer. Verkie­zingen worden door de sovjetleiders vooral gebruikt om hun regime intern en extern een democratisch aanzien te geven. Ze bieden ook telkens weer een goede aanleiding om de bevolking in een grote propagandacampagne de wijsheid van het beleid van de enig toege­stane partij onder ogen te brengen.

De Communistische Partij

De leidende rol van de Communistische Partij binnen het Sovjetstel­sel wordt in art. 6 van de grondwet genoemd, hoewel dit document verder niet in details treedt. Art. 6 stelt onder meer: `De leidende en richtinggevende kracht van de Sovjetmaatschappij, de kern van haar politieke systeem, van de staats- en maatschappelijke organisa­ties is de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. De CPSU bestaat voor het volk en dient het volk.'

De formele structuur en werkwijze van de CPSU is te vinden in het partijstatuut, waarvan voor het laatst op het 27ste partijcongres (begin 1986) een nieuw ontwerp is aangenomen. De hoogste autori­teit binnen de partij is in naam het partijcongres. Het eerste congres vond plaats in 1898 in Minsk (de-partij heette toen nog Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, RSDAP), het laatste zoals gezegd in februari 1986. Congressen worden tegenwoordig om de vijf jaar gehouden. Het partijcongres kiest een Centraal Comité van ongeveer 400 leden en kandidaat-leden, dat in de periode tussen congressen formeel het hoogste gezag binnen de CPSU is. Partijcon­gressen zijn een massale aangelegenheid: er zijn tegenwoordig onge­veer 5000 gedelegeerden die afkomstig zijn uit vrijwel alle lagen van de maatschappij. In de jaren twintig was het aantal gedelegeerden aanzienlijk kleiner en vond op partijcongressen nog echt discussie en besluitvorming plaats. Een partijcongres met de huidige omvang is voor discussie en besluitvorming nauwelijks geschikt. Het congres bespreekt het verslag van het Centrale Comité over de periode sinds het vorige congres en kiest een nieuw Centraal Comité. Het verslag wordt doorgaans voorgelezen door de secretaris-generaal en unaniem goedgekeurd.

Het Centrale Comité

Het Centrale Comité komt meestal tweemaal per jaar gedurende enkele dagen bijeen; het kan dus ook niet als het centrum van de politieke macht in de Sovjet-Unie worden beschouwd, hoewel partij­besluiten officieel in naam van het Centrale Comité worden geno­men. Helemaal onbelangrijk is het Centrale Comité echter níét. Het heeft Nikita Chroesjtsjov in 1957 voor afzetting behoed, toen deze in het Partijpresidium (zoals het Politbureau — zie verder — toen heette) werd geconfronteerd met een hem vijandige meerderheid. Het Centrale Comité is meer nog dan de Opperste Sovjet of het partijcongres de elite van de Sovjetmaatschappij. Slechts een gering percentage van de leden van het Centrale Comité zijn arbeiders en boeren. Het Centrale Comité kiest het Politbureau en het Secreta­riaat, aan het hoofd waarvan de secretaris-generaal staat.

Het Centrale Comité heeft een groot ambtelijk apparaat, dat perma­nent werkzaam is en ook vaak met de term `Centraal Comité' wordt aangeduid. Dit apparaat bestaat uit ongeveer twintig afdelingen, die elk het werk van één of meer staatsorganen nauwlettend volgen en superviseren. De grote lijnen van de Sovjetpolitiek worden niet uitgestippeld in de ministeries of in het Presidium van de Opperste Sovjet, maar in het ambtelijk apparaat van het Centrale Comité, in nauw overleg met het Politbureau en het Secretariaat.

Hoewel het hoofd van een afdeling van het Centrale Comité in principe een hogere positie bekleedt dan een minister, lijkt de rela­tie tussen een ministerie en een afdeling er niet altijd een te zijn va-- onderschikking. Veel hangt bijvoorbeeld af van de persoonlijke machtspositie van de betrokken minister. Is hij al jarenlang lid van het Politbureau, zoals met de voormalige Minister van Buitenlandse Zaken Andrej Gromyko het geval was, dan zal dat zijn positie tegenover het ambtelijke apparaat van het Centrale Comité verster­ken. Veel van de relatie tussen partij- en staatsapparaat is duister, want de besluitvorming op het hoogste niveau in de Sovjet-Unie vindt plaats in het diepste geheim.

Het Politbureau

Het machtigste politieke orgaan in de Sovjet-Unie is ongetwijfeld het Politbureau, van 1952 tot 1966 Presidium geheten. Het is het toporgaan van de CPSU en omdat de Sovjet-Unie een éénpartijstaat is, hoeft het niet te vrezen voor concurrerende onafhankelijke machtscentra. Het Politbureau is altijd een exclusieve mannenclub geweest, met uitzondering van een korte periode aan het einde van de jaren vijftig toen een vrouw er deel van uitmaakte.

Officieel heet het dat het Politbureau de lopende zaken afhandelt tussen de plenaire bijeenkomsten van het Centrale Comité. Formeel wordt het gekozen door en is het verantwoording schuldig aan het Centrale Comité. In feite kan het Politbureau het Centrale Comité naar zijn hand zetten.

Het bestaat uit rond de twintig personen (leden en kandidaat-leden). Een aantal belangrijke staatssecretarissen is er doorgaans lid van, zoals de Voorzitter van de Ministerraad (de premier), de Voorzitter van het Presidium van de Opperste Sovjet, de Ministers van Buiten­landse Zaken, Binnenlandse Zaken en Defensie en de Voorzitter van de KGB (de Geheime Politie). De secretaris-generaal is ook altijd lid, evenals één of meer andere leden van-het secretariaat van de partij. De beraadslagingen van het Politbureau zijn geheim; ze vinden doorgaans eenmaal per week op donderdag plaats.

De secretaris-generaal

honderd miljoen

De secretaris-generaal van het Centrale Comité van de CPSU is de machtigste man in de Sovjet-Unie. Hij is de partijleider en heeft ook de dagelijkse leiding van de werkzaamheden van het secreta­riaat, dat uit ongeveer tien secretarissen bestaat. Het secretariaat bereidt de besluiten van het Politbureau voor (het stelt onder andere de agenda van Politbureauvergaderingen op) en ziet toe op de uitvoering ervan. Het secretariaat oefent ook het toezicht uit op de werkzaamheden van het apparaat van het Centrale Comité. De persoonlijke macht van de secretaris-generaal heeft in de loop van de Sovjetgeschiedenis sterk gevarieerd. Jozef Stalin en ook Niki­ta Chroesjtsjov opereerden zeer solistisch en namen vaak belang­rijke besluiten zonder hun naaste collega's in het Politbureau erin te kennen. Stalin beschikte zelfs naar believen over leven en dood van zijn naaste collega's. Onder Leonid Brezjnev was een meer collec­tieve wijze van besluitvorming gebruikelijk, waarbij Politbureauleden en andere belanghebbenden werden geconsulteerd alvorens een besluit werd genomen.

Marxisme-leninisme

De officiële leer in de Sovjet-Unie, waarop de CPSU haar politieke handelen baseert, is het marxisme-leninisme. Deze leer is ten dele gebaseerd op het gedachtengoed van Karl Marx en Friedrich Engels, die het eindpunt van de maatschappelijke ontwikkelingen zagen in een proletarische revolutie. Daardoor zou een einde komen aan de uitbuiting van de ene mens door de andere en zou een rechtvaardi­ge, socialistische maatschappij gevestigd worden.

De theoretische bijdrage van Vladimir Iljitsj Lenin (1870-1924) kan niet in de schaduw staan van die van Marx en Engels. Van groot belang zijn echter Lenins praktische politieke ideeën, onder meer over de partij, de revolutie en de dictatuur van het proletariaat, die na zijn dood in de Sovjet-Unie tot dogma's zijn verheven. Lenin zag de partij als een elite-organisatie van beroepsrevolutionairen met een strikte militaire discipline. Hij zag het als de taak van de partij de dictatuur van het proletariaat te vestigen, de dictatuur van de meerderheid (het proletariaat) over de minderheid (de burgerij). Dit ondanks het feit dat Rusland aan de vooravond van de revolutie en nog lang daarna een land van overwegend boeren was, met het industrieel proletariaat ver in de minderheid.

Lenin zag de partij als een voorhoede die de werkende massa's leidt en dat is in de Sovjet-Unie nog steeds de officiële opvatting. Het marxisme-leninisme pretendeert een wetenschap te zijn die de ge­hele maatschappelijke ontwikkeling -verklaart.Degenen die het er niet mee eens zijn, hebben het dus per definitie bij het verkeerde eind. Deze pretentie, in combinatie met een minachting voor gang­bare `burgerlijke' (niet-communistische) ethische overwegingen van goed en kwaad, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot het mee­dogenloze optreden tegen politieke tegenstanders.

De verhouding tussen staat en partij                             

Het leidende beginsel bij de organisatie van de CPSU is volgens het partijstatuut het democratisch centralisme, dat volgens art. 3 van de grondwet ook van toepassing is op het staatsapparaat van de Sovjet-Unie. De belangrijkste elementen van dit principe zijn:

1.   alle leidende partijorganen van hoog tot laag worden gekozen door partijleden of gedelegeerden

2.   een strikte partijdiscipline is vereist met onderschikking van een minderheid aan de meerderheid

3.   besluiten van hogere partijorganen zijn onvoorwaardelijk bin­dend voor lagere.

Het democratische element in dit principe, de vrije verkiezing van alle leidende organen, werd al vroeg in de Sovjetgeschiedenis volle­dig uitgehold. Partijverkiezingen zijn evenmin vrij als die voor de Opperste Sovjet: in de regel is er één kandidaat voor elke post en de stemmingen zijn altijd unaniem. Kandidaten worden door hogere partijorganen tevoren geselecteerd. Het zogeheten fractieverbod, dat al door het 10de partijcongres (in 1921) werd afgekondigd, ver­biedt bovendien uitdrukkelijk het groepsgewijze oppositie voeren binnen de partij.

In de praktijk betekent dit alles dat het partijbeleid pas wordt bekritiseerd indien de verantwoordelijke leiders in ongenade zijn gevallen of indien de hoogste partijleiding zelf onderling is verdeeld. Kritiek op de allerhoogste is pas toegestaan na hun dood (Stalin) of na hun afzetting (Chroesjtsjov). Een secretaris-generaal die geen rivalen binnen het Politbureau meer heeft, hoeft dus geen `oppositie van de basis' binnen de partij te vrezen, want degenen in het Centrale Comité die hem `kiezen' benoemt hij in feite zelf, al is het formeel het partijcongres dat hen kiest.

Ook al schrijven formele rechtsregels in de Sovjet-Unie anders voor, in de praktijk staat de partijleiding boven de wet. Ook een partij­secretaris in een afgelegen provinciehoofdstad hoeft zich van de wet niet zoveel aan te trekken, zolang hij zijn superieuren in Moskou te vriend houdt. De afstand tussen het wettelijk voorgeschrevene en de politieke realiteit is in de Sovjet-Unie erg groot. Een belangrijk hulpmiddel bij de machtsuitoefening door de CPSU is de geheime politie (KGB). Deze executeert thans weliswaar niet meer Sovjetburgers en partijleden in zulke grote aantallen als onder Stalin gebruikelijk was, maar controleert toch voortdurend de burgers door een over het hele land werkzaam net van agenten en spionnen. Ook een organisatie als de KGB staat boven de wet. Zij kan verdachte personen (dat zijn vaak mensen met afwijkende politieke meningen) niet alleen ongestraft bespioneren en afluisteren, maar kan hen ook op alle mogelijke manieren pesten en lastig vallen als dat gewenst mocht zijn.

De totalitaire staat

stalinisme

Om het verschijnsel van de nationaalsocialistische dictatuur onder Hitler en de communistische onder Stalin te verklaren of te beschrij­ven, stelden westerse onderzoekers het zogenaamde totalitarismemodel op. Dit benadrukte de overeenkomsten tussen deze twee dictaturen. Totalitaire staten vertoonden volgens deze opvatting glo­baal de volgende kenmerken:

— er is één partij, die wordt gedomineerd door één leider

— er is een strijdbare ideologie die de hervorming van de maat­schappij nastreeft volgens bepaalde hogere `wetten'

— er is een wijd verbreide terreur door middel van de geheime politie en er zijn herhaalde zuiveringen zowel binnen als buiten de partij

— alle onafhankelijke groepen en instellingen, zoals een rechterlijke macht of vakbonden, zijn uitgeschakeld

— er is een centrale controle van de communicatiemedia (censuur) en massapropaganda.

Men kan zich afvragen of een Hitler of een Stalin hun land zo volledig in hun greep hadden als dit model suggereert. Als men de Sovjet-Unie van tegenwoordig nog steeds een totalitaire staat wil noemen, moet men bovendien vaststellen dat de terreur van de geheime politie na Stalins dood in 1953 aanzienlijk is afgenomen. Ook bleek onder Nikita Chroesjtsjov een zekere politieke discussie mogelijk over onderwerpen die tot dan toe taboe waren geweest. Anderzijds is het natuurlijk wel zo dat de overheid in een land als de Sovjet-Unie in veel sterkere mate ingrijpt in het leven van haar burgers dan in westerse landen gebruikelijk is. Met name op ter­reinen als de massamedia, onderwijs en cultuur, waar de overheid in westerse landen zich doorgaans nogal terughoudend opstelt, is de inbreng van de overheid in de Sovjet-Unie zeer groot.

2 Van de dood van Lenin tot de dood van Stalin 1924-1953

De binnenlandse ontwikkelingen

De strijd om de macht die na de dood van Lenin in januari 1924 in alle hevigheid losbarstte, was er een waarbij, zoals vaak gebeurt, persoonlijke tegenstellingen en ideologische meningsverschillen nauw met elkaar waren verweven. De belangrijkste drie richtingen binnen de Communistische Partij werden vertegenwoordigd door Leo Trotski, Jozef Stalin en Nikolaj Boecharin.

Vóór zijn dood had Lenin, al ernstig ziek, voor Stalin gewaarschuwd in zijn politieke testament dat aan het partijcongres vanmaart 1923 was gericht. Stalin was in begin 1922 secretaris-generaal geworden, een positie die hem een beslissende stem gaf bij benoemingen, niet alleen binnen de Partij, maar ook binnen de regeringsbureaucratie, de vakbonden en de sovjets. `Kameraad Stalin heeft (...) een enor­me macht in zijn handen geconcentreerd en ik ben er niet zeker van dat hij altijd in staat zal zijn deze macht voorzichtig genoeg te gebruiken', stelde Lenin vast. Ook noemde hij Stalin `te grof' en hij ried de Partij aan Stalin van zijn post te verwijderen. Aan deze opmerkingen van Lenin werd slechts in beperkte kring ruchtbaar­heid gegeven en Stalin wist de uitvoering van Lenins voorstel hem af te zetten te verhinderen.

Drie stromingen

Trotski was in menig opzicht Stalins tegenpool. Hij was een begaafd redenaar en theoreticus en had in de burgeroorlog een belangrijker rol gespeeld dan Stalin. In de jaren twintig was Trotski de belang­rijkste vertegenwoordiger van de linkse stroming binnen de Partij. Hij bekritiseerde de ondemocratische gang van zaken in de eigen gelederen. Hij legde er de nadruk op dat zonder de wereldrevolutie het socialisme in Rusland ten ondergang gedoemd was. Revolutio­naire bewegingen in het buitenland moesten volgens hem worden gesteund en er moest in eigen land een-einde komen aan Lenins Nieuwe Economische Politiek (NEP).

De NEP stond privé-ondernemingen in beperkte mate toe; boeren kregen ook de gelegenheid personeel in dienst te nemen en een deel van hun produkten op de vrije markt te verkopen. Door sommigen werd Lenins NEP gezien als het begin van het herstel van het kapitalisme in Rusland. De belangrijkste industrieën bleven echter ook tijdens de NEP in handen van de staat en de alleenheerschappij van de Partij stond niet ter discussie.

De rechtse stroming binnen de Partij, geleid door Boecharin, onder­kende het belang van de wereldrevolutie, maar voorzag deze niet op korte termijn en was daarom voorstander van voortzetting van de NEP met zijn relatief welwillende houding tegenover de boeren. De centrumgroep onder leiding van Stalin stelde zich achter de these van het `socialisme in één land': het socialisme kon in de USSR worden opgebouwd, ook al bleef de wereldrevolutie uit. Stalin gaf dus aan Rusland, of liever gezegd: de Sovjet-Unie, een centrale plaats in het communistische denken. Men moet overigens de ideologische tegenstellingen tussen Trotski en Stalin niet al te absoluut stellen. Vooral voor Stalin had de communistische ideolo­gie op de eerste plaats een praktische functie. Om een bepaalde stap te rechtvaardigen was hij bereid het marxisme-leninisme ogenblikke­lijk aan te passen.

Stalin wint

spotprent stalin

Aan het einde van de jaren twintig kwam Stalin als overwinnaar uit de strijd te voorschijn. Hij zou met Trotski en Boecharin afrekenen op de meest definitieve wijze die denkbaar is. Eerstgenoemde werd in 1940 in Mexico door een agent van Stalin vermoord en Boecharin werd in 1938 in Moskou terechtgesteld.

De 50ste verjaardag van Stalin in december 1929 was de aanleiding tot een reeks artikelen in de sovjetpers waarin al een persoons­verheerlijking aan de dag trad die de komende decennia ver­bijsterende vormen zou aannemen. De verheerlijking van Lenin werd tijdens diens leven nog enigszins binnen de perken gehouden doordat hij er zelf weinig prijs op stelde. Wel werd Lenins stoffelijk overschot na zijn overlijden gebalsemd en in een mausoleum op het Rode Plein in Moskou permanent tentoongesteld. Stalin bevorderde de verheerlijking van Lenin, maar de verheerlijking van hemzelf kwam gaandeweg op de eerste plaats. Om te beklemtonen dat zijn heerschappij een voortzetting was van die van Lenin, werd in de jaren dertig in de Sovjet-Unie de slagzin `Stalin is de Lenin van vandaag' gelanceerd.

Bij tegenstanders van Stalin, zoals Trotski, heeft vaak de neiging bestaan in hem een middelmatig politicus te zien, die door puur geluk op een invloedrijke post belandde. Toevallige omstandigheden hebben natuurlijk een rol gespeeld, zoals het feit dat Lenin, de onbetwiste leider van de Partij, al in 1924 op nog maar 54-jarige leeftijd stierf. Stalin was echter een verre van middelmatig politicus, al was hij geen groot redenaar en in ideologische debatten nauwe­lijks thuis. Trouw aan personen kende hij niet, zodat hij in de machtsstrijd van de jaren twintig gemakkelijk van de ene groep naar de andere overging. Hoezeer hij meedogenloosheid met tactisch inzicht combineerde, blijkt uit een voorval aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. De Joegoslavische partisanenleider Tito was toen niet van plan de terugkeer van de vroegere koning Peter II naar Joegoslavië te accepteren. Stalin voorzag dat deze weigering bij velen niet goed zou vallen en zei tegen Tito: `Waarom neem je hem niet tijdelijk terug? Dan kun je hem later altijd nog op een geschikt moment een mes in de rug steken.'

De industriële ontwikkeling

stalin als grote leider

De kwestie die in de jaren twintig en dertig bovenaan op de politie­ke agenda stond, was de industrialisatie van de Sovjet-Unie. De sovjetleiders waren het erover eens dat het leggen van een degelijke industriële basis voorwaarde was voor de opbouw van een commu­nistische maatschappij. In een dergelijke maatschappij moet er im­mers sprake zijn van grote rijkdom en overvloed om elke burger voor zijn of haar werk naar behoefte te kunnen belonen. Ook was vooral een zware industrie (deze produceert machines en fabrieks­installaties, in tegenstelling tot consumptiegoederen als ijskasten en platenspelers) onontbeerlijk voor een succesvolle verdediging van het land in geval van oorlog.

Uit Stalins uitspraken rond 1930 blijkt dat hij overtuigd was van de grote achterstand die de Sovjet-Unie had op andere industriële mogendheden. Hij was bezeten van de gedachte dat deze zo snel mogelijk moest worden ingelopen. De vraag was alleen hoe. Stalin had al gekozen voor de opbouw van het socialisme in één land. Hij koos nu ook voor een geforceerde industrialisatie, in combinatie mei een gedwongen collectivisatie van de landbouw. Hij pakte de industrialisatie in feite aan alsof het een militaire operatie was. Alle economische middelen werden geconcentreerd in de zware industrie. De behoeften van de consument kwamen voortaan op het tweede plan.

Planeconomie

Stalins Goelag

Lenins NEP werd vervangen door een planeconomie: met ingang van het Eerste Vijfjarenplan, dat in oktober 1928 van start ging, werd de economische produktie in precieze hoeveelheden vastge­steld door het politieke centrum in Moskou. Het marktmechanisme, dat in tal van andere landen de economische activiteiten regelt door middel van vraag en aanbod, werd als het ware bij decreet afge­schaft. Het Eerste Vijfjarenplan werd binnen de voorgeschreven periode van vijf jaar vervuld, namelijk in vier jaar en drie maanden. Dat was typerend voor de snelle en geforceerde economische ont­wikkeling. Volgens berekeningen van een westers econoom ging 86% van alle industriële investeringen in die periode naar de zware industrie. Héle nieuwe industrietakken werden uit de grond ge­stampt, zoals de chemische industrie, de auto- en vliegtuigindustrie en die voor landbouwmachines. Gigantische industriecomplexen en volledig nieuwe steden verrezen op plaatsen waar kort tevoren al- leen maar wildernis was geweest.

In tegenstelling tot wat vele buitenlandse waarnemers hadden ver­wacht, nam de industriële productie in de jaren van het Eerste Vijfjarenplan en daarna spectaculair in omvang toe. Die enorme groei ging echter vaak ten koste van de kwaliteit. Ook verschilden de resultaten van de planning sterk van product tot product. Voor sommige producten werd de plannorm ver overschreden, voor ande­re werd ze niet eens gehaald. Deze ontwikkeling ging voor de bevolking gepaard met rantsoenering en vele andere ongemakken en tekorten. Tegelijkertijd moest iedereen hard werken om de gestelde economische doelen te bereiken.

De landbouw

Om de opbouw van de zware industrie mogelijk te maken, werden de andere sectoren van de economie en vooral de landbouw genade­loos uitgeknepen: ze moesten aan het centrale gezag ondergeschikt worden gemaakt. Daarbij dient men te bedenken dat ongeveer driekwart van de beroepsbevolking in de Sovjet-Unie rond 1930 uit boeren bestond. Dezen moesten, om de opbouw van de zware industrie te financieren, voor een hongerloontje hun werk verrich­ten, in afwachting van het moment waarop de snel groeiende indus­trie hen als arbeidskrachten nodig had. Om het te verwachten verzet van de boeren te breken, werd de landbouw gecollectiviseerd. Het grootste deel van de grond werd het collectieve eigendom van de boeren. De privé-eigendom hield dus op te bestaan. In de praktijk had de Partij het echter voor het zeggen doordat over de bezetting van de sleutelposten op een kolchoz (collectieve boerderij) werd beslist door het partijapparaat.

De boeren voelden niets voor de collectivisatie en moesten door een niets ontziende terreur en door deportaties op grote schaal de kolchozen worden binnengedreven. Bij boeren die weigerden hun graan aan de staat te leveren, werd het met geweld weggehaald. Ongeveer één miljoen zogeheten koelakken, enigszins welgestelde boeren van wie werd gezegd dat zij zich het sterkst tegen de collec­tivisatie verzetten, werden met hun gezinnen het slachtoffer van deze operatie. In totaal ging het om zo'n vijf miljoen mensen. Zij kwamen voor een groot deel om in concentratiekampen in Siberië of Centraal-Azië of tijdens het transport op weg daarheen. Velen van de boeren die niet werden gedeporteerd, slachtten hun vee en paar­den liever dan ermee de kolchoz in te gaan. Dit alles leidde tot dramatische vermindering van de omvang van de veestapel tussen 1929 en 1933. Het aantal paarden (in miljoenen) liep terug van 34 naar 16,6, runderen van 68,1 naar 38,6, schapen en geiten van 147,2 naar 50,6, en varkens van 20,9 naar 12,2. De chaos en ontreddering op het platteland waren zo groot dat een grote hongersnood in de Oekraïne en andere delen van de Sovjet-Unie in het begin van de jaren dertig er het gevolg van was. Het aantal slachtoffers van de collectivisatie liep al met al in de miljoenen. Het is de vraag of de ware omvang van de ellende die de Russische boeren in diepperiode is aangedaan, ooit echt bekend zal worden, want boeren zijn nu eenmaal niet het soort mensen dat hun belevenissen in memoires of anderszins vastlegt. Het was overigens ook levensgevaarlijk kritiek op schrift te stellen.

Op het einde van het Eerste Vijfjarenplan (december 1932) was 68% van het gecultiveerde land in kolchozen ondergebracht en 10% in sovchozen, terwijl 22% in privé-handen bleef. (Een sovchoz is een staatsboerderij.)

Stalins politiek van geforceerde industrialisatie en collectivisatie heeft ongetwijfeld de industriële basis gelegd voor de positie van de Sovjet-Unie als wereldmacht na 1945. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat dit gepaard is gegaan met enorme offers en veel menselijk lijden. Ook de huidige zeer lage produktiviteit en in­efficiëntie van de sovjetlandbouw en industrie zijn een erfenis van Stalins politiek en zijn de huidige leiders nog steeds een blok aan het been.

Terreur

Stalin met op achtergrond Lenin

Iets positiefs ontdekken aan het drama dat zich in de tweede helft van de jaren dertig in de Sovjet-Unie voltrok, is ronduit onmogelijk. De grote `zuiveringen' uit die periode leidden tot de executie van vele honderdduizenden; nog eens vele miljoenen kwamen om in concentratiekampen in Siberië en elders. Stalin rekende genadeloos af met echte en vermeende opposanten en zo verwerd de eerste `arbeidersstaat' in de geschiedenis tot een bloedige persoonlijke dic­tatuur. Organen van Partij en staat gehoorzaamden de dictator blin­delings, voorzover ze niet volledig ophielden te functioneren. Teke­nend is bijvoorbeeld dat tussen 1939 en 1952 geen enkel partij­congres is gehouden. Vrije discussie werd een onmogelijkheid en het uiten van een eigen mening, zelfs in de besloten vriendenkring, kon fatale gevolgen hebben.

De aanleiding tot de eerste terreurgolf was de moord op de Lenin­gradse partijleider Sergej Kirov op 1 december 1934, waarin Stalin zelf misschien wel de hand heeft gehad. In de jaren 1936-1938 werden in drie grote schijnprocessen enkele tientallen vooraan­staande voormalige bolsjewieken, onder wie Boecharin, `berecht' en op een enkele uitzondering na tot de doodstraf veroordeeld. Tijdens de processen beschuldigden de beklaagden zichzelf er onder meer van dat zij de sovjet-economie op grote schaal hadden gesaboteerd en met behulp van vreemde mogendheden het socialisme wilden ondermijnen en het kapitalisme herstellen.

De zuiveringen troffen in eerste instantie partijleden, maar breidden zich uit tot alle lagen van het staatsapparaat. De samenzwering tegen de Sovjet-Unie was een verzinsel, door Stalin zelf bedacht en door zijn propagandisten nader uitgewerkt; zijn politiemensen brachten de consequenties van dat waandenkbeeld op moorddadige wijze in praktijk. De slachtoffers werden bestempeld tot `vijanden van het volk', die uit de samenleving moesten worden verwijderd.

Het 17de partijcongres, dat in 1934 werd gehouden, levert een beeld van de omvang van de terreur. Van de 1966 gedelegeerden naar het congres, van wie men kan zeggen dat zij de politieke elite van het land vormden, werden er in de daarop volgende jaren 1108 geëxecu­teerd. Van de 139 leden van het Centrale Comité dat op dat congres werd gekozen, kregen er uiteindelijk 98 een nekschot. Vrijwel alle bolsjewieken die aan de oktoberrevolutie hadden deelgenomen kwa­men om, voorzover ze niet het geluk hadden gehad tevoren een natuurlijke dood te sterven. Geen enkele maatschappelijke instelling van betekenis ontsnapte aan de terreur, ook de geheime politie niet. Vele personen uit de wereld van kunst en literatuur, bijvoorbeeld de dichter Osip Mandelstam, vonden in Stalins kampen de dood. In juni 1937 opende Stalin de frontale aanval op de militaire top. Twee van de vijf maarschalken overleefden de moordpartij, hetzelf­de gold voor twee van de vijftien legercommandanten, 28 van de 58 korpscommandanten, 85 van de 195 divisiecommandanten en 195 van de 406 regimentscommandanten. In totaal werden zo'n 35.000 officieren van het Rode Leger, ongeveer de helft van het korps, geëxecuteerd of in een concentratiekamp opgesloten.

Ziekelijk

Deze terreurgolf ging gepaard met perscampagnes waarin de meest absurde beschuldigingen aan het adres van de slachtoffers werden geuit en Stalins wijsheid alom werd bejubeld. Sommige historici hebben wel geprobeerd voor het gebeurde een rationele verklaring te vinden, maar de oorzaken van deze massaslachting moeten waar­schijnlijk toch voor een groot deel worden gezocht in Stalins ver­wrongen persoonlijkheid Hij was een zeer achterdochtig man, met ziekelijke karaktertrekken. Hij zag overal vijanden, saboteurs en spionnen. Toen er in de Sovjet-Unie niemand meer was om hem af te remmen, hadden deze eigenschappen voor zijn directe omgeving en voor zijn volk noodlottige gevolgen.

In de jaren van Stalins alleenheerschappij werd het Russische natio­nalisme, dat van oudsher in de communistische beweging in een kwade reuk had gestaan, systematisch aangewakkerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in de Sovjet-Unie `Grote Vaderlandse Oorlog' wordt genoemd, was een beroep op nationalistische senti­menten onder de bevolking een belangrijk psychologisch instrument in de strijd tegen de Duitsers. Om dezelfde reden werd ook de anti-religieuze propaganda tijdens de oorlog gematigd. Het toe­nemende nationalisme uitte zich ook in een vrij gunstige officiële zienswijze op het voormalige tsaristische Rusland. Wrede heersers uit de Russische geschiedenis, zoals de tsaar Iwan de Ver­schrikkelijke en Peter de Grote, werden als voorgangers van Stalin afgeschilderd.

Ook cultuur en wetenschap werden in de stalinistische dictatuur ondergeschikt gemaakt aan de grillen van de partijleiding, in casu Stalin. Officieel heette het dat kunst en wetenschap in dienst moes­ten staan van de `opbouw van het socialisme'. Stalin en de staat die hij personifieerde, moesten ten koste van objectiviteit en goede smaak buiten alle proporties worden verheerlijkt. De theorie van het `socialistisch realisme' verhief deze valsheid in woord en ge­schrift tot het leidende beginsel van de officiële cultuurpolitiek. Na de oorlog bleef de door velen gehoopte verbetering van het politieke klimaat uit. De terreur en de executies hielden aan, zij het op minder grote schaal dan in de jaren dertig. Op het terrein van kunst en wetenschap werd de starre koers voortgezet onder leiding van Stalins cultuurpaus Andrej Zjdanov (1897-1948).

Stukloon

De wederopbouw had na de oorlog een hoge prioriteit. Dat kwam tot uiting in het Vierde Vijfjarenplan (1946-1950) dat opvallend genoeg in vier jaar en drie maanden werd vervuld. Een belangrijke rol bij de wederopbouw speelden ook de herstelbetalingen en ande­re vormen van compensatie door het verslagen Duitsland en zijn bondgenoten. In 1947 was bijvoorbeeld driekwart van de sovjet­importen afkomstig uit Oost-Europa en de sovjetbezettingszone in Duitsland. Hele fabrieken werden uit wat nu de DDR is bij wijze van herstelbetaling naar de Sovjet-Unie versleept. In de periode tot aan Stalins dood in 1953 lag de nadruk weer als vanouds op de zware industrie, de doorsnee-consument kwam er bekaaid af. Op alle mogelijke manieren, vaak met de voor Stalin kenmerkende hardheid, werd de bevolking ertoe aangespoord harder te werken. Veelvuldig werd gebruik gemaakt van stukloon en andere arbeids­premies, zaken die van oudsher in de communistische beweging werden verfoeid als typisch kapitalistisch.

De laatste maanden van Stalins heerschappij waren vol onheil­spellende voortekenen. Terwijl de internationale situatie nog steeds zeer gespannen was en de oorlog in Korea woedde, werden in januari 1953 in Moskou negen merendeels joodse artsen gearres­teerd, die ervan werden beschuldigd vooraanstaande sovjetleiders te hebben vermoord, onder andere Zjdanov in 1948. De sovjetpers begon een hetze tegen `verraders'; het was een campagne met dui­delijk antisemitische trekken. Alles duidde erop dat een nieuwe grote zuivering in aantocht was. Stalins naaste medewerkers hadden alle reden om voor hun leven te vrezen. Aan deze dreiging kwam echter een einde toen Stalin op 5 maart 1953 aan de gevolgen van een beroerte overleed. Na zijn dood maakte hij in zekere zin zijn laatste slachtoffers, toen in de enorme rijen wachtenden in Moskou die hem de laatste eer wilden bewijzen paniek uitbrak en een groot aantal mensen in de straten van de hoofdstad de dood vond.

Verhouding leninisme-stalinisme

Een thema dat historici nu al vele jaren bezighoudt, is het verband tussen leninisme en stalinisme. Bestaat er een scherpe tegenstelling tussen Lenins beleid en dat van Stalin, of is er veel meer sprake van een voortzetting? Iemand als de inmiddels overleden Britse historicus Leonard Schapiro was van mening dat Lenin een duidelijke historische verantwoordelijkheid voor wat onder Stalin gebeurde, niet ontzegd kan worden. De belangrijkste elementen die het poli­tieke stelsel in de Sovjet-Unie onder Stalin kenmerkten, waren naar Schapiro's mening al aanwezig onder Lenin, zij het in doorgaans mildere vorm. Zo was daar bijvoorbeeld Lenins opvatting over de wenselijkheid van een dictatuur die boven de wet stond. Verder: Lenins onderdrukking van alle oppositie buiten de Communistische Partij, ook waar het andere socialisten betrof; het monddood maken van critici binnen de eigen partij; de ongecontroleerde macht over leven en dood die werd gegeven aan de Tsjeka (geheime politie) en het opzetten van een systeem van strafkampen (de Goelag). Het is natuurlijk wel zo dat onder Stalin de onderdrukking veel extremere vormen aannam dan onder Lenin, waardoor het aantal slachtoffers onder de eerste oneindig veel groter was. Schapiro stelt echter, naar het ons voorkomt terecht, dat er geen reden is om tussen stalinisme en leninisme een wezenlijk onderscheid te maken en er daarbij van uit te gaan dat het eerste `slecht' is en het laatste `in wezen goed'.

De buitenlandse politiek

Na de oktoberrevolutie en de overwinning van de bolsjewieken in de burgeroorlog kwam het er voor de nieuwe staat op aan inter­nationale erkenning te krijgen en zijn positie in de wereld te stabili­seren. Ondanks enkele successen van tijdelijke aard in Hongarije en Beieren werd het al vrij snel duidelijk dat de lang verwachte wereld­revolutie uitbleef. De Sovjet-Unie nam vanaf haar ontstaan een tweeslachtige houding aan tegenover de buitenwereld. Aan de ene kant wilde de Sovjet-Unie `coëxistentie' met de kapitalistische staten en onderhield ook waar mogelijk diplomatieke betrekkingen. Tege­lijkertijd weigerde de nieuwe staat de schulden uit de tsaristische periode af te betalen of zelfs te erkennen en buitenlanders te com­penseren voor hun in beslag genomen bezittingen. Ook leidde de Sovjet-Unie de Communistische Internationale (Komintern), die in 1919 was opgericht en in Moskou zetelde. Het feit dat communisti­sche partijen over de hele wereld, die uit waren op de omver­werping van de bestaande orde, bij de Komintern waren aan­gesloten, vormde vaak een belemmering voor normale diplomatieke betrekkingen.

Verdrag met Duitsland

Al in het begin van de jaren twintig echter wist de sovjetdiplomatie onder leiding van minister van buitenlandse zaken Tsjitsjerin het internationale isolement te doorbreken. Dat gebeurde door het ver­drag van Rapallo, dat in 1922 werd gesloten met Duitsland, het andere zwarte schaap in de internationale politiek. Het verdrag hield wederzijdse diplomatieke erkenning in en bevatte afspraken over economische en militaire samenwerking, die stand hielden tot na het aan de macht komen van Hitler in 1933. Andere belangrijke mogendheden, zoals Groot-Brittannië en Frankrijk, gingen pas in het midden van de jaren twintig tot diplomatieke erkenning van de Sovjet-Unie over, de Verenigde Staten volgden in 1933.

Rond 1930 waren de bij de Komintern aangesloten partijen steeds meer geworden tot voorposten van Moskou. Alle partijen dienden te handelen vanuit de gedachte dat de belangen van de Sovjet-Unie gingenvóór die van de eigen partij. Stalin decreteerde dan ook dat de socialisten de grootste vijanden waren van de arbeidersbeweging. omdat ze niet bereid waren het kapitalisme te vernietigen via een revolutie, maar kozen voor een ombuiging langs parlementaire weg. Deze `haat' tegen de sociaaldemocraten maakte zelfs dat Stalin niet in de gaten had dat het opkomende nationaalsocialisme in Duits­land veel gevaarlijker was. De sociaaldemocraten werden, volko­men ten onrechte, door de communisten tot geestverwanten van het fascisme bestempeld en daarom voor `sociaalfascisten' uitgemaakt. Deze tegenstelling tussen communisten en sociaaldemocraten rond 1930 vergemakkelijkte het aan de macht komen van Hitler en de zijnen in Duitsland aanzienlijk. Het Derde Congres van de Komin­tern in Moskou in 1935 proclameerde weliswaar de koers van het `Volksfront', d.w.z. samenwerking tussen communisten, sociaaldemocraten en `burgerlijke radicalen' (progressieve liberalen) om het fascistische tij te keren, maar het bleek daarvoor al te laat.

Gevaarlijke positie

De uitvoerder van het buitenlandse beleid van de Sovjet-Unie in de jaren dertig was Maxim Litvinov, die minister van buitenlandse zaken was van 1930 tot 1939. De Sovjetleiders hadden lange tijd Frankrijk en Groot-Brittannië als hun belangrijkste vijanden be­schouwd en de Volkenbond als een instrument van het Britse en Franse imperialisme. In 1934 trad de Sovjet-Unie echter tot de Volkenbond toe, waar Litvinov bij herhaling pleitte voor ont­wapening en collectieve veiligheid (een regeling volgens welke een slachtoffer van agressie door de andere staten zou worden bij­gestaan). De toenadering tot de westerse democratieën werd in de hand gewerkt door de Japanse aanval op China in 1931, die op een onverklaarde oorlog neerkwam, en door het aan de macht komen van Hitler, die openlijk zei dat hij het communisme als zijn doods­vijand beschouwde.

De internationale positie van de Sovjet-Unie werd in de loop van de jaren dertig steeds gevaarlijker. In 1936 sloten Duitsland en Japan het zogeheten Anti-Kominternpact, dat specifiek tegen de Sovjet-Unie was gericht; Italië sloot zich daar in 1937 bij aan. In 1936 had Hitler ook het Rijnland geremilitariseerd en in maart 1938 volgde de annexatie van Oostenrijk. Een noemenswaardige reactie van de zijde van Groot-Brittannië en Frankrijk bleef uit, hoewel het telkens weer ging om ernstige inbreuken op het verdrag van Versailles. Hoewel de Sovjetleiders zich pas laat het gevaar van het nationaalsocialisme realiseerden, stonden zij hierin bepaald niet alleen. De toegevende houding van Groot-Brittannië en Frankrijk tegen­over nazi-Duitsland bereikte haar hoogtepunt in München in 1938. Daar stemden Chamberlain en Daladier tegenover Hitler en Musso­lini in met de annexatie door Duitsland van het Sudetenland, het grotendeels door zogenaamde Sudeten-Duitsers bewoonde grens­gebied met Tsjechoslowakije. De reden van deze inschikkelijkheid was niet zozeer de wens om met Hitler-Duitsland samen te spannen tegen de Sovjet-Unie; het ontbrak de westerse democratieën vooral aan de wil de expansiezucht van Hitler-Duitsland eventueel met de wapenen een halt toe te roepen.

Toch is de grote achterdocht van de Sovjet-Unie wel begrijpelijk, vooral omdat de Sovjetregering voor het overleg in Munchen niet was uitgenodigd. Hoewel de Sovjet-Unie zich bereid had verklaard Tsjecho-Slowakije te verdedigen, kon ze in de praktijk slechts toezien hoe Groot-Brittannië en Frankrijk het land aan Hitler uitleverden. Volgens een verdrag uit 1935 tussen de Sovjet-Unie en Tsjecho-Slowakije was eerstgenoemde staat slechts tot bijstand verplicht als ook Frankrijk te hulp zou komen. (Dit land had namelijk ook een bijstandsverdrag met de Tsjechen gesloten.) Gezien het gebeurde in München was duidelijk dat Frankrijk nooit te hulp zou komen. Nadat Tsjecho-Slowakije in maart 1939 als onafhankelijke staat had opgehouden te bestaan en in twee Duitse protectoraten was verdeeld, richtte de agressie van Hitler zich op Polen. Doordat Frank­rijk en Groot-Brittannië uiteindelijk het heilloze van hun politiek van appeasement hadden ingezien en vastbesloten waren een Duitse aanval op Polen niet onbeantwoord te laten, werd de positie van de Sovjet-Unie des te belangrijker. In mei 1939 werd Litvinov als minis­ter van buitenlandse zaken vervangen door Molotov. Litvinov was jood en zijn ontslag kon worden opgevat als een gebaar tegenover Hitler-Duitsland. Molotov was ook minder naar voren getreden als voorstander van een beleid van collectieve veiligheid tegen de Duit­se expansiepolitiek. Vanaf het voorjaar van 1939 onderhandelden Groot-Brittannië en Frankrijk in Moskou met de Sovjetregering over een gezamenlijk front tegen mogelijke agressie van andere mogend­heden, waarbij men uiteraard Duitsland op het oog had. Beide landen hadden echter een vrij onbeduidende missie van lage rang naar Moskou gestuurd. De Sovjetregering van haar kant bleef zeer achterdochtig ten aanzien van de Franse en Britse bedoelingen, speciaal vanwege hetgeen in München was gebeurd. Stalin zocht naar manieren om buiten de dreigende oorlog te blijven. Hij opende ook onderhandelingen met Duitsland en deze verliepen voorspoedig. Eind augustus 1939 werd in Moskou het Duits-Russische niet-aan­valsverdrag getekend, een gebeurtenis die de hele wereld en ook vele communisten diep schokte. Zich gesterkt wetend door dit ver­drag, viel Hitler op 1 september Polen aan, waarmee de Tweede Wereldoorlog een feit was.

Oorlog met Finland

Door het verdrag met Duitsland ging de oorlog voorlopig aan de Sovjet-Unie voorbij. Bij het verdrag was ook een geheim protocol gevoegd over invloedssferen, dat de Sovjet-Unie in staat stelde haar grondgebied in Oost-Europa uit te breiden. Midden september 1939 bezette het Rode Leger het oostelijke deel van Polen. De delen daarvan met een Witrussische en Oekraïnse bevolking werden door de Sovjet-Unie geannexeerd. De aandacht van Stalin richtte zich vervolgens op Finland en de Baltische staten. De Finnen weigerden hun grens verder van Leningrad te verwijderen in ruil voor compen­satie in Karelië. De Russisch-Finse Winteroorlog van november 1939 tot maart 1940 was het gevolg.

Het Rode Leger leed aanvankelijk grote verliezen, maar de Sovjet-Unie legde uiteindelijk Finland haar wil op. In juli 1940 werden Estland, Letland en Litouwen door eenheden van het Rode Leger bezet. Nieuw gekozen parlementen van die landen `stemden vervol­gens in' met hun inlijving bij de Sovjet-Unie als nieuwe republieken.

In de zomer van 1940 stond Roemenië onder sovjetdruk Bessarabië en het noordelijke deel van Boekovina af, die samen de nieuwe sovjetrepubliek Moldavië vormden. Al deze nieuwe gebieden wer­den `gesovjetiseerd': de oude politieke elite werd uitgeschakeld en deportaties op grote schaal vonden plaats.

Hoewel Stalin het niet wist, restte hem nog maar weinig tijd om zijn defensie te versterken. Na de snelle overwinning in het Westen in 1940 had Hitler besloten dat de Sovjet-Unie het volgende slachtoffer zou zijn. Stalin werd in het voorjaar van 1941 meermalen voor de op handen zijnde Duitse aanval gewaarschuwd, onder andere van Brit­se en Amerikaanse zijde. Hij bleef echter Hitler vertrouwen. Tot op het laatste moment reden de goederentreinen uit de Sovjet-Unie westwaarts, die in het kader van het niet-aanvalsverdrag grond­stoffen leverden voor de Duitse oorlogsindustrie.

Oorlog met Duitsland

De aanval kwam in de vroege ochtenduren van 22 juni 1941. Duitse troepen, in totaal meer dan drie miljoen man verdeeld over 150 divisies, vielen zonder oorlogsverklaring vooraf de Sovjet-Unie bin­nen over een breed front, dat liep van de Baltische tot de Zwarte Zee. De aanviel liep in eerste instantie voor het Rode Leger uit op een regelrechte catastrofe. Hele divisies werden tijdens de snelle Duitse opmars vernietigd of omsingeld en honderdduizenden werden door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt. Al in de eerste dagen van de oorlog werd een groot deel van de Sovjetluchtmacht op de grond vernietigd. Vooral door Stalins weigering de Duitse dreiging onder ogen te zien, was de Sovjet-Unie volkomen onvoorbereid op de aanval. Van het begin af werd de strijd aan het zogeheten Oostfront aan beide zijden met ongekende hardheid gevoerd. Aanvankelijk stonden grote delen van de Sovjetbevolking, vooral in de Oekraïne,

klaar om de Duitsers als bevrijders in te halen, zo gehaat was het Sovjetbewind. Maar de moordpartijen die de Duitsers onder de burgerbevolking aanrichtten, zowel onder de joden als onder de niet-joden, genazen de bevolking al vrij snel van elk vleugje pro-Duitse sympathie. In de bezette gebieden van Europees Rusland ontstond een krachtige partisanenbeweging, vanuit Moskou geleid, die vele Duitse troepen aan het achterland bond.

Tijdens de oorlog balanceerde het Sovjetregime geruime tijd op de rand van de afgrond. In december 1941 waren Duitse troepen door­gedrongen tot in de buitenwijken van Moskou. Nadat de Verenigde Staten door de Japanse aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 aan de oorlog waren gaan deelnemen, kwam de Amerikaanse mate­riële steun aan de Sovjet-Unie in het kader van de Leen- en Pacht­wet goed op gang. Stalin vroeg de westelijke geallieerden her­haaldelijk om het openen van een Tweede Front (in West-Europa) om de Duitse druk op het Oostfront te verlichten. Dit Tweede Front kwam echter pas in juni 1944 in Normandië en het uitblijven ervan veroorzaakte aan Russische kant veel wantrouwen. Stalin zal menig­maal gedacht hebben dat de Verenigde Staten en Groot-Brittannië erop uit waren beide partijen aan het Oostfront zich tegen elkaar te laten doodvechten.

De eerste grote Duitse nederlaag kwam eind januari 1943 bij Stalin­grad, toen de restanten van het Duitse Zesde Leger zich na een verbitterde strijd moesten overgeven. Na de overwinning op nazi-Duitsland eiste Stalin een belangrijk deel van de roem op, hoewel de enorme verliezen aan Sovjetzijde zeker in de beginperiode voor een belangrijk deel ook aan hemzèlf waren te wijten. Als totaal aantal slachtoffers onder de Sovjetbevolking wordt in de Sovjet-Unie doorgaans het getal van 20 miljoen doden genoemd.

Oost-Europa als buffer

De afloop van de Tweede Wereldoorlog bepaalde in belangrijke mate het karakter van de nieuwe politieke orde in Oost-Europa. Nog tijdens de oorlog waren de belangrijkste drie geallieerden tij­dens een conferentie in Jalta in februari 1945 het onder meer eens geworden over de verdeling van Duitsland in bezettingszones. Ook werd besloten tot de vestiging van democratische regeringen geba­seerd op vrije verkiezingen in Europa. Stalin kreeg uit de besprekin­gen in Jalta de indruk dat zijn wens dat in Oost-Europa geen vijandig gezinde regeringen zouden komen, werd gerespecteerd. Hij zag Oost-Europa als een soort veiligheidsbuffer voor de Sovjet-Unie. In de praktijk bleek dit echter moeilijk te verenigen met de vestiging van democratische stelsels. In een land als Polen, waarvan de bevolking uitgesproken anti-Russisch was, zouden vrije ver­kiezingen ongetwijfeld tot de vorming van een Stalin vijandig gezin­de regering leiden. De weigering van Stalin zo'n uitkomst te accep­teren, werd ongetwijfeld nog vergroot door de snel slechter worden­de verhouding met de Verenigde Staten, die uitmondde in het begin van de Koude Oorlog.

Stalin liet daarom na de oorlog in Oost-Europa regeringen installe­ren die de Sovjet-Unie welgezind waren en waarin communisten sleutelposities innamen. Het Rode Leger werd bij deze machts­overnames in Oost-Europa als laatste `argument' achter de hand gehouden. Andere politieke partijen dan de communistische werden met behulp van de geheime politie uitgeschakeld of hoogstens voor de vorm gehandhaafd. De regeringsvorm van de Oost-Europese lan­den werd met de misleidende term `volksdemocratie' aangeduid. De landen in Oost-Europa werden door een IJzeren Gordijn — de uit­drukking is afkomstig van Churchill — van de rest van Europa afgesloten en worden nu nog vaak vanwege de dominante positie van de Sovjet-Unie aangeduid als haar `satellietstaten'.

In het Westen bestaat soms de neiging de Sovjetexpansie in Oost-Europa en de scherpe internationale tegenstellingen die er het ge­volg van waren, te zien als het resultaat van een sluw opgezette, wereldwijde communistische samenzwering. Een dergelijke voor­stelling van zaken overschat het vermogen van de Sovjetleiders ge­beurtenissen te voorzien en te plannen. Wat hun naoorlogse planning betrof, waren zij vóór alles vastbesloten Duitsland permanent als grote mogendheid uit te schakelen. Over de rest van hun plan­nen bestond waarschijnlijk ook bij henzelf nog lange tijd onzeker­heid. Eén ding werd na 1945 ook vrij snel duidelijk: de Sovjet-Unie was niet van plan zich bij het Amerikaanse monopolie van de atoombom neer te leggen. In het diepste geheim vond een versnelde ontwikkeling van de eigen atoombom plaats. Al in 1949, vele jaren eerder dan het Westen verwachtte, bracht de Sovjet-Unie haar eer­ste atoombom tot ontploffing.

Verscherping tegenstellingen

Al snel na de oorlog begonnen de beide machtsblokken zich af te tekenen. De Amerikaanse president Truman besloot in 1947 militai­re en economische hulp te gaan verlenen aan landen die door het communisme werden bedreigd. Dit was de Truman-doctrine. In het­zelfde jaar werd het Marshall-plan opgesteld (genoemd naar de Amerikaanse minister Marshall), dat een grootscheeps economisch hulpprogramma inhield voor de wederopbouw van Europa. Omdat de Sovjet-Unie en haar satellietstaten niet aan het Marshallplan wilden deelnemen, versterkte het plan in de praktijk de band tussen de Verenigde Staten en West-Europa.

In 1949 werd de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) opgericht, waarvan naast de Verenigde Staten en Canada de meeste West-Europese staten deel uitmaakten. Het verdrag voorzag in we­derzijdse militaire bijstand in geval van agressie en was over­duidelijk tot stand gekomen uit angst voor de Sovjet-Unie. De Oost-Europese tegenhanger van de NAVO, het Warschaupact, werd formeel pas in 1955 opgericht. In 1949 werden ook de Bonds­republiek Duitsland (BRD) en de Duitse Democratische Republiek (DDR) als aparte staten opgericht, waarmee de deling van Duits­land werd bezegeld.

Het communistische blok ging zich óók hechter organiseren. In 1949 werd als reactie op het Marshallplan de Comecon (Raad voor Wederzijdse Economische Hulp) opgericht. Het Communistisch Informatiebureau (Cominform) verving in 1947 de Komintern, die formeel in 1943 was opgeheven. De Cominform omvatte naast de Oosteuropese communistische partijen die van Frankrijk en Italië. In 1948 werd de onderlinge eenheid echter danig verstoord door de breuk tussen Stalin en Tito, de leider van Joegoslavië. Tito was vastbesloten zijn zelfstandigheid te bewaren en wilde zijn land niet ondergeschikt maken aan Moskou, zoals de andere Oost-Europese staten noodgedwongen wèl deden. Sinds 1948 heeft Joegoslavië in de internationale politiek een eigen koers gevaren, los van Moskou.

Blokkade van Berlijn

De slechte verhoudingen tussen Oost en West uitten zich op tal van punten. Voortdurende verschillen van mening binnen de Verenigde Naties (in 1945 in San Francisco opgericht als opvolger van de Volkenbond) leidden tot talrijke veto's van de Sovjet-Unie in de Veiligheidsraad, het orgaan van de VN waarin de belangrijkste mogendheden zijn vertegenwoordigd. Het wantrouwen in het Wes­ten ten aanzien van Stalins bedoelingen werd verder aangewakkerd door de communistische machtsovername in Tsjecho-Slowakije in fe­bruari 1948. In de zomer van dat jaar bereikte de Koude Oorlog een nieuw hoogtepunt toen de sovjetregering de toevoerwegen over land naar de westerse sectoren van Berlijn blokkeerde. (West-Berlijn ligt binnen het door de Sovjet-Unie bezette deel van Duitsland.) De sovjetplannen om door een blokkade van Berlijn de westerse mogendheden te dwingen West-Berlijn op te geven, faalden: de stad werd tot aan het einde van de blokkade een jaar lang vanuit de lucht bevoorraad. Dit was de bekende Berlijnse luchtbrug. Na de overwinning van de communisten in de Chinese burgeroorlog en de vestiging van de Chinese Volksrepubliek in 1949 werd ook het Verre Oosten steeds meer bij de Koude Oorlog betrokken. In Korea kwam het tot echte vijandelijkheden. In dat land waren net als in Duitsland twee staten ontstaan: die in het zuiden gesteund door de Verenigde Staten, die in het noorden door de Sovjet-Unie. In juni 1950 viel het Noordkoreaanse leger Zuid-Korea binnen. Na enkele jaren van vaak felle gevechten waren de militaire posities ruwweg dezelfde als in het begin van de oorlog. Zuid-Korea had steun gekregen van Amerikaanse troepen en van troepen uit enkele andere landen. Honderdduizenden Chinese soldaten intervenieerden tijdens de oorlog aan Noordkoreaanse zijde. De Sovjet-Unie leverde Noord-Korea en China op grote schaal wapens. Een wapenstilstand werd pas gesloten in de zomer van 1953, na de dood van Stalin.

3 Van de dood van Stalin tot de val van Chroesjtsjov 1953-1964

De binnenlandse ontwikkelingen

Na de dood van Stalin leek het erop dat Georgi Malenkov in de Sovjet-Unie de nummer één zou worden. Het ambt van secretaris-generaal, waarmee Stalin zijn machtspositie had gevestigd, bleef de eerste maanden onbezet. Malenkov trok echter het premierschap aan zich en trad de eerste maanden op als belangrijkste leider. In september 1953 werd Nikita Chroesjtsjov Eerste Secretaris van de Partij. Deze titel kwam in de plaats van die van secretaris-generaal. Officieel heette het nu dat er sprake was van `collectief leiderschap' in plaats van de heerschappij van één man. In feite brandde in de top een strijd om de macht los die zich over enkele jaren zou uitstrekken. Het eerste slachtoffer daarvan was Lavrenti Beria, on­der Stalin de gevreesde chef van de geheime politie. Hij werd in juni 1953 gearresteerd en in december van dat jaar met een aantal medewerkers terechtgesteld. Chroesjtsjov speelde bij deze gebeurte­nissen een belangrijke rol. De val van Beria was er aanleiding toe de macht van de geheime politie — die vanaf 1954 KGB zou heten - sterk te beknotten. Terreurcampagnes op grote schaal, vaak tegen de leiders zelf gericht, behoorden tot het verleden. In 1955 trad Malenkov af als premier; hij zei fouten te hebben gemaakt bij zijn landbouwbeleid en ten onrechte voorrang te hebben gegeven aan de produktie van consumptiegoederen ten koste van de zware industrie. Boelganin werd premier en in zijn plaats als minister van defensie kwam Zjoekov, de beroemdste legerleider uit de oorlog.

Destalinisatie

Chroesjtsjovs macht en invloed werden steeds groter. In februari 1956 verbaasde hij vriend en vijand door op een besloten zitting van het 20ste partijcongres Stalin aan te vallen en af te schilderen als een wrede, irrationele en bloeddorstige tiran, die binnen en buiten de Partij vele onschuldige slachtoffers had gemaakt. Stalin werd door Chroesjtsjov ook aangewezen als de schuldige voor de grote nederlagen van het Rode Leger in het begin van de oorlog. Het `collectieve leiderschap' had volgens Chroesjtsjov na 1953 het land weer op het rechte spoor gezet. Naast Stalin kreeg ook Beria de schuld. Hoewel Chroesjtsjovs rede in de Sovjet-Unie nooit officieel is gepubliceerd, werd de inhoud ervan wel bekend in het Westen. Voor vele communisten binnen en buiten de Sovjet-Unie kwam de aanval op Stalin als een grote schok. Chroesjtsjovs optreden had ook tot gevolg dat de Sovjetoverheid zich het lot ging aantrekken van de miljoenen gevangenen die nog steeds in de Goelag zaten opgesloten. Al in de zomer van 1956 kwamen velen op vrije voeten; vele omgekomen slachtoffers van Stalin werden postuum gerehabili­teerd, dat wil zeggen dat alsnog officieel werd vastgesteld dat zij onschuldig waren veroordeeld. In de jaren na Chroesjtsjovs geheime rede werd de greep van de Partij op cultuur en geestelijk leven wat minder wurgend dan onder Stalin het geval was geweest. Ook werd kritiek op Stalin toegestaan, zij het dat de basisbeginselen van de Sovjetstaat niet ter discussie mochten worden gesteld. Zo'n basisbe­ginsel was bijvoorbeeld het machtsmonopolie van de Partij. Aan de absurde verheerlijking van Stalin kwam voorts weliswaar een einde, maar de bewieroking van Chroesjtsjov kwam ervoor in de plaats.

Spoetnik

In juni 1957 vond Chroesjtsjovs overwinning op de `Anti-Partij­groep' plaats, waardoor een aantal partijleiders, onder andere Ma­lenkov en Molotov, van het politieke toneel verdween. Chroesjtsjov kreeg hierbij beslissende steun van Zjoekov, toen nog minister van defensie, die in oktober 1957 zelf door de Eerste Secretaris aan de kant werd gezet. In datzelfde jaar vond de lancering van de eerste kunstmaan in de geschiedenis plaats, de Spoetnik. Dat kwam voor de buitenwereld volstrekt onverwacht en maakte grote indruk. De Sovjet-Unie bleek wel degelijk tot grote technologische prestaties in staat.

Begin 1958 trad Boelganin af als premier, waarna Chroesjtsjov ook dat ambt op zich nam. Hij stond nu op het toppunt van zijn macht. Daarvan maakte hij gebruik door het stoffelijk overschot van Stalin, dat naast Lenin in het mausoleum was geplaatst, in 1961 daaruit te verwijderen en naar een minder prominente plaats bij de Kremlin-muur over te brengen.

Het ontbreken van massale terreur als politiek instrument gaf som­mige burgers ten tijde van Chroesjtsjovs bewind de moed openlijk blijk te geven van afkeuring van bepaalde aspecten van het over­heidsbeleid. Deze mensen worden dissidenten genoemd; er was geen sprake van dat zij toegang zouden krijgen tot de onder strenge censuur staande officiële media. Zij gaven van hun meningen over van alles blijk in een zeer gevarieerde samizdat, die vooral onder Chroesjtsjovs opvolgers een grote vlucht zou nemen. (Samizdat is zelf geproduceerde en illegaal verspreide literatuur.)

De landbouw

De landbouw in de Sovjet-Unie, die sinds de gedwongen collectivi­satie niet meer goed had gefunctioneerd, bleef ook onder Chroesj­tsjov voor problemen zorgen. Hoezeer dat het geval was, kan wor­den afgeleid uit het feit dat de bruto landbouwproductie tussen 1928 en 1952 slechts met 6% was toegenomen, terwijl de industriële productie in diezelfde periode een grote bloei had doorgemaakt. Om de problemen op te lossen, gaf Chroesjtsjov in 1954 opdracht miljoenen hectaren nieuwe landbouwgrond, onder andere in het Aziatische deel van de Sovjet-Unie, in cultuur te brengen. Het ging uiteindelijk om zo'n 28 miljoen hectaren. Met deze gigantische on­derneming werd enig succes geboekt, maar de hooggespannen ver­wachtingen kwamen niet uit. Door een ondoordachte aanpak ging veel landbouwgrond door erosie verloren.

Meer dan Stalin had Chroesjtsjov oog voor de belangen van de consument. Hij organiseerde bijvoorbeeld campagnes om de produktie van vlees, melk en boter te verhogen. Hij deed dit echter vaak op ondoordachte wijze, die kenmerkend was voor de stijl van zijn beleid. Chroesjtsjov was een uitermate grillige persoonlijkheid en vooral in de laatste jaren van zijn bewind voortdurend bezig met het reorganiseren van het bestuursapparaat. Dergelijke campagnes waren op den duur niet effectief. In de laatste jaren van Chroesj­tsjovs bewind vond een scherpe daling van de industriële productie plaats; hij moest ook overgaan tot de aankoop van Canadees graan om honger in het land te voorkomen. In die tijd was een dergelijke aankoop een ongehoorde stap. Stalin zou de bevolking waarschijn­lijk gewoon hebben laten verhongeren.

Zijn wel zeer persoonlijke manier van regeren, waarbij hij zijn collega's vaak niet eens consulteerde, werd Chroesjtsjov niet in dank afgenomen. In oktober 1964 werd hij uit al zijn functies gezet, waarna hij verder leefde als ambteloos burger. Het is Chroesjtsjovs verdienste geweest dat er een einde kwam aan de onder Stalin gegroeide gewoonte verschillen van mening binnen de sovjettop te beslechten door middel van een nekschot. Van belang is ook dat hij een einde maakte aan Stalins massale terreur. Chroesjtsjovs naam was tijdens zijn bewind vrijwel elke dag in de Sovjetpers te vinden, na oktober 1964 praktisch nooit meer. Bij zijn overlijden in 1971 stond in de partijkrant Pravda een bericht van één zin. Meer kon er blijkbaar niet af. Gezien zijn betekenis voor de politiek van zijn land had hij beslist wel méér verdiend.

De buitenlandse politiek

spotprent chroestjov

Na Stalins dood bleef de Oost-West-tegenstelling de internationale politiek beheersen, al waren er na 1953 vanuit de Sovjet-Unie wat vaker verzoenende geluiden te horen dan vóór die tijd. Ook daar realiseerde men zich de risico's van een eventuele nucleaire confron­tatie met het Westen. Tijdens het 20ste partijcongres in 1956 formu­leerde Chroesjtsjov de leer van de vreedzame coëxistentie. Deze hield in dat de fundamentele tegenstelling tussen kapitalisme en socialisme wel bleef bestaan, maar dat dit conflict niet onvermijde­lijk met militaire middelen diende te worden uitgevochten. De strijd zou zich voornamelijk afspelen op het politieke en economische vlak en beperkte vormen van samenwerking zouden  mogelijk zijn

Chroesjtsjov verwachtte dat de socialistische landen onder leiding van de Sovjet-Unie vooral op economisch gebied hun superioriteit zouden bewijzen. De toekomst zou echter uitwijzen dat hij in dit opzicht veel te optimistische verwachtingen koesterde.

Na 1953 was er sprake van een lichte dooi in de internationale verhoudingen, concreet leverde dat echter niet zo veel op. De top­conferentie van leiders van Oost en West in juli 1955 in Genève werd weliswaar gekenmerkt door een hartelijke sfeer, maar van een blijvende uitwerking van deze `geest van Genève' kan men niet spreken. Desondanks werd aan het einde van Chroesjtsjovs bewind een succes geboekt op het terrein van de wapenbeheersing, namelijk het kernstopverdrag van 1963, dat nucleaire proeven in de atmosfeer verbood. Partijen bij het verdrag zijn de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië; de nucleaire mogendheden Frankrijk en China tekenden niet. Dit verdrag maakte overigens geen einde aan de bewapeningswedloop, die in de jaren veertig tussen Oost en West op gang was gekomen. Werden atoombommen aanvankelijk uitslui­tend vervoerd en afgeworpen door bommenwerpers, in de jaren vijftig begonnen Oost en West naarstig raketten voor dat doel te ontwikkelen. Vandaar dat de lancering van de eerste kunstmaan in 1957, de Spoetnik, ook niet zonder militaire betekenis was en in het Westen zo'n grote indruk maakte.

Hongaarse opstand

russen eruit

De tegenstellingen tussen Oost en West spitsten zich tijdens Chroesjtsjovs bewind een aantal malen zó zeer toe dat er sprake was van een echte crisis. Een belangrijke factor hierbij was dat de volkeren van de kleinere Oost-Europese staten na 1945 niet vrijwillig tot de invloedssfeer van de Sovjet-Unie waren overgegaan, maar daartoe in feite door de aanwezigheid van het Rode Leger waren gedwongen. Door middel van het Warschaupact, de in 1955 opge­richte Oost-Europese militaire alliantie, probeerden de Sovjetleiders de Oost-Europese staten aan zich te binden. Binnen het Warschau­pact en de eerder opgerichte Comecon speelde de Sovjet-Unie een overheersende rol; beide organisaties zouden in de loop der jaren van steeds groter belang worden voor de onderlinge verhoudingen binnen het Oostblok. De bevolking van de kleinere Oost-Europese landen heeft zich nooit echt verzoend met het van buitenaf opgeleg­de communistische stelsel. Periodieke onrust of opstanden waren het gevolg. In juni 1953 moest het Sovjetleger met harde hand ingrijpen om in de DDR een spontane volksopstand neer te slaan. In 1956 was Hongarije aan de beurt. Eind oktober van dat jaar braken ernstige onlusten uit. Leden van de geheime politie werden in Boedapest op straat gelyncht. De regering van de hervormingsge­zinde communist Imre Nagy besloot onder grote druk van de bevol­king uit het Warschaupact te treden en het Sovjetleger te verzoeken het land te verlaten. Het tegendeel gebeurde: nog meer Sovjeteenheden trokken het land binnen. Hoewel het Hongaarse leger de zijde van de opstandelingen koos, belette dit de Sovjettroepen niet de opstand bloedig neer te slaan.

bij afgezaagde stalin

De Berlijnse muur

In de DDR verlieten in de jaren 1949-1961 zo'n kleine drie miljoen mensen (vaak hooggeschoolden) het land om zich in de Bondsrepu­bliek te vestigen. Op een totale bevolking van rond de 17 miljoen was dat erg veel. Om deze leegloop een halt toe te roepen, wilde de DDR-regering de enige open grens afsluiten die er nog met het Westen was, in West-Berlijn. Moskou stemde daarin toe en op een nacht in augustus 1961 werd de grens hermetisch gesloten. Kort daarna werd de beruchte Berlijnse muur gebouwd. Bij al deze crises lieten de westerse mogendheden de sovjetleiders ongehinderd de orde in hun Oosteuropese invloedssfeer herstellen. Gewapende steun aan de opstandelingen zou immers een Derde Wereldoorlog heel dichtbij hebben gebracht. Wat er gebeurde, deed echter de internationale spanningen zeer toenemen en verziekte het politieke klimaat tussen Oost en West.

Een confrontatie van geheel andere aard, die de twee supermogend­heden inderdaad op de rand van een nucleaire oorlog bracht, was de Cubacrisis van 1962. President Kennedy had bij een ontmoeting in Wenen in 1961 op Chroesjtsjov geen erg sterke indruk gemaakt. Dat was waarschijnlijk een factor bij het besluit van deze Sovjetleider om middellangeafstandsraketten te installeren op Cuba, waar Fidel Castro de Sovjet-Unie welgezind was. De Verenigde Staten zouden hierdoor binnen het bereik komen van Russische nucleaire raketten, wat nog niet eerder het geval was geweest. De Amerikaanse rege­ring kwam echter met krachtige tegenmaatregelen en na een aantal spannende dagen in oktober 1962 haalde Chroesjtsjov bakzeil en zegde toe de raketten te zullen verwijderen. De gunstige afloop van de Cubacrisis leidde tot een zekere ontspanning in de betrekkingen tussen de twee grote mogendheden. Om het gevaar van een onbe­doelde gewapende botsing te vermijden en in een crisissituatie over­leg te vergemakkelijken, kwam er een directe verbinding tussen Washington en Moskou, de `hot line'.

Rode schisma

In eerste aanleg leek Chroesjtsjov erin te slagen de eenheid binnen de communistische beweging te herstellen, die door de breuk tussen Stalin en Tito in 1948 teniet was gedaan. Het kwam in 1955 tot een verzoening bij een bezoek van Chroesjtsjov aan Belgrado. De schuld voor de breuk van destijds schoof hij gemakshalve maar af op Stalin en Beria. Tito bleef echter een onafhankelijke koers vol­gen, zoals bleek uit zijn veroordeling van het sovjetoptreden in Hongarije in 1956.

Het conflict tussen de Sovjet-Unie en de Chinese Volksrepubliek, dat in 1960 in de openbaarheid kwam, zou de communistische we­reldbeweging echter veel erger verdelen dan destijds Stalins breuk met Tito. Mao Zedong en de zijnen waren in 1956 al erg ongelukkig geweest met Chroesjtsjovs plotselinge aanval op Stalin. In augustus 1960 werd alle sovjetpersoneel, waaronder economische adviseurs, abrupt uit China teruggetrokken en de relatie tussen de twee landen werd al gauw zeer gespannen. De Chinese leiders eisten aan hun westgrens met de Sovjet-Unie grote gebieden op die in de 19de eeuw door het tsaristische Rusland waren ingelijfd. Heftige ideologische polemieken tussen China en de Sovjet-Unie laaiden op, waarbij de Chinezen meestal een revolutionaire positie innamen. Zij be­schuldigden de Sovjetleiders van `revisionisme' en van pogingen `het kapitalisme in de Sovjet-Unie te herstellen'. De twee partijen stre­den ook met elkaar om het leiderschap van de communistische wereldbeweging, die door dit `Rode Schisma' ernstig werd ver­scheurd.

wapenbroeders

De breuk met Mao Zedong had belangrijke consequenties: vanaf het begin van de jaren zestig was de communistische beweging `polycentrisch' geworden. De tijd dat Moskou het onbetwiste cen­trum was van het wereldcommunisme, was definitief voorbij.