We hebben 242 gasten online

Deel 1 CSE Nederland en Indonesië Vier eeuwen contact en beïnvloeding

Gepost in Nederland

Deel 1: Nederland en Indonesië: vier eeuwen contact en beïnvloeding

land onder de regenboog

Hoofdvraag

Nederland en Indonesië raakten in de loop der eeuwen steeds meer met elkaar verbonden.

Waardoor onderscheidden zich de verschillende vormen van contact tussen de twee landen en hoe kan worden verklaard dat de band verbroken werd?

Historisch en geografisch kader

De huidige Republiek Indonesië is in 1945 ontstaan uit het gebied dat in Nederland tot 1949 Nederlands-Indië werd genoemd. Nederlands-Indië was de officiële naam van de kolonie sinds de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814. De VOC gebruikte het begrip Oost-Indië (hiertoe behoorden ook nederzettingen buiten de Indonesische archipel). De naam Indonesië werd aan het begin van de twintigste eeuw ingevoerd door de Indonesische nationalistische beweging.

indonesie 1949

Indonesië vormt een eilandenrijk. De archipel omvat circa 13.000 eilanden. Tot de grootste eilanden behoren Java, Sumatra, Borneo (het Indonesisch deel heet nu: Kalimantan), Celebes (nu: Sulawesi) en Nieuw-Guinea (het Indonesisch deel heet nu: Irian Jaya). Tot de kleinere eilanden behoren Bali, Bangka en Billiton, en de eilandengroep Molukken (met onder andere Ambon en Banda). De enorme uitgestrektheid van dit gebied, ruim vijftig maal de grootte van Nederland, wordt zichtbaar door het op een kaart van Europa te projecteren.

Indonesië ligt in de tropen en heeft een moesson - klimaat. Dankzij het gunstige klimaat is er een ruim aanbod aan natuurlijke grondstoffen en voedingsmiddelen. Het land is rijk aan delfstoffen en mineralen.

De Indonesische archipel kent een grote verscheidenheid aan etnische groepen, met honderden verschillende talen en dialecten. Vóór de komst van de Europeanen kunnen op grond van de middelen van bestaan drie typen samenlevingen worden onderscheiden. In de binnenlanden kwamen gebieden voor waar men leefde van jacht, visvangst en het verzamelen van voedsel (zoals op Borneo en in Nieuw-Guinea). Daarnaast waren er gebieden met goede landbouwgronden, zoals op het dichtbevolkte eiland Java, waar rijke beschavingen ontstonden met steden waar ambacht en nijverheid bloeiden. In de kuststreken ten slotte werd er veel handel gedreven. Door de centrale ligging van de archipel was er een levendige inter-Aziatische handel, met name met China, India en de Arabische wereld.

Door handelscontacten vond ook een uitwisseling van ideeën en godsdiensten plaats. Na het hindoeïsme en het boeddhisme werd na 1400 de islam de belangrijkste godsdienst (tot op heden). Met de komst van de eerste Europeanen, de Portugezen in de zestiende eeuw, deed ook het christendom zijn intrede.

Voordat Nederlands - Indië ontstond was er geen sprake van één groot rijk. Wel waren er tot in de negentiende eeuw verschillende kleinere rijken, die dikwijls grote macht bezaten gedurende een bepaalde periode. Kenmerkend voor deze rijken was dat ze regelmatig met elkaar in strijd verwikkeld waren en dat er voortdurend bondgenootschappen moesten worden gesloten om de macht te behouden.
De Portugezen bleven bijna een eeuw de enige Europeanen in dit gebied; pas in 1596 verschenen de eerste Nederlanders.

Van 1596 tot 1830: Rondom de VOC

Wat was de aard van de contacten die in de tijd van de VOC tussen Nederland en Indonesië ontstonden en in welke mate leidden die tot verbondenheid?

Door Britten, Fransen en Nederlanders werden aan het eind van de zestiende eeuw verschillende pogingen ondernomen om de specerijen-eilanden in de Oost te bereiken. De eerste Nederlandse expeditie werd ondernomen door Cornelis de Houtman en Pieter Dirksz. de Keyser. Deze expeditie vertrok in april 1595 en bereikte Bantam veertien maanden later, in juni 1596. Door verkeerde beslissingen en ondeugdelijke leiding liep deze reis bijna uit op een mislukking. Wel kenden de Nederlanders nu een eigen zeeweg naar Indonesië.
Na 1597 werden allerlei nieuwe expedities ondernomen door zogenaamde voorcompagnieën (onder andere uit Amsterdam en Zeeland). Zij beconcurreerden elkaar zo hevig dat de inkoopprijzen in Azië stegen en de winst in Europa daalde. Om de krachten te bundelen werd in 1602 de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) opgericht.

Rond 1625 was de VOC uitgegroeid tot \'s werelds grootste handelsonderneming: ze had toegang tot de specerijengebieden in de Molukken en de pepergebieden in Bantam en Atjeh. De Britten en Portugezen waren grotendeels uit het oostelijk deel van de archipel verdreven.

De Nederlanders beheersten in de tijd van de VOC nog lang niet de gehele archipel. In de zeventiende eeuw concentreerde de macht van de VOC in Indonesië zich op de Molukken, gericht op het kruidnagelmonopolie. In de achttiende eeuw, toen koffie en suiker belangrijke producten werden, verschoof de aandacht naar Java. Geleidelijk aan slaagde de Compagnie erin de macht van de vorsten op Java te beperken en de eigen macht uit te breiden. Verder had de VOC op diverse plaatsen in de archipel handelsposten, de factorijen. In de loop van de zeventiende eeuw ging de VOC zich ook actief bezighouden met de inter-Aziatische handel. Zo werd er bijvoorbeeld textiel (katoen) uit Bengalen afgezet in de pepergebieden.

Aanvankelijk lag het bestuurscentrum van de VOC op de Molukken. Ambon vormde in feite het hoofdkwartier. Jan Pietersz. Coen verplaatste het bestuurscentrum naar Jacatra op het eiland Java, vanwege de meer centrale ligging van deze plaats. Daar werd in 1619 onder de naam Batavia het nieuwe hoofdkwartier van de VOC gevestigd (het huidige Djakarta).

De VOC bleek een succesvolle onderneming. Er werden flinke winsten uitgekeerd aan de aandeelhouders. In de loop van de achttiende eeuw trad verval in en kwam het bestuur van de VOC ter discussie. Als oorzaken van het verval van de VOC kunnen genoemd worden: corruptie, gebrek aan kapitaal en toenemende concurrentie van Engeland. In 1783 moest de compagnie bij de Staten-Generaal aankloppen om hulp en in 1799 werd de VOC definitief opgeheven. De Nederlandse staat nam de bezittingen en schulden over. Vanaf toen was de Nederlandse staat verantwoordelijk voor het bestuur van de kolonie.

De politiek-economische contacten

De VOC was in eerste instantie een handelscompagnie die beoogde winst te maken. In de periode 1621-1670 bereikte de VOC vrijwel een wereld-monopolie in de handel in specerijen. De Staten-Generaal verschaften de VOC een handelsoctrooi, dat inhield dat zij als enige Nederlandse onderneming toestemming kreeg voor de handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop. Tevens kreeg de VOC bepaalde politieke en bestuurlijke bevoegdheden: zij mocht zelfstandig verdragen sluiten met vorsten, forten bouwen en oorlog voeren. De specerijen waren zo fel begeerd omdat ze in relatief kleine hoeveelheden grote winsten opleverden. De concurrenten, voornamelijk Portugezen, werden met militaire macht verdreven.

Het lukte de VOC niet, ondanks het feit dat zij in de handelsverdagen een exclusief recht bedong, om de specerijenhandel in de archipel volledig in handen te krijgen. De Molukken vormden hierop een uitzondering. Het succes in de Molukken lag in de betrekkelijk kleine omvang van het gebied en de aanwezigheid van specerijen die elders in de archipel niet voorkwamen. Banda werd het enige eiland waar muskaatnoten voor de productie van nootmuskaat en foelie (twee specerijen van dezelfde boom) verbouwd werden. Op Ambon en de andere eilanden van de Molukken verkreeg de VOC een monopolie in kruidnagelen.

De VOC sloot met inheemse vorsten en dorpshoofden handelsverdragen, en zag deze contracten als voor onbepaalde tijd gesloten. Voor de inheemse vorsten daarentegen waren het tijdelijke overeenkomsten die voornamelijk om politieke redenen tot stand kwamen. Zij veranderden van bondgenoot als de politieke omstandigheden dat vereisten. De VOC werd vooral beschouwd als welkome medestander in de strijd tegen interne rivalen en buitenlandse vijanden. In de Molukken kregen de Nederlanders in ruil voor militaire steun het alleenrecht op de aankoop van specerijen. In de contracten werd vastgelegd dat er alleen specerijen aan de VOC geleverd mochten worden.

Het afdwingen en in stand houden van het monopolie leidde in een aantal gevallen tot gewelddadige conflicten. Zo ging er in 1622 een strafexpeditie onder leiding van Jan Pietersz. Coen naar de Banda-eilanden. Als straf voor de \'smokkelhandel\' in andere producten werden bomen omgehakt en werd de bevolking weggevoerd. Voormalige compagniedienaren, de \'perkeniers\', hielden nu toezicht op de productie van de muskaatnoten. Alle vormen van lokale handel werden onderdrukt.

De VOC-tijd: beïnvloeding aan de oppervlakte

De VOC nam niet het bestuur van de inheemse vorsten over, maar sloot verdragen. Dit systeem van allianties vergde voortdurende politieke en militaire inspanningen. Vooral op Java had de VOC weinig direct contact met de bevolking. De leveringen van rijst, hout en (na 1725) koffie aan de VOC verliepen via de vorsten (het contingentenstelsel). De lokale vorsten zetten hun eigen bevolking soms onder druk om meer te verbouwen. Hoewel zij Europese producten gingen importeren drong er verder weinig van de Europese cultuur tot de vorstenhoven door.

Op de handelsposten ontstond een gemengde samenleving. De VOC wilde in Azië geen vestigingskolonie en het aantal Europese vrouwen was dan ook heel beperkt. Nederlandse mannen gingen relaties aan met Indonesische vrouwen in huwelijk of concubinaat, waardoor een wederzijdse Europees-Aziatische culturele beïnvloeding plaatsvond. De zo ontstane Indische mengcultuur vertoonde zowel Europese als Aziatische kenmerken op het terrein van taal, kleding, voedsel, godsdienst, huiselijk leven en statussymbolen.

Hoewel de Indonesische bevolking met verbazing had gereageerd op de eerste Portugezen en Nederlanders, raakte zij snel aan hun aanwezigheid gewend, aangezien er al eeuwen handel werd gevoerd met kooplieden van elders.

De tijd van het cultuurstelsel (1830-1870)

Wat veranderde er in de invloed van Nederland op Indonesië in de periode 1830-1870, welke belangen lagen daaraan ten grondslag en wat waren de gevolgen voor de contacten tussen de Nederlanders en de Indonesische bevolking?

De invoering van het cultuurstelsel op Java

Na een korte periode van Brits bestuur in de Napoleontische tijd kwam de kolonie in de Indonesische archipel in 1814 weer onder Nederlands gezag. De verwachtingen ten aanzien van de opbrengst van de kolonie waren hooggespannen, maar de Nederlandse regering slaagde er niet in de kolonie winstgevend te maken; er moest zelfs geld op toegelegd worden.

Tijdens de Java-oorlog (1825-1830) werd het Nederlands gezag op Java op de proef gesteld door de Javaanse opstand onder leiding van prins Diepo-Negoro. De uitgaven voor de kolonie namen sterk toe. De hoge kosten van de Java-oorlog zorgden ervoor dat de economische argumenten een hoofdrol gingen spelen in de discussie over de toekomst van de kolonie.

indie 1828

Om de koloniale bezittingen winstgevend te maken ontwikkelde gouverneur-generaal Johannes van den Bosch het cultuurstelsel. Doel van dit systeem was de exploitatie van Java ten behoeve van de Nederlandse schatkist. De bevolking op Java werd gedwongen tropische exportgewassen (=\'cultures\'), zoals koffie, suiker en indigo, te verbouwen en af te staan aan het koloniale gouvernement. In ruil hiervoor kreeg zij een vast plantloon. Nederlandse bestuursambtenaren en inheemse regenten werden beloond met cultuurprocenten, om hen aan te zetten de productie op te voeren. Het cultuurstelsel was min of meer een voortzetting van het systeem van gedwongen leveranties dat de VOC had toegepast op de Molukken en delen van Java. Het werd toegepast in de gebieden onder Nederlandse heerschappij op Java. In de overige delen van de archipel (de zoge-naamde Buitengewesten) bleef de Nederlandse invloed beperkt.

De gedachte achter het cultuurstelsel was Java bewuster te koloniseren en te gelde te maken. Het feit dat de Javaanse boer verplicht producten moest leveren aan het gouvernement vond men in die tijd op zich niet vreemd; in het buitenland oogstte de winstgevendheid van het cultuurstelsel zelfs veel bewondering.

Toenemende economische invloed van de Nederlandse overheid

Naast het werk voor de verplichte cultures moesten de Javaanse dorpen verplichte herendiensten aan het gouvernement leveren, bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen en havens. Verder waren de Javaanse boeren sinds het begin van de negentiende eeuw landrente verschuldigd, een soort belasting op de rijstoogst.

Door het cultuurstelsel nam onder de Javaanse bevolking de werkdruk sterk toe. Als gevolg hiervan konden de eigen sawahs soms niet bewerkt worden. De suikercultuur putte de grond uit en onttrok water aan de rijstbouw. De cultuurprocenten leidden soms tot misbruik; de boeren werden dan gedwongen hun beste grond af te staan aan de regent. Tegelijkertijd leidden de plantlonen tot modernisering en monetarisering van de Javaanse economie. Zolang de oogsten goed waren (in de periode 1830-1845) stegen de plantlonen en nam de welvaart in veel streken toe.

Na 1845 leidde een reeks slechte oogsten tot hongersnood onder de inheemse bevolking. Als gevolg hiervan vond in 1850 een hervorming van het cultuurstelsel plaats. Deze hervorming hield onder andere in dat de niet-rendabele indigo-cultuur werd afgeschaft en andere cultures werden ingeperkt omdat ze een te grote druk op de bevolking legden. De controle op arbeid en op het inheemse bestuur werd verbeterd en er werden nieuwe landbouwmethoden toegepast.

Naast het cultuurstelsel bleef er een inheemse economie bestaan die gericht was op zelfvoorziening en regionale handel.

De cultuurproducten werden bij de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM) in consignatie gegeven, die zorgde voor vervoer en verkoop. De geleverde producten werden op veilingen in Nederland verkocht en de opbrengst - het batig slot - kwam ten goede aan de Nederlandse schatkist.

De opbrengsten van het cultuurstelsel waren enorm. Tussen 1850 en 1860 kwam jaarlijks gemiddeld 30% van de Nederlandse staatsinkomsten uit de koloniale baten. Deze inkomsten werden in Nederland onder andere gebruikt voor de aanleg van infrastructuur, zoals bruggen en spoorlijnen, en voor de schadeloosstelling van slavenhouders in Suriname (na 1863). Daarnaast was er effect merkbaar in de scheepsbouw en de transportsector. Ook de katoenindustrie in Twente deelde in de economische voorspoed en vond in Indonesië een afzetmarkt.

Versteviging van de politieke contacten

Het cultuurstelsel bouwde voort op het systeem van leveringen uit de VOC-periode. In bestuurlijk opzicht sloot het aan bij het bestaande feodaal-agrarische systeem. De Javaanse adel kreeg een rol bij de organisatie van het cultuurstelsel. Er werd een dualistisch bestuursstelsel ingevoerd; het Nederlandse en het inheemse bestuur functioneerden naast elkaar. Aan het hoofd van het Binnenlands Bestuur stond de Gouverneur-Generaal; de residenten bestuurden provincies, daarin bijgestaan door assistent-residenten en administrateurs/controleurs. Het Inlands Bestuur werd uitgeoefend door regenten, inheemse vorsten die regeerden met behulp van de plaatselijke hoofden.

De hogere bestuursfuncties voor het inheemse bestuur werden erfelijk. In de loop van de tijd werden de regenten steeds meer uitvoerders van het Nederlandse beleid, maar in de ogen van het volk bleven zij soevereine vorsten.

Sociaal-culturele contacten tijdens het cultuurstelsel

Cultureel-mentale veranderingen in de Indonesische samenleving ten gevolge van het cultuurstelsel zijn moeilijk te identificeren. Er was relatief weinig culturele invloed op de Javaanse leefwijze. Opmerkelijk is dat de vreedzame Javaanse bevolking eigenlijk nauwelijks protesteerde tegen het cultuurstelsel.

De nieuwe exploitatie- en bestuursvorm had een grotere mentale afstand tussen de Europeaan en de inheemse bevolking ten gevolge. De groeiende groep Nederlandse koloniale bestuurders nam echter wel allerlei Indonesische leefgewoonten over. Daarbij werd aangesloten bij de voor de koloniale omstandigheden zo typerende Indo-europese cultuur, die in de VOC-tijd reeds was ontstaan. Naar buiten vertoonde deze meer Europese kenmerken, zoals westerse kleding en taal. In het huiselijk leven was de levenswijze meer Aziatisch: men liep binnenshuis in sarong en kabaja. Op het kruispunt van wederzijdse beïnvloeding kwamen zo oorspronkelijk Indische cultuurvormen tot ontwikkeling, zoals de Indische keuken, waarin naast Indonesische en Nederlandse ook Chinese en Indiase ingrediënten werden opgenomen.

Afronding en consolidatie van het Nederlandse gezag

Welke nieuwe ontwikkelingen in de periode na 1870 leidden tot een sterkere invloed van Nederland op Indonesië en wat waren de effecten daarvan op de wederzijdse beeldvorming?

De tijd van het modern imperialisme

Internationaal was de periode 1870-1914 die van het modern imperialisme. Onder modern imperialisme wordt in het algemeen verstaan een proces van versnelde uitbreiding van de westerse macht, resulterend in politieke heerschappij en koloniale staatsvorming in voordien slechts op papier bestuurde gebieden. In Nederland kwam dit proces pas na 1890 op gang en liep door tot ongeveer 1918. Aan dit imperialisme lagen politieke, economische en morele motieven ten grondslag. Deze ontwikkeling kreeg onder bepaalde groepen Nederlanders een tegenhanger in het streven om op een paternalistische manier in Nederlands-Indië de welvaart te bevorderen en de inheemse bevolking te ontwikkelen.

Politieke veranderingen: de vestiging van het Nederlands gezag in de archipel

Er wordt gesproken over \'afronding en consolidatie\' van het Nederlandse gezag omdat het koloniale beleid zich kenmerkte door continuïteit. De buitengrenzen van de Nederlands-Indische archipel waren in de negentiende eeuw in feite internationaal erkend. De officiële politiek van Nederland was een politiek van onthouding. Het Indische gouvernement had de relatie met de inheemse vorsten door contracten na 1875 min of meer gestandaardiseerd: militaire steun en politieke waarborgen in ruil voor economische goederen en een erkenning van het Nederlands gezag. Er vond over het geheel genomen een geleidelijke bestendiging en intensivering van het gezag plaats in de gebieden die reeds van Nederland waren. Militaire veroveringen werden lange tijd niet wenselijk geacht.

In de Buitengewesten werd het koloniaal gezag echter op kleine schaal uitgebreid en bestendigd. Daarvoor werd het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) ingezet, dat korte strafexpedities ondernam (het zogenaamde \'tuchtigen\'). Soms gebeurde dit onafhankelijk van het bestuur in Batavia en Den Haag. Het kwam bijvoorbeeld voort uit angst voor buitenlandse inmenging of uit economische motieven. Ook wanneer het inheemse bestuur zeeroverij en slavenhandel toeliet, als er opiumsmokkel plaats vond (zoals in Lombok), of als een gebied zich leende voor de exploitatie van delfstoffen (zoals Djambi) vonden expedities plaats.

De Lombok-expeditie in 1894 betekende een omslag in het denken over het al dan niet uitbreiden van het Nederlands gezag in Indonesië. De onthoudingsgedachte maakte plaats voor een imperialistische expansiedrang. Soms volstond dreigen met geweld om onderwerping aan het Nederlands gezag te krijgen, steeds vaker was het gebruik van geweld noodzakelijk.
Een voorbeeld daarvan vormt de Atjeh-oorlog (1873-ca. 1918). De Atjehers verzetten zich in een felle guerrilla-oorlog tegen het Nederlands gezag. Met veel moeite werd hun gebied onder J.B. van Heutsz bedwongen en zodanig \'gepacificeerd\' dat een burgerlijk koloniaal bestuur mogelijk werd. Deze lange oorlog werd in de ogen van de Nederlanders (zowel in Indonesië als in Nederland) een \'zaak van nationale eer\'. Het gebied Atjeh bleef ook na 1918 opstandig.

In plaats van bondgenootschappen op basis van militaire steun tegenover economische voordelen kwam nu de korte verklaring, waarin de vorsten of sultans verklaarden de Nederlandse heerschappij te accepteren, de regels van het gouvernement te volgen en geen zelfstandige buitenlandse politiek te voeren. Het \'zelfbestuur\' dat de vorsten overhielden werd sterk beperkt door het beleid van het gouvernement en de aanwezigheid van Nederlandse bestuursambtenaren.

Economische veranderingen: particulier initiatief en expansie

Na 1848 werd er steeds meer kritiek geuit op het koloniaal bestuur in het algemeen en het cultuurstelsel in het bijzonder. Het cultuurstelsel werd door liberale politici gezien als een vorm van exploitatie die niet langer paste in het liberaal-economische tijdperk dat naar hun idee was aangebroken. Sommige van deze critici hadden de oprechte overtuiging dat het cultuurstelsel verderfelijk voor de Javaanse bevolking was. Aan de andere kant was er ook economisch eigenbelang; zij wilden de kolonie openen voor particulier initiatief.

In 1870 opende de Agrarische Wet de kolonie voor het particulier ondernemerschap. De Suikerwet luidde de geleidelijke opheffing van de gouvernementscultures in en daarmee het einde van het cultuurstelsel. De inheemse bevolking behield het recht op de door haar in cultuur gebrachte gronden, maar daarnaast begonnen zich in toenemende mate particuliere westerse bedrijven te vestigen op Java en in de Buitengewesten. Met name op Sumatra werden Nederlandse - en later ook andere Europese en Amerikaanse - plantages, de zogenaamde landbouwondernemingen, gevestigd. Op Sumatra begon men met de verbouw van tabak (het beroemde Deli-dekblad voor de sigaar), later gevolgd door andere producten, zoals koffie en rubber.

Expedities door wetenschappers en avonturiers leidden tot de ontdekking van bodemschatten als olie, tin, steenkool en goud. Tot 1850 had de koloniale overheid de delfstoffen geëxploiteerd, maar de Mijnwet van 1850 maakte het voor particulieren mogelijk om toestemming te verwerven delfstoffen te exploiteren (concessies). Op Sumatra was de \'Koninklijke\' succesvol, de voorloper van de huidige Koninklijke/Shell.

De Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) zorgde vanaf 1891 voor een uitdijend netwerk van scheepvaartverbindingen in de archipel. De expansie van dit bedrijf werd door de overheid ondersteund. De KPM zorgde voor snel troepentransport bij militair ingrijpen, en zorgde voor geregelde lijndiensten tussen de verschillende delen van de archipel, hetgeen bijdroeg aan de ontsluiting van afgelegen gebieden.

De periode van 1870 tot 1930 wordt de liberale periode genoemd. Handel, transport, landbouw en mijnbouw kenden een grote groei en allerlei moderniseringen (de komst van stoomschepen, de aanleg van het Suez-kanaal, de uitvinding van telegraaf en elektriciteit) versterkten de economische groei. Er werden wegen, spoorwegen, havens en vliegvelden aangelegd (met name op Java en Sumatra). Het bedrijfsleven maakte grote winsten.

In deze tijd kwam er naast de grote landbouwondernemingen een geheel andere sector op waar werd geproduceerd voor de overzeese exportmarkt: de inheemse boeren op Sumatra, Borneo en Celebes ontdekten dat de exportlandbouw hoge winsten opleverde en begonnen aan een kleinschalige productie van onder andere rubber en copra. Een fijnmazig netwerk van Chinese tussenhandelaren verbond de inheemse producent met de wereldmarkt. Deze handelaren verspreidden informatie over prijzen en plantmethoden, leverden krediet, kochten het product en verkochten importgoederen. Met name in de rubber kwam de inheemse productie tot grote bloei. In de havensteden deden de Europese handelshuizen goede zaken met de tussenhandelaren.

Dominantie en toenemende contacten

De afschaffing van het cultuurstelsel betekende dat Indonesiërs steeds minder met de koloniale overheid en steeds meer met Nederlandse ondernemers te maken kregen. De agrarisch-feodale samenleving werd er een van loonarbeid met zakelijke contracten. De loonarbeid betekende voor veel boeren op Java een daling op de sociale ladder. Zij verzetten zich door het verbranden van suikerriet en door massaal weg te trekken naar de plantage-gebieden op Sumatra of naar de steden. Hun protest werd versterkt door een economische crisis als gevolg van de overproductie van suiker (1884), sterke bevolkingsgroei, afhankelijkheid van een dalend geldinkomen en lage rijstproductie, met als gevolgen hongersnood en zware belastingen.

Het plantage-gebied op Sumatra was dunbevolkt. Bovendien was de inheemse bevolking niet bereid om voor de Europeanen in loondienst op de ondernemingen te werken. Daarom besloten de ondernemers Chinese en Javaanse contract-koelies te werven. Deze koelies tekenden een contract waarmee zij zich verplichtten om tegen ontvangst van een voorschot drie jaar voor een planter te werken. Aan het eind van de negentiende eeuw waren er ongeveer 100.000 koelies op Sumatra, waarvan circa 10 % vrouwen. De arbeidsomstandigheden van de koelies waren slecht (voeding was eenzijdig of onvoldoende, de straffen waren streng, er was weinig medische zorg, het sterftecijfer was hoog). De macht van de planters werd in 1880 door het gouvernement versterkt in de koelie-ordonnantie. Deze bevatte de \'poenale sanctie\', die inhield dat koelies streng gestraft werden wanneer zij wegliepen of een overtreding begingen, zonder dat zij veel mogelijkheden hadden om in beroep te gaan.

In het plantagegebied in Deli (Sumatra) heerste een ruwe pionierscultuur van Europese ondernemers. Het doel van deze vaak ongehuwde mannen was om snel rijk te worden en vervolgens terug te keren naar hun vaderland. Zij vonden de inheemse bevolking lui, onwillig en dom omdat die de Europese mentaliteit en het westerse economische systeem niet zonder meer accepteerde. Inheemse bediendes, koelies en concubines vonden de planters heel normaal. Dikwijls hadden zij een neerbuigende houding ten opzichte van de Indonesiërs.

Buiten het plantagegebied was er een minder intensieve confrontatie tussen de inheemse bevolking en de Europeanen. Zoals de Atjeh-oorlog laat zien betekende dit niet dat alle Buiten-gewesten zonder meer de Nederlandse overheersing accepteerden.

Er waren ook Nederlanders die de inheemse bevolking met meer respect bejegenden. Met name veel bestuursambtenaren streefden een \'ontwikkelingsideaal\' na. Inheemse volken werden vergeleken met kinderen, nog onontwikkeld, niet minder dan de westerse volken, maar op een lagere trap van beschaving staand. De primitieve bevolking wachtte op haar \'bevrijding\' van de slechte en onbetrouwbare lokale en regionale hoofden en op de instelling van een geordend bestuur.

De openstelling voor particulier initiatief en de snellere verbinding met Europa leverde een stroom van nieuwkomers op, vooral mannen, maar ook vrouwen, die hun plaats moesten vinden in de koloniale maatschappij met haar eigen zeden en gewoonten, afwijkend van het moederland. Europese vrouwen stonden dikwijls vreemd tegenover de inheemse cultuur.

Op Java raakte een groot deel van de bevolking gewend aan een door de Nederlanders en hun cultuur gedomineerde samenleving. Zij werkten bij Nederlanders als bediende of huishoudster, of hadden een baantje als ambtenaar of in de industrie. Tot aan het eind van de negentiende eeuw leefden veel Nederlanders in concubinaat met hun huishoudster, de \'njai\'. Toen er meer Europese vrouwen kwamen gebeurde dit minder vaak.

Een grotere bereidheid tot aanpassing en - waar mogelijk - tot toenadering vertoonden de Indo-europeanen (van gemengd Indonesisch en Europees bloed). Zij werden door Nederlanders en andere Europeanen echter niet voor vol aangezien en hadden weinig kans op maatschappelijke ontplooiing. 

Zie voor deel 2 Deel 2 CSE Nederland en Indonesië Vier eeuwen contact en beïnvloeding