We hebben 308 gasten online

CSE Dekoloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 2

Gepost in Nederland

Hoofdstuk 2 CSE De koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands Indië

het rijk van insulinde

Hoofdstuk 2 :

1800-1870: Van VOC naar Cultuurstelsel

Oriëntatiekennis

De negentiende eeuw zou geleidelijk uitgroeien tot de ‘eeuw van de redelijkheid’.

Vooral de ‘Code Napoleon’ had grote invloed op de wetgeving doordat de verhoudingen tussen onderdanen en de staat nauwkeurig was vastgelegd.

Ook werden er in talrijke bepalingen opgenomen over het gedrag tussen burgers onderling.

  • Iedereen was voortaan voor de wet gelijk;
  • Het recht werd niet langer gesproken door een landsheer of de plaatselijke edelman, maar door wetboeken en burgers.

In de praktijk echter liet Napoleon zich maar weinig gelegen liggen aan de rechten van burgers en staten. Men ging de Franse ‘bevrijders’ steeds meer zien als bezetters. Dit bevorderde een sterk nationalisme en krachtig verzet.

Na de nederlaag van Napoleon bleef zijn wetgeving echter bestaan.

De negentiende eeuw bracht echter ook economische vernieuwing. Engelse fabrikanten speelden hierin de hoofdrol. Door de ‘Industriële revolutie” verschenen er overal op het Europese vasteland goedkope machinaal gefabriceerde producten. Dit voorbeeld werd al snel door West Europa nagevolgd.

Zo verdrongen politieke én economische vernieuwingen in de negentiende eeuw de ooit zo machtige koningen en keizers naar de achtergrond.

De groeiende economische macht van de burgers kreeg grote politieke gevolgen. ‘Inspraak’ en ‘vrijhandel’ werden de leidraad voor de bourgeoisie. In de loop van de negentiende eeuw zouden rationalisme, nationalisme en liberalisme de samenleving onherkenbaar veranderen.

Vraagstelling: Hoe probeerde de Nederlandse staat in de eerste helft van de negentiende eeuw Indië tot een winstgevende kolonie te maken en wat heeft dat betekend voor de verhoudingen tussen de Nederlanders en de bewoners van Nederlands Indië?

2.1 Een winstgevende kolonie?

Na de Franse inval in 1794 gingen de Franse bestuurders en Franse soldaten in de pas ontstane ‘Bataafse Republiek’ een belangrijke rol spelen. Frankrijk raakte in geldnood door de dure oorlogen tegen Oostenrijk, Rusland en Engeland. De ‘Bataafse Republiek’ moest ook haar bijdrage leveren. Na het koningschap van zijn broer Lodewijk Napoleon (1806-1810), besloot Napoleon Nederland tot een provincie van Frankrijk te maken.

De bezittingen in Azië waren ondertussen nauwelijks te bereiken. Toen de relaties tijdelijk verbeterden stuurde koning Lodewijk Napoleon H.W. Daendels als nieuwe gouverneur- generaal naar Batavia.

Gouverneur-generaal Daendels had twee belangrijke doelstellingen:

  • Een versterking van de bestuurlijke rol van het Koninkrijk Holland;
  • Een beknotting van de macht van de oude inlandse vorsten en edellieden.

Zoals in Europa de Franse revolutie had afgerekend met de middeleeuwse kasteelheren en hun horigen, zo zou Daendels afrekenen met de Indische feodale vorsten.

Daendels kwam al snel met maatregelen om de kolonie te gelde te maken. Voor de korte termijn werd het oude contingentenstelsel uit de VOC-periode weer uit de mottenballen gehaald. In broederlijke samenwerking met de zojuist nog verfoeide inlandse vorsten werd de bevolking gedwongen het aantal koffieheesters weer fors uit te breiden. Om Java beter te kunnen beschermen tegen een mogelijke Engelse invasie moest Daendels bovendien een ‘Grote Postweg’ aanleggen, dwars over Java.

De gewone Javanen moesten naast de traditionele herendiensten voor de inlandse vorst ook nog eens herendiensten voor de Nederlanders verrichten. In plaats van vrije burgers waren zij ‘horigen van twee heren’ geworden. Toen de inkomsten toch tegen bleken te vallen ging Daendels er zelfs toe over om landerijen rond Batavia en Soerabaja te verkopen aan rijke Chinezen. Voor de inlanders die al eeuwen op deze gronden hun rijstvelden hadden bewerkt was dit een ramp.

In 1811 namen de Engelsen de kolonie zonder veel strijd in bezit. Tot 1816 werd Indië bestuurd door Thomas Raffles. Deze Engelse liberaal verving de gedwongen leveringen en herendiensten door een zogenaamde Landrente.

De inlandse vorsten zouden het voortaan moeten doen met een mooi uniform en een hoge titel en een gematigd salaris.

Ook Raffles kwam echter al snel in de problemen.

  • Hij miste voldoende geschikte ambtenaren;
  • Het maakte hem onmogelijk om voldoende zicht te krijgen op de omvang en de kwaliteit van de gronden.

Toen de inkomsten tegenvielen trad hij noodgedwongen in de voetsporen van Daendels.

Na de val van Napoleon was de zoon van oud stadhouder Willem V uitgeroepen tot koning Willem I (1815-1840). De nieuwe Nederlandse grondwet van 1815 bepaalde dat de overzeese gebieden voortaan door de koning werden bestuurd. In 1816 namen de Nederlanders het bestuur van de kolonie weer van de Engelsen over. De nieuwe gouverneur-generaal G.A. van der Capellen had weinig vertrouwen in inhalige handelaren, particuliere Europese planters of inlandse vorsten. Hij liet daarom een legertje bestuursambtenaren vanuit het moederland overkomen.

Hij verbood vorsten land onder te verhuren aan Europese ondernemers. Ruzie over de Nederlandse bemoeienis met de troonopvolging door de Javaanse prins Diponegoro bleek uiteindelijk de druppel die de emmer deed overlopen. Plotseling bleek Java het toneel van een grootschalige en geld verslindende opstand. Nederland kreeg daardoor in plaats van extra opbrengst juist extra kosten.

2.2 Regenten, Residenten en Procenten, het Cultuurstelsel in de praktijk.

De Javaoorlog (1825-1830) werd een harde les. Dipo Negoro wilde niet enkel de troon, hij beweerde zelfs een visioen te hebben gehad waarin hem was opgedragen de ongelovigen van Java te verwijderen. De opstand liep uiteindelijk uit op een langdurige en bloedige guerrillaoorlog. Er waren 200.000 Javaanse slachtoffers te betreuren en er sneuvelden 15.000 ‘Nederlandse’ militairen. Uiteindelijk werd Dipo Negoro van Java verbannen.

In 1830 zag Java eruit alsof er een natuurramp had plaatsgevonden. De Nederlandse staat kostte de Java oorlog ruim 30 miljoen gulden.

Het was Johannes van den Bosch die koning Willem I het voorstel deed een ‘Cultuurstelsel’ in te voeren. Feitelijk was dit nieuwe stelsel oude wijn in nieuwe zakken. Net als bij het contingentenstelsel uit de VOC-tijd moest het volk handelsgewassen of ‘culture’ gaan verbouwen. Er zou zelfs weer sprake zijn van een monopolie. Een door koning Willem I op te richten Nederlandse Handel Maatschappij zou het alleenrecht krijgen op het transport naar en de verkoop in het moederland. De winst die men daarop maakte zou ‘batig slot’ worden genoemd.

Van den Bosch adviseerde dat maximaal één vijfde deel van het dorpsbezit aan de ‘cultures’ mocht worden besteed . Bovendien mochten de boeren er hoogstens 66 werkdagen per jaar aan kwijt zijn. Tot slot behoorden zij in ruil voor hun diensten te worden betaald middels een zogenaamd ‘plantloon’.

In de praktijk pakte het natuurlijk anders uit. Het plantloon was gewoon te weinig. Erger was dat de koloniale regering de inlandse regenten én de hoge Nederlandse bestuursambtenaren of ‘residenten’ zogenaamde ‘cultuurprocenten’ toe te kennen. Dit hield in dat zij een percentage zouden krijgen van de opbrengst van de cultures in hun district.

De Javanen werden zo geconfronteerd met drie profiteurs bij een opgeschroefde productie: : de Nederlandse resident, de inlandse regent en de Nederlandse staat overzee.. Maar daarnaast moesten de Javanen ook nog landrente betalen voor hun grond. Voor veel boeren was dat een streep door de rekening want het plantloon en de landrente werden bij de verrekening domweg tegen elkaar weggestreept.

De arme landarbeiders en kleine boertjes moesten ter vervanging van de landrente ‘herendiensten’ verrichten voor het gouvernement. Zij werden ingezet bij het aanleggen van wegen en havens en het onderhoud aan gebouwen.

De werkdruk voor de Javaanse bevolking nam sterk toe en voor het werk op de eigen rijstvelden was steeds te weinig tijd. Zolang de oogsten goed waren stegen echter ook de plantlonen en konden de boeren hun tekorten aanvullen op de zich ontwikkelende lokale markten. Maar dat ging natuurlijk niet altijd goed. Door misoogsten vooral na 1845 begon de honger onder het volk toe te nemen. In het jaar 1850 liep het helemaal mis. Alleen al in Midden-Java bleken op een bevolking van ruim een miljoen inwoners 350.000 mensen van ziekte, honger en ellende te zijn gestorven.

De Nederlandse regering bleek niet onder de indruk van de alarmerende berichten. Hoe harder het Javaanse volk zwoegde, hoe minder ze voor zichzelf over hielden. Door groeiende politieke invloed van liberale critici zou het Cultuurstelsel langzaam worden ondergraven. Nieuwe wetten als de Agrarische wet van 1870 boden de vrije ondernemer in de kolonie alle mogelijkheden.

In de overige delen van de archipel heeft het Cultuurstelsel echter geen enkele rol gespeeld. Van kolonisering was zelfs meestal nauwelijks sprake. De invloed van het Nederlandse oppergezag in de ‘buitengewesten’ was even beperkt als in de tijd van de VOC.

2.3 Horigen van twee heren

Bij zijn ontwerp van het Cultuurstelsel sloot Van den Bosch bewust aan bij het op Java bestaande feodaal-agrarische systeem. Hij zag dat de boeren bereid waren gehoorzaam te werken voor de adel. De adat, het gewoonterecht, bepaalde dat de vorst en zijn uitgebreide familie recht hadden op eerbied én arbeidskracht. Zij hadden bovendien recht op een tiende deel van de oogst en in tijden van nood moesten de onderdanen ook nog als soldaten dienen..

Er werd dus een dualistisch bestuursstelsel ingevoerd waarbij een Nederlands Binnenlands Bestuur en het traditionele Javaanse Inlandse Bestuur in verschillende lagen naast elkaar functioneerden.

Om te garanderen dat de Nederlanders uiteindelijk de hoogste macht vertegenwoordigden, kwam de resident boven de regent te staan..De medewerking van de inheemse adel werd verkregen door hen te voorzien van extra landbouwgrond voor hun families, door hun hoge positie plechtig erfelijk te verklaren en door hun middels cultuurprocenten direct mee te laten profiteren van het gezwoeg van hun onderdanen. In de loop van de tijd werden de inlandse regenten zo steeds meer de uitvoerders van het Nederlandse Cultuurstelsel terwijl ze in de ogen van het volk soevereine vorsten bleven waaraan gehoorzaamheid verschuldigd was.

Deze ‘raciale scheiding van machten’ maakte het mogelijk dat het Cultuurstelsel de economische invloed van de Nederlanders enorm vergrootte terwijl hun culturele beïnvloeding tegelijkertijd beperkt bleef.

Natuurlijk namen de Nederlandse bestuursambtenaren Indische gewoonten over, maar dat beperkte zich vaak tot het leven binnenshuis. Buitenshuis moest de stand worden opgehouden.

Zie voor Hoofdstuk 3 CSE De Koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 3