We hebben 375 gasten online

CSE Sovjet-Unie 1917-1953

Gepost in Europa

CSE De Sovjet-Unie 1917-1953

Van Tsaar tot Lenin

europa 1900

legenda europa 1900

Rond 1900 was Rusland op economisch ge­bied ver achter bij de rest Europa: industrie was er nauwelijks, de voornaamste. bron van inkomsten vormde de landbouw. Deze inkomsten waren maar net voldoende  om het hoofd boven water te houden en bij de geringste tegenslag driegde hongersnood.

Het bezit was onevenredig verdeeld. Op een kleine groep van opvallende rijke mensen na was het het Russische volk straatarm.

In het begin van deze eeuw veranderde de Russische maatschappij echter snel. Spoor­wegen legden het onmetelijke land open en bij de steden verrezen grote fabrieken. Het kapitaal dat nodig was voor deze industria­lisatie was afkomstig van de staat en van buitenlandse beleggers, vooral uit Frank­rijk.

Modernisering van de landbouw zorgde voor een overschot aan arbeidskrachten die in de grootindustrie werk konden vinden. Wél waren de omstandigheden waaronder zij moesten werken erbarmelijk slecht en de lonen zeer karig.

Oppositie tegen de tsaar

Op politiek gebied veranderde er weinig. Tsaar Nikolaas II wenste onverminderd vast te houden aan zijn autocratische macht. Niet alleen van buitenaf, maar ook aan het hof werd Nikolaas´ positie echter ondermijnd. De tsaar raakte meer en meer onder invloed van zijn vrouw Alexandra, die op haar beurt was ingepalmd door de louche geestelijke Raspoetin.

In 1905 moest de tsaar na een volksopstand concessies doen en de instelling van een volksvertegenwoordiging of doema dulden. Voorlopig slaagde hij er echter nog in de doema échte macht te onthouden, o.a. door de kieswet zó te wijzigen dat de doema een overwegend conservatieve samenstelling kreeg.

Het tsaristische regime werd in feite alleen nog overeind gehouden door krachtige mi­nisters als Witte en Stolypin, maar toen zij vervangen werden door middelmatiger figuren nam het verzet tegen het bewind in kracht toe.

In deze oppositie kunnen we de volgende groeperingen onderscheiden:

a.  De liberalen. Zij wilden van Rusland een parlementaire democratie maken naar het voorbeeld van bepaalde Westeuropese landen.

b. De sociaal-revolutionairen. Zij vormden de grootste groep en hadden een nogal anar­chistische inslag. Bovendien waren ze be­paald niet afkerig van geweld om hun doel te bereiken. Zij streefden vooral naar de be­vrijding van de boeren, onder wie zij dan ook hun voornaamste aanhang vonden. De sociaal-revolutionairen wilden een socia­listische maatschappij opbouwen en als ba­sis hiervoor wilden ze de bestaande dorps­gemeenschappen (mirs) gebruiken.

c.  De socialisten, uiteenvallend in sociaal-democraten of mensjewiki en revolutionai­re socialisten of bolsjewiki. Zij steunden vooral op de arbeiders in de steden. De leden van de oppositie hadden een onze­ker bestaan. Vervolging door de politie of verbanning naar Siberië was het lot van vele politieke leiders. Een aantal van hen week dan ook uit naar het buitenland.

Omdat het in Rusland verboden was bijeen te komen en omdat vele politieke leiders toch als vluchteling in het buitenland ver­bleven, vergaderden de oppositionele groe­pen vaak in het buitenland.

In 1903 kwam een aantal gevluchte socia­listen in Londen bij elkaar. Daar kwamen hevige politieke tegenstellingen aan het licht. Een minderheid (de mensjewiki) acht­te Rusland nog niet rijp voor een revolutie door het proletariaat. Volgens Marx zou de revolutie immers gemaakt worden door het industrieel proletariaat en Rusland had nog nauwelijks industrie, dus ook nauwelijks een industrieel proletariaat. Daarom von­den de mensjewiki het noodzakelijk dat Rusland zich eerst in kapitalistische richting ontwikkelde. Pas dan zou een revolutie kans van slagen hebben. Zij wilden van de marxistische partij een massale arbei­derspartij maken, die zich van democrati­sche middelen zou bedienen om haar doel te bereiken. De bolsjewiki (de meerderheids­groep), geleid door Wladimir Iljitsj Oelja­now, alias Lenin, waren een andere mening toegedaan. Lenin wilde een partij van beroepsrevolutionairen. Zij moesten als voor­hoede de dictatuur van het proletariaat uit­oefenen ter voorbereiding van de klasseloze maatschappij.

Wachten op een revolutie door de meerder­heid, zoals Marx had bedoeld, duurde Le­nin te lang. En de weg die de mensjewiki wilden gaan zou slechts leiden tot verslap­ping van de arbeidersklasse. De arbeiders en sympathisanten van het marxisme zou­den immers met behulp van kleine voorde­len omgekocht kunnen worden door de machthebbers. Het kleine, directe eigenbelang zou kunnen gaan overheersen en het doel, de vernietiging van het kapitalisme, zou dan onmogelijk worden.

Lenin wilde de partij straf organiseren. De klassenstrijd betekende oorlog en in oor­logstijd zijn discipline en gehoorzaamheid vereist.

Deelname aan de eerste wereldoorlog

Mede om het aanzien van de autocratie te herstellen stortte de regering zich roekeloos in de eerste wereldoorlog. De glorie van een overwinning op Oostenrijk en Duitsland zou immers op de tsaar afstralen. Boven­dien was de oorlog aanvankelijk populair; het ging er immers om de Slavische volken in Oost-Europa van de Oostenrijkse over­heersing te bevrijden.

Al spoedig bleek echter dat het slecht bewa­pende Russische leger niet opgewassen was tegen de Duitsers en de onrust in het land nam verder toe. De ontwortelde proleta­riërs, die zo van het platteland in de uit de grond gestampte oorlogsindustrie werkten, waren een willige prooi voor agitatoren van allerlei slag.

In het leger werden gesneuvelde officieren vervangen door jongeren uit de intelligentia die veelal een afkeer hadden van het tsaristi­sche regime.

De tsaar zelf zat inmiddels aan het front. Alexandra nam in Petrograd (later Lenin­grad) de honneurs voor hem waar, maar dat was bepaald geen succes. De incompetentie van de tsaar en zijn rege­ring werd zelfs de conservatieve doema te gortig en zij eiste meer invloed.

Kortom, midden in een desastreus verlo­pende oorlog had de regering geen enkele steun meer van het volk.

Februarirevolutie

Eind februari 1917 kwam het volk in Petro­grad in beweging. In onze tijdrekening was het al maart, aangezien de Russische kalen­der dertien dagen achterliep bij de onze.

De revolutie was niet gepland, maar ont­stond spontaan. Op 23 februari (8 maart) werd er een grote vrouwendemonstratie ge­houden, waarbij de arbeiders zich aanslo­ten. In de daarop volgende dagen groeide het oproer gestaag. Aangezien de politie door de massa gehaat werd, zocht men steun bij het leger.

Rond Petrograd lag een garnizoen van on­geveer 160 000 man om de stad in toom te houden. Op 25 februari (10 maart) werd op bevel van de tsaar op de menigte gevuurd, waarbij vele doden en gewonden vielen. Hierna achtte de regering zich weer heer en meester, maar zij vergiste zich deerlijk, want het oproer hield aan.

Op 27 februari (12 maart) vielen de soldaten en de demonstranten elkaar in de armen en was de tsaar verloren. Enkele dagen later, op 3 (16) maart trad hij af ten gunste van zijn broer Michael, die meteen voor de eer bedankte. Rusland was vanaf dat moment een republiek. Een voorlopige regering, o.l.v. de sociaal-revolutionair Kerenski, nam de macht over.

alexander kerenski

Kerenski de man in het wit.

Naast de voorlopige regering ontstonden in Rusland raden (sowjets) van boeren, arbei­ders en soldaten. Een sowjet kan men verge­lijken met een vorm van arbeiderszelfbe­stuur. Zij werkten onderling samen zonder dat er van hiërarchie sprake was. De opzet was, dat de afgevaardigden in de raden ge­kozen werden en dat ze afzetbaar waren. Omdat de sowjets de arbeiders en de boeren vertegenwoordigden hadden zij veel macht. Zij droegen geen regeringsverantwoorde­lijkheid en konden daarom gemakkelijk kritiek uitoefenen. Hun populariteit onder het volk groeide steeds verder en door hun veelvuldige kritiek stonden zij van meet af aan eerder tegenover de voorlopige regering dan dat zij naast haar stonden.

De voorlopige regering was ingesteld door de doema, die ook besloot verkiezingen uit te schrijven voor een grondwetgevende ver­gadering of constituante. Die zou de grond­slagen moeten leggen voor het nieuwe, de­mocratische Rusland. Mensjewiki, libera­len en sociaal-revolutionairen speelden een rol in de voorlopige regering.

De voorlopige regering besloot dat het gar­nizoen van Petrograd niet ontwapend mocht worden of mocht worden vervangen. Zij zagen het garnizoen als de beste waar­borg voor het voortbestaan van de revolutie. Om te voorkomen dat het leger tegen de revolutie gebruikt zou kunnen worden vaar­digde de sowjet van Petrograd een eerste de­creet uit, dat er       sowjets in het leger gevormd dienden te worden. Deze soldatenraden moesten beschikken over de wapens en te­vens beslissen in politieke aangelegenheden.

Lenin keert terug

politbureau bolsjewisten 1917

Politbureau 1917

In april 1917 keerde de leider van de bolsje­wiki, Lenin, terug naar Rusland. Lenin was hierbij geholpen door de Duitsers en hij was ervan overtuigd dat de eerste wereldoorlog het kapitalisme dodelijk zou verwonden. Evenals Trotski was hij de mening toege­daan dat de wereldrevolutie, waarover Marx gesproken had, voor de deur stond. De ketting van het kapitalisme moest bij de zwakste schakel doorbroken worden en de­ze schakel was Rusland.

Op het Finland-station in Petrograd hield Lenin een rede. In deze toespraak ontwik­kelde hij een aantal stellingen. In deze zoge­naamde Aprilthesen gaf hij aan hoe de bol­sjewiki de macht moesten grijpen. Op dat moment, april 1917, bevond Rusland zich volgens Lenin in een overgangssituatie van een burgerlijke naar een socialistische fase van de revolutie. De oorlog was een impe­rialistische oorlog, die beëindigd werd als de proletariërs (lees bolsjewiki) de macht in handen hadden.

De thesen waren:

a.  Er moest een regering van sowjets ko­men. Een sowjetrepubliek is een hogere vorm van democratie dan de parlementaire democratie.

b. Afschaffing van politie, leger en bureau­cratie.

c.  Nationalisatie van banken en grond. De sowjets van boeren en landarbeiders moesten het land beheren. Zo mogelijk moesten er collectieve bedrijven gevormd worden.

d. De industrie moest langzaam gesociali­seerd worden.

e.  Controle over produktie en distributie moest aan de (centrale!!) sowjet komen. Deze thesen werden omgezet in de leuzen: Alle macht aan de sowjets!

Land aan de boeren!

Onmiddellijk vrede!

Uit Lenins woorden bleek een onbuigzaam machtsstreven. Het eerste doel van de com­munisten was om de macht in de sowjets te veroveren.

De voorlopige regering schonk nauwelijks aandacht aan de bolsjewiki. Deze commu­nisten vertegenwoordigden maar een kleine groep arbeiders en dan vaak nog de meest arme en onderontwikkelde proletariërs. Het bewuste en ontwikkelde deel van het proletariaat koos voor de mensjewiki. Toch besloot de meerderheidsgroep (mensjewiki en sociaal-revolutionairen) niet de macht te grijpen, omdat zij vonden dat er eerst een burgerlijke revolutie moest komen.

De voorlopige regering machteloos

bukarin

De bolsjewiki vonden voornamelijk aan­hang bij de Russische bevolking door hun roep om vrede. Toch voelden noch de sociaal-revolutionairen, noch de mensjewi­ki ervoor vrede met Duitsland te sluiten. Gezien de militaire situatie zou dat nl. al­leen maar nadelig kunnen zijn. Doorvech­ten aan de kant van de westerse bondgeno­ten leek de enige mogelijkheid om nog zo­veel mogelijk te redden.

Met een laatste krachtsinspanning van de Russische troepen hoopte Kerenski de krijgskansen te keren en zodoende ook zelf steviger in het zadel te komen.

Lenin beoordeelde de situatie anders. Hij zag de vrede slechts als een tijdelijke zaak en was ervan overtuigd dat de revolutie niet tot Rusland beperkt zou blijven. Als de wereld­revolutie kwam, welke waarde zou een met Duitsland gesloten vrede dan nog hebben? Volgens Lenin geen enkele, dus zou het ook geen ramp betekenen als de vredesvoor­waarden voor Rusland in eerste instantie nogal nadelig waren.

Het offensief van Kerenski werd een fiasco. Demonstraties en oproer in Petrograd wa­ren het gevolg. Dit was het juiste moment om de leuzen van de communisten hun werk te laten doen. Aarzelend namen de bolsje­wiki de leiding. Zij moesten wel achter de massa´s gaan staan, hoewel ze nog niet de sowjets achter zich hadden en het leger, m.n. het garnizoen van Petrograd, nog niet hun zijde had gekozen.

De tijd was kennelijk voor de bolsjewiki nog niet rijp. De regering beteugelde nl. de opstand en Lenin moest vluchten naar Fin­land. Bovendien werd Trotski korte tijd gevangen gehouden.

De bolsjewiki bleven echter aanhang win­nen. Zij gaven bij alles wat mis ging de voorlopige regering de schuld en suggereer­den dat, als de sowjets de macht hadden, het veel beter zou gaan.

De voorlopige regering begon de greep op de gebeurtenissen te verliezen. Toen de sol­daten op grote schaal gingen deserteren leek de instorting helemaal nabij. De bureaucra­tie functioneerde vrijwel niet meer, zodat regeringsbesluiten steeds vaker niet uitge­voerd werden, mede doordat er vrijwel geen politie meer was.

De economische toestand was hopeloos. De prijzen rezen de pan uit en fabrieken moesten gesloten worden door gebrek aan grondstoffen. In deze chaotische toestand besloot een dappere, maar met weinig in­zicht begiftigde generaal genaamd Kormi­low, orde op zaken te stellen. Hij rukte met een pantsertrein op naar Petrograd, maar spoorwegarbeiders braken de spoorbaan op. Bovendien bewerkten de sowjets in het leger de soldaten, zodat Kormilow uiteinde­lijk moest vluchten. Deze affaire verenigde alle revolutionairen voor de laatste keer. Omdat de bolsjewiki zich kranig weerden wonnen ze aan respect.

De oktoberrevolutie

Eind oktober zouden de uitslagen van de verkiezingen voor de constituante bekend worden. De bolsjewiki hadden de meerder­heid in de sowjet van Petrograd en ook het garnizoen stond achter Lenin en Trotski. Het centraal comité van de communistische partij besloot met twee stemmen tegen tot een gewapende opstand over te gaan, hoe­wel het Lenin moeite kostte dit te verkopen. Als argument hanteerde hij dat men aan de muiterij in Kiel kon aflezen dat de revolutie in Duitsland nabij was en dat de tijd nu rijp was in Rusland. Die kans was er nu en zou misschien nooit weer komen. Verder be­weerde Lenin in het centraal comité dat er alleen een vrede tussen Duitsland en Rus­land overwogen werd om de revolutie in Rusland neer te slaan, want de voorlopige regering zou van plan zijn Petrograd aan de Duitsers over te laten zodat deze met de bolsjewiki konden afrekenen. Ook stelde i. hij het bij iedere staatsgreep terugkerende argument: `Wij moeten de macht wel grij­pen, want anderen bereiden zelf een staats­greep voor´.

Trotski, voorzitter van de sowjet van Petro­grad, maakte de voorbereidingen voor de op handen zijnde staatsgreep. Op 25 okto­ber (7 november) was het zover. Trotski deelde mee dat de voorlopige regering was afgezet en dat het militaire comité, als or­gaan van de Petrogradse sowjet van arbei­ders en soldaten, de macht had overgeno­men.

Kerenski vluchtte en de stad werd door de Rode brigade bezet. Nog diezelfde dag keurde het tweede sowjetcongres van heel Rusland de staatsgreep goed, mede omdat de bolsjewiki de steun kregen van de linksrevolutionairen.

Het leek overigens wel of de staatsgreep aan de bevolking voorbijging. Op de dag van de machtsovername zaten de theaters vol en de trams reden alsof er niets aan de hand was. Velen hadden het idee dat de bolsjewiki toch niet in staat waren de macht te behou­den, omdat het immers een groep van onge­letterden was. Zij vonden dat Lenin maar even zijn gang moest gaan. Hij zou toch niet in staat zijn om te regeren en dan waren zij tenminste van die groep schreeuwers af. Anderen vestigden hun hoop op de consti­tuante. De uitslag van de verkiezingen was inmiddels bekend geworden en de bolsjewi­ki kregen maar 25% van de stemmen, ter­wijl de andere socialistische partijen samen 62% en de burgerlijke partij 13% in de wacht sleepten. Van de 715 afgevaardigden waren er maar 183 bolsjewiki, dat stelde dus niet al te veel voor.

Het pakte allemaal anders uit. In Moskou vochten de bolsjewiki een week en kregen toen de macht in handen. Overal elders, met uitzondering van Zuid-Rusland, verover­den ze vrijwel moeiteloos de macht.

2. Burgeroorlog en vestiging van de macht van de communisten

Na de oktoberrevolutie lag de amcht formeel bij de opperste sovjet met als belang­rijkste organen:

1.   Het presidiurn. De voorzitter van het presidium is president van de Sowjetunie.

2.   De raad van ministers, aanvankelijk aangeduid als raad van volkscommissaris‑sen.

In feite had de communistische partij het echter voor het zeggen en kon het hoogste orgaan van deze partij (het politburo) een dictatuur uitoefenen. De leden van het po­litburo verenigden hun partijlidmaatschap met sleutelposities in het presidium van de opperste sowjet en de raad van ministers (personele unies).

De organisatie van de communistische partij

Binnen de communistische partij had de lei­ding zeer veel macht. De straffe partijdisci­pline zorgde er namelijk voor dat de partij een gewillig instrument van de leiding was. De organisatie was en is in grote lijnen als volgt:

Het partijcongres is in principe de hoogste instantie in de partij. Hier nemen de afge­vaardigden van de partijafdelingen de beslissingen over de te volgen koers van de partij: de partijlijn. Het partijcongres heeft geen vast vergaderschema en komt op onre­gelmatige tijden bijeen.

Het centraal comité is met de dagelijkse lei­ding van de partij belast. Dit comité wordt door het partijcongres gekozen en heeft zelf ook weer een klein dagelijks bestuur, het politburo.

Leidend beginsel is het democratisch centralisme. Het democratische karakter af te leiden uit het feit dat in de afdeling over de voorstellen gediscussieerd wordt.  Na stemming op het partijcongres ligt besluiten echter vast. Het woord centralisme staat voor het centraal uitvoeren van de partijlijn. De minderheid dient zich aan de meerderheid te onderwerpen en besluit van hogere partijorganen zijn absoluut bindend voor lagere organen. Kritiek is slechts in zeer beperkte mate mogelijk. Bovendien zijn oppositievorming en pogingen anderen voor je standpunt te winnen sinds 1921 vol­ledig onmogelijk doordat het partijcongres toen fractievorming verbood. Van het oor­spronkelijk democratische beginsel is dus niets overgebleven. Alles wordt centraal door het politbureau geregeld met als belang­rijkste functionaris de secretaris-generaal van de communistische partij. Via zijn bureau worden alle benoemingen geregeld.

Deze uitwerking van Marx´ denkbeelden wordt meestal aangeduid met de term: marxisme -leninisme.

Alleenheerschappij voor de bolsjewiki

Aanvankelijk gingen de bolsjewiki voor­zichtig te werk. Om de boeren te vriend te houden zaten in de eerste raad van volks­commissarissen ook enkele linkse sociaal-revolutionairen. En de constituerende ver­gadering werd aan het lijntje gehouden met de mededeling dat het te onveilig was om te vergaderen. Toen Lenin zich voldoende van de macht verzekerd wist stond hij een eerste zittirrg-van de constituante toe en gebruikte die om haar te ontbinden.

Aan daadkracht ontbrak het de bolsjewiki niet. Per decreet verkondigden zij dat het land aan de boeren behoorde en dat als er vrede zou worden gesloten, dit zonder an­nexaties moest gebeuren.

Na een wapenstilstand legden de Russen zich bij de harde eisen van de Duitsers neer en sloten in maart 1918 de vrede van Brest/­Litowsk. Daarbij stond de Sowjetunie Est­land, Letland, Litauen en Polen af en er­kende Finland en de Oekraïne als zelfstan­dige staten. Ook aan Turkije moest gebied worden afgestaan. Het centraal comité was wel verplicht de vernederende vredesvoor­waarden te accepteren want inmiddels de­serteerden de Russische soldaten bij bosjes. In de raad van volkscommissarissen bleven de sociaal-revolutionairen zich echter ver­zetten en stapten uit de regering. Voor hen was de hoop op een eventuele wereldrevolu­tie niet voldoende.

Zo hadden de bolsjewiki het heft nu alleen in handen. Ze verplaatsten de zetel van de regering naar Moskou.

Burgeroorlog

In het nieuwe regeringscentrum wachtte de bolsjewiki een bijna onuitvoerbare taak ge­zien de problemen waarvoor zij stonden:

— Het land verkeerde in staat van ontbin­ding. De vele nationaliteiten in Rusland zagen hun kans schoon en probeerden autonomie te verwerven.

— De werkloosheid was enorm.

— In de steden heerste hongersnood. Een groot deel van de stadsbevolking zocht een toevlucht bij familie op het platteland. — De boeren eigenden zich de landerijen van de grootgrondbezitters toe; tal van adellijke landhuizen gingen in vlammen op. Bovendien kwam het gewapende verzet te­gen de bolsjewiki op gang. Tsaristische ge­neraals formeerden opstandige legers. Deze generaals waren felle tegenstanders van het Rode leger van Trotski en werden de Witten genoemd. Zij slaagden er echter nauwelijks in steun te krijgen van mensjewiki en sociaalrevolutionairen. De laatsten streden nl. mee in het Rode leger of in een eigen anarchistische legergroep, terwijl ook een deel van de mensjewiki zich bij het Rode leger voegde. De meeste mensjewiki onttrok­ken zich echter zoveel mogelijk aan deze burgeroorlog. Trouwens, de algemene oor­logsmoeheid en de verbijstering over de el­lende in Rusland maakte dat de meeste Rus­sen een afwachtende houding innamen.

De boeren wisten niet wiens zijde zij moesten kiezen. De bolsjewiki vertrouwden zij niet, maar het bleek al spoedig dat zij ook van de Witten weinig te verwachten hadden. De Witten en de Roden voerden onderling een meedogenloze strijd en beide oefenden zware terreur uit.

De burgeroorlog verliep zeer onoverzichte­lijk en de desertie was groot. Aan de ene kant stonden de bolsjewiki, die het grote voordeel hadden dat zij overtuigd waren van hun ideologisch gelijk. Bovendien be­seften zij dat zij van niemand steun of me­dedogen konden verwachten dus was het voor hen letterlijk sterven of winnen. Hun tegenstanders, de Witten, waren in aantal in de meerderheid, maar het ontbrak hun aan coördinatie. Wél kregen zij veel steun van buitenaf, wat resulteerde in het binnenval­len van het toch al zo geteisterde Rusland door de geallieerden (Frankrijk, Engeland en Japan). De geallieerden waren woedend over de vrede van Brest-Litowsk, maar de annulering van de Russische staatsschulden door Lenin was de druppel die de emmer deed overlopen. Er waren nl. veel West­europese beleggers, vooral Fransen, die hun geld in Russische staatsobligaties hadden gestoken en nu in één klap hun geld kwijt waren.

Uiteindelijk wonnen de bolsjewiki de bur­geroorlog. Dankzij Trotski konden de Ro­den een gedisciplineerd leger inzetten, dit in tegenstelling tot de gebrekkige coördinatie bij de Witten. Bovendien hadden de bolsje­wiki het voordeel dat ze vanuit het centrum konden vechten.

In Trotski´s organisatieopzet was geen plaats meer voor sowjets. De officieren werden weer gewoon benoemd en naast de militaire vakman werd een politieke com­missaris aangesteld die de uiteindelijke beslissingen nam.

Kunst in dienst van de revolutie

`Wij staan op de drempel van één van de meest grootse tijdperken die de mensheid tot dusver beleefd heeft, het tijdperk van het `Grote Geestelijke´ schreven de Duitser Franz Marc en de Rus Wassily Kandinsky in 1911.

Vele Russische kunstenaars meenden dat met de Oktoberrevolutie van 1917 de eerste stap gezet werd over de drempel om in dat nieuwe, grootse tijdperk te belanden. Deze avant-garde stelde zich in dienst van de re­volutie, in dienst van de hoop op een nieu­we, leefbare toekomst. Agitprop (agitatie en propaganda) zou hen leiden en de kunstenaars probeerden dan ook op allerlei manieren de revolutie te dienen. De één ont­wierp een nieuw leerboek om mee te helpen het analfabetisme te bestrijden, de ander ontwierp affiches. Weer anderen voerden op open wagens toneelstukken in de open lucht op en agitproptreinen reden prachtig versierd door het land. Eisenstein maakte propagandafilms en zo schiep ieder een kunst vol verwachting van het nieuwe dat stond te ontluiken.

Een van de wonderlijkste kunstwerken was het ontwerp van Tatlin. Hij maakte een ma­quette voor een gebouw om de Derde Internationale in te huisvesten. In dit ontwerp leefde Tatlin zijn geloof in de technologie geheel uit, zoals de futuristen dat eerder in West-Europa hadden gedaan. Hij ontwierp een toren die nog 90 meter hoger was dan de Eiffeltoren. In deze toren moesten drie ruimtes komen: onderaan de vergaderzaal van de Derde Internationale, deze zaal moest in één jaar tijd om zijn as draaien; het middelste gedeelte, dat voor de regering bestemd was, zou eens in de maand om zijn as draaien en het bovenste deel, een infor­matiecentrum, moest in 24 uur ronddraai­en. De toren is echter nooit gebouwd: er was in Rusland niet voldoende staal.-

Oorlogscommunisme

De burgeroorlog eiste een krachtig optreden van de bolsjewistische leiding. Overleven was op dit moment belangrijker dan de idealen van radendemocratie of partijde­mocratie.

Het land kwam in de greep van een almach­tige communistische partij. De staat, in fei­te de partij, bepaalde de produktie, verdeelde de produkten en beschikte over de ar­beidskrachten.

Eind 1920, begin 1921 leek de sowjetecono­mie in te storten. De boeren weigerden lan­ger hun oogst af te staan en zaaiden slechts voldoende voor plaatselijk gebruik. Het ge­volg was een dramatische teruggang van de agrarische produktie en hongersnood in de steden. Ook de industriële produktie stokte. Dit was enerzijds te wijten aan gebrek aan grondstoffen, anderzijds leek ook de geal­lieerde blokkade van Rusland succes op te leveren.

Kronstadt

Ook politiek ging het de bolsjewiki aan het eind van de burgeroorlog niet voor de wind. Mensjewiki en sociaalrevolutionairen wonnen steeds meer aanhang onder de be­volking. Door een hevige terreur uit te oefe­nen trachtte de geheime politie, tsjeka ge­naamd, het tij te keren.

In februari 1921 kwamen in Kronstadt, een voorstad van Petrograd, de matrozen en ar­beiders die eerst de bolsjewiki aan de macht hadden geholpen, in opstand. Zij wilden herstel van de macht van de sowjets en eisten:

— Nieuwe vrije verkiezingen voor de sowjets.

— Vrije propaganda voor alle arbeiders en boeren.

— Herstel van de grondrechten voor arbei­ders en boeren.

— Bevrijding van alle politieke gevange­nen.

De bolsjewiki begrepen dat hun machtspo­sitie op het spel stond en kenden slechts één antwoord: onderdrukking. Zo smoorden zij de laatste schreeuw om vrijheid van de Russische arbeiders in een waar bloedbad. Brutaalweg werd op die manier de macht van het partijapparaat gevestigd en de ar­beider zelf werd voortaan als onbetrouw­baar afgeschreven. Hiermee was de partij losgeslagen van zijn sociale basis en alleen het dogma, dat de partij de voorhoede vormde van het proletariaat, bleef in stand. Alleen de elite van de partij wist wat goed was voor de mensen en had de absolute waarheid in pacht. Allen die het anders za­gen vertraagden de vooruitgang en waren schuldig aan alle tegenspoed. Ieder die af­week van de mening van de partij-elite werd gezien als de vertegenwoordiger van het kwaad. Op deze manier groeide de terreur uit tot een rechtvaardiging in zichzelf en op het partijcongres van 1921 zette men iedere partijdemocratie overboord: groepsvorming binnen de partij werd verboden en ar­beiderszelfbestuur in de fabrieken werd on­marxistisch verklaard.

De partij ontpopte zich als een gecentrali­seerde bureaucratie en de bolsjewiki waren een gehate minderheid in eigen land gewor­den.

De Nieuwe Economische Politiek

De benarde positie waarin de bolsjewiki verkeerden noodzaakte Lenin het roer om te gooien. In elk geval moest de partij er­voor zorgen dat ze de boeren op haar hand kreeg. Zo besloot het tiende partijcongres in 1921 om een Nieuwe Economische Poli­tiek, de NEP, door te voeren waardoor de boeren weer meer armslag kregen. De ver­plichte levering van landbouwprodukten aan de staat werd stopgezet en de boeren mochten hun graan en andere produkten weer vrij verhandelen. Ook mochten zij op beperkte schaal weer landarbeiders in dienst nemen en werd het hun mogelijk gemaakt een deel van hun grond te verpachten.

De lichte industrie kwam terug in particulie­re handen, maar zware industrie, het trans­portwezen en de banken bleven in handen van de staat, evenals de buitenlandse han­del.

De NEP werd aangekondigd als een tijdelij­ke terugtocht van het communisme om de economie te herstellen. De rode terreur ver­minderde en de censuur werd veel soepeler toegepast. Daarnaast begon de regering met een ambitieus scholingsprogramma ter be­strijding van het ontstellend hoge percenta­ge analfabeten.

De NEP was succesvol en de economie bloeide weer op. Zo kon Rusland zich weer herstellen van de oorlog, de burgeroorlog en de hongersnood van 1921/1922.

Met Lenin ging het minder goed. De span­ningen hadden veel van zijn krachten ge­vergd en in 1922 kreeg hij een beroerte, waarbij hij zijn spraakvermogen verloor en gedeeltelijk verlamd raakte. Even leek het of hij er weer bovenop zou komen, maar hij stortte opnieuw in. De grote revolutionaire leider van Rusland overleed op 21 januari 1924. Hij zou het beloofde land - de klasse­loze samenleving - niet betreden, maar dat­zelfde lot is tot op de dag van vandaag alle communisten beschoren.

3. Stalin aan de macht

sovjet unie vlag

In een staat met een partij en een strenge censuur spelen alle conflicten zich af binnen de partij. Na de dood van Lenen in ontbrandde er binnen de communistische partij een hevige strijd over de vraag hoe men het beste van de socialistische fase in de communistische fase terecht kon komen en zodoende de klasseloze maatschappij kon verwezenlijken.

De tegenstellingen spitsten zich toe op drie vragen:

- Hoe moet Rusland Geïndustrialiseerd worden?

- Moet de grond worden genationaliseerd?

- Moet het socialisme zich in Rusland ont­wikkelen los van of in samenhang met de wereldrevolutie?

Machtsstrijd

stalinisme

Al tijdens de ziekte van Lenin was de machtsstrijd in de partij losgebarsten, wat Lenin aan het eind van zijn leven doorzag. Hoewel de strijd in eerste instantie ging tus­sen Zinoviev samen met Kamenev tegen Trotski, waarschuwde Lenin voor de ogen­schijnlijke buitenstaander Stalin. In een tweetal brieven aan het partijcongres (die overigens door Stalin werden onderschept) schreef hij: `Kameraad Stalin heeft (...) een enorme macht in zijn handen geconcen­treerd, en ik ben er niet gerust op dat hij de­ze macht altijd zorgvuldig gebruikt.´ Tegen Trotski had Lenin ook bezwaren, maar uiteindelijk wilde hij het partijcongres toch adviseren ´om Stalin van die post te verwij­deren en op zijn plaats iemand te benoemen die zich in alle opzichten van Stalin gunstig onderscheidt  - namelijk geduldiger, loyaler, bleefder en met meer respect jegens kameraden.´

De conflicten tussen de verschillende personen in de strijd liep parallel met de verschillende inzichten over hoe het nu verder moest met de revolutie.

Het overgrote deel van de Russische bevol­king werkte nog in de landbouw. Tijdens de revolutie was de grond bijna overal in han­den gekomen van de dorpsgemeenschap of mir die voor de verdeling ervan zorgde. Daardoor kregen zelfstandige boeren wei­nig kansen en werd het ontstaan van grote bedrijven die op moderne wijze het land konden bewerken belemmerd. Dat gaf op twee punten problemen. In de eerste plaats klopte het niet met de marxistische visie van modern uitgeruste grootbedrijven en in de tweede plaats was industrialisatie pas moge­lijk als de landbouw voldoende voedsel pro­duceerde met minder mensen. De winst in de landbouw moest groeien, want met be­hulp van dat kapitaal kon de industrie gefi­nancierd worden. Voor de bolsjewiki was de boer een kapitalist en het privé-bezit op het platteland een broedplaats van klein­burgerlijk kapitalisme. De NEP van 1921 had echter het privaatbezit op het platte­land bevorderd en het staatsmonopolie doorbroken. De beste boeren wisten hun land uit te breiden, hun bedrijf te moderniseren en hun winst te vergroten. De vraag was nu: `Moeten wij de grond nationalise­ren en de boeren uitbuiten ten gunste van de industriële ontwikkeling of moeten wij de kleine boeren verenigen in coöperaties die zo succesvol werken, dat langzaam maar ze­ker ook de anderen zich daarbij aanslui­ten?´

Trotski was voor nationalisatie van de grond, terwijl Boecharin hoopte dat de voortzetting van de NEP een welvarende boerenstand in het leven zou roepen. De in­dustrialisatie moest dan door belastinghef­fing gefinancierd worden.

Trotski verzette zich ook tegen de bureau­cratisering van de partij en wilde de partij­democratie terug. Verder was Trotski ervan overtuigd dat het marxistische experiment slechts kon slagen als er een wereldrevolutie kwam, want Rusland was een primitief land dat in geen enkel opzicht paste in de marxistische theorie.

Stalin huldigde de opvatting dat eerst het socialisme in eigen land moest worden ge­realiseerd. Immers, het stond er met de we­reldrevolutie niet zo best voor: de revoluties in Duitsland en Hongarije waren op niets uitgelopen.

De tactiek van Stalin in de machtsstrijd tus­sen Trotski en Zinoviev was zich niet bloot te geven. Hij zocht steeds weer het juiste midden en trad matigend op. Hij had zich onder Lenin een sterke positie in de partij verworven en in april 1922 was hij secretaris-generaal geworden. Deze nieuwe functie gaf hem de mogelijkheid alle benoe­mingen in de partij te controleren. Tussen 1922 en 1924 vergaf hij niet minder dan 16.000 functies, wat mogelijk was omdat na de overwinning van de bolsjewiki de nieuwe leden, de carrièremakers en de baantjesja­gers toestroomden.

De op geld, macht en roem belusten begre­pen dat zij alleen met hulp van Stalin hun doel zouden kunnen bereiken. Bovendien moesten zij, om hun positie te behouden, ook niet té zeer tegen de haren van Stalin in­strijken, die ook nog hoofd van de geheime politie was.

russisch congres 1917

Hoewel Stalin zich niet bloot wenste te ge­ven koos hij toch in eerste instantie partij voor Zinoviev, want hij zag in Trotski zijn grootste vijand.

Trotski vond Stalin een geborneerde man en evenals Zinoviev onderschatte hij hem. Dit bood Stalin de mogelijkheid de een te­gen de ander uit te spelen. Te laat beseften Trotski en Zinoviev hoeveel macht Stalin had en waar hij mee bezig was. Gezamenlijk keerden zij zich tegen hem, maar Stalin had inmiddels de zijde van Boecharin met zijn gematigde ideeën over de economische poli­tiek gekozen. Mede door dit bondgenoot­schap slaagde Stalin erin Trotski en Zino­viev uit het politburo te zetten. Tenslotte werd Trotski het land uitgezet en in 1940 in Mexico vermoord. Ook Boecharin werd uit­geschakeld.

Vijfjarenplannen

spotprent stalin

Na de uitschakeling van Trotski en de ande­re rivalen kreeg Stalin de macht om zijn ei­gen ideeën door te zetten.

Nog steeds was de U.S.S.R. een eenzaam land in de wereld. Doordat het land door de kapitalistische landen gehaat werd, was Rusland volledig op zichzelf aangewezen. Lenin had dit al beseft, maar ook Stalin was zich hier volledig van bewust. Het houvast, de ideologie van de wereldrevolutie, was geen rots om een nieuw bestel op te bouwen maar bleek drijfzand. Lenin had deze revo­lutie nog verwacht, maar in 1928 was het duidelijk dat dit er voorlopig niet inzat. Sta­lin begreep dat hij met een kleine, in binnen-en buitenland gehate minderheid zou verlie­zen, want niemand zou de bolsjewieken hel­pen, velen zouden hun ondergang alleen maar toejuichen.

De Sowjetunie moest, om te blijven be­staan, zo snel mogelijk geïndustrialiseerd worden. Nog steeds lag het probleem op het gebied van de landbouw. Niet alleen moest vanuit de landbouw het geld komen voor de industrie, maar ook moest er óf worden af­gerekend met de macht van de boeren óf er moest een blijvend compromis gesloten worden.

Ondertussen wilden de grotere boeren, meestal aangeduid met de naam koelakken, hogere prijzen voor hun graanprodukten en om dit af te dwingen hielden zij graan ach­ter. Eind 1927 ging de regering over tot re­kwisities, maar de boeren wensten zich niet te laten koeioneren en zaaiden gewoon min­der in. Boecharin wilde toenadering zoeken tot de boeren, maar Stalin besloot in 1929 door versnelde collectivisatie het monopolie van de koelakken te breken.

Hij presenteerde op het 16e partijcongres een dik boekwerk, dat een einde maakte aan de NEP. Eigenlijk lagen zijn plannen meer in de lijn van Trotski dan in de lijn van de gematigden, maar met Trotski en zijn aan­hang had Stalin al afgerekend en hij deed dit nu met de gematigden.

Een nieuwe economische koers werd voor de eerstvolgende vijf jaar uitgezet. Dit vijf­jarenplan had twee doelstellingen:

1. Het land in snel tempo industrialiseren.

2. Collectivisatie van de landbouw.

Stalin zette al zijn macht in om deze doelstellingen te bereiken en stelde in no­vember 1929: `Wij gaan met volle vaart langs de weg van de industrialisatie naar het socialisme, onze oudvaderlandse achterlijk­heid achter ons latend. Wij worden een land van metaal, een land van auto´s, een land van tractoren. En wanneer wij de U.S.S.R. in een auto zetten en de moezjik op een trac­tor, laten de geachte heren kapitalisten, die zo trots zijn op hun civilisatie, dan maar eens proberen ons in te halen. Dan zullen we wel eens zien welke landen achterlijk en wel­ke landen progressief zijn´. 

Collectivisatie

In de loop van 1929 verliep de collectivisatie verre van voorspoedig. Midden 1929 was ongeveer 4% van de boeren toegetreden tot een collectief bedrijf, dus op deze manier zou het niet lukken om de geplande 2310 vooruitgang aan het eind van het eerste vijf­jarenplan te halen.

Daarom bevorderde Stalin de collectivisatie met geweld. De staat keerde zich tegen de koelakken, een klasse die volgens Stalin `moest worden uitgeroeid´. Maar niet alleen de koelakken, ook alle andere lagen van de boerenbevolking verzetten zich tegen de collectivisatie. De leden van de O.G.P.U., de gehate opvolger van de tsjeka, en andere fanatieke communisten maakten korte met­ten met elke tegenstand. Zij oefenden een waar schrikbewind uit. Zeker vijf miljoen mensen werden gedeporteerd naar concen­tratiekampen die over het hele land ver­spreid lagen (door Solzjenitsyn de Goelag Archipel genoemd).

De gevolgen van dit alles waren desastreus. Boeren die aan zagen komen dat hun be­drijf afgepakt zou worden, slachtten het pluimvee, de varkens en het grotere vee, met als gevolg dat de veestapel in Rusland gehalveerd werd. In 1939 lag de totale landbouwproductie nog onder het niveau van 1928. Wél werden 24 miljoen kleine bedrij­ven samengevoegd tot 240 000 kolchozen. Het was echter onmogelijk op deze schaal en met deze snelheid de collectivisatie door te voeren en ook nog een bevredigende productie te bereiken. De industrie was niet in staat om voldoende tractoren te leveren, kunstmest ontbrak en grote collectieve boerderijen moesten uit de grond gestampt worden. Bovendien deden de boeren alles wat in hun vermogen lag om de zaak tegen te werken of ze trokken naar de stad.

De nieuwe bedrijven - kolchozen (soort cooperaties waar de boer nog een klein stukje grond behield) en sowchozen (staats­bedrijven) - konden niet aan de vraag naar voedsel voldoen, m.a.w. de regering, die de economie onder haar beheer had genomen, kon haar verplichtingen niet nakomen. Im­mers, de staat was verantwoordelijk gewor­den voor de materiële omstandigheden van haar onderdanen. Er volgde hevige hon­gersnood.

De boeren kregen de schuld van de hongers­nood en de terreur tegen hen draaide in 1932/33 dan ook op volle kracht. In eerste instantie werd met de koelakken afgere­kend. Velen werden naar Siberië verban­nen, in sommige streken zelfs 20% van de boeren. Meestal trof dit lot juist de beste en meest bekwame boeren.

Industrialisatie - revolutie van bovenaf

stalin als grote leider

De noodzaak om de Sowjetunie in snel tem­po te industrialiseren beargumenteerde Sta­lin met de volgende woorden: `Wij liggen vijftig of honderd jaar achter bij de ontwik­kelde landen. Wij moeten deze achterstand in tien jaar goedmaken, óf dit gelukt óf ze zullen ons vernietigen.´

Stalins haast was zo groot, dat in 1929 zelfs gesteld werd dat het vijfjarenplan in vier jaar voltooid moest worden. De cijfers waarnaar werd gestreefd, waren niet mis en zeer optimistisch gesteld.

Duizenden ambtenaren togen aan het werk in dienst van verschillende ministeries en ontwikkelden deelplannen. Ook zagen zij toe op de uitvoering van die plannen. De coördinatie was in handen van de Staats Planning Commissie (Gosplan), maar des­ondanks werkten de ministeries langs elkaar heen.

Omdat de productiemiddelen waren gena­tionaliseerd was het mogelijk de economie van bovenaf te besturen en daarom konden ambtenaren voorspellen wat een industrie in een bepaalde tijd kon produceren. Zij re­kenden bijvoorbeeld uit wat het voor de houtindustrie betekende als er meer kran­tenpapier nodig was.

Deze planeconomie had een geweldige bu­reaucratie tot gevolg. Moskou bepaalde tot in details wat er gebeurde: waar de fabrie­ken werden gebouwd, hoe en welke hoe­veelheden grondstoffen werden aange­voerd. De arbeiders en hun chefs werkten onder voortdurende druk om te voldoen aan de produktiecijfers. Zij werden met de meest afschuwelijke kapitalistische metho­den opgezweept en als dat niet hielp met concentratiekampen bedreigd. Iedere dag en iedere week werd de arbeider die de hoogste produktie haalde, geprezen, maar zijn uitzonderlijke prestatie werd voor de anderen als norm gepresenteerd en wee de­gene die eronder bleef. Als grote voorbeeld gold de mijnwerker Stachanow die zijn pro­duktienorm 14x wist te overtreffen. Loon­verschillen moesten de arbeiders extra moti­veren.

De leiding van de fabrieken stond onder even grote druk. De directie kon rekenen op een verblijf in het concentratiekamp, als zij onder de streefcijfers bleef. Dus werden ve­le cijfers en statistieken vervalst om het vege lijf te redden.

Hoewel de produktiviteit inderdaad steeg, daalden de reële lonen. Pas in 1940 verdien­de een arbeider weer evenveel als in 1928. De resultaten aan het eind van het tweede vijfjarenplan (1937) waren indrukwekkend: elektriciteitsproduktie 7x verhoogd, oliewinning 3x, steenkolenwinning  4x, staalproduktie     4x

Deze prestaties lagen duidelijk op het ge­bied van de zware industrie, waaraan voor­rang was gegeven boven de productie van consumptiegoederen. De Sovjetburger moest de buikriem maar aantrekken ten be­hoeve van de industrialisatie. Voor de be­volking restte een lage levensstandaard en absolute gehoorzaamheid. Van het beoogde socialisme was op deze manier weinig te merken. Op zijn best kon je spreken van een door de staat geleid kapitalisme dat op een negentiende-eeuwse manier in praktijk werd gebracht.

Persoonsverheerlijking

Kritiek op het beleid in de Sowjetunie was onmogelijk en werd beschouwd als een aan­val op de partij, ja, op Stalin zelf. In krantenartikelen werd Stalin aangeduid als `de grote deskundige op alle terreinen van de wetenschap´ of als `onze Grote Leider´. Hoewel Stalin op foto´s bewust overkwam als een eenvoudige man, poserend met men­sen uit het gewone volk, bevorderde hij de verheerlijking van zijn naam en streelden al deze aanduidingen zijn ijdelheid.

Deze persoonsverheerlijking was al begon­nen met de dood van Lenin. Diens begrafe­nis was een prachtige ceremonie: Lenins li­chaam werd gebalsemd en permanent te kijk gezet in een majestueus marmeren mausoleum op het Rode plein in Moskou. Bovendien kreeg de stad Petrograd de naam Leningrad. Dit alles druiste echter volstrekt in tegen de oprechte eenvoud van Lenin.

Stalin buitte Lenins populariteit en gezag uit door zich te manifesteren als Lenins op­volger en hij bracht zijn politieke ideeën naar voren als in overeenstemming met het `leninisme´. In 1925 kwamen er al plaatsna­men waaraan Stalins naam was verbonden: Stalino, Stalinabad en Stalingrad. Borst- en standbeelden verschenen van hem in even groten getale als van Lenin.

De gecensureerde pers was een feilloos pro­pagandamiddel voor alles wat Stalin be­kend wilde maken. De partijfunctionaris­sen begrepen al gauw dat zij, door alle eer aan Stalin te geven, betere kansen hadden om hogerop te komen en zo begon de grote vleierij die Stalin een onaantastbare machtspositie gaf.

Oppositie onschadelijk gemaakt

Stalin als verlosser

Stalin beperkte zijn terreur zeker niet tot de koelakken alleen. Vroegere sociaal-revolu­tionairen, mensjewiki en andere opposan­ten tegen het strenge regime werden be­schuldigd van verraad tegen het vaderland. De beschuldigingen gingen ook nog ge­paard met zuivering binnen de partij. Wél kwamen er openbare rechtszittingen om voor de buitenwereld de veroordelingen te rechtvaardigen en er een wettige schijn aan te geven. Het waren inderdaad schijnprocessen, waarin antistalinisten werden beti­teld als trotskisten en spionnen van de Duit­se en Japanse geheime diensten. Vaak be­schuldigden de verdachten zichzelf, maar hoe oprecht waren hun bekentenissen? Waarom bekenden zij als een veroordeling tot de dood er toch inzat? Waren zij soms gehersenspoeld? Stuitend waren de onder­vragingsmethoden van de openbare aankla­ger Vishinsky. In zijn eisen was hij bijna voorspelbaar: `Knal de dolle honden neer´. Op het 17e partijcongres in 1934 waagden tegenstanders van Stalin het om kritiek te laten horen. Zij schreven de ellende in het land toe aan het falen van de eerste partijse­cretaris. Een groep van deze mensen vroeg Kirov, een vooraanstaand partijlid uit Le­ningrad en lid van het politburo, of hij be­reid was Stalin op te volgen. Kirov weiger­de, maar Stalin kreeg er lucht van. Zo dreig­de in 1934 een botsing tussen Stalin en de belangrijkste partijkaders. Kort na het con­gres, op 1 december 1934, werd Kirov ver­moord.

De ´grote zuivering´

Stalin zette de moord in scène om tegen de partij zelf te kunnen optreden. Op 5 decem­ber, de dag van de begrafenis van Kirov, waren er al 68 mensen veroordeeld en dood­geschoten in verband met de moord. Mee­dogenloos liet Stalin, met hulp van de gehei­me dienst (nu N.K.V.D. geheten), afreke­nen met de zgn. trotskisten en andere onva­derlandse elementen. En het bloed bleef vloeien. Zo vonden er schijnprocessen plaats van de `Zestien´ (1936), de ´Zeven­tien´ (1937) en de `Eenentwintig´ waarbij bekende partijleden als Boecharin, Zino­viev, Kamenev en Rijkov met vele anderen de dood vonden. Naar schatting werden tientallen miljoenen Sowjetburgers uit alle lagen van de bevolking opgesloten in gevangenissen en strafkampen. Tussen de 16 en 30 miljoen mensen vonden de dood. Al met al betekende de tragedie van de jaren dertig dat vrijwel allen die zich tijdens de re­volutie hadden ingezet voor een betere sa­menleving, werden vermoord. Van de 139 leden van het in 1934 gekozen centraal co­mité van de partij waren er in de herfst van 1937 nog maar 15 over. De zuiveringen gin­gen ook aan het Rode leger niet voorbij om­dat Stalin ook uit die hoek elke aanval op zijn macht bij voorbaat al wilde breken. Van het hoge kader werd meer dan de helft vermoord en zo van zijn kundigste officie­ren ontdaan. Drie van de vijf maarschalken en veertien van de zestien legeraanvoerders werden gedood. Bij degenen die aan de do­dendans wisten te ontsnappen zat de schrik er nu goed in en dat was ook Stalins bedoe­ling. Van de oppositie had hij voorlopig niets meer te vrezen waardoor zijn macht nu absoluut was. De `dictatuur van het prole­tariaat´was in Stalin gepersonifieerd. In alle lagen van de sowjetmaatschappij werd Stalins invloed gevoeld. Overal volgde men zijn bevelen op: in de regering, de par­tij en de geheime politie. Partijcongressen werden na de grote zuivering bijna niet meer gehouden. Tussen 1935 en 1953 waren er twee. Stalin bepaalde zijn beleid aan de hand van adviezen die naar voren gebracht werden door individuen of groepen die hij uitnodigde.

Dit systeem van machtsuitoefening noemen we stalinisme. Dat woord doelt niet alleen op de Russische situatie, maar geldt ook voor andere communistische landen waar men ditzelfde systeem hanteert. Het heeft de volgende kenmerken:

— Het uitdrukkelijk denken in termen van (vooral militaire) macht.

— De persoonlijke dictatuur en het centra­lisme.

— Geen ideologie, maar een rechtvaardi­ging van de praktische politiek.

Cultuurpolitiek

Stalins Poster

Ook de kunstenaars en wetenschapsmensen moesten zich uiteindelijk onderwerpen aan Stalins doelstellingen. Stalin wenste geen kunst die een eigen individualistische we­reldbeschouwing tot uitdrukking bracht. De kunst moest de eigendunk van.de dicta­tor bevestigen en uitdragen. Monumentale kunst moest het zijn die uitdrukking gaf aan de centralisatie van de macht, en door hun enorme grootte moesten de bouwwerken het individu als het ware verpletteren.

In 1934 kwam er voorgoed een eind aan de experimentele schilderkunst en literatuur zoals die in de jaren twintig had gebloeid. De kunst restte nog slechts één doel: de communistische partijstaat dienen en de lei­der vereren. De term voor deze kunst was `socialistisch realisme, dat door de bond van sowjetschrijvers aldus werd omschre­ven: `Socialistisch realisme eist van de kunstenaar een waarachtige, historisch con­crete uitbeelding van de werkelijkheid in haar revolutionaire ontwikkeling. Boven­dien moeten waarachtigheid en historisch concrete uitbeelding van de werkelijkheid in overeenstemming zijn met de opdracht van ideële omscholing en opvoeding van de ar­beiders in de geest van het socialisme´.

Eigenlijk was er weinig realistisch aan deze kunst, het gaf meer een beeld van de werkelijkheid zoals die de partijleden voor ogen stond. Voorstellingen uit de revolutietijd werden ook gunstig beoordeeld, om maar niet te spreken van Stalin- en Leninportret­ten. Opera´s met vrolijk zingende land- of fabrieksarbeiders konden rekenen op grote subsidies.

De Grote Leider vernederde de avant-garde kunstenaars. Hun kunstwerken werden ver­boden en zij werden vrijwel allen vermoord, zoals de grote dichter Mandelsjtam. Hun sterfdatum is meestal niet bekend en ook hun graven zijn verdwenen. Maar hun werk is blijven voortleven!

Tegelijkertijd met de commandocultuur van het socialistisch realisme werd ook de aandacht voor het verleden gestimuleerd. Geschiedschrijving over Iwan de Verschrik­kelijke, Peter de Grote en de uitbreiding van het Russische rijk moesten bijdragen aan de actuele grootheid van de Sovjet-Unie.

Daartoe werd soms bewust met historische feiten geknoeid. Zo werd bv. de rol van Trotski in de revolutie sterk- gebagatelli­seerd in de nieuwe geschiedenisboeken, om­dat hij zich tegen Stalin had verzet. De dic­tator kon nu bevelen hoe de geschiedenis zich in werkelijkheid had afgespeeld, in zijn werkelijkheid wel te verstaan.

In de grootheid van de Sovjet-Unie was geen plaats voor de nationale republieken: de po­gingen van deze republieken om zich onaf­hankelijk van Moskou op te stellen werden met geweld onderdrukt. Dit gebeurde ook na 1937 in Stalins eigen geboorteland Geor­gië.

De kerk

De communistische partij liet de meeste ge­lovigen in het land ongemoeid, maar niet de Russisch-Orthodoxe Kerk zelf. Kerkelijke eigendommen werden onteigend en van kloostergebouwen moesten barakken of ziekenhuizen gemaakt worden. Ook ver­volgden Stalins mannen in veel gevallen de priesters. De grondwet van 1936 vermeldde dat religieuze propaganda onwettig was en de antireligieuze propaganda werd gestimu­leerd. Er kwam zelfs een Verbond van God­lozen, waarvan de leden kerkramen ingooi­den én op kerkhoven als vandalen tekeer­gingen. Een poging om de mensen te over­tuigen van Gods niet-zijn was een vlucht hoog in de lucht met een vliegtuig. Daarmee werd `aangetoond´ dat er geen God was.

Deze antireligieuze propaganda had niet al te rigoreuze gevolgen, ook al moesten som­mige kerken sluiten. De tijden voor de Kerk werden weer beter tijdens de `grote vader­landse oorlog´. Bij de liefde voor het vader­land haalde men de banden met de Kerk weer aan. In 1941 werden de wapens van het Rode leger op traditionele wijze ingezegend en twee jaar later stond Stalin toe dat er na jaren weer een nieuwe patriarch (hoofd van de Russisch-Orthodoxe Kerk) benoemd werd. De Kerk beloonde de verzachte om­standigheden met een trouwe loyaliteit aan Stalin en de partij.

4. Stalins Buitenlandse politiek

De buitenlandese ploitiek van de Sovjet/Unie wordt, zoals in ieder land, in de eerste plaats bepaald door eigenbelang. Naast het behartigen van het eigenbelang speelt de marxistische ideologie een grote rol. De regering van de Sovjet/Unie gaat ervan uit dat er een  onverzoenlijke strijd is tussen kapitalisme en communisme.

Lenin verwoordde dit zo: `Pas nadat we de bourgeoisie in de hele wereld, en niet alleen in één land, hebben neergeslagen (...) Zodra we (...) sterk ge­noeg zijn zullen we, om het hele kapitalisme neer te slaan, het tegelijk in de kraag vat­ten´. Men vond in de Sovjet-Unie dat de in­terventie van de kapitalistische wereld in de burgeroorlog het bewijs was dat die wereld het eerste proletarische vaderland wilde ver­nietigen.

Toenaderingen

Toch was het, zowel economisch als politiek-strategisch, belangrijk weer betrek­kingen met de westerse industriestaten aan te knopen. Daar kwam nog bij dat de Sow­jetunie de verloren gegane gebieden weer in bezit wilde krijgen. Er rustten dus nogal wat bijzondere taken op de schouders van de volkscommissaris van buitenlandse zaken Trotski. Hij slaagde er in 1921 in met Enge­land, Noorwegen, Oostenrijk en Italië han­delsverdragen af te sluiten. De erkenning van de Sovjet-Unie door deze staten ge­schiedde drie jaar later en werd door meer­dere landen gevolgd.

Met Duitsland sloot de Sovjet-Unie in 1922 het Verdrag van Rapallo zodat de beide zwarte schapen in de wereld gingen samen­werken. In het geheim spraken zij af dat de Duitsers in Rusland met hun legers met zware wapens mochten oefenen. Als tegen­prestatie zouden Duitse officieren voor de Russen tank- en vliegopleidingen verzor­gen. In 1925 werd deze overeenkomst met een handelsverdrag uitgebreid en zelfs tij­dens de  eerste jaren onder Hitler hield het verdrag stand.

Basis Sovjet-Unie

In de eerste jaren na de Russische Revolutie verwachtte men algemeen de wereldrevolutie. Om dit te bespoedigen richtte de Sovjet/Unie de Derde Internationale op, de zogeheten Komintern, die een bundeling was van alle communistische partijen in de we­reld. Al spoedig werd deze Komintern een instrument in handen van de Russen, dat zij gebruikten bij hun buitenlandse politiek. De communistische partijen in de wereld dienden zich eerst en vooral in te zetten voor de Sovjet-Unie. Het eerste proletarische va­derland moest overeind blijven, dan pas kwamen de belangen van de eigen partij aan de orde. Stalin: `... een internationalist is iemand, die, zonder voorbehoud, zonder te zwenken, zonder voorwaarden te stellen, bereid is de Sowjetunie te beschermen, daar de Sowjetunie de basis van de revolutionai­re beweging van de hele wereld is´.

Stalin vond het fascisme het hoogste punt van het kapitalisme en volgens hem luidde een strijd tussen het fascistische Duitsland en de rest van de kapitalistische landen de ondergang van het kapitalisme in. Als de grote proletarische revolutie zou komen, moesten overal de communisten de macht grijpen. De sociaaldemocraten, voor sociaalfascisten uitgemaakt, zouden roet in het eten kunnen gooien, daarom waren zij de grote vijanden en niet Hitler en zijn tra­wanten. Toen begin 1933 Duitsland in een spannende periode verkeerde weigerde Sta­lin dan ook toe te stemmen in een samen­werking van de K.P.D. met de S.P.D.

Collectieve zekerheid en Volksfront

In 1934 zocht en vond Hitler toenadering tot Polen. Dit noodzaakte Stalin om van tactiek te veranderen. Ook Frankrijk zocht nieuwe bondgenoten in het oosten, wat leid­de tot een samenwerking tussen Frankrijk en Rusland. Dit liep uit op een toetreding tot de Volkenbond in 1934. De fascisten wa­ren nu de grote gezamenlijke vijanden ge­worden. Japan en Duitsland hadden in 1936 een Anti-Kominternpact gesloten en de Sovjet-Unie dreigde beklemd te raken tussen Japan en Duitsland. Dit verontrustte de Russen zozeer dat de Komintern als voor­naamste opdracht kreeg overal het fascisme te bestrijden. Nu mochten communisten wel samenwerken met de eerder verketterde sociaaldemocraten en dat leidde uiteinde­lijk tot een Volksfrontregering in Frank­rijk. Wél was de Sovjet-Unie verontrust door de appeasement-politiek van Enge­land en Frankrijk. Stalin meende, niet ge­heel ten onrechte, dat zij het fascistische Duitsland uit wilden spelen tegen de Sovjet-Unie. Engeland en Frankrijk zouden dan beide ongewenste ideologieën kunnen ver­morzelen. Het verdrag van Munchen in 1938 bevestigde volgens Stalin zijn bange vermoedens. Ondanks het feit dat zowel Rusland als Frankrijk een bondgenoot­schap hadden met Tsjecho-Slowakije werd Stalin niet toegelaten bij de besprekingen in München, waar besloten werd Tsjecho-Slowakije aan Duitsland op te offeren. Hieruit bleek dat Duitsland voor zijn expansie naar het oosten werd verwezen. Stalin was bang dat de kapitalistische landen zich in het ge­heim ook tegen de Sovjet-Unie hadden ge­keerd. Hij wist dat hij zwak stond, niet in het minst door zijn eigen zuiveringen in het leger die juist in deze tijd hun hoogtepunt bereikten.

Tot grote opluchting van Stalin zocht Hitler toenadering. In 1939 kwam het niet-aan­valsverdrag tussen de Sovjet-Unie en Duits­land tot stand. Dit Molotow-Ribbentrop­pact, zoals het ook wel heet, voorzag in het geheim in een verdeling van Polen. Hiervan maakte Stalin in september 1939 gebruik door Polen binnen te vallen. Openlijk was afgesproken dat Finland, Estland, Litauen en ook Bessarabië in de Russische invloeds­sfeer zouden vallen.

In 1939 wilde Stalin een betere verdediging van Leningrad mogelijk maken. Hij eiste land op van Finland, maar natuurlijk wei­gerde dit land om grond af te staan. De oor­log die volgde bleek veel moeilijker te win­nen dan Stalin had vermoed. De drie mil­joen Finnen verzetten zich hardnekkig. Bo­vendien werd duidelijk hoe het Rode leger door de zuiveringen verzwakt was.

Dat jaar, 1939, waarin Rusland zowel Po­len als Finland binnenviel, markeert het be­gin van het sovjetimperialisme.

De ´grote vaderlandse oorlog´

hitler stalin pact aug 1939

Met Hitlers aanval op Polen brak op 1 sep­tember 1939 de tweede wereldoorlog uit. In augustus 1941 lijfde de Sovjet-Unie de drie Baltische staten in en dwong Roemenië Bes­sarabië af te staan. Een winteroorlog lang was nodig om Finland de onafhankelijk­heid te ontnemen. Op dat moment was de Sovjet-Unie trouwens al uit de Volkenbond gestoten en Stalins pogingen Duitsland te vriend te houden door de handelsverplich­tingen op alle fronten na te komen mochten niet verhinderen dat de vijandigheid tussen de twee landen groter werd. Toch geloofde Stalin dat Hitler geen tweefrontenoorlog zou beginnen, maar dat bleek een grote mis­rekening: op 22 juni 1941 passeerden Duitse troepen de Russische grens. De veroverin­gen van de Wehrmacht gingen verrassend snel, maar toch duurde het meer dan een week voordat Stalin reageerde. Pas op 3 juli sprak Stalin zijn volk via de radio toe om het moed in te spreken en zijn strategie be­kend te maken. Die bestond allereerst in de tactiek van de `verschroeide aarde´, `zodat niets van enige waarde in handen van de oprukkende Duitsers zou komen´. Verder rekende hij op de wil tot verzet van de be­volking.

Binnen een paar weken zaten de Duitse troepen meer dan 600 km diep in Russisch gebied en stonden zij voor Smolensk, de grootste stad voor Moskou. Zou de hoofd­stad nog vóór de winter vallen? Stalin nam zelf het opperbevel over de krijgsmacht op zich. Hij ontsloeg slecht functionerende ge­neraals en vroeg alle mogelijke hulp uit het buitenland. In radiopraatjes haalde Stalin de grote heldhaftige strijders uit de Russi­sche geschiedenis als voorbeeld aan en ter herinnering aan de oorlog tegen Napoleon werd deze strijd tegen de Duitsers de `grote vaderlandse oorlog´ genoemd.

De gezochte buitenlandse hulp kwam uit Engeland en uit de Verenigde Staten. De V.S. hadden voor alle tegenstanders van Hitler een Leen- en pachtwet uitgevaardigd, waarop ook de Sowjetunie een beroep deed. In het verloop van de strijd viel de hoofd­stad echter niet. De Duitse troepen waren gedwongen de hele winter door te vechten, hoewel ze daar qua kleding en materiaal niet op voorbereid waren. De snelle opmars van de Duitsers had vele Russische troepen afgesneden en zij vormden daarom samen met de plaatselijke bevolking partizanen-groepen, die de Duitsers over een breed front van honderden kilometers aanvielen. De lange Duitse bevoorradingslijnen bleken toen zeer kwetsbaar te zijn. Aangezien de Duitsers volledig rekenden op een goede communicatie tussen al hun afdelingen, was deze situatie voor hen zeer onvoorzien.

De inname van Leningrad wilde ook al niet lukken, ondanks een langdurig beleg waar­bij duizenden in die stad het leven lieten. Het hoofdoffensief lag echter in het zuiden, bij Stalingrad en de Wolga. Hier werd zelfs in de straten van de stad gevochten, maar Stalingrad bleef in Russische handen. Het Duitse leger onder Von Paulus moest zich zelfs overgeven, ondanks de strikte orders van Hitler om tot de laatste man vol te hou­den. Begin 1943 werden de Duitsers in de verdediging gedrongen en het Rode leger verdreef de Wehrmacht uit het land. Het bevrijdde Oost-Europa en stevende toen af op de Duitse hoofdstad. De Duitsers gaven zich op 8 mei 1945 over.

Na de conferenties van Jalta en Potsdam (eerste helft 1945) bleven de Oost-Europese landen Polen, Roemenië, Bulgarije, Hon­garije en Tsjecho-Slowakije binnen de in­vloedssfeer van de Sovjet-Unie. Onder druk van de aanwezige troepen van het Rode le­ger werden in die landen communistische regeringen aangesteld, ondanks de afspraak die op de conferentie van Jalta was gemaakt om vrije verkiezingen te laten houden. Oost-Polen bleef, tegen de afspraken in, Russisch gebied. Ten koste van Duits gebied schoof Polen 2 à 300 kilometer naar het westen op.

Koude oorlog

Hoewel de Sovjet-Unie in 1945 de oorlog ge­wonnen had, was het volledig uitgeput. De strijd had aan 20 miljoen Russen het leven gekost (tegenover 1 miljoen Engelsen en Amerikanen) en West-Rusland was door de tactiek van de verschroeide aarde volledig verwoest. Van de geforceerd opgebouwde industrie was weinig meer over.

De andere grote overwinnaar, de V.S., had een vrijwel ongeschonden productieapparaat en werd daardoor het natuurlijke eco­nomische centrum van de wereld. Ook het politieke systeem van de V.S. was voor ve­len aantrekkelijk, ook in Oost-Europa. Bo­vendien waren de V.S. op militair gebied het machtigste land, dit niet in de laatste plaats door het bezit van de atoombom.

Op zich was het bestaan van een dergelijke kapitalistische supermacht al bedreigend voor de Sovjet-Unie, maar de wijze waarop de samenwerking met de geallieerden tij­dens de grote vaderlandse oorlog was verlo­pen maakte de bedreiging nog reëler. Want hadden de Amerikanen de vorming van een tweede front in West-Europa niet uitgesteld van 1942 tot 1944 zodat de Russen tegen de Duitsers de kastanjes uit het vuur konden halen? Waren de kapitalisten niet erop uit geweest Duitsers en Russen elkaar te laten afmaken, zodat zij na de oorlog de lakens zouden kunnen uitdelen? De Russen zagen in het samengaan van de westerse landen wat zij steeds hadden gevreesd: blokvor­ming van de kapitalistische wereld om het communisme te vernietigen.

Er bleef voor de Russen weinig anders over dan zich in te graven. Oost-Europa en de Balkan werden nauw aan Rusland gebon­den. Omdat de Sovjet-Unie geen echt econo­misch en politiek middelpunt van dit gebied was, was geweld, intimidatie en terreur noodzakelijk om het land te omringen met een `schild van vriendschappelijke staten´.

IJzeren gordijn

De band tussen de Sovjet-Unie en de door haar gecontroleerde Oost-Europese staten werd versterkt door tweezijdige vriend­schaps- en hulpverdragen en door de in 1948 opgerichte `Raad voor wederzijdse economische hulp´(in het westen Comecon genoemd). Deze landen werden van Mos­kou afhankelijke satellieten die verplicht waren de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie geheel te volgen. Stalin dwong deze landen ook tot overname en in praktijk brengen van het stalinistische systeem. Aan­nemen van westerse economische hulp (Marshallplan, 1947) was hun niet toe­gestaan. Churchill constateerde al in 1946 dat `er een ijzeren gordijn was neergelaten´ in Europa tussen de westerse democratieën en de communistische satellietlanden.

Eén land wist zich uit het Oostblok te ma­noeuvreren: Joegoslavië, met Josef Tito als communistische leider. Deze was met zijn partizanen op eigen kracht een nationale strijd tegen de Duitsers aangegaan. Om die reden wenste Tito zich onafhankelijk van Stalin te kunnen opstellen. Het is Stalin nooit gelukt het weerbarstige Joegoslavië in het gareel te krijgen.

De Sowjetunie na de oorlog

De overwinningsparade op het Rode plein in Moskou was tevens een groot huldebe­toon aan de Russische leider Stalin. Vaan­dels van overwonnen Duitse legers werden voor hem neergeworpen. De vreugde om de victorie was groot.

Stalins prestige was gedurende de oorlogs­jaren bij de bevolking enorm gestegen. Hij maakte een zekere en kalme indruk, hoe groot de spanningen ook waren. Stalin had zich, te midden van de vele gevaren, een echte leider van het volk getoond en daar­voor waren de sowjetburgers hem dank­baar, maar ze hadden toch de stille hoop dat hij hun na jarenlange beperkingen wat meer vrijheden zou toestaan. Daarvan kwam he­laas niets terecht; omdat Stalin alles en iedereen wantrouwde zette hij de onder­drukking voort. Mede oorzaak was waar­schijnlijk de door de Sowjetunie gevoelde dreiging die uitging van de min of meer rijke westerse landen.

De Sowjetunie werd wel door de westerse landen als grootmacht erkend. Als lid van de `grote vijf´ kreeg zij het vetorecht in de Veiligheidsraad van de V.N. Toch besefte de Sowjetunie in tal van conflicten met de V.S. de zwakste te zijn, vandaar de behoef­te ook over atoomwapens te kunnen be­schikken. Dit lukte in 1949 en wellicht heeft de afschrikking van deze atoomwapens er­toe geleid dat de conflicten tussen de twee grootmachten niet uitgroeiden tot een rechtstreekse oorlog.

Stalins dood

Toen Stalin in 1953 stierf, danste Beria, het hoofd van de K.G.B., van vreugde en hij bleef dan ook bijna ter plekke dood toen de Grote Leider nog één keer zijn ogen opsloeg.

Door de dood van de dictator kwam er een eind aan de terreur in de Sowjetunie en veel zaken veranderden. Wat wél bleef was de oppermachtige bureaucratie, evenals de on­vrijheid.