We hebben 247 gasten online

CSE De Koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 4

Gepost in Nederland

Hoofdstuk 4 CSE De koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands Indië

het rijk van insulinde

Hoofdstuk 4 1900-1949: van Ethische politiek tot politieke onafhankelijkheid

Oriëntatiekennis

De beide wereldoorlogen kwamen voornamelijk voort uit het in de negentiende eeuw in Europa gegroeide mengsel van nationalisme en imperialisme. Landen probeerden optimaal te profiteren van hun kolonies, stimuleerden de nationale trots, de nationale welvaart én de nationale weerbaarheid.

De ‘nieuwe landen’ Italië en Duitsland wilden ook koloniën. Maar de koek was praktisch verdeeld. Toen na 1880 de Duits keizer Willem II op zoek ging naar een ‘Platz an der Sonne’ bleek er weinig plaats meer te zijn.

Frankrijk wilde revanche voor de geleden nederlaag in 1871 tegen Duitsland.

Zo was er een mengsel ontstaan van nationalisme, imperialisme, militarisme en geldingsdrang waardoor één moordaanslag op de Oostenrijkse Kroonprins een wereldbrand veroorzaakte.

Europa bleek ernstig verzwakt.

  • Het waren de Amerikanen die er in slaagden in de oorlog de beslissende doorbraak te bereiken.

  • Aan de Oostgrens van Europa had in 1917 een fundamentele doorbraak plaatsgevonden. De communistische revolutie maakte Moskou tot machtsbasis van de communisten.

  • De nieuwe spelers namen niet langer genoegen met een bijrol. Het Amerikaanse liberalisme en het Russische communisme zetten het traditionele kolonialisme onder toenemende druk.

  • De beurskrach van 1929 en de daaruit voortkomende wereldcrisis zetten de onderlinge verhoudingen in Europa plotseling weer op scherp.

  • De meeste landen probeerden hun eigen economie te beschermen en pasten protectie toe.

  • Antidemocratische stromingen als het fascisme en communisme kregen kans wortel te schieten. In Duitsland, Japan en Italië wisten de rechts-radicalen aan de macht te komen en de wereld zou opnieuw in een wereldoorlog terechtkomen.

Na afloop waren er nog maar twee supermachten de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Tegelijkertijd betekende de oorlog het einde van het kolonialisme. Europse bestuurders werden vernederd en bij hun terugkeer stuitten ze op hevig verzet van de eens zo gehoorzame volken. de groeiende Amerikaanse angst voor het communisme begon de afkeer van het Europese kolonialisme langzaam maar zeker te overschaduwen.

Vraagstelling: Welke gevolgen had de verschuiving van de internationale krachtsverhoudingen in de twintigste eeuw voor de ontwikkeling van het nationalisme in Indonesië?

4.1 De 'Ethische Politiek', ideaal en werkelijkheid

Er ontstond kritiek o.a. door Max Havelaar, waardoor veel Nederlanders aan het denken werden gezet. De Anti-Revolutionair Kuyper zag Indië niet langer als een wingewest maar vond dat het recht had op opvoeding, welvaart en op termijn zelfstandigheid. Binnen die voogdijgedachte speelde het principe van associatie een belangrijke rol. Indonesië en Nederland moesten in de toekomst samengaan tot één hechte gemeenschap.

Er veranderde echter maar weinig. De socialist Domela Nieuwenhuis gooide de knuppel in het hoederhok door te beweren dat Nederland in de loop van de eeuwen minstens 850 miljoen uit Indië had geroofd. Er gebeurde niets totdat in 1899 de Indische advocaat Van Deventer de discussie weer opende. Hij schreef over 'Een Ereschuld' en noemde een bedrag van 823 miljoen. De Indische journalist Pieter Brooshooft werd de naamgever van de Ethische politiek door zijn publicatie van 'De ethische koers in de koloniale politiek' waarin hij pleitte vooreen nieuw koloniaal beleid waarbij we de Javaan zouden geven ' wat wij voor hem hebben'.

De verplichting om voortaan het welzijn en de welvaart van de Indonesische bevolking te bevorderen kreeg een centrale plaats. Maar de voorstanders van de koloniale machtsuitbreiding zagen hun kans schoon. Ze verklaarden de gezagsuitbreiding in de gehele archipel tot de 'ethische plicht'. de minister van koloniën waagde het zelfs om het gebruik van het zwaard als de 'hoogste eisch van naastenliefde' af te schilderen.

Naast de afronding van het Nederlandse gezag in de Buitengewesten, werd op Java en Sumatra een begin gemaakt met het welvaartsbeleid. De nieuwe leus werd 'irrigatie, emigratie en educatie'.

Door de decentralisatiewet van 1903 mochten voor het eerst een klein aantal Indonesiërs zitting nemen in gemeente- en provincieraden. Van groter belang was de in 1916 ingestelde Volksraad. In mei 1918 kwam deze voor het eerst bij elkaar. De raad bestond uit 23 Europeanen en 15 Indonesiërs en was bedoeld als adviesorgaan. Hoewel omschreven als 'zoethoudertje' markeert de Volksraad wel het begin van een ontwikkeling.

Zelfbewuste vertegenwoordigers van de Javaanse elite hadden in 1908 een eigen vereniging opgericht die ze Boedi Oetomo 'het schone streven' noemden. Ze zochten niet de confrontatie maar coöperatie. Bekender en massaler werd in 1912 de Sarekat Islam opgericht. Deze streefde niet alleen naar het bevorderen van onderlinge economische hulp maar wilde ook politiek bedrijven. Het verbond streefde naar zelfbestuur en onafhankelijkheid. Ze waren echter zo slim om radicale eisen geheim te houden en voorlopig te kiezen voor coöperatie.

Wat werd er intussen door de ethici bereikt?

De discussie over de 'Eereschuld' werd in 1905 besloten met een eenmalige toekenning van 40 miljoen gulden voor bijzondere projecten. Voor de uitvoerbaarheid van de dure plannen moest de kolonie financieel zelf zorgen. Toch leidde de welvaartspolitiek op Java tot duidelijke verbeteringen in de infrastructuur en tot de irrigatie van geschikte landbouwgronden. Het landbouwareaal zou uiteindelijk zelfs met de helft toenemen. De productie werd ook bevorderd door de landbouwvoorlichting en de verbeterde kredietverlening.

Maar voor de gewone Javanen veranderde er echter weinig. Dit kwam vooral door de sterke bevolkingsgroei van 11 miljoen in 1860 naar 34 miljoen in 1920, en zou in 1942 oplopen naar 70 miljoen inwoners.

De bevolkingsexplosie in plaats van een verhoging van de welvaart kwam vooral door:

  • afwezigheid van oorlogen;

  • aanvoer van voedsel uit de buitengewesten;

  • succesvolle voorlichting over hygiëne;

  • vaccinatiecampagnes tegen pokken en pest.

Via emigratieplannen naar bijvoorbeeld Sumatra probeerde men de bevolkingsdruk op Java te verminderen, maar men bleef liever op Java.

Voor de Surinaamse planters was de ethische politiek één grote teleurstelling omdat de stroom van goedkope Javaanse arbeiders uitbleef. Toen door de ethische politiek de 'poenale sanctie' ter discussie kwam te staan reageerden de planters zeer afwijzend.

Naast irrigatie en emigratie was educatie het derde speerpunt van de ethische politiek. Zowel het bedrijfsleven als het Inlands Bestuur hadden er belang bij dat meer inwoners van de kolonie konden lezen en schrijven. De scholen mochten echter geen kweekvijvers worden van nationalisme. Gekozen werd voor een schooltype naar landaard. Zo kwamen er eenvoudige desascholen in de dorpen die door de dorpelingen zelf moesten worden betaald. Voor de Europese kinderen en de kinderen van de Indonesische elite kwam er de Europese Lagere School. Het hoge schoolgeld garandeerde dat veel Indo-Europese en Indonesische kinderen buiten de deur werden gehouden. In 1914 werd de Hollands-Indische School opgericht speciaal voor de Indonesische elite. Naar het voorbeeld van de Javaanse Kartini (1879-1904) werden voor meisjes uit de Indonesische elite scholen opgericht. Voor de ethici groeide Kartini uit tot heldin en in het moderne Indonesië wordt zij vereerd als een nationaal symbool.

Omdat de hogere koloniale bestuurders uit Nederland werden gehaald kon het voortgezet- en hoger onderwijs in Ned-Indië beperkt blijven. Het meest bekend werd de Technische Hogeschool in Bandoeng bekend, waar de latere president Soekarno afstudeerde, en de School Tot Opleiding Van Inheemse Artsen(STOVIA) in Batavia.

De idealen van de ethische politiek bleven bijna overal steken in goede bedoelingen. Maar heeft de Indonesische bevolking wel aan het denken gezet en het nationalisme aangewakkerd.

4.2 Nationalisme en kolonialisme, coöperatie of non-coöperatie?

De vraag naar tropische producten op de wereldmarkt zakte begin jaren twintig in en de prijzen van Indische producten daalden, en dus ook de lonen van de toch al slecht betaalde inheemse arbeiders. Er braken stakingen uit en voor het eerst kreeg men te maken met inheems verzet. De eigenaren van bedrijven deden verontwaardigd een beroep op het Inlands Bestuur.

De Sarekat Islam werd als een broedplaats gezien van verzet tegen economische en politieke onderdrukking. Een groeiende groep bleek steeds meer in staat om westerlingen met hun eigen wapens te bestrijden. Ze kozen begin jaren twintig voor een nieuw nationalisme. Er moest gestreden worden voor de rechten en belangen van een héél volk, het Indonesische volk. Steeds meer nationalisten propageerden de Non-Coöperatie. De Partai Kommunis Indonesia (PKI) van 1920 was de meest radicale groep. Op 12 november 1926 vonden de Javaanse communisten dat ze lang genoeg gewacht hadden en kwamen in opstand. Het gouvernement sloeg hard terug. De PKI werd met geweld gebroken door méér dan 13.000 mensen te arresteren, een drietal te executeren en ruim 800 mensen te verbannen.

Het nationalistische antwoord kwam snel door binnen een jaar over te gaan tot de oprichting van de Partei National Indonesia (PNI) door Soekarno, Hatta en Sjahrir. De charismatische Soekarno groeide al snel uit tot het symbool van de nieuwe partij. Tijdens een bijeenkomst van het Indonesische Jeugdcongres in oktober 1928 legden de jongeren 'de eed van de jeugd af' waarin ze besloten samen te strijden voor één volk, één taal' en één vaderland en zongen het nieuwe Indonesische volkslied 'Indonesia Raya'.

Het gouvernement zag in de PNI een bedreiging en besloot Soekarno op 29 december 1929 te arresteren. Soekarno werd tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld. Omdat de non-coöperatieven nu onder sterke druk stonden richtten sommige nationalisten zich liever op de korte termijn en probeerden via samenwerking met de Nederlanders kleine stapjes te zetten. In plaats van 'onafhankelijkheid' beweerden ze te streven naar 'zelfstandigheid voor Indonesië binnen het koninkrijk'. De vorming van een volwaardig parlement zou een eerste stap moeten zijn. De Volksraad leek perspectief te bieden.

In de grondwetsherziening van 1922 was al opgenomen dat 'interne aangelegenheden' van Nederlands-Indië in het algemeen moest worden overgelaten aan 'aldaar gevestigde organen' en had de Volksraad in 1925 medewetgevende macht gekregen. Maar het duurde nog tot 1936 dat de Petitie -Soetardjo werd ingediend waarin werd gevraagd een conferentie te beleggen van vertegenwoordigers van Nederland en Indonesië om tot een plan te komen Ned-Indië binnen 10 jaar de zelfstandigheid te geven. De petitie werd met 26 stemmen voor en 19 tegen aangenomen. De gouverneur-generaal echter stelde dat de petitie slechts uitdrukking gaf aan de verlangens van een kleine ontwikkelde bovenlaag en adviseerde de motie niet uit te voeren. Na twee jaar werd de petitie in 1938 alsnog door het parlement afgewezen. De coöperatieve weg bleek een doodlopende te zijn geworden.

De wereldcrisis van de jaren dertig deed de prijzen van grondstoffen dalen waardoor de werkloosheid toenam. Daarbij kwam nog dat de regeringen van Colijn de gouden standaard handhaafde en economisch een aanpassingspolitiek voerde. De bezuinigingen betekende een voortijdig einde aan veel dure ethische plannen en leidden tot talloze ontslagen binnen de overheidsdiensten. Ook het besluit de gulden van Ned-Indië onlosmakelijk te verbinden aan de 'gave gulden' was een economische ramp.

De spanningen liepen op en de muiterij op het pantserschip 'De Zeven Provinciën', in 1933, was de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. Het gouvernement liet de Zeven Provinciën bombarderen. Opnieuw werden tal van nationalistische leiders gearresteerd en verbannen naar Boven-Digoel op Nieuw-Guinea. Men stond nu echt tegenover elkaar. Eind jaren dertig waren er in de verarmde kolonie een miljoen werkelozen. De overige inwoners moesten rondkomen van gehalveerde inkomens.

4.3 Van Tweede Wereldoorlog tot onafhankelijkheid

Nederland was door de Duitsers in mei 1940 bezet maar de Indische archipel werd vanuit Londen bestuurd. Indonesische nationalisten stelden voor om binnen vijf jaar en 'onafhankelijk parlementair Indonesië' te vormen door middel van een statenbond met Nederland verbonden. Engeland en de VS hadden al in het Atlantisch handvest afgesproken(augustus 1941) dat 'elk volk het recht heeft, die vorm te kiezen van bestuur, waaronder het zelf wil leven'. Maar minister Welter was van mening dat dit niet voor Ned-Indië gold. Dat was een interne kwestie.

Door de expansie van Japan werd ook Ned-Indië onder de voet gelopen en op 5 maart 1942 gaf Batavia zich over. De snelle overgave en de vernederende arrestaties van de Nederlanders betekenden voor veel Indonesiërs een even plotseling als welkom einde aan de heerschappij van de 'onoverwinnelijke Europeaan'. Maar men juichte te vroeg. Men kwam onder direct Japans bestuur te staan en Indonesië werd steeds meer ingezet voor de Japanse oorlogsvoering. Olie- en voedselvoorraden gingen richting Japan en honderdduizenden Indonesiërs werden als Romusha's aan zware dwangarbeid gezet. De Nederlanders werden in Interneringskampen vastgezet of werden gedwongen tot dwangarbeid (Birmaspoorweg).

Pas in het voorjaar van 1945, toen de oorlogskansen gekeerd waren, begonnen de Japanners te praten over een toekomstige onafhankelijkheid van Indonesië. Op 17 juli stemde men in met officiële voorbereidingen door een 'Comitë ter voorbereiding van de onafhankelijkheid'. Soekarno en Sjarir werden aangesteld als de belangrijkste leiders. De regering in Londen rekende er echter op na de capitulatie van Japan weer in Ned-Indië als bestuurder terug te keren..

De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki leidden op 15 augustus 1945 tot een plotselinge overgaven van Japan waarna op 17 augustus Soekarno en Hatta de onafhankelijke 'Repoeblik Indonesia' uitriepen. De Nederlandse regering bleek niet te begrijpen dat er in de internationale politiek grote veranderingen hadden plaatsgevonden. Men kon echt het gezag niet afdwingen omdat er geen Nederlandse soldaten en bestuurders waren.

De eerste geallieerden troepen kwamen pas zes weken later en het waren Brits-Indische soldaten. Deze bevonden zich in een lastige spagaat tussen de Indonesische wens tot 'merdeka', vrijheid en onafhankelijkheid, en de Nederlandse eis van 'gezagsherstel'. De periode van oktober 1945 tot januari 1946 is de geschiedenis ingegaan als de Bersiap-Periode. 'Bersiap' was de strijdkreet waarmee Soekarno de nieuwe aanhangers van de Republiek aanvuurde. In die drie onrustige maanden vielen aan Nederlandse kant ruim 3.500 slachtoffers. Aan Indonesische kant was dat veel hoger.

Soekarno werd door de Nederlandse regering weggezet als een collaborateur die zijn eigen volkaan de Japanners had uitgeleverd. Luitenant Gouverneur - Generaal Van Mook begreep echter dat Soekarno wel degelijk voor zijn volk sprak. Op 31 oktober 1946 sprak hij met Soekarno om wat druk van de ketel te halen. Dit leidde tot besprekingen tussen Sjahrir en Nederland en mondde uit in het Akkoord van Linggadjati op 15 november 1946.: Nederland erkende het gezag van de Repoeblik Indonesia op Java en Sumatra, terwijl de Republiek toestemde in de vorming van een federatieve staat die de ' Verenigde Staten van Indonesië' zou gaan heten en de koningin het staatshoofd zou zijn.

Voor beide partijen bleek Linggadjati uiteindelijk weinig meer dan en opstapje naar een militaire oplossing. Op 29 juli 1947 begon Nederland de eerste Politionele actie. Het doel was de winstgevende ondernemingen op Java terug te veroveren en tegelijkertijd de 'Republiek' in het hart te raken. Sjahrir vroeg onmiddellijk de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties om een einde te maken aan wat hij 'een koloniale oorlog' noemde.

De successen op het slagveld konden echter niet lang verhullen dat de Nederlanders zich in een uitzichtloze guerrillaoorlog hadden gestort. Toen ook de VN-bemiddelaars de haviken aan beide kanten niet op één lijn wisten te krijgen, koos de in het nauw gedreven Nederlandse regering opnieuw voor een vlucht naar voren. De zondag na het kerstverlof van de Veiligheidsraad in december 1948, werd een tweed politionele actie een verrassingsaanval gedaan waarbij de hele top van de Indonesische regering werd opgepakt. de geïrriteerde Amerikanen dreigden als represaille de Marshallhulp onmiddellijk stop te zetten. Nederland liet daarop de top van de Indonesische regering vrij.

Na een nieuwe onderhandelingsronde werd Indonesië op 27 december 1949 formeel een onafhankelijke staat. Er kwam een Unie tussen Nederland en Indonesië onder leiding van koningin Juliana en Nieuw-Guinea bleef in Nederlands bezit.

Wat heeft de eerste helft van de twintigste eeuw betekent voor de onderlinge band tussen Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs?

De kloof tussen de kleine groep christelijke 'westerlingen' en de islamitische Indonesiërs is nooit overbrugd. De Indo-Europeanen dreigden tussen de wal en het schip te raken. De Indonesiërs trokken de conclusie dat de Nederlanders niets te zoeken hadden in de archipel.

Zie voor Hoofdstuk 5 CSE De Koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië Hfst 5