We hebben 248 gasten online

Hfst 2 CSE Dynamiek en Stagnatie in de Republiek Vwo Feniks

Gepost in Nederland

Hoofdstuk 2: De Gouden Eeuw 1585-1672

dynamiek en stagnatie

Deelvraag 2: Waaruit blijkt dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens de zeventiende eeuw een bijzondere plaats innam op politiek, economisch en sociaal-cultureel gebied

Inleiding

Amsterdam maakte aan het einde van de zestiende eeuw een enorme groei door. Na de val van Antwerpen had het de positie van stapelmarkt overgenomen en was het aantal inwoners explosief gestegen. Kooplieden boekten grote winsten met de internationale handel. Waar het maar mogelijk was werd met die verkregen rijkdom gepronkt. Ook het stadsbestuur wilde de positie van Amsterdam aan iedereen duidelijk maken. Daarom gaf het opdracht tot de bouw van een nieuw stadhuis aan de architect Jacob van Kampen. Het nieuwe stadhuis moest de enorme rijkdom, de macht en het aanzien van de stad Amsterdam uitstralen. Voor die tijd was het gebouw zo imposant, dat men ook wel sprak over het achtste wereldwonder. Tegenwoordig heet het 'Paleis op de Dam'.

Het belang van dit onderwerp

In dit hoofdstuk wordt de periode tussen 1585 en 1672 besproken, de tijd van de Gouden Eeuw. Rond 1650 was de Republiek op het hoogtepunt van haar economische macht. Verschillende factoren hebben de economische koppositie van de Republiek veroorzaakt. Deze factoren komen in dit hoofdstuk aan bod.In politiek opzicht was de Republiek in vergelijking met andere Europese landen een bijzondere staat. In de eerste paragraaf wordt uitgelegd waarom. daarna komt de economische situatie aan bod. Landbouw, handel en nijverheid waren met elkaar verbonden. De wijze waarop de drie sectoren elkaar beïnvloeden, zorgde voor grote economische groei. Aan het einde van het hoofdstuk wordt ingegaan op de internationale politieke situatie en de invloed daarvan op de economie van de Republiek.

2.1 De Republiek is uniek!

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was staatkundig (politiek) gezien een bijzonder land in Europa. Dit hoofdstuk start in het jaar 1585. Op dat moment is de Tachtigjarige Oorlog aan de gang. De leider van de Opstand is Willem van Oranje, die in 1584 was vermoord. Uiteindelijk gelukte het een aantal gewesten om zich te bevrijden van de Spanjaarden. In 1588 vormden zij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.De volgende twee kenmerken maakten de Republiek op politiek gebied zo bijzonder.

  • De Republiek was een statenbond van grotendeels zelfstandige gewesten. Ieder gewest werd bestuurd door de Gewestelijke Staten waarin vertegenwoordigers van de adel, rijke boeren en steden zaten. De Gewestelijke Staten stuurden weer afgevaardigden naar de Staten Generaal in Den Haag. Het gewest Holland had de meeste invloed in de Staten Generaal, omdat Holland voor de meeste inkomsten zorgde. Met elkaar namen de gewesten in de Staten Generaal besluiten die te maken hadden met de buitenlandse politiek, de defensie en het bestuur van de Generaliteitslanden. Dat waren delen van Groningen, Limburg, Brabant en Vlaanderen die tijdens de Tachtigjarige Oorlog op de Spanjaarden werden terugveroverd.

Waarom was de Republiek in dit opzicht uniek? De meeste Europese landen werden in die periode vanuit één centraal punt bestuurd. In de Republiek was juist sprake van particularisme. Dat betekent dat elk afzonderlijk gewest of stad nog veel zaken op zijn eigen manier en op grond van zijn eigen belang regelde. Het hoogste gezag in de Republiek lag dus bij de gewesten.

  • De Republiek had geen vorst als staatshoofd. Men had wel naar een geschikte kandidaat gezocht. Dit leverde niets op zodat in 1588 de Republiek ontstond. Dat was uniek want bijna alle andere Europese landen waren monarchieën. De vorsten wilden hun macht steeds meer vergroten. Ze streefden naar absolute macht. In de Republiek waren er toch bestuurders met aanzienlijke politieke macht. De stadhouders en de raadspensionaris. Elk gewest koos zijn eigen legeraanvoerder maar de stadhouder had ook politieke macht want deze was betrokken bij de benoemingen van bestuurders van steden en gewesten. Vaak waren er in de Republiek gelijktijdig twee verschillende stadhouders: een van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel en een van Friesland en Groningen. De raadspensionaris was de belangrijkste adviseur van de Gewestelijke Staten van Holland. Hij leidde de vergaderingen, voerde de besluiten uit en onderhandelde met buitenlandse bestuurders. De stadhouders en de raadspensionaris van Holland streden om de grootste politiek macht in de Republiek. Uiteindelijk zou zowel Johan van Oldenbarnevelt (1586-1618) als Johan de Wit (1653-1672) de strijd met hun eigen leven bekopen.

De functie van stadhouder was eigenlijk door het ontstaan van de Republiek overbodig geworden. Oorspronkelijk was een stadhouder de plaatsvervanger van de vorst. We hebben gezien hoe de functie van de stadhouder anders werd. In de loop van de zeventiende eeuw zou het stadhouderschap een steeds vorstelijker karakter krijgen.

2.2 De nieuwe Hollandse boer

De landbouwsector was nauw verbonden met de handel en de nijverheid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de nieuwe Hollandse boer en zijn commercialisering. Nieuw was dat ze zich gingen specialiseren in de verbouw van handelsgewassen en durfden te investeren in hun bedrijf. Waarom?De Republiek haalde goedkoop graan uit het Oostzeegebied. Er was voldoende goedkoop graan aanwezig. Daarom gingen de boeren zich specialiseren in gewassen die gewild waren als exportartikelen. Omdat het aantal inwoners van de steden groeide, steeg ook binnen de Republiek de vraag naar landbouwgewassen zoals vlas (voor textiel) en hennep (voor touw). De bodem van Holland was niet geschikt voor akkerbouw, maar de drassige grond was wel geschikt voor grasvelden waar men koeien op kon houden. Dat leverde melk op waarvan weer boter en kaas kon worden gemaakt. Doordat er veel vee was beschikte de boeren ook over voldoende mest om hun grond vruchtbaar te houden. Daarnaast verbeterden de boeren de kwaliteit van de runderen.Vermogende burgers investeerden in grootschalige projecten die de infrastructuur verbeterden en die zorgden voor landaanwinning. Er werden veel nieuwe trekvaarten aangelegd en de eerste trekvaart voor personenvervoer werd in 1631 gegraven tussen Amsterdam en Haarlem. In het midden van de zestiende eeuw bedroeg de totale afstand van alle trekvaarten meer dan vierhonderd kilometer. De steden kregen door tol te heffen langs de trekvaarten extra inkomsten. Naast deze trekvaarten werd er ook veel geld geïnvesteerd in inpoldering. Leeghwater, molenbouwer en waterbouwkundige, bracht de droogmaling van de Beemster tot stand en zo ontstond een reusachtig nieuw stuk landbouwgrond van 7100 ha. Vervolgens werden grote delen van Holland in de zeventiende eeuw drooggelegd.Er werd ook op grote schaal geïnvesteerd in de turfwinning. Turf werd gebruikt als brandstof en was volop in de Nederlandse bodem te vinden.Na 1650 daalden de prijzen van de belangrijkste landbouwproducten. De agrarische sector in de Republiek leed hier niet echt onder. De boeren extensiveerden hun bedrijfsvoering en legden zich toe op die producten die hun beste prijs behielden.

2.3 Bedrijvigheid in de steden

Ook van buiten de Republiek werden grondstoffen ingevoerd die via de Amsterdamse stapelmarkt hun weg naar de werkplaatsen in de Hollandse steden vonden. In deze paragraaf wordt de nijverheid tijdens de Gouden Eeuw onder de loep genomen.De steden in de gewesten Holland en Zeeland groeiden in de eerste helft van de zeventiende eeuw enorm. Voor een deel trokken mensen van het platteland naar de stad maar ook vanuit het buitenland trokken veel mensen naar de Republiek. Na 1585 steeg zowel de binnenlandse als de buitenlandse vraag naar nijverheidsproducten. De binnenlandse vraag nam toe door de bevolkingsgroei en de toenemende welvaart. Doordat de handel met het buitenland toenam, was er ook steeds meer vraag naar producten die de Republiek kon exporteren. De volgende verschijnselen en gebeurtenissen stimuleerden de groei van de nijverheid in de Republiek nog meer.

  • In de Republiek was kapitaal (geld) ruim beschikbaar omdat men tegen lage rente kon lenen.

  • Amsterdam groeide uit tot de stapelmarkt van Europa. Hierdoor waren er voldoende grondstoffen aanwezig om bewerkt te worden. Bijvoorbeeld in de suikerraffinage en zout- en zeepziederijen.

  • De Republiek lag gunstig aan zee en beschikte over een grote handelsvloot. Dat was gunstig voor de export van nijverheidsproducten.

  • In 1585 vluchtten veel ambachtslieden en handelaren uit Antwerpen naar de Noordelijke gewesten. Daardoor kwamen er nieuwe bedrijfstakken bij. Leiden werd een van de belangrijkste centra voor de wolindustrie en Haarlem specialiseerde zich in de productie van linnen- en zijdeweefsels.

  • Naast spierkracht van mens en dier waren er in de Republiek ook twee goedkope energiebronnen aanwezig: turf en windkracht.

  • Op grote schaal werden in de Republiek schepen gebouwd. dat was mogelijk omdat men overging tot een zekere standaardisatie in de bouw ervan. Vooral de Zaanstreek stond bekend om de vele scheepswerven. Een belangrijke vernieuwing was de bouw van het fluitschip. Dit scheepstype was geschikter voor de handel dan het karveel, omdat er door de vorm meer producten in konden worden geladen. Hoe meer laadruimte, hoe minder schepen er nodig waren, hoe minder tol er moest worden betaald.

Van de groei van de scheepsbouw profiteerden ook andere bedrijfstakken zoals de touwslagerij, de zeilmakerij, maar ook de wapenindustrie en de buskruitfabricage. Nijverheidsproducten werden in verschillende soorten 'bedrijven' vervaardigd.

  • De huisnijverheid: mensen produceerden thuis producten.

  • Manufacturen: In de steden produceerden de ambachtslieden in trafieken of manufacturen, kleine werkplaatsjes, die de overgang vormden van huisnijverheid naar de latere fabrieken.

De suikerraffinaderijen en de scheepswerven waren voorbeelden van grootschalige, kapitaalintensieve bedrijven. Kapitaalintensief wil zeggen dat er relatief veel geld (kapitaal) in de productie moet worden geïnvesteerd. In de Republiek was de positie van de gilden niet zo sterk als in andere delen van Europa. Gilden waren organisaties per bedrijfstak, waarbij alle ondernemers zich moesten aansluiten. Ze werkten met strenge regels en voorschriften en hielden vast aan een ambachtelijke en traditionele productiewijze. Maar in de Republiek was juist sprake van juist een grotere vrijheid. Langzaamaan werd de productiewijze kapitalistisch. Er was sprake van arbeidsdeling, de productie werd in fasen opgedeeld. De werklieden werkten tegen lage lonen en hadden maar weinig rechten waardoor er conflicten uitbraken tussen arbeiders en eigenaren van bedrijven. Ook kinderen, omdat ze goedkoop waren, werden aan het werk gezet. Dat gebeurde onder slechte omstandigheden, zoals lange arbeidstijden en mishandeling.

2.4 Handel, scheepvaart en visserij

Na 1585 breidden de handel en de scheepvaart van de Republiek zich spectaculair uit. Amsterdam nam de plaats van Antwerpen over als handelscentrum van Europa. De koopvaardijvloot van de Republiek was de grootste van Europa en verzorgde vanuit de havens in Holland, Zeeland en langs de Zuiderzee het grootste deel van de Europese vrachtvaart. De overzeese handel werd beschouwd als de hoeksteen van de economie van de Republiek.Maar de handel beperkte zich niet alleen tot Europa. Nederlandse kooplieden bereikten in 1595 voor het eerst het eiland Java. Deze tocht was gefinancierd door negen kooplieden uit Amsterdam. Hoewel de tocht verlies opleverde was de winst echter dat de route naar Indië in de Republiek nu bekend was

.oprichtingsacte van de voc

De officiële oprichtingsakte van de VOC met lakzegel. In het octrooi legden de Staten Generaal de uitzonderlijke rechten van de handelscompagnie vast

.In 1602 werden de verschillende 'compagnieën van verre' onder leiding van Johan van Oldenbarnevelt samengevoegd tot de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De VOC kreeg het handelsmonopolie op de handel naar het Oosten en mocht verdragen sluiten met vorsten en zelfs oorlog voeren. Dit was bijzonder omdat het soevereine rechten waren, die normaal waren voorbehouden aan een staat. Naast specerijen (zeventiende eeuw) waren textiel en thee (achttiende eeuw) producten, waar de VOC veel in handelde.In 1621 werd de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. De handelsroute vormde een driehoek, waardoor men spreekt over driehoekshandel. In dit systeem werden goud, tabak en suiker verhandeld, maar vond ook slavenhandel plaats. De WIC hield zich naast de driehoekshandel ook bezig met kaapvaart. ( Bijvoorbeeld de zilvervloot door Piet Hein in 1628. De tegenwoordige waarde zou een half miljard euro bedragen).

De Nederlanders en de slavenhandel

De plantage-eigenaren merkten dat de Indianen bij grote aantallen stierven als gevolg van geweld, het zware werk en de verspreiding van Europese ziekten. Ze zochten de oplossing door slaven uit Afrika te halen. Volgens schattingen zijn er ongeveer twaalf miljoen slaven via de Atlantische slavenhandel in Amerika terecht gekomen.Ook de Republiek ging zich bezighouden met de slavenhandel. Vanaf 1637 brachten Nederlandse handelaren slaven naar de veroverde gebieden van de Republiek in het huidige Brazilië, Suriname en Curacao. Ongeveer vijf procent van alle slaven is door handelaren uit de Republiek verhandeld.Tegenstanders van de slavernij heten abolitionisten. Engeland verbood in 1808 de handel in slaven. Nederland volgde pas in 1863.In 2002 werd in Amsterdam ter nagedachtenis aan het slavernijverleden een monument onthuld door koningin Beatrix.Naast de VOC en de WIC werd in 1614 de Noordse Compagnie opgericht. Deze kreeg het alleenrecht op het jagen op robben en walvissen. Walvisvaart was een belangrijke pijler van de handel.Naast bulkhandel nam ook de handel in luxeproducten steeds winstgevender. Er groeide een wereldeconomie. Daardoor ontstonden er rond 1600 in Amsterdam speciale instellingen die voor de handel een belangrijke rol speelden. Dat waren de volgende instellingen:

  • De wisselbank. Mensen konden hier hun geld veilig onderbrengen of wisselen tegen andere valuta. Ook kon je bij deze bank, wanneer je er geld bracht, zogenaamde wisselbrieven krijgen. Waardepapieren die je bij een andere bank weer kon inwisselen voor het bedrag dat er op genoteerd stond.

  • De koopmansbeurs. Dit was eigenlijk een permanente jaarmarkt.

  • De bank van lening. Hier kon geld worden geleend, bijvoorbeeld om in een bedrijf te investeren. Men kreeg alleen geld als men goederen als onderpand aan de bank kon geven.

2.5 Holland en de rest van de Republiek

Economische historici verschillen van mening over het feit of de economie van de Republiek tijdens de Gouden Eeuw wel een nationale economie was. Van één economie was namelijk geen sprake. Er waren grote verschillen tussen regio's. Holland en Zeeland waren de meest welvarende en toonaangevende gewesten. De landgewesten in het zuiden en oosten bleven economisch in ontwikkeling achter. Dat blijkt uit de volgende voorbeelden:

  • De bevolking nam er in vergelijking met Holland nauwelijks toe. Dus ook de urbanisatiegraad niet.

  • De verbindingen met het westen waren niet altijd goed.

  • De meerderheid van de bevolking was er werkzaam in de landbouw. Daarnaast waren de boeren er in veel sterkere mate zelfvoorzienend(met uitzondering van een gebied tussen Amersfoort en Arnhem).

  • Grootschalige nijverheid kwam in de landgewesten nauwelijks voor. Wel huisnijverheid. Rond het midden van de zeventiende eeuw verplaatsen veel Leidse lakenfabrikanten een deel van hun wolververij naar de omgeving van Tilburg.

2.6 Leven en werken in de Republiek

lage landen 1609 1672

Niet alle inwoners van de Republiek profiteerden van de Gouden Eeuw. Niet alleen op economisch gebied, maar ook in sociaal opzicht nam de Republiek een bijzondere positie in Europa in. Er was sprake van een zogenaamde open samenleving, er waren mogelijkheden om te klimmen op de sociale ladder. Niet de adel, maar de rijker burgers maakten in de Republiek de dienst uit. Daarom spreken historici over een samenleving met een burgerlijk karakter. Dat gold met name in de westelijke gewesten. In het oosten hadden adellijke families wel veel macht.De bevolking in de Republiek kan worden ingedeeld in de volgende groepen:

  • De gegoede burgerij: minder dan tien procent van de bevolking. Regenten, leden van een aantal zeer rijke families uit de gegoede burgerij, verdeelden de hoge bestuursfuncties onder elkaar.

  • De kleine burgerij: ongeveer een kwart van de bevolking zoals kleine ondernemers, winkeliers en gegoede ambachtslieden.

  • De volksklasse: De rest van de bevolking zoals geschoolde werklieden, vaste en losse arbeiders, dienstpersoneel en de bedeelden. Deze mensen verdienden vaak net voldoende om te kunnen leven. Ouderen en wezen hadden vaak niet genoeg inkomsten om voor zichzelf te zorgen.

Omdat er in de Republiek altijd wel een tekort was aan arbeidskrachten, werden de bewoners van weeshuizen en armenhuizen aan het werk gezet.De regenten speelden een belangrijke rol in de vroedschappen, een groep van enkele tientallen burgers die de stad bestuurden. De regenten bleven in de zeventiende eeuw nog tamelijk nauw verbonden met de actieve handel. Bij sociale conflicten en onrust kozen de stadbestuurders steeds de kant van de ondernemers.De meeste inwoners van de Republiek woonden in kerngezinnen en vrouwen werkten bijna altijd mee. Men trouwde vaak op late leeftijd omdat je een gezin moest kunnen onderhouden. In het gezin was de man de baas, de vrouw had een ondergeschoven positie en was handelingsonbekwaam. Vrouwenarbeid, ook in lichamelijk zware beroepen, was in de Republiek vanzelfsprekend. Vrouwen hadden in Holland de mogelijkheid om te scheiden. Na de scheiding werd een vrouw weer handelingsbekwaam geacht.De steden in de kustgebieden groeiden explosief vanaf het einde van de zestiende eeuw onder andere door de komst van immigranten uit verschillende Europese landen. Deze groei ging door tot de tweede helft van de zeventiende eeuw. Na 1620 kwam de grootste stroom immigranten uit Duitsland. Van hen kwam de overgrote meerderheid uit de armste bevolkingslagen. Daarnaast vestigden zich veel Britse en Joodse immigranten uit Spanje en Portugal in de Republiek. Daarbij speelde religieuze motieven soms een rol omdat in de Republiek een relatief tolerant klimaat voor minderheden heerste. Wel werden in de Republiek soms beperkende maatregelen genomen en werden Joden soms het slachtoffer van stadsoproeren.Een groot deel van de buitenlanders kwamen als transmigranten, landverhuizers op doortocht. Zij waren meestal in dienst van de VOC of WIC. Ook was er sprake van buitenlandse seizoenarbeiders. Deze migranten hadden vaak laaggeschoold en dus slecht betaald werk. In Amsterdam en Leiden probeerde men de vreemdelingen in bepaalde buurten te concentreren.

2.7 De internationale situatie en de economie van de Republiek

De internationale politieke situatie is altijd van invloed op de economie. Opmerkelijk is dat de Gouden Eeuw samenvalt met een internationaal erg onrustige periode. De Tachtigjarige oorlog (1568-1648) was bijvoorbeeld aan de gang. Hoe valt te verklaren dat er desondanks sprake was van economische bloei?In de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog was het gunstig voor de Republiek dat Spanje tegelijkertijd ook tegen andere landen oorlog voerde. Hierdoor kon de Republiek haar strategische positie verder uitbouwen. Tussen 1609 en 1621 was het Twaalfjarig Bestand van kracht. De Spanjaarden en ook de Vlamingen stopten de kaapvaart vanuit Duinkerken. Met Spanje zelf kon weer worden gehandeld, het handelsembargo werd opgeheven. Nadat de strijd weer uitbrak in 1621 werd de handel met Spanje, Portugal en het Middellandse Zeegebied weer moeilijker maar dat werd gecompenseerd door de toegenomen vraag naar producten uit Duitsland en het Oostzeegebied. Door de Dertigjarige Oorlog tussen 1618 en 1648, die in het Duitse Rijk plaatsvond, leed de textielproductie daar grote schade.

vredesverdrag van munster

Laatste pagina van het Vredesverdrag van Münster met de ondertekeningen door Spaanse en Nederlandse onderhandelaars 30 januari 1648. Algemeen Rijksarchief Den Haag

Ook de landbouw beleefde een bloeiperiode door de export naar Duitsland en de Zuidelijke Nederlanden. De tachtigjarige oorlog werd afgesloten met de Vrede van Münster (1648). Spanje erkende de Republiek daarbij als een soevereine staat. Het handelsembargo werd opgeheven waardoor de handel met Zuid-Europa zich uitbreidde. Ook de Transatlantische handel groeide.Vanaf het midden van de zeventiende eeuw nam de concurrentie, door het invoeren van mercantilistische maatregelen, toe. Engeland en Frankrijk namen maatregelen om de eigen handel te beschermen. De Engelse Acte van Navigatie en de verhoging van de Franse invoerrechten zijn voorbeelden van mercantilistische maatregelen. De toenemende spanningen uitten zich in de Eerste en Tweede Engelse Oorlog (van 1652-1654 en 1665-1667). In 1650 stierf stadhouder Willem II. De meeste gewesten besloten nu geen stadhouder te kiezen. Zo ontstond het eerste Stadhouderloze Tijdperk. Hierdoor raakte het landleger echter in verval. Dat werd duidelijk toen in 1672 de Republiek werd aangevallen door Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen. Het zou jaren duren voordat de schade aan de nijverheid en handel hersteld was. Daarom noemt men 1672 wel het Rampjaar.

Samengevat

De Republiek nam in Europa op politiek,economisch en sociaal-cultureel gebied een bijzondere plaats in. In tegenstelling tot andere landen was de Republiek een Statenbond. De landbouw legde de basis voor de groei van de nijverheid en handel zodat men sprak van een Gouden Eeuw. Veel immigranten gingen in de steden wonen waar de regentenklasse de macht uitoefende. De concurrentie nam door mercantilistische maatregelen van Engeland en Frankrijk toe. De Republiek beleefde in 1672 een Rampjaar toen Engeland, Frankrijk, Münster en Keulen gezamenlijk de Republiek binnenvielen.

Oorzaken economische groei

In 1984 noemden een groep historici de volgende oorzaken voor de economische groei in de Gouden Eeuw:

  • De komst van grote groepen immigranten met kennis en contacten op het gebeid van handel en nijverheid;

  • Andere Europese landen hadden veel interne problemen;

  • De infrastructuur van de Republiek was uitstekend;

  • De Republiek lag centraal in Europa;

  • In de landbouwsector vonden ingrijpende vernieuwingen plaats;

  • Handel, nijverheid en landbouw waren goed op elkaar ingespeeld;

  • Het onderwijs in de Republiek was goed ontwikkeld.

Zie voor Hoofdstuk 3: De Zilveren eeuw 1672-1780 Hfst 3 CSE Dynamiek en Stagnatie in de Republiek Vwo Feniks