We hebben 180 gasten online

Samenvatting en Antwoorden: Nederlanders en hun gezagsdragers 1950-1990: verzuiling,polarisatie en herwonnen concensus

Gepost in Nederland

Historisch kader

Nederland in 1900 zag er heel anders uit dan in 2000, al waren alle onderdelen van het nieuwe leven wel al aanwezig.

De situatie in 1900:

  • minder welvaart
  • kleinschaliger
  • verschillende rangen, standen en geloofsgroepen
  • vervoer door paard en wagen. Spoorlijn was er wel, maar was nog te duur.
  • toename fabrieken en fabrieksarbeiders
  • opkomst benzinemotoren
  • 1e supermarkt

§ 0.1

1848: breukjaar in de politieke geschiedenis van Nederland

In dit jaar werd er een grondwetwijziging doorgevoerd die de macht van de koning beperkte. Zijn rol werd vanaf toen voornamelijk symbolisch en ceremonieel. Ministers waren vanaf toen verantwoording verschuldigd aan de gekozen volksvertegenwoordiging. Wanneer zij faalden, konden ministers ontslagen worden.

Parlementaire democratie:

Het volk kiest democratisch een parlement die vervolgens het land bestuurt.

In het begin mochten alleen rijke burgers die veel belasting betaalden, stemmen. Door het districtstelsel was het voor nieuwe partijen bijna onmogelijk om in het parlement te komen, zodat het altijd dezelfde partij was die het voor het zeggen had. Bovendien had nog niet iedereen stemrecht, waardoor de meeste Nederlanders en hun ideeën en wensen politiek buitenspel stonden. We kunnen dus niet echt spreken van een democratie.

Districtstelsel:

Men kon pas vertegenwoordiger van een district worden als de meerderheid van stemmen in dat gebied gehaald was. Het waren altijd de partijen met de meeste invloed die wonnen. Kleine partijen zonder invloed verloren.

Na 1870 kwamen de liberalen, die het steeds voor het zeggen hadden gehad, onder druk te staan. Mensen werden beter geschoold, vakbonden kregen meer invloed en het aantal arbeiders groeide. Om hen tevreden te houden begon men te werken aan het algemeen mannenkiesrecht. Dit maakte dat de gewone man nu via allerlei verenigingen op zou kunnen komen voor zijn leef- en werksituatie. Protestanten, Katholieken en socialisten zagen mogelijkheden om een rol in de politiek te kunnen gaan spelen door de groeiende macht van hun achterban en eisten uitbreiding van het kiesrecht, wat in 1917 verkregen werd.
De opkomst van nieuwe partijen joeg de liberale burgerij angst aan omdat zij bang waren hun macht te verliezen.

1917:

  • invoering algemeen mannenkiesrecht
  • afschaffing districtenstelsel en invoering van het evenredig kiesstelsel
  • omvang groep zorgt nu voor plaats in parlement en niet bezit of scholing.

Liberalisme:

Politiek en economisch stelsel, ontstaan in de 18e eeuw, waarbij de vrijheid en de rechten van het individu voorop staan. Liberalen pleiten voor een terughoudende rol van de overheid. Voor liberalen is het kapitalisme het beste economische stelsel.

Evenredig kiesstelsel:

Dit is een kiesstelsel waarbij de stemmen landelijk worden verzameld. Alle stemmen gelden. Het is dus niet meer zo dat er per district een vertegenwoordiging wordt gekozen. Kleinere partijen maken nu ook een grote kans op een zetel, wat niet het geval was bij het districtenstelsel.

§ 0.2

Sinds de 16e eeuw was Nederland een land van kleine clubjes die allen hun eigen wensen en belangen hadden. De protestanten hadden het lange tijd voor het zeggen gehad, maar waren verdreven door de liberalen die, door de komst van fabrieken, steeds machtiger waren geworden. De protestanten wilden graag terug naar de tijd waarin zij geregeerd hadden. Zo wilden zij bijvoorbeeld een eigen onderwijssysteem dat gebaseerd was op de strenge christelijke leer.
Net als de protestanten voelden ook de katholieken zich onderkent. Ze hadden een hekel aan de protestanten en ook de liberalen mochten ze niet. Ook zij wilden hen eigen scholen. Om dat te realiseren moesten ze toch maar gaan samenwerken met de protestanten.

1848: vrijheid om eigen scholen te stichten, maar de overheid betaalde alleen voor openbare scholen. Daar waar de verschillende geloofsscholen voor een breuk zorgden, zouden de openbare scholen, volgens de overheid, de Nederlanders weer tot één volk maken.

De arbeiders waren het ook niet eens met de liberalen. Vakbonden werden tegengewerkt door ondernemers en de overheid waardoor ze zich niet konden verdedigen tegen ontslag en straffen. Vooral de gezagdragers van katholieke en protestantse huize waren tegen de socialisten. Die waren weer tegen de speciale christelijke scholen omdat ze dachten dat die zouden samenspannen tegen de socialisten. Ze wilden niet dat de overheid deze scholen zou steunen. Ook beschuldigden ze de liberalen er van geen oog te hebben voor de slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeiders die juist door de overheid tegen uitbuiting door het kapitalisme beschermd moesten worden. Het werd tijd voor algemeen kiesrecht voordat de arbeiders in opstand zouden komen.

Socialisme:

Politieke stroming die opheffing van het privé-bezit van de productiemiddelen nastreeft om zo te kunnen komen tot een klasseloze samenleving. Richt zich vooral op de arbeiders. Inspirators zijn Marx en Engels.

Kapitalisme

  • economische stelsel waarbij de productie en de verhandeling van goederen in bezit zijn van particulieren.

  • gericht op het maken van winst

  • gebaseerd op de vrije markt van vraag en aanbod

  • gebaseerd op opeenhoping van kapitaal en arbeid in particulieren ondernemingen

§ 0.3

Om ergens te komen moesten alle minderheden samenwerken.
1913: Cort van der Linden wordt Minister-president. Hij wil het probleem rond de kiesuitbreiding en speciaal onderwijs oplossen.
Pacificatie (= rust) van 1917: herziening van de grondwet. De katholieken en protestanten (= confessionelen) kregen financiële gelijkstelling van het onderwijs en de socialisten algemeen mannenkiesrecht.

Confessionelen:

Katholieken en protestanten. Zij baseren hen denken en handelen op basis van de geloofsbelijdenis. Confessionele politieke partijen willen hun politiek handelen baseren op de bijbel.

Toch was men nog niet tevreden. De hokjesgeest, waarin iedereen voor zijn eigen groep opkwam, werd steeds groter. De liberalen zagen de nieuwe kiezers als bedreiging voor hun politieke macht. De komst van nieuwe kiezers had tot gevolg dat geen van groeperingen de benodigde parlementaire meerderheid wist te behalen. Er moest dus worden samengewerkt tussen de groepen. In achterkamertjes, uit het zicht van pottenkijkers en parlement werden samenwerkingsbanden gesmeden. Zo ontwikkelde zich de consensuspolitiek.

Consensuspolitiek:

Partijen en groeperingen proberen door overleg en compromissen tot een overeenstemming in wensen en eisen te komen.

Gezagdragers moesten zowel de leiders van de andere zuilen als hun eigen zuilaanhang tevreden houden. Er mocht dan wel eenheid in het parlement zijn, dat hield nog niet in dat de zuilen ook echt moesten gaan samenwerken op alle gebieden. Alle groepen klitten samen in hun eigen zuil met eigen scholen, krant, vakverenigingen en sport- en gezelligheidsclubs. Dit bevorderde de verzuiling.

Verzuiling:

Politiek en maatschappelijk systeem waarin groepen strikt van elkaar gescheiden leven en ook het liefst niets met elkaar te maken willen hebben. Er zijn vier zuilen:

  • katholiek

  • protestants-christelijk

  • socialistisch

  • liberaal-neutraal

De verzuiling moest stand houden om politieke macht van de eigen zuil te behouden. De politieke cultuur dreef de zuilen uiteen, net zo lang tot alleen op politiek vlak van de gezagdragers, Nederland nog één volk was. Iedere zuil was gehoorzaam en loyaal aan zijn eigen gezagdrager, iets wat in de jaren '50 een grote rol speelde. Binnen de eigen zuil was het leven veilig. Daar buiten was het een boze, gevaarlijke wereld. Dat werd de verzuilde Nederlanders op allerlei manieren ingesproken en gehoorzaam als zij waren, geloofden zij hun gezagvoerders.

§ 0.4

Tussen 1917-1940 hadden de confessionele partijen doorslaggevende invloed op de parlementsvorming. Zij hadden hun krachten gebundeld om sterk te staan tegen de groeiende groep sociaal-democraten. Ze voorspelden grote problemen voor Nederland als deze groep ongelovige, socialistische lastpakken het voor het zeggen zouden krijgen. Daarom sprak men af samen deze groep zolang mogelijk uit de regering te houden.
Pas in 1939, onder dreiging van de Tweede Wereldoorlog, zag men in dat men meer moest gaan samenwerken om stand te kunnen houden. De eerste stap naar een Rooms-rode coalitie werd gezet ter bescherming van Nederland tegen de boze buitenwereld.

Rooms-rode coalitie:

In 1946 vormde de katholieke KVP samen met de sociaal-democratische PVDA een coalitie: een Rooms-rode coalitie. Deze samenwerking tussen confessionelen en socialisten viel uiteindelijk, na vier kabinetten onder Drees, in 1958 uiteen.

Hoofdstuk 1. De politieke cultuur en het politieke bestel in de jaren '50

Nederland was neutraal in de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918, maar raakte wel betrokken bij de Tweede Wereldoorlog van 1940-1945. Duitsland bezette Nederland en hoge gezagdragers werden opgesloten in kampen. Alle zuilen zaten daar bijeen en hadden de hele dag niets anders te doen dan met elkaar discussiëren over de toekomst van Nederland. Ze vroegen zich daar af of het geen tijd was voor politieke vernieuwen of dat men door moest gaan op de oude verzuilde toer.

§ 1.1

De oorlogsjaren hadden op alle vlakken grote schade aangericht, ook politiek en maatschappelijk. Ellende, geweld en armoede moest in de toekomst voorkomen worden. Vernieuwers wilden de overheid meer gezag geven en een einde maken aan de zuilen die alleen maar voor verdeeldheid zorgden. Er moest saamhorigheid komen en de overheid moest het volk hierin voorgaan.

Toch wilde niet iedereen dat het veranderde. De rust, orde en relatieve welvaart van voor de oorlog stelden velen tevreden. Ze wilden terug naar die tijd, de schaduwzijden van de verzuiling vergetend. De verzuiling moest blijven, ook volgens de katholieken en protestanten.

1945:

  • Nederlandse Volksbeweging (NVB) opgericht. Zij waren van mening dat de zuilen moesten worden afgebroken en Nederland weer één volk moest worden. Alle verschillen in klassen en geloof moesten worden opgeheven.

  • De Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP) werd de Katholieke Volkspartij (KVP) ARP en CHU ging op de oude verzuilde voet verder, terwijl de KVP helemaal terug wilde naar vroeger toen het christendom nog de dienst uitmaakte.

De rechtse liberalen vreesden een toeneming van macht door de overheid en waren bang hun vrije markt te verliezen. Ze veranderde hun naam in Partij van de Vrijheid. (Later werd dit de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie: VVD) De linkse liberalen vonden echter dat de overheid haar rol juist wel mocht verbreden. Zij zagen ook dat de oude partijen zich weer begonnen te herstelen, waardoor het voor nieuwe partijen moeilijker werd om de meerderheid van de stemmen te behalen.
Uiteindelijk traden een groep linkse liberalen, wat katholieken en protestanten toe tot de SDAP (Socialistische Democratische Arbeiderspartij) waarna die naam veranderd werd tot PvdA (Partij van de Arbeid). Met deze partij wilden ze de verzuiling doorbreken, maar de kans daarop leek klein.
De verkiezingsuitslag van 1946 gaf niet veel uitsluitsel, maar wel was duidelijk dat de verzuiling niet verdwenen was, maar de verdeeldheid wel. Men zag in dat er daadkrachtig geregeerd moest worden om het verwoestte land te kunnen wederopbouwen. De PVDA (= rood) werd toegelaten binnen de regering en daarmee ontstond samen met de KVP (= rooms) een Rooms-rode coalitie, iets wat 10 jaar stand zou houden.
Men wilde zo graag een nationale eendracht dat men rekening hield met de kleine partijen. De grote partijen kregen nog altijd het meest hun zin, maar er werd nu ook geluisterd naar de kleine partijen.

§ 1.2

Regels nieuwe politiek:

  • openlijke ruzies moesten vermeden worden

  • politiek moest serieus genomen worden

  • politiek moest nuchter en zakelijk zijn

  • centraal punt was niet de strijd, maar het resultaat

  • tegenstellingen moesten achter gesloten deuren worden uitgepraat

  • onoplosbare problemen moesten voorlopig even in de koelkast gezet worden of vooraf besproken door een groepje ervaren vertegenwoordigers van de verschillende zuilen.

  • evenredigheidsbeginsel.

Naast de politiek werkten ook de vakbondsorganisaties op deze manier Door steeds een beroep te doen op de gemeenschappelijke belangen en saamhorigheid bleef de achterban rustig en werkte men hard aan de wederopbouw van Nederland. Dit alles gebeurde onderleiding van de overheid, om zo snel naar een economisch herstel te werken.

1945: Stichting van de Arbeid opgericht. Hierin zaten vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers, landbouw- en middenstandsorganisaties. Zij zorgden voor een krachtig sturen van de arbeiders.
1950: Sociaal-economische Raad (SER) opgericht ter verbetering van de Stichting van de Arbeid. Zij werden een belangrijk adviesorgaan van de overheid. Het werd wettelijk vastgelegd dat de SER in het geheim mocht overleggen. Ze was de kroon op de Nederlandse overlegcultuur. De SER had dan formeel weinig te zeggen, omdat haar adviezen tot stand kwamen met instemming van alle betrokken belanggroepen, nam de regering de adviezen vaak direct over. De regering voerde de regie, maar het onderliggende verhaal werd vooral door de SER geschreven.

§ 1.3

Naast de noodzakelijke samenwerking van de zuilleiders, moest ook de eigen aanhang de gemaakte akkoorden accepteren. Trouw aan de eigen zuilleider was zeer belangrijk voor de verzuiling. Om de aanhang binnen de eigen groep te houden, werden in de verkiezingsprogramma's de tegenstellingen met andere zuilen flink aangezet
Confessionelen: op God gericht en tegen het ongeloof van de socialisten en liberalen.
PvdA: tegengaan van de sterke kapitalistische machten in de maatschappij en bescherming van de arbeider.
VVD: richt zich op 'vrij' en 'vrijheid'.
Het volk las deze verkiezingsprogramma's eigenlijk niet eens, maar ging uit wat gehoord was in kerk of op werkvloer. Ze hadden ook geen problemen met de verzuiling. Men wilde gehoorzaam zijn en eerbied tonen voor de gezagdragers. Dat vonden ze belangrijker dan inspraak. Iedereen kende zijn plaats en protesteerde niet.

De angst voor naoorlogs verval was door de gezagdragers goed opgevangen. Men had hard gewerkt om de gezaghoudingen in de politiek en maatschappij in stand te houden. Ook het gezin werd scherp in de gaten gehouden door allerlei instanties o.a. door het in 1952 door de regering opgerichte Ministerie van Maatschappelijk Werk. Mocht het binnen het gezin ondanks alles toch mis gaan, dan stond een heel begeleidingsteam klaar om hulp te bieden. In de ergste gevallen werd men naar een heropvoedinginrichting of tuchthuis gestuurd.

Men had geleerd zijn gezagdragers te vertrouwen en de gezagdragers deden zo weinig mogelijk om dit vertrouwen te beschamen. De hoge heren deden hun werk goed en zorgden ervoor dat de vooroorlogse rust en orde terugkwamen, samen met een groeiende welvaart.
Zo werd Nederland na de oorlog, teruggeleid in de eigen zuil en terug naar de vooroorlogse situatie.

PARAGRAAFVRAAG 1: In hoeverre keerde na de oorlog de politieke cultuur terug?

Tijdens hun gevangenschap spraken de gezagdragers met elkaar hoe het verder moest met de toekomst van Nederland. Wat het resultaat van deze gesprekken ook moge zijn, na de oorlog bleef Nederland gewoon een verzuild land al werd er op politiek gebied wel met elkaar samengewerkt. Nederlands lieten weten de rust en orde van de vooroorlogse jaren zeer te waarderen, dus borduurden de gezagdragers daar graag op verder.

PARAGRAAFVRAAG 2: Waarom groeide de rol van de staat en hoe is die gegroeide rol te verklaren?

Na de oorlog lagen veel steden in Nederland in puin, samen met de politiek en de economie. Om de wederopbouw en daarmee de economie in goede banen te leiden, was er krachtig overheidsoptreden nodig. Ook was het nodig om de mensen, en met name de in de oorlog 'verwilderde' jeugd weer in het gareel te krijgen. Door uitbreiding van het staatsgezag, kon de overheid dit voor elkaar krijgen en zo van Nederland weer een welvarend land maken.

Hoofdstuk 2. Trouw aan het gezag

De jaren na de oorlog, met name de jaren '50, zijn gekleurd door de verzuiling.

§ 2.1

De overheid maakte zich zorgen over de in de oorlog 'verwilderde' jeugd. Daarom richtte men zich vooral op het gezin onder het mom van 'Gezinsherstel is volksherstel'. Het kind moest in een strenge gezagsverhouding binnen het gezin netjes worden opgevoed en ver van de moderne verdorvenheden weggehouden worden. Op die manier kan de verwildering van de jeugd een halt toe geroepen worden. Zo werd het gezin 'de hoeksteen van de samenleving'. Binnen het gezin had iedereen zijn/haar taken waar men zich aan diende te houden. Ouders wil was wet. Gezinnen die uit de toon vielen, werden door hulpverleners bezocht, zelfs soms met een agent erbij. Mocht het helemaal uit de hand lopen, dan werden de asociale gezinnen verbannen naar 'gezinsoorden' ver buiten de stad, waar ze dan weer op het rechte pad gezet moesten worden.
De zuilen en de regering bemoeiden zich met de opvoeding. Verenigingen als de scouting, waar velen zich bij aansloten, kregen subsidie. De censuur probeerde de jeugd in het keurslijf te duwen, maar langzaam aan begonnen de jongeren zich los te breken.

§ 2.2

De kerk speelden nog een grote rol in het doen en denken van de Nederlanders en bemoeide zich met het onderwijs, ziekenzorg, gezinsplanning, vrije tijdsbesteding etc. Trouw aan de wetten van God, kerk en overheid waren de sleutelwoorden voor een goede opvoeding en een vroom bestaan. Wie zich niet aan de regels hield werd uitgestoten. Kerk en overheid werkten nauw samen op sociaal en politiek gebied. De confessionele partijen hadden een overwicht binnen de regering en parlement, dus de regels en wetten waren vrij kerkelijk gericht.

Christelijk-ethisch denken:

Wetten zitten vol met normen en waarden uit het christendom. Het richte zich vooral op onderwijs en gezin. De mening van niet-gelovigen was niet belangrijk.

Bisschoppelijk mandement:

Werd in 1954 door de bisschoppen uitgegeven als uiting van ongerustheid. Opgesteld nadat in 1952 de KVP tijdens de verkiezingen kleiner was dan de PVDA. De bisschoppen verboden de christenen zich in te laten met alles wat socialistisch was.
Er begon zich een maatschappelijke verschuiving voor te doen: de kerk begon haar invloed en macht te verliezen.

§ 2.3

Mede door het wegvallen van Indonesië, de naoorlogse babyboom en de schade aan het land, was het zeer noodzakelijk dat de Nederlandse industrie weer snel werd opgebouwd. De arbeiders verenigden zich in vakbonden. Er waren 3 verzuilde vakcentrales:

  • KAB: Katholieke Arbeidersbeweging (katholiek)

  • CNV: Christelijk Nationaal Vakbond (protestant)

  • NVV: Nationaal Verbond voor Vakverenigingen (socialistisch)

Taken van een vakbond:

  • loononderhandelingen

  • werktijd bespreking

  • verzorging van cursussen

  • voorlichting volksgezondheid

  • regelen arbeidsverzekering en huisvesting

  • vrijetijdsbesteding arbeider

Vakbondsleiders speelden een grote rol in de naoorlogse overlegcultuur. Ze hadden binnen de eigen vakbond veel aanzien. Ze wilden liever geen conflicten omdat dit nadelig kon uitpakken. Harmonie tussen ondernemer en arbeider zorgde voor een goede economie met daarbij behorende werkgelegenheid. De arbeiders waren echter niet altijd tevreden over deze harmonie omdat op die manier het arbeidsloon laag gehouden kon worden, wat alleen maar voordelig was voor de ondernemer en niet voor de arbeider.

PARAGRAAFVRAAG 1: Hoe voedden de ouders hun kinderen op?

Kinderen werden, onder druk van de staat en de kerk, opgevoed tot keurige mensen die zich hielden aan hun taken en gehoorzaam en loyaal waren aan de gezagdragers. Ze werden zo ver mogelijk weggehouden van de moderne 'verdorvenheden' die het leven het te bieden had. Een vroom en gehoorzaam leven was wat bereikt moest worden.

PARAGRAAFVRAAG 2: Welke rol speelden de kerk in het leven van alledag?

De Kerk speelden een grote rol in het leven van de gelovigen. Ze bemoeiden zich met het onderwijs, vrijetijdsbesteding, ziekenzorg en gezinsplanning. Wanneer er niet genoeg kinderen geboren werden binnen een gezin, kwam de pastoor langs om eens te kijken wat er loos was. Omdat de KVP lange tijd een grote invloed had op de regering, waren ook de regels en wetten vrij kerkelijk. Vanaf de preekstoel legde de pastoor vaak zijn mening op aan zijn kerkgangers, wat hen dan weer veilig in de eigen zuil hield.

PARAGRAAFVRAAG 3: In welke mate hebben vakbonden bijgedragen aan de samenleving van de jaren '50?

Door dat de vakbonden een harmonieuze verhouding met de ondernemers aangingen, kon de Nederlandse welvaart en economie snel groeien. Hierdoor was er ook een grote werkgelegenheid. Nadeel was dat de arbeidslonen laag gehouden werden om dit te kunnen bereiken. Hier waren de arbeiders niet altijd tevreden over, want zo profiteerden zij niet van de door hen gecreëerde welvaart, terwijl de ondernemers dat wel deden.

Hoofdstuk 3. Een samenleving in verandering

Het leek alsof het teruggekeerde verzuilde leven van de jaren '50 zijn plaats in de maatschappij weer had ingenomen, maar niets was minder waar. Er waren veranderingen op komst. Zo daalde de populariteit van de confessionele partijen, brokkelde de zuilen af en begon de gehoorzaamheid van de arbeiders en jeugd af te nemen. We kunnen stellen dat in de jaren '50 de grondbeginselen van de roerige jaren '60 liggen.

§ 3.1

De maatschappij in 1950:

  • soberheid in alles

  • strenge scheiding tussen gelovigen en ongelovigen

  • overdreven bezorgdheid om de jeugd

  • babyboom en rol kerk zorgde voor grote gezinnen

  • de burger is gehoorzaam aan de zuil en de gezagdragers.

    De maatschappij in 1970:

  • algemene bijstandswet

  • leeglopende kerken

  • damslapers, nozems en andere uit de band springende jongeren

  • kleine gezinnen

  • mondige burgers die zeggen wat ze vinden

1965 was volgens onderzoekers een breukjaar, maar het beginpunt van de veranderingen lag ergens in de jaren '50. Toen was men, ondanks het conservatisme, het pad van de vernieuwing ingeslagen. De grootste verandering was waarschijnlijk het veranderen van de mentaliteit: men werd mondiger. Was men in 1952 nog gehoorzaam aan Minister-president Vadertje Drees, in 1970 begon men steeds meer te twijfelen aan de overheid, de pastoor en de schoolmeester. De overheid werd niet altijd meer serieus genomen en bepaalde wetten werden niet meer zonder morren geaccepteerd.

Door de industrialisatie had de landbouw minder mensen nodig. Deze werklozen trokken naar de stad om daar te gaan wonen in de uit de grond gestampte nieuwbouwwijken. Daar was het leven heel anders dan in het dorp waar ze vandaan kwamen. Men kwam in aanraking met het stadsleven en via de Tv met de wereld om zich heen. Iedere zuil had dan wel een eigen Tv-zender, men hield zich vaak niet meer aan de eigen zuilregels. Men hoorde de overheid niet alleen meer aan, maar eiste ook dat de overheid klaar stond om het iedereen naar de zin te maken, iets wat de overheid maar wat graag wilde doen. Nederland wilde in alles verzorgd worden en daar werd voor gezorgd: Nederland veranderde van een agrarische samenleving in een verzorgingsstaat.

Verzorgingsstaat:

De staat zorgt voor uitkeringen en financiële bijstand voor de mensen die dit nodig hebben. Het zorgt ervoor dat de Nederlander van wieg tot graf verzorgt en bijgestaan kan worden. De verzorgingsstaat lijkt een prima systeem, maar is wel erg duur voor de staat.

§ 3.2

Nederland moest een moderne economie opbouwen om weer welvarend te worden. Een hoge arbeidsproductie en lage lonen zouden producten voor Nederland laag houden, maar interessant voor export. Export zou garant staan voor meer werkgelegenheid. Arbeidsproductie moest verhoogd worden met behulp van moderne machines.

Industrialisatiepolitiek:

Er moesten moderne machines in de landbouw en de fabrieken komen om de productie te verhogen. De overheid zorgde voor onderwijs en 'industrienota's' om ondernemers, boeren en onderwijs te sturen. Lage lonen gaven ondernemers het geld om te blijven investeren in nieuwe dure machines. Wie het goed deed, kon rekenen op belastingvoordeel, lening en subsidie. Fusies en schaalvergroting werd aangemoedigd. Dit alles had tot gevolg dat de kleine bedrijfjes weg geconcurreerd werden. De werknemers van deze bedrijfjes kwamen weer terecht in de fabriek of op kantoor.

Zo verdwenen er veel agrarische bedrijven en groeiden de industrie en dienstensector, gevolgd door de overheid en het transportwezen. Ook de mobiliteit nam toe. Steeds vaker werd een brommer of auto voor woon-werkverkeer aangeschaft. Hierdoor kon men verder van huis werken, met als gevolg dat er forensensteden begonnen te ontstaan.

In de jaren '60 is er meer werk dan werknemers. Nederlanders willen geen saai, smerig of slecht betaald werk doen. Voor dit werk trekt de overheid werknemers uit het buitenland aan: gastarbeiders. De gastarbeiders zagen hier een kans op een beter bestaan voor hun gezin. Vooral mensen uit Italië, Spanje, Turkije en Marokko kwamen naar Nederland. In het begin vond iedereen het nog heel gezellig. Dat veranderde toen er meer buitenlanders kwamen en het nieuwtje eraf was. De gastarbeiders werden samen gestopt in kampen of speciale wijken die voor hen waren ingericht. Veel Nederlanders keken neer op de gastarbeider die hard moest werken voor zijn schamele loon en vooral niet teveel moest protesteren, iets wat ze ook vaak niet durfden.

§ 3.3

Eind jaren '50 doet de Tv zijn intreden in het gezin. Het doorbreekt niet alleen de oude gezellige huiskamersfeer, maar ook de zuilen. Via de Tv konden de Nederlanders de hele wereld buiten hun eigen zuil zien en begonnen zich meningen te vormen die buiten hen verzuilde denken vielen.

Amerika werd als het grote voorbeeld gezien vanwege haar macht, modernisering en welvaart. Apparatuur, vakantie, auto's en de nieuwste vormen van muziek als jazz en rock 'n roll waren volkomen nieuw in Nederland. Iedereen moest mee met de vernieuwingstrein, ook de Nederlanders, anders telde je niet meer mee. Bezit werd van groot belang. Omdat de lonen langzaam stegen, steeg ook de koopkracht en Nederlanders begonnen, onder invloed van reclame, de nieuwste apparatuur en auto's aan te schaffen. Nederland was hard op weg een moderne consumptiemaatschappij te worden.

Om welvaart te kunnen bereiken moest je wel een opleiding volgen. Ouders en overheid stimuleerden jongeren naar school te gaan. Studiebeurzen en belastingvoordelen voor studenten werden ingevoerd. De scholen raakten uit de verzuiling en verschillende groepen jongeren kwamen met elkaar in aanraking. Ze begonnen hun eigen wereld vol muziek, brommers en ideeën te vormen, ver van die van hun ouders. De jeugd ging zich door hun betere opleiding steeds kritischer gedragen naar de wereld om zich heen.

De zuilen begonnen af te brokkelen omdat men zich steeds meer in de verschillende zuilen ging begeven door werk en politiek. Geloof begon steeds minder belangrijk te worden. Een secularisatieproces ontstond: er werden steeds meer beslissingen genomen in de maatschappij waaraan het christendom niet verbonden was. De kerk begon haar centrale plaats te verliezen, ook omdat velen stopten met de kerkgang.

De groeiende welvaart en taken van de overheid maakte van Nederland een verzorgingsstaat. De Nederlander kon prima voor zichzelf zorgen, maar mocht het fout gaan, dan stond de overheid klaar staan om de burger op te vangen. Dit kon door middel van de in 1963 ingevoerde Algemene Bijstandswet. Hiermee was het vangnet en de verzorgingsstaat voltooit. Nederland kon voor zijn levenslang verzorgd worden.

§ 3.4

Na mate de welvaart toenam, werd de samenwerking tussen Rooms en Rood moeilijker. De verschillen werden groter. De KVP wilde graag de belasting verlagen, terwijl de PVDA, onder druk van de vakbonden, de lonen omhoog wilden hebben zodat de arbeiders ook mee konden profiteren van de welvaart. Dat betekende dus dat eventuele gaten door de rijke burgers opgevuld moesten worden, dus belastingverlaging was in hun ogen geen goed idee. Uiteindelijk zagen de confessionelen in dat ze met hun tijd mee moesten gaan, maar er begonnen scheuren te komen in de rooms-rode coalitie.

1956: Motie Tendeloo: na een voorstel (motie) van PVDA'er Tendeloo werd de handelsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw afgeschaft.

Uiteindelijk strandde de Rooms-rode coalitie in 1958. De PVDA verloor fors en kwam tot ver in de jaren '60 niet meer in de regering.

PARAGRAAFVRAAG 1: Welke veranderingen vonden in de jaren '50 en '60 plaats?
 
Na de oorlog leek het er op dat de verzuiling stand zou houden, maar in de jaren '50 en '60 brokkelde dit systeem af tot het uiteindelijk helemaal verdwijnen zou. Ook was er een verandering in de mentaliteit van de burger. Men begon mondiger en kritischer te worden richting de overheid en de jeugd begon, na te zijn losgebroken uit het strakke strenge keurslijf, haar eigen wereld te vormen. Door economische voorspoed en invloed vanuit Amerika begon Nederland steeds meer een consumptiemaatschappij te worden. Verder verloor de kerk veel van haar macht en vonden er politieke verschuivingen plaats die het mogelijk maakte voor de KPV en de PVDA om een Rooms-rode coalitie te vormen.

PARAGRAAFVRAAG 2: Welke rol speelden de economische veranderingen?

Door streng en daadkrachtig ingrijpen van de overheid was er na de oorlog een welvarende economie opgebouwd..Deze toenemende welvaart zorgde ervoor dat ook de lonen konden stijgen waardoor de koopkracht van de Nederlanders toenam. Ze konden hun geld uitgeven aan de nieuwe invloeden die vanuit Amerika naar Nederland waaiden. Zo kon er allerlei apparatuur, brommers en auto's aangeschaft worden en kon de jeugd kennis maken met jazz en rock 'n roll

PARAGRAAFVRAAG 3: Welke rol speelden de culturele veranderingen

Na de oorlog probeerde de overheid de jeugd in het gareel te houden, maar dat leek uiteindelijk niet mogelijk. Zij begonnen meer en meer hun eigen wereld te vormen, ver verwijderd van die van hun ouders. Brommers en muziek waren de onderwerpen waar over gesproken werd. Toen vanuit Amerika muziek als rock 'n roll naar Nederland overwaaiden, was de jeugd er als de kippen bij om het op te pikken, dit zeer tegen de zin van veel ouders in.

PARAGRAAFVRAAG 4: Welke rol speelden de politieke veranderingen?

Om Nederland snel te kunnen wederopbouwen en de welvaart te herstellen waren partijen die anders nooit met elkaar zouden kunnen samenwerken, een samenwerkingsverband aangegaan. De confessionele KVP en de socialistische PVDA hadden een Rooms-rode coalitie gesticht die 10 jaar zou regeren. Het feit dat men bereid was samen te gaan werken ter wille van de Nederlandse welvaart zorgde ervoor dat de verschillende zuilen op politiek vlak te maken kregen met elkaars ideeën, wat er voor zorgde dat men ook naar elkaars eisen en wensen ging luisteren.

Hoofdstuk 4. Gezag onder druk: Emancipatie van jongeren in de jaren '60 en '70

Jongeren wenden snel aan de welvaart en consumptiemaatschappij. Ouderen vonden het moeilijker, omdat zij zich de oorlogsjaren nog konden herinneren. De generaties begonnen uiteen te groeien.

§ 4.1

Nozems:

Ontstaan ± 1955. Nozems wilden nergens bij horen. Ze hingen, commentaar op alles gevend, rond op straat. Ze wilden niet werken, trouwen of burgerlijk zijn. Men zag hen als langharig tuig op brommers en ze hadden altijd mot met de politie. Het was een verzamelnaam voor onaangepast jeugdgedrag, gedrag dat steeds meer begon voor te komen.

Aan de andere kant ging de jeugd langer naar school en vormde hun eigen intellectuele jongerencultuur. Ze vielen met controversiële ideeën de gevestigde orde aan. Het symbooltje hiervoor was het pistooltje. Hun gespreksonderwerpen gingen vooral over ouders, seks, drugs en het opkomende probleem woningnood.

De jeugd was niet gewend om hard te werken, maar liftte mee op de door hun ouders opgebouwde welvaart. Alles kwam hun aanwaaien zonder er veel moeite voor te hoeven doen. Gevolg was verveling, welke zij afreageerden op hun ouders en de gezagdragers. In hun ogen was burgerlijkheid iets vreselijks.

§ 4.2

Jongeren konden niet meer als onwetend gezien worden omdat ze vaak een hogere opleiding hadden dan hun ouders. Fiets en brommer waren de middelen om aan de bemoeizuchtige betweters te ontsnappen. Ze wilden uit het keurslijf breken, zelf hun beslissingen kunnen maken en mee kunnen praten. Door allerlei bijbaantjes hadden ze genoeg geld, waardoor hun onafhankelijkheid steeg. Men ging steeds meer besteden aan imago en eigen identiteit. De Tv ging speciaal op de jeugd gerichte programma's uitzenden. Acteurs uit de VS werden grote idolen voor de rusteloze onbegrepen jongeren.

Veel ouders keurden de veranderende jongerencultuur niet eens af. De strenge opvoeding en afgedwongen gehoorzaamheid was allang achterhaald. De openheid en levenslust van de jeugd werd als vernieuwend gezien. Toch bleven de ouderen de touwtjes stevig in handen houden en mochten de jongeren pas stemmen op hun 23e.

§ 4.3

Provobeweging

  • opgericht: 25 mei 1965

  • gezichten van de beweging zijn Robert Jasper Grootveld (anti-roken), Roel van Duyn (anti-atoom) en Bart Hughes, die later een gaatje in zijn hoofd zou boren ter verruiming van zijn geest.

  • Provo is een afkorting voor 'provokaatsie' wat uitdaging betekende.

  • getrapt werd er tegen de burgerlijkheden, verheerlijking van bezit, massaconsumptie en saaie overheidsplannen.

    Plannen van de Provo's:

  • Witte Kippenplan: oom agent moest een vriendelijke sociale werker worden

  • Witte Wijfenplan: vrije liefde moest kunnen

  • Witte Kinderplan: regelen van kinderopvang

  • Witte Fietsenplan: 3000 witte gemeentefietsen in Amsterdam ter bestrijding van auto's in de binnenstad

De Provo's wilden graag van alles organiseren, maar drugs zorgden vaak dat er niets van terechtkwam. Toch riep hun manier van doen ook andere jongeren aan om in actie te komen bv. tegen de Vietnamoorlog, voor inspraak en medezeggenschap. Men ging zelfs over tot bezetting van bestuursgebouwen om eisen kracht bij te zetten. Het was in om overal kritisch op te reageren. Voor sommige jongeren waren de acties van de Provo's en de Kabouterpartij niet genoeg. Zij kozen voor radicaal verzet dat gepaard ging met geweld. Kraakbewegingen waren hier een voorbeeld van en kwamen voort uit de groeiende woningnood.

Kabouterpartij:

In 1969 opgericht door Roel van Duyn. Voortgekomen uit de Provo en vooral in Amsterdam actief. Idee achter de partij was dat de mensheid, net als de kabouters, in harmonie met de natuur moest gaan leven. De partij ging in 1974 aan ruzies ten onder.

§ 4.4

Dat de politie tijdens acties ingreep, was natuurlijk hartstikke fout. Ze werden dan ook meerdere malen beschuldigd van geweld tegen ongewapende burgers.
14 juni: Dolle Dinsdag: De politie werd er van beschuldigd een demonstrerende bouwvakker te hebben doodgeslagen. De Provo's sloten zich aan bij de bouwvakkers en de chaos was compleet.

De gezagdragers zagen in dat ze meer begrip voor de ideeën van de jeugd moesten tonen om zo geweld te voorkomen. Burgerlijke ongehoorzaamheid werd getolereerd als geweld uit zou blijven en de overheid zou meer luisteren naar de jeugd, iets was in Nederland als revolutionair gezien mocht worden.

PARAGRAAFVRAAG 1: Hoe veranderde de houding van de jonge generatie tegenover het traditionele gezag?

De jeugd ging steeds meer een eigen jongerencultuur vormen en wilde niet langer meer in het strakke keurslijf geduwd worden. Ze wilde zelf beslissingen nemen en meepraten, ook op politiek gebied. Bewegingen als de Provo's staken de kop op wisten door middel van uitdagende acties de gezagdragers zo ver te krijgen dat er geluisterd ging worden naar de ideeën van jongeren.

PARAGRAAFVRAAG 2: Hoe is de veranderende houding te verklaren?

Er kwamen steeds meer hoogopgeleide jongeren. Vaak hadden ze een hogere opleiding dan hun ouders. Ze lieten zich niet meer de les lezen en kwamen uit voor hun eigen mening, gevormd binnen de eigen jeugdcultuur. Ook de Tweede Wereldoorlog speelde een rol mee. Jongeren die in die tijd noodgedwongen voor zich zelf hadden moeten zorgen, lieten zich nu niet meer in het keurslijf duwen door de overheid en hun ouders. Het waren jongvolwassenen geworden met een eigen mening waar naar geluisterd moest worden.

PARAGRAAFVRAAG 3: Hoe reageerden de gezagdragers op deze uitdagingen en in hoeverre veranderde de politieke cultuur?

In het begin werden deze jongeren door de politie hard aangepakt, maar al snel bleek dat het geen zin had. De gezagdragers besloten, nadat het op Dolle Dinsdag bijna uit de hand gelopen was, om meer te luisteren naar de ideeën van de jeugd. Burgerlijke ongehoorzaamheid werd getolereerd, als er maar geen geweld aan te pas kwam. Deze afspraken waren nog nooit voorgekomen in de Nederlandse geschiedenis en was bijzonder revolutionair.

Hoofdstuk 5. Gezag onder druk: Emancipatie van vrouwen in de jaren '60 en '70

Voor 1970:

  • weinig vrouwen werkten buitenshuis

  • weinig meisjes met een hoge opleiding

  • 1956: afschaffing handelsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw.

Als achtergestelde groepen in de jaren '60 voor hun belangen op gaan komen, doen de vrouwen dit ook.

§ 5.1

In de jaren '50 was vader de baas in huis, maar moeder had het voor het zeggen in het huishouden. De rolverdeling tussen man en vrouw was strikt. Meisjes werden via pop en kinderwagen geleerd hoe ze later een goede huisvrouw en moeder moesten worden, terwijl de jongens hun vader als voorbeeld hadden. Jongens deden hoger onderwijs, meisjes de huishoudschool, waarna ze daarna direct als hulp in de huishouding of verkoopster werden. Zij die wel doorstudeerden werden werkzaam in onderwijs, verpleging of op kantoor.
Toen in de 2e helft van de jaren '50 de welvaart en ook de werkgelegenheid steeg, gingen vrouwen steeds meer werken.

1963: De anticonceptiepil wordt ingevoerd. Hierdoor kon men een gezin gaan plannen, wat een inbreuk was op de rol van de moeder en de kerk. Het individualisatieproces, waarbij ieder lid van het gezin zijn/haar rol binnen het gezin naar eigen behoeften gaat inrichten, nam het traditionele gezin over. Zo gingen vrouwen zich naast hun gezin, ook richten op werk, wat inhield dat de man huishoudelijke taken kreeg.

Tot 1955: arbeidsverbod voor gehuwde ambtenaressen
Na 1955: opheffing arbeidsverbod gehuwde vrouwen.

De pil zorgde voor veel opschudding in conservatieve kringen. De Paus veroordeelde het gebruik er van, maar dat had geen zin. Het pilgebruik steeg explosief. Ondanks de verwerping van de Paus waren er ook kerkelijke gezagdragers die meer in de vernieuwing zagen. Een van hen was Bisschop Bekkers die in het Tv-programma Brandpunt van de KRO aangaf dat gezin en geboortebeperking een persoonlijke kwestie was. De versoepeling van de kerkelijke wetten zorgde voor een verkleining van de katholieke gezinnen.

In de 1e helft van de jaren '60 groeide het aantal meisjes in het hoger onderwijs, waardoor er meer hoogopgeleide vrouwen kwamen. Zij gingen zich afzetten tegen de ongelijkheid in de politiek en andere interessante banen. Bovendien waren ze tegen het feit dat de baas altijd een man was.
Joke Kool-Smit was een van de eerste die hier in haar in 1967 uitgegeven boek 'het onbehagen van de vrouw' tegen protesteerde.

1968/1970: Tweede feministische golf. In die golf waren twee organisaties actief:

  • De Man Vrouw Maatschappij (MVM)

  • Dolle Mina

MVM:

  • opgericht in 1969

  • politiek gericht

  • bestaande machtsverhoudingen mochten blijven bestaan, maar er moest wel gelijkheid zijn tussen man en vrouw

  • hulp van de man, binnen of buiten de organisatie, werd geaccepteerd

  • introductie van de term 'positieve discriminatie': vrouwen moesten worden voorgetrokken om zo de achterstand op mannen in te kunnen halen.

Dolle Mina:

  • opgericht in 1970

  • radicaal

  • vernoemd naar Wilhemina Drucker die gezien werd als eerste feministe in de Nederlandse geschiedenis

  • zelfde actiemanier als Provo's: uitdagend en spectaculair

  • verbranden van bh’s en pornoblaadjes

  • zagen de getrouwde vrouw als blanke slavin

  • abortus moest gelegaliseerd worden. Bekende actie hiervoor: ‘Baas in eigen buik’.

  • pil in het ziekenfonds

  • gratis kinderopvang

  • man en vrouw moeten in onderwijs en werk volledig gelijk zijn.

Vooral het recht op abortus zorgde voor veel politieke en sociale onrust. Vooral bisschoppen en confessionelen waren tegen. Het hoogtepunt in de kwestie was in 1976, toen de Katholieke minister Van Agt de abortuskliniek De Bloemenhove liet sluiten. De kliniek werd daarop door Dolle Mina bezet. In 1980 werd door een wet de strafbaarheid van abortus verminderd.

§ 5.4

Hoewel de politici tot eind jaren '70 vasthielden aan de traditionele huwelijksopvattingen, waren het uiteindelijk de vrouwenorganisaties die wonnen. Het gelijkheidsprincipe begon op meerdere vlakken te gelden, ook in de politiek en dan vooral binnen de PVDA.

1971: echtscheidingswet
1974: installatie Emancipatie Commissie
1981: installatie Emancipatie Raad
1977 – 1986: in deze tijd waren er staatssecretarissen voor emancipatiebeleid

In andere landen in Europa is emancipatie al veel verder dan in Nederland. Door de eenwording van Europa dringt de EU er bij Nederland op aan zich meer te gaan richten op de Europese richtlijnen.

PARAGRAAFVRAAG 1: In hoeverre veranderden de traditionele rolverdelingen tussen man en vrouw?

In 1956 werd een wet aangenomen die er voor zorgde dan getrouwde vrouwen niet langer handelsonbekwaam waren. Waren er voor 1970 nog maar weinig vrouwen werkzaam buitenshuis, na 1970 veranderde dit, net als de opleidingen die vrouwen gingen volgen. Er kwamen meer hoger opgeleide vrouwen. Dit alles had tot gevolg dat het gezin begon te veranderen, mede door invoering van de pil. De vrouw bleef niet langer thuis om voor kinderen te zorgen, maar ging meer werken, wat betekende dat man en vrouw het huishouden samen moesten gaan doen.

PARAGRAAFVRAAG 2: Waardoor zijn deze veranderingen ontstaan?

Het ontstond vooral door het feit dat steeds meer vrouwen een hogere opleiding gingen volgen en daarna buitenshuis gingen werken. Dit zorgde voor een verschuiving op de gebieden van werk en huishouden. Vrouwen eisten gelijkheid op die gebieden, iets wat ze min of meer ook kregen.

PARAGRAAFVRAAG 3: Op welke manier kwamen de vrouwen tegen hun achterstelling in verzet?

Organisaties als MVM en Dolle Mina kwamen op voor de rechten van de vrouw. Daar waar MVM het vooral bij politieke acties hield, ging Dolle Mina verder. Bh’s en pornoblaadjes werden publiekelijk verbrand en via uitdagende acties probeerde ze haar ideeën over te brengen. Bekend is haar actie 'Baas in eigen buik, ten behoeve van de legalisatie van abortus.

PARAGRAAFVRAAG 4: Hoe reageerden de gezagdragers op deze eisen tot verandering?

Tot eind jaren '70 hielden de politici vast aan de traditionele huwelijksopvattingen. De confessionele politici zagen het gezin nog altijd als hoeksteen van de samenleving. Wanneer dit aangetast zou worden, zou er een gevaar kunnen ontstaan voor de Nederlandse maatschappij. Minister van Agt liet zelfs een abortuskliniek sluiten. Uiteindelijk gaf men toe en begonnen de vrouw tot een zekere hoogte als gelijke van de man beschouwt te worden. Met de Europese eenwording werd de emancipatie verder doorgevoerd.

Hoofdstuk 6. Gezag onder druk: De rol van de media in de jaren '60 en '70

De opmars van Tv en krant bracht niet alleen de samenleving en de wereld in de huiskamer, maar ook de politici. In het begin was dit alleen een handige en aardige manier om wereldnieuws toe te lichten, later werd het een verplichte manier om falend beleid etc. aan het volk uit te leggen.

§ 6.1

In de jaren '50 had iedere zuil zijn eigen krant:

Socialisme: 't Vrije Volk

Katholiek: Volkskrant

Protestant: Trouw

Overheid en gezagdragers kregen alle respect, ook van journalisten die zich veel lieten verbieden qua schrijven. De vuile was van bekenden Nederlanders en het koningshuis werd niet buiten gehangen. Een voorbeeld hiervan is de Greet Hoffman-affaire waarbij de koninklijke familie in 1956 betrokken raakte. Heel Europa wist er van, maar het Nederlandse volk wist van niets, omdat de regering vond dat het in Nederland niet openbaar gemaakt mocht worden.

Toch kwam er steeds meer journalistieke onafhankelijkheid. Gebreken in de samenleving moesten niet meer verdoezeld maar openbaar worden gemaakt. Door een open verslaggeving werden de politici nu opeens gedwongen hun falend beleid of misstappen publiekelijk uit te leggen, iets wat ze eigenlijk helemaal niet wilden, maar wat het volk wel van hen verwachtte.

§ 6.2

De komst van de Tv had ook gevolgen voor de krant. Samen met de ontzuiling werden veel kranten gedwongen samen te werken met andere kranten, moesten ze hun naam veranderen of verdwenen zelfs helemaal. Hetzelfde gold voor de omroepen. In de jaren '50 was de Tv vooral gericht op volksopvoeding. Dat veranderde later in vermaak. In 1960 ging Radio Veronica commercieel en werd hun Top40 met populaire muziek belangrijker dan opvoeding.

1965: toegestaan om via radio en Tv reclame te maken

1966: TROS opgericht. Deze zender was gericht op het behalen van hoge kijkcijfers. Dit is het einde van de verzuilde omroepen, omdat alles gaat draaien om kijkcijfers en het werven van leden, ook uit andere zuilen.

§ 6.3

Een uitzending in 1964 waarin de kerk bespot werd, zorgde voor veel beroering. De 'vuiligheid' is echter niet meer te stoppen. Sensatie nam de overhand en men ging in hun acties ook gebruik maken van de media. Een voorbeeld hiervan is de door Provo's gegooide rookbom tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus in Amsterdam. De politie greep hard in, maar de beelden vlogen de hele wereld over. Provo was even wereldnieuws.

Jonge journalisten wilden maar al te graag helpen met het uiten van zelfkritiek door gezagdragers. Zo werd er tijdens de nacht van Schmelzer, waarbij het Kabinet-Cals viel, camera's aanwezig in de zaal die Nederland live de val van het kabinet lieten zien, plus de harde woorden die er tussen de politici vielen. Dit leverde de anders zo keurige en beschaafde Nederlandse politiek een flinke deuk op.

§ 6.4

Media was niet meer weg te denken uit het politieke leven. Politieke kopstukken die op Tv niet overkwamen, werden vervangen door nieuwkomers die beter met de nieuwe media en diens druk om konden gaan. Politici die iets speciaals hadden, maakten grote sprongen op de politieke ladder. De belangrijkste kopstukken waren:

  • Joop den Uyl: PVDA. Dankzij twee rebellerende zonen begreep hij de veranderingen.

  • Dries van Agt: CDA. Wielrenner en gebruikte zeer gevatte woordspellingen.

  • Hans Wiegel: VVD. Had het voorkomen van een corpsbal met bravoure branie.

De communicatietrainingen deden hen intreden om politieke blunders te voorkomen.

De media vormde een brug tussen politiek en het volk die het duidelijkst was tijdens verkiezingen. De strijd om het 8 uur journaal was het grootst, omdat dan de meeste mensen keken. Media-aandacht kon beslissend zijn bij het binnenhalen van de zwevende kiezer (= kiezers die nog niet weten op welke partij ze moeten kiezen).
Een ander gevolg van de mediarol was dat actualiteitenprogramma's en politici van elkaar afhankelijk werden wat populariteit betrof. Uiteindelijk zorgde deze band er voor dat er een redelijk gelijkwaardige samenwerking ontstond tussen media en politiek.

PARAGRAAFVRAAG 1: In hoeverre veranderde in de jaren '60 de houding van de media tegenover het gezag?

Voorheen was het de regering gelukt om de media onder een vorm van censuur te houden. Bepaalde dingen mochten niet aan het Nederlandse volk verteld worden. De journalisten hadden respect voor de gezagdragers en hielden zich aan deze afspraak. Toen een groot deel van de bevolking zich in de roerige jaren '60 begon af te zetten tegen de gezagdragers, bleef de media niet achter. De journalistiek werd open, met alle gevolgen van dien. Gebruikten de politici de media eerst nog als handige en leuke spreukbuis, in de jaren '60 werden de politici min of meer gedwongen diezelfde spreekbuis te gebruiken om zelfkritiek te geven.

PARAGRAAFVRAAG 2: Waardoor werd deze veranderde houding veroorzaakt?

Het volk werd mondiger en kritischer richting de maatschappij en de gezagdragers en de journalisten werden dat ook. De journalistiek werd opener, waardoor er ook ruimte kwam om de gezagdrager vanuit een ander daglicht te laten zien, iets wat niet altijd gunstig voor politici uitviel. Journalisten die brutaal met de camera de Tweede Kamer in kwamen konden niet meer worden weggestuurd. Het volk eiste openheid en kreeg die ook.

PARAGRAAFVRAAG 3: Waardoor kwam de media steeds meer met het gezag in conflict?

De media begon het volk dingen te laten zien en horen die de gezagdragers liever in achterkamertjes hadden gehouden. Een voorbeeld hiervan is de val van het Kabinet-Cals in de nacht van Schmelzer, iets dat live op de Tv te zien was en de politiek een flinke deuk bezorgde.

PARAGRAAFVRAAG 4: Hoe reageerde de gezagdragers op deze ontwikkelingen?

Over het algemeen niet al te positief, maar ze hadden geen keus. Ze moesten mee met de modernisering en de media was daar een onderdeel van. Politieke kopstukken die niet met deze media overweg konden, verdwenen van het podium, terwijl anderen juist verschenen omdat ze het goed deden op Tv en radio. Uiteindelijk gebruikten de politici de media ook voor hun verkiezingscampagnes en was de plaats, maar vooral de macht, van de media niet meer weg te denken uit de politiek.

PARAGRAAFVRAAG 5: In hoeverre is de plaats van de media in de politieke cultuur veranderd?

Was de media voor politici in het begin vooral een handig en leuk medium om allerlei wereldnieuws en ontwikkelingen de huiskamer binnen te brengen, later veranderde de media voor hen in een kwelgeest die hen drong tot zelfkritiek voor het oog van de camera en het volk. Toch heeft de politiek veel belang bij de media omdat zij gebruikt kan worden tijdens verkiezingen. Ook is men afhankelijk van elkaar wat betreft populariteit. De macht van de media mag niet meer worden onderschat. Zij is het oog van de kritische, veeleisende en vooral meedogenloze Nederlander geworden die via radio en Tv de politiek nauwgezet in de gaten houdt.

Hoofdstuk 7. Gezag onder druk: Het politiek bestel in de jaren '60 en '70

§ 7.1

Het kabinet dat in de nacht van Schmelzer viel, was o.a. gevormd met de PVDA. Dat het kabinet viel was voor veel socialistische stemmers een grote teleurstelling. PVDA-jongeren richtten een nieuwe partij op: Nieuw Links met polarisatie als sleutelwoord.
Polarisatie sloeg toe in meerdere partijen en op straat. Steeds meer actiegroepen als Provo's, Dolle Mina en studenten namen hun toevlucht tot polarisatie.

Polarisatie:

Het duidelijk maken van verschillen tussen de politieke partijen en andere groepen. Dit maakte een einde aan de oude consensuspolitiek. Volgens de PVDA kwam het de democratie ten goede.

§ 7.2

Na 1969 ging Nederland de tol betalen voor het zijn van een verzorgingsstaat. De overheidsuitgaven stegen sneller dan de inkomsten. Allerlei factoren maakten Nederland tot een duur land en oninteressant voor bedrijven die zich meer richtten op lage loonlanden, iets wat voor de Nederlandse zeer ongunstig was. Terugvallende export zorgde voor werkloosheid in mijn- en textielindustrie en scheepsbouw. De met ontslag bedreigde arbeiders eisten ingrijpen van de overheid en bezetten hun bedrijf om hun eisen kracht bij te zetten. Andere arbeiders en vakbonden eisten inspraak in de bedrijfsleiding. Dat vond de directie natuurlijk niet al te prettig mede omdat door loonverlaging en reorganisatie het bedrijf en de werkgelegenheid overeind konden blijven. De overheid probeerde beide partijen tevreden te houden. In 1970 werd gekozen voor een loonmatiging, dit tot woede van de vakbonden. Zij vonden dat werkgevers voorgetrokken werden. PVDA en de kleine progressieve partijen waren het met hen eens.

§ 7.3

Na de nacht van Schmelzer werd er een nieuwe partij opgericht: Democraten '66 (D66). Zij pleitte voor:

  • doorzichtige politiek

  • rechtstreeks verkiezen van een minister-president

  • geen achterkamertjespolitiek

  • voor volk meer invloed en enthousiasme voor politiek

  • participatiedemocratie: de burger heeft directe invloed op politieke beslissingen bv. door middel van referendum of rechtstreeks kiezen minister-president.

  • keuze tussen linkse of rechtse partij en niets er tussen in.

  • 2 partijen-stelsel bestaande uit 1 progressieve partij en 1 conservatieve partij.

  • herinvoering districtenstelsel

Ook volgens andere partijgroepen moest de politiek gemoderniseerd worden. Toch was voor Nieuw Links en PVDA één progressieve partij een stap te ver. Wel moest de macht van de KVP gebroken worden en daar was eendracht voor nodig. Deze eendracht kon gevormd worden door de progressieve partijen plus de PPR, een afscheidingspartij van de KVP.

1969: Progressief akkoord: PVDA, D66 en de PPR kwamen met een gezamenlijk verkiezingsprogramma 'Keerpunt 72' om de verkiezingen van 1972 te winnen onderleiding van een progressieve ministerploeg (schaduwkabinet). Met hen aan de macht zou het allemaal beter worden.

§ 7.4

1972: Door de val van het confessioneel-liberale Kabinet-Biesheuvel vinden er vervroegde verkiezingen plaats.
Met sociale punten probeerde het schaduwkabinet de winst naar zich toe te trekken. Het was echter de VVD van Hans Wiegel die de grootste winnaar werd. De progressieven haalden geen meerderheid en waren weer afhankelijk van de confessionelen. Die zagen een samenwerking met de VVD niet zitten en kozen voor progressief. In 1973 werd het Kabinet-Den Uyl gepresenteerd.

Wet op de ondernemingsraden: arbeiders kregen inspraak.

Democratisering & nivellering (= proces van gelijktrekking van inkomens of het streven daarnaar) waren de sleutelwoorden van het nieuwe kabinet en er moest een einde komen aan de bezuinigingen. Nederland was een rijk land, dus moest er voor de minder bedeelden geld vrijgemaakt worden. Uitkeringen en minimumloon moesten omhoog, onderwijs, openbaar vervoer en milieu moesten meer geld krijgen. Wat voor het benodigde geld zorgen moest zorgen waren belastingverhoging, lage grondprijzen en defensiebezuinigingen. De plannen waren echter zeer ongunstig voor de toch al wankele economie. Gestegen lonen joegen de export naar beneden en de werkloosheid omhoog. Toen in het najaar van 1973 er een olieboycot plaatsvond en de olieprijzen stegen was het duidelijk: er stond schaarste voor de deur.
Vanuit de politiek en het bedrijfsleven begon protest te komen op het Kabinet-Den Uyl. De verzorgingsstaat Nederland werd volgens hen verdronken door de overheid. De redding zou een gezond bedrijfsleven zijn.

1975: Werkgelegenheidsnota: hierin werd gesteld dat de loonstijging de oorzaak was van de werkloosheid. Er moet opnieuw een loonpauze ingevoerd worden. De vakbonden waren woedend. Vakbondsleider Wim Kok maakte de breuk tussen kabinet en vakbeweging bekend.

In 1977 vonden er estafettestakingen plaats die lieten zien hoe de progressieve regering het verknoeid had. In datzelfde jaar liet de KVP het Kabinet-Den Uyl vallen.

PARAGRAAFVRAAG 1: Hoe werkte de maatschappelijke veranderingen door in de politiek?

Er was veel onrust in de politiek, o.a. veroorzaakt door de nacht van Schmelzer. Partijen splitsten zich af en er ontstond een nieuwe manier van onderhandelen: polarisatie.
De dreigende economische crisis zorgde ervoor dat er loonmatigingen doorgevoerd werden, wat weer voor grote onrust zorgde onder arbeiders en in vakbewegingen. Net als in de oorlogsjaren moest de overheid de boot drijvend houden, maar dat bleek stukken moeilijker dan voorheen, mede door het mondige volk.

PARAGRAAFVRAAG 2: In hoeverre veranderde de houding tussen werkgevers en werknemers?

Om het bedrijfsleven, de werkgelegenheid en de Nederlandse economie overeind te houden, vroegen de werkgevers de overheid om loonmatiging, die ze ook kregen, dit tot grote woede van de arbeiders en de vakbewegingen. Stakingen en bezettingen van bedrijven volgden. De arbeiders eisten inspraak in de bedrijfsleiding. Uiteindelijk zouden ze via de wet op de ondernemingsraden toch hun inspraak krijgen. De situatie tussen de twee groepen is dan al zeer verslechterd.

PARAGRAAFVRAAG 3: Welke vernieuwingsidealen waren er en in hoeverre vonden zij onderdak in de politiek?

De eerste vernieuwing die doordrong tot de politiek was de polarisatie die in de plaats kwam van de consensuspolitiek. Daarnaast probeerde D'66 een aantal vernieuwende ideeën door te voeren welke niet allemaal hun plaats in de politiek vonden. Wel gingen de progressieve partijen meer samenwerken in de hoop de KVP te verslaan om zo in de regering te kunnen komen met het zogenaamde schaduwkabinet.

Hoofdstuk 8. Naar een hernieuwd evenwicht in de verhouding tussen Nederlanders en hun gezagdragers 1977-1990

Eind jaren '70 bevond Nederland zich op een keerpunt. De verzorgingsstaat koste handen vol geld en leek ten onder te gaan aan haar eigen succes.

§ 8.1

25 mei 1977: PVDA werd door de verkiezingsoverwinning de grootste partij, ondanks de val eerder dat jaar, de harde verkiezingsstrijd en de slechte verstandhouding tussen Den Uyl en Van Agt. Gevolg was dat Van Agt en Wiegel een overeenstemming bereikten en PVDA terug werd gewezen naar de oppositie.

De rol van de confessionele partijen was nog steeds groot en om dat zo te houden fuseerde zij in 1980 tot één partij: het CDA (Christen Democratisch Appèl).
Het CDA kon het goed vinden met de VVD en beide richtten zij zich tegen de PVDA die de schuld kreeg van de wildgroei van de dure verzorgingsstaat. Volgens hen kon de overheidsrol weer verkleind worden. Het bedrijfsleven kreeg haar belastingsverlaging en op de uitkeringen moest bezuinigd worden. Het gezin moest weer de hoeksteen van de samenleving worden.
Door het opzij schuiven van de confessionele partijen (nu CDA) had de PVDA het zich erg moeilijk gemaakt en impopulair door de geldverslindende ideeën. Het CDA besloot voor een middenweg te kiezen, welke goed leek uit te pakken. Zij was niet langer meer alleen een geloofspartij, maar ook een middenpartij voor veel boeren, ouderen, werkgevers en goed betaalde werknemers.

Het midden zoeken leek een weg naar succes, dat zagen ook de PVDA en de VVD in. Partijprogramma's gingen steeds meer op elkaar lijken om kiezers te trekken. Ideologische verschillen moesten zoveel mogelijk gelijk getrokken worden.
Maar net als de PVDA maakten ook de VVD en het CDA kennis met de economische terugval en wereldwijde recessie. De staatsschuld steeg rampzalig en in 1983 had Nederland het hoogste werkloosheidcijfer in Europa. De puinberg was alleen maar groter geworden.

§ 8.2

De ontzuiling raakte ook de vakbonden en in navolging van de confessionele partijen fuseerde de NVV en NKV in 1976 tot de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging).

1979: 2e oliecrisis maakte dat de economie nog dieper zakte met als gevolg een hoge faillissement- en ontslaggolf.

Kabinet-Van Agt wilde loonmatiging maar de protesten waren overweldigend. Toch kwam het er in 1980 en de arbeiders en vakbonden moesten inzien dat het niet anders kon. Het schip Nederland maakte zwaar slagzij en moest van de ondergang gered worden. De economische realiteit had het gewonnen van de polarisatie.

1982: Akkoord van Wassenaar:

Er was opnieuw een stijging van de werkloosheid en Kabinet-Lubbers (CDA en VVD) had geen andere keus dan nieuwe loonmaatregelen. In het Akkoord van Wassenaar werd de overleg- en consensuspolitiek tussen werknemer en werkgever hersteld. Er kwam een akkoord over de loonmatiging in ruil voor arbeidsverkorting en herverdeling van werk.
Het Akkoord van Wassenaar was tevens de geboorte van het poldermodel: een jaren '90 versie van de consensuspolitiek.

§ 8.3

Na het Akkoord van Wassenaar speelde de kruisrakettenkwestie een grote rol in de Nederlandse samenleving. Men ging massaal de straat op om te protesteren tegen de besluiten van de NAVO om 48 kruisraketten in Nederland te plaatsen. Het zorgde voor verdeeldheid in de regering. Lubbers besloot toch over te gaan tot plaatsing in 1985. Het leek uit te lopen op een breuk tussen volk en gezagdragers, maar de komst van Gorbatjov als president van de Sovjet Unie, zorgde voor het einde van de Koude Oorlog en ook van de bewapeningswedloop wat plaatsing van de raketten in Woensdrecht overbodig maakte.

Ruud Lubbers groeide uit tot de held van de jaren '80. Hij voerde loonmatigingen door en werd daar tegen geprotesteerd door actie- en belangengroepen, dan deed hij er gewoon nog een schepje bovenop. Men moest ophouden met dromen en terug naar de realiteit, iets wat de no-nonsense aanpak genoemd werd. De ondernemer werd op een sokkel geplaatst en leek de enige hoop te zijn op betere tijden.

In 1983 begon de economie zich weer iets te herstellen en groeide ook het optimisme weer. De no-nonsense aanpak van Lubbers zorgde voor een mentaliteitsverandering bij de Nederlander. Die ging zich steeds meer op zichzelf en het eigen belang richtte. Politieke partijen, vakbonden en kerken waren niet echt meer van belang, enkele organisaties uitgezonderd. Ook het milieu kreeg nog steun van grote groepen.
Er was een civil society ontstaan waarin men zonder aarzelen voor het eigen belang opkwam. De politiek sprong hier met de consensuspolitiek handig op in door actiegroepen voor overleg uit te nodigen en een plaats te geven binnen commissies en adviesorganen, welke weer gebruikt konden worden door de politiek. De consensuspolitiek bleek toch beter te passen bij de nuchtere Hollanders dan polarisatie.

PARAGRAAFVRAAG 1: Welke politieke gevolgen had de val van het kabinet-Den Uyl?

Dat de PVDA teruggewezen werd naar de oppositie en er een kabinet van CDA en VVD kwam. Zij pakten de verzorgingsstaat aan met allerlei bezuinigingen en probeerden zo Nederland te behoeden voor een nog groter economisch verval.

PARAGRAAFVRAAG 2: In hoeverre heeft de crisis van de jaren '80 de arbeidsverhoudingen veranderd?

De vele loonmatigingen zorgden ervoor dat arbeider en werkgever lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Toch zag men uiteindelijk in dat het niet anders kon, omdat het anders nog slechter zou aflopen met de economie. Door het Akkoord van Wassenaar kwamen beide partijen weer tot elkaar en kon er een redelijk goede samenwerking ontwikkeld worden.

PARAGRAAFVRAAG 3: Hoe is de politieke cultuur in de jaren '80 veranderd?

Men was gewend om bij alles wat de gezagdragers deden moord en brand te schreeuwen wanneer dit niet beviel. Ruud Lubbers maakte hier min of meer een einde aan door zijn plannen gewoon door te drukken of nog verder uit te breiden. Er ontstond een no-nonsense aanpak die voor Nederland uitstekend bleek te werken. Er werd teruggegaan naar de consensuspolitiek, iets wat beter werkte dan polarisatie.

CENTRALE MODULEVRAAG: Hoe ontwikkelde zich de politieke cultuur in Nederland in de periode 1950-1990?

In de jaren '50, toen Nederland nog een verzuilde samenleving was, werd er vooral met respect naar de gezagdrager gekeken. Men gehoorzaamden hen zonder te twijfelen of te protesteren. In de roerige jaren '70, toen niet alleen de jeugd, maar ook de rest van het volk mondiger en kritischer werd, ging men steeds vaker in protest tegen beslissingen van de gezagdragers. Een grote rol hierbij speelde de media. De consensuspolitiek maakte zelfs plaats voor polarisatie en dat zorgde voor veel onrust, vooral tijdens de economische crisis. Het schip 'Verzorgingsstaat' dreigde te zinken, maar werd uiteindelijk door het Kabinet-Lubbers weer vlot getrokken. De economie herstelde zich, samen met de consensuspolitiek. Men nam afstand van polarisatie. Overleg bleek het sleutelwoord te zijn voor het in goede banen leiden van de Nederlandse maatschappij.