We hebben 136 gasten online

Deel 2 CSE Nederland en Indonesië Vier eeuwen contact en beïnvloeding

Gepost in Nederland

Deel 2: Nederland en Indonesië: vier eeuwen contact en beïnvloeding

land onder de regenboog

Van 1900 tot 1942: Ethische Politiek en nationaal bewustzijn

Waarom leidde in de periode 1900-1942 de Ethische Politiek gelijktijdig zowel tot toenadering als tot groeiende spanning tussen Nederland en Indonesië? Wat was hierbij de rol van het nationalisme?

De Ethische Politiek

In de laatste helft van de negentiende eeuw was er in Nederland voortdurend kritiek op het koloniale beleid in Indonesië. De 'Max Havelaar' van Multatuli had grote invloed op het denken over het koloniaal bestuur. In het beginselprogram van de ARP in 1878 pleitte Kuyper voor een koloniaal stelsel waarin Nederland de plicht had de Indonesiër op te voeden en op termijn zelfstandiger te maken. In 1899 schreef de voormalig advocaat Van Deventer een artikel in De Gids waarin hij betoogde dat Nederland een 'Eereschuld' aan Indonesië had. De noodzakelijke hervormingen in Indonesië moesten worden doorgevoerd door terugbetaling van het geld dat Nederland via het cultuurstelsel uit Indonesië had verkregen. Deze 'ethische' gedachte vond weerklank in de politiek en het effect ervan is terug te vinden in de Troonrede van 1901, die wordt beschouwd als het officiële begin van de Ethische Politiek. De Ethische Politiek hield in dat Nederland een zedelijke roeping had om het welzijn en de welvaart van de Indonesische bevolking te bevorderen. Het beleid op grond van ethische principes ging hand in hand met de expansie van het Nederlands gezag in de archipel.

Het welvaartsbeleid vond plaats onder de leuze: 'irrigatie, emigratie, educatie'. Dit beleid werd vergezeld door een toename van onderwijs-mogelijkheden voor de inheemse bevolking en een beperkte mogelijkheid tot participatie in het bestuur.

In deze tijd vond er een modernisering plaats van het Binnenlands Bestuur en het Inheems Bestuur. Dit leidde ertoe dat het koloniaal bestuur verder doordrong in het dagelijks leven van de Indonesische bevolking. Gaandeweg kreeg de bevolking meer inspraak. De Decentralisatiewet (1903) gaf een klein aantal Indonesiërs zitting in gemeente- en provincieraden. Enige inspraak op centraal niveau kwam er met de instelling van de Volksraad (1918). Deze was mede van belang omdat hier aan meningsvorming werd gedaan over de toekomst van Indonesië.

Gevolgen van de Ethische Politiek

De welvaartspolitiek leidde, vooral op Java, tot verbeteringen in de infrastructuur, irrigatieprojecten, landbouweducatie en verbeterde kredietvoorziening. Toch waren de effecten van dit beleid minder dan gehoopt, onder meer door de sterke bevolkingsgroei of omdat de boeren hun kredieten voor consumptie gebruikten in plaats van productieve investeringen. Ondanks het feit dat er tot ongeveer 1930 sprake was van een gunstige economische ontwikkeling, nam de levensstandaard op Java (met name door de overbevolking) over het geheel genomen maar weinig toe.

dutch east indies 1929

Er kwam beter onderwijs volgens het principe: een schooltype voor elke 'landaard'. Zo kwamen er dessascholen, de Hollands-Indische School, de Europese Lagere school voor de kinderen van de Nederlanders en de Indonesische elite, en onderwijs voor meisjes (waar de Javaanse Kartini (1879-1904) zich voor had ingezet). Later ontstonden ook vormen van hoger onderwijs. Soekarno, bijvoorbeeld, bezocht de Technische Hogeschool in Bandoeng. Toch was met name het gebrek aan hoger onderwijs op grote schaal voor Indonesiërs een tekortkoming van de Ethische Politiek.

De gezondheidszorg verbeterde, eerst vooral door toedoen van zending en missie, later ook doordat de overheid systematisch voorlichting over hygiëne organiseerde en een vaccinatieprogramma opzette.

De misstanden op plantages en in mijnen op Sumatra werden aan de kaak gesteld in Van den Brand's De miljoenen van Deli en in het Rhemrev-rapport. Mede als gevolg hiervan werd in 1907 de Arbeidsinspectie ingesteld, die zorgde voor materiële verbeteringen in de positie van contractarbeiders. De poenale sanctie bleef echter, ondanks veel discussie, gehandhaafd tot 1931.

De oorspronkelijke doelstellingen van de Ethische Politiek werden niet gehaald. De Ethische Politiek was het beleid van een beter georganiseerde en zich uitbreidende overheid, maar stond op gespannen voet met het particulier bedrijfsleven dat Indonesië nog altijd voornamelijk zag als een wingewest. De welvaartspolitiek had op Java uiteindelijk weinig succes. De onderwijsverbeteringen bleven vrijwel beperkt tot lager onderwijs en landbouwvoorlichting, terwijl het hoger onderwijs voor Indonesiërs in gebreke bleef. Ten slotte bood de bevoogdingsgedachte geen goed antwoord op het nationalistische streven naar zelfbestuur.

Hoewel de Ethische Politiek de basis legde voor een beperkte mate van inheemse inspraak in het bestuur (democratisering) hield het koloniale gouvernement de touwtjes stevig in handen. De bestuurlijke veranderingen werden dan ook ingegeven door een vanzelfsprekend Europees superioriteitsgevoel.

Opkomst van het nationalisme

Vanaf het begin van de twintigste eeuw ontstonden er in Indonesië organisaties die streefden naar belangenbehartiging van specifieke sociale of religieuze groepen, bewustwording en inspraak in het bestuur.

De gematigd progressieve Boedi Oetomo (1908) had vooral de ontwikkeling van de Javaanse bevolking op het oog door verbeterde toegang en uitbreiding van westers onderwijs. De Islamitische beweging Sarekat Islam (1911) was radicaler en kwam op voor de economische belangenbehartiging van de Indonesiërs. Het gouvernement nam een gematigde houding aan tegenover dit soort bewegingen. Alleen de Indische Partij (1912), die streefde naar een zelfstandig Indonesië, werd verboden.

In de jaren twintig raakten organisaties op etnische of religieuze basis op de achtergrond. De Partai Komunis Indonesia (PKI) van 1920 streefde naar het winnen van de grote meerderheid van de Indonesische bevolking en was gericht op uiteindelijke Indonesische onafhankelijkheid. In 1926/27 begon de PKI een opstand op Java en Sumatra, die leidde tot een forse reactie van het gouvernement: de PKI werd ontmanteld en duizenden aanhangers gevangen genomen.

In 1927 werd door Soekarno de Partai Nasional Indonesia (PNI) opgericht, die een samen-hangende nationale ideologie ontwikkelde, los van religie of sociale klasse, waarbij Indonesië als een eenheid werd beschouwd. Deze partij streefde bewust naar de vestiging van een eigen, onafhankelijke, nationale staat. De middelen om dat te bereiken waren non-coöperatie en massa-actie. Ook de PNI werd hard aangepakt door het gouvernement. Eind 1929 werden de leiders van de PNI gearresteerd. Vanaf het midden van de jaren dertig werd het radicale Indonesische nationalisme onderdrukt. Organisaties werden verboden, er was censuur en de politie had grote volmachten om op te treden. De leiders van de PNI werden gevangen gezet, bijvoorbeeld in Boven-Digoel (op Nieuw-Guinea). Alleen organisaties die met Nederland wilden samenwerken werden toegestaan.

Indonesische studenten in Nederland (waaronder Hatta) en in Indonesië (waaronder Soekarno) vormden de kern van deze nieuwe nationalistische beweging. Deze beweging stelde Indonesië als nationale eenheid centraal en richtte zich op alle volken in de archipel. Daarmee werd het hele gebied van Nederlands-Indië het uitgangspunt van de op te richten nationale staat Indonesië.

De opkomst van het Indonesisch nationalisme zette de verhouding tussen het moederland en de overzeese kolonie onder druk en zou deze uiteindelijk ingrijpend veranderen. De bewustwording van de Indonesische bevolking werd gevoed door internationale voorbeelden, door verbeterd onderwijs, en doordat de hoger opgeleide Indonesische elite westerse ideeën overnam. In deze ontwikkelingen was ook de invloed van de Ethische Politiek merkbaar. Een belangrijke impuls kwam van de islam. Belangenverenigingen en contacten met islamitische groepen elders stimuleerden de onafhankelijkheidsgedachte.

Inspraak zonder zelfbeschikking

De Nederlandse reactie op het nationalisme was aanvankelijk positief. Men zag het nationalisme als een nuttig gevolg van de Ethische Politiek. Daarna werd de Nederlandse politiek conservatiever. Na 1926/1927, toen enkele felle communistische opstanden plaatsvonden, volgde een harde aanpak.

Over het algemeen toonden de Nederlanders wel respect voor zaken als het inheems volksrecht (adat-recht) en de inheemse culturele voortbrengselen, maar hadden zij weinig respect voor de politieke bewustwording en het verlangen naar zelfstandigheid in de Indonesische samenleving. Men zag de Nederlandse aanwezigheid in de kolonie als onmisbaar en vanzelfsprekend.

Nederland ging uit van de voogdijgedachte; Indonesië werd gezien als kind dat opgevoed moest worden. De Indonesiërs hoefden hun eigen cultuur niet helemaal op te geven, maar dienden die in te passen in de Europese cultuur, hetgeen de 'associatie-gedachte' wordt genoemd. Indonesië werd door de kolonisator nog lang niet rijp geacht voor zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Daarbij kwam dat het grootste deel van de bevolking geen bezwaar leek te hebben tegen de Nederlandse aanwezigheid: het nationalisme was kleinschalig, concentreerde zich in de steden en was niet over de gehele archipel verspreid.

Op sociaal terrein voltrok zich in deze periode een toenemende scheiding in de samenleving op grond van afkomst, status en ras. De verschillende bevolkingsgroepen waren wettelijk en maatschappelijk streng gescheiden. Er werd een juridische driedeling gehanteerd: Europeanen (blanke Europeanen en Indo-europeanen), Vreemde Oosterlingen (Chinezen, Arabieren en Brits-Indiërs) en Indonesiërs. De groep Europeanen was klein ten opzichte van de inheemse bevolking. In 1930 woonden er ongeveer een kwart miljoen Europeanen in Indonesië. Er waren toen ongeveer 60 miljoen Indonesiërs.

Door de komst van meer Europese vrouwen en door moderne communicatiemiddelen vond een europeanisering van de koloniale cultuur plaats, waarbij westerse cultuuruitingen meer op de voorgrond en Aziatische meer op de achtergrond raakten. Dit gold met name voor de Europeanen van gemengd Indo-europese afkomst. Door de uitbreiding van het Nederlands gezag en de opkomst van het Indonesisch nationalisme kwam de relatie tussen bevolkingsgroepen in toenemende mate onder spanning te staan.

Intussen kreeg de Indonesische elite geleidelijk meer emancipatiekansen en toegang tot de betere posities. De hogere bestuursfuncties van het Binnenlands Bestuur bleven echter gereserveerd voor Nederlanders. Er ontwikkelde zich een Indonesische intellectuele elite, die zich bewust was van de koloniale situatie en zich steeds vaker ontevreden toonde.

De Ethische Politiek wekte verwachtingen doordat zij leidde tot inspraak en democratisering. Het nationalisme werd hierdoor gestimuleerd, maar ook gefrustreerd, omdat het beleid uitging van een blijvende koloniale band.

De periode rond de dekolonisatie (1942-1962)

Welke ontwikkelingen tussen 1942 en 1962 leidden tot het einde van de koloniale relatie tussen Nederland en Indonesië en hoe kwam het dat het moeilijk was een nieuwe relatie op te bouwen? In welke mate getuigde de kwestie Nieuw-Guinea van een onverwerkt verleden?

De Japanse bezetting van Indonesië (1942-1945)

In maart 1942 werd Indonesië bezet door het Japanse leger. Hierdoor kwam een abrupt einde aan het Nederlandse koloniale gezag. De Nederlanders werden uit de Indonesische samenleving verwijderd en overgebracht naar krijgsgevangen- of interneringskampen. De hoogste bestuursposten werden nu ingenomen door Japanners.

De Indonesische bevolking werd door de Japanners gemobiliseerd in massa-organisaties en in militante, radicaal anti-westerse jeugdbewegingen. De nationalistische beweging werd door de Japanners gezien als vertegenwoordiging van het Indonesische volk en gebruikt om de Japanse oorlogsinspanningen te steunen. In ruil hiervoor beloofde Japan onafhankelijkheid op termijn. Naarmate de oorlog voortduurde en de kansen ten nadele van Japan keerden, werden de concessies aan de nationalisten groter.

Door de snelle overgave van het Nederlandse koloniale leger en bestuur in 1942 en het verdwijnen van de Nederlanders uit de belangrijke openbare functies in de samenleving verdween het beeld van de onoverwinnelijke Europeaan. Een Aziatisch volk bleek in staat Nederlanders, maar ook Amerikanen en Britten een nederlaag toe te brengen. De Indonesische bevolking had ook niet aan de kant van de Nederlanders tegen de Japanners willen vechten. Over het algemeen nam de bevolking een afwachtende - en tot verbazing van veel Nederlanders onverschillige - houding aan.

Tijdens de Japanse bezetting werden de reeds aanwezige anti-Nederlandse sentimenten, met name in de Indonesische jongerenorganisaties, versterkt door Japanse anti-westerse propaganda. De emancipatie en daarmee het zelfbewustzijn van Indonesiërs nam toe door hun ervaring in bestuurlijke en economische functies tijdens de bezetting. Tegelijkertijd werd hun afkeer van elke vorm van vreemde overheersing gevoed door de arrogante houding van de Japanse bezetter.

Intussen ging de Nederlandse regering in Londen uit van terugkeer van het koloniale gezag in Indonesië na afloop van de oorlog; pas daarna zouden eventuele veranderingen kunnen plaatsvinden.

De strijd om politieke onafhankelijkheid (1945 -1949)

Op 15 augustus 1945 capituleerde het Japanse leger. Twee dagen later riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republiek Indonesië uit.

Originele tekst van de onafhankelijkheidsverklaring met de handtekeningen van Soekarno en Hatta

Er waren geen Nederlandse soldaten of bestuursambtenaren op Java en het duurde zes weken voor de eerste geallieerde Britse soldaten op Java aankwamen. De Engelsen, die geen oorlog wilden voeren om het Nederlandse koloniale gezag te herstellen, drongen aan op onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek. In deze periode slaagde de jonge Republiek er in zijn positie te consolideren. Er volgde een aantal onrustige maanden, de Bersiap-periode, waarin radicale jongeren terreur uitoefenden.

Aanvankelijk bestond er in 1945 geen bereidheid om met de Republiek Indonesië op voet van gelijkheid te onderhandelen, temeer omdat Soekarno werd gezien als collaborateur met de Japanners. Nederland hield vast aan de eenheid van het koninkrijk. Onder druk van de omstandigheden kwam het onder luitenant-gouverneur-generaal Van Mook toch tot onderhandelingen met de Republiek. Die leidden in 1946 tot het akkoord van Linggadjati: Nederland erkende het gezag van de Republiek op Java en Sumatra, terwijl de Republiek zou samenwerken om een federatieve staat in unie-verband met Nederland te vestigen. Maar dit compromis vond onvoldoende draagvlak aan beide zijden met als gevolg hernieuwde vijandelijkheden. Meer dan 150.000 Nederlandse militairen werden naar Indonesië gebracht.

De eerste 'politionele actie' ('Operatie Product'), in de zomer van 1947, was gericht op het heroveren van gebied van de Republiek Indonesië, waar ondernemingen lagen die producten voor de wereldmarkt verbouwden. De actie was een militair succes maar slaagde niet in het politieke doel om de nationalisten ten val te brengen. Er ontstond een heftige guerrilla-strijd met de Republiek.

Nieuwe onderhandelingen leidden niet tot voldoende resultaat en het kwam in december 1948 tot een tweede politionele actie. Soekarno en Hatta werden gevangen genomen. De politionele acties leidden tot nog sterkere internationale druk op Nederland, met name van de Verenigde Staten, die dreigden de Marshall-hulp aan Nederland te staken.


Deze periode is belangrijk geweest voor de vorming van de onafhankelijke Republiek Indonesië (er ontstonden politieke partijen, een regering en een bestuurlijke en economische organisatie). In deze chaotische beginjaren dwong de gemeenschappelijke vijand de Republiek tot eenheid.

Uiteindelijk moest Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië accepteren. Op 27 december 1949 werd Indonesië ook formeel een onafhankelijke staat. Maar in feite was de dekolonisatie nog niet voltooid: de Nederlandse bedrijven behielden een overheersende positie en Nieuw-Guinea werd uitgezonderd van de soevereiniteitsoverdracht.

Polarisatie tussen Nederland en Indonesië en de gevolgen daarvan

In Nederland was sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog weinig oog voor de politieke en mentale veranderingen die in Indonesië hadden plaatsgevonden tijdens de Japanse bezetting en met name voor de groei van het nationalisme. Veel Nederlanders zagen het bezit van Indonesië als een belangrijke voorwaarde voor de wederopbouw van Nederland ('Indie verloren, rampspoed geboren'). Men vreesde dat Nederland zonder het bezit van Indonesië een derderangs mogendheid in de wereld zou worden. Ook de gedachte dat Indonesië Nederland nodig had (de voogdijgedachte) beïnvloedde de houding in Nederland.

De verhouding tussen Nederland en Indonesië verslechterde na 1949 snel. De leiders van de jonge Indonesische Republiek zouden het liefst een geheel eigen weg inslaan. Maar de realiteit dwong hen op gebieden als economie, rechtspraak en onderwijs nog een tijd voort te bouwen op de Nederlandse koloniale erfenis.

Het wederzijds wantrouwen werd aangewakkerd door beschuldigende artikelen in de pers over en weer. In Nederland berichtten de kranten erg negatief over de ontwikkelingen in Indonesië. In de Indonesische pers zette men zich af tegen de nog aanwezige Nederlanders die men aanmatigend gedrag verweet en beschuldigde van pogingen om hun macht in Indonesië te behouden. De Nederlanders die nog in Indonesië woonden kregen in toenemende mate te maken met onveiligheid op straat, intimidatie, en huiszoekingen en arrestaties door Indonesische politie.

De dekolonisatie van Indonesië leidde tot een uittocht van verschillende bevolkingsgroepen. In de periode 1945-1949 repatrieerden veel Nederlanders. Tevens kwamen er veel Indo-europeanen naar Nederland, die door hun gemengde afkomst in het zelfstandige Indonesië slechte maatschappelijke vooruitzichten hadden. Na 1950 kwam er een groep van circa 12.000 Molukkers naar Nederland, waarvan de mannen actief waren geweest in het KNIL. In totaal kwamen er in de periode 1945-1957 ongeveer 300.000 repatrianten en migranten naar Nederland, een immigratiegolf van enorme omvang.

De Nieuw-Guinea kwestie 

De verhouding tussen Nederland en zijn voormalige kolonie verslechterde nog verder omdat Nederland koppig vasthield aan Nieuw-Guinea, terwijl Soekarno wilde dat Nieuw-Guinea deel ging uitmaken van de Indonesische eenheidsstaat.

In de jaren 1950-1960 werd door Nederland een beschavingsoffensief ingezet om de Papoea-bevolking in Nieuw-Guinea 'op te voeden', te civiliseren en voor te bereiden op latere zelfstandigheid (onafhankelijk van de Republiek Indonesië). De voogdijgeachte van weleer en vormen van een nieuwe 'ethische politiek' bloeiden weer op. Economisch gezien was Nieuw-Guinea niet erg waardevol als kolonie. Maar Nieuw-Guinea werd zowel voor Nederland als voor Indonesië een prestigekwestie.

Na 1956 escaleerden de tegenstellingen tot een diplomatiek conflict. In 1957/1958 ging Indonesië over tot het nationaliseren van de Nederlandse bedrijven hetgeen leidde tot een uittocht van de laatste in Indonesië aanwezige Nederlanders. In 1960 werden de diplomatieke betrekkingen verbroken. Mede om de aandacht van de vele binnenlandse problemen af te leiden, beet Indonesië zich vast in de confrontatie met Nederland over Nieuw-Guinea. Leger en marine voerden infiltraties uit in het omstreden gebied, waardoor Nederland zich gedwongen zag ook steeds meer militairen en materieel in te zetten.

Onder internationale druk liet Nederland in 1962 Nieuw-Guinea los, waarna het gebied, na een interim-bestuur onder de Verenigde Naties, ruim een half jaar later alsnog bij Indonesië kwam.

In 1963 werd de diplomatieke relatie tussen Nederland en Indonesië op een laag niveau hersteld, maar de band tussen beide landen bleef nog een aantal jaren koel.

Literatuursuggesties

Er is een enorme hoeveelheid bruikbare literatuur voorhanden over de geschiedenis van Indonesië. Noodgedwongen heeft de commissie hier een kleine selectie gemaakt van boeken die een bruikbare ingang vormen op de stof. Deze boeken geven zelf in hun bibliografieën weer suggesties voor aanvullende literatuur. Voor informatie over het leven in de kolonie en de wederzijdse beeldvorming kan uiteraard ook gedacht worden aan de Indische literatuur.

Algemene handboeken

- Baardewijk, F. van e.a., Geschiedenis van Indonesië. Zutphen: Walburg Pers, 1998.
- Doel, H.W. van den, Het rijk van Insulinde. Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie, Amsterdam: Prometheus, 1996.
- Goor, J. van, De Nederlandse koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600-1975. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1994.
- Houben, V.J.H., Van kolonie tot eenheidsstaat. Indonesië in de negentiende en twintigste eeuw, Leiden: TCZOAO, 1996. [Semaian 16.]
- Jong, J.J.P. de, De waaier van het fortuin. De Nederlanders in Azië en de Indonesische archipel 1595-1950. Den Haag: SDU Uitgevers, 1998.
- Ricklefs, M.C. A history of modern Indonesia since ca. 1300. Basingstoke/Londen: Macmillan, 1993.Weerzien met Indië, Zwolle: Waanders Uitgevers, 1995 (52 afleveringen).

De VOC

- Gaastra, F.S., De geschiedenis van de VOC. Zutphen: Walburg Pers, 1991.

Over het Cultuurstelsel

- Fasseur, C., Kultuurstelsel en koloniale baten. De Nederlandse exploitatie van Java, 1840-1860, Leiden, Universitaire Pers, 1975.

Over de periode 1870-ca. 1900

- Fasseur, C. (ed.) Geld en geweten. Een bundel opstellen over anderhalve eeuw Nederlands bestuur in de Indonesische archipel, Den Haag: Nijhoff, 1980.
- Kuitenbrouwer, M., Nederland en de opkomst van het moderne imperialisme. Koloniën en buitenlandse politiek, 1870-1902. Amsterdam/Dieren: De Bataafsche Leeuw, 1986.
- Locher-Scholten, E.B. Sumatraans sultanaat en koloniale staat. De relatie Djambi-Batavia (1830-1907) en het Nederlandse imperialisme, Leiden: KITLV Uitgeverij, 1994. [Verhandelingen 161.]
- Kartini, R.A., Door duisternis tot licht. Gedachten over en voor het Javaanse volk. (J.H. Abendanon en E. Allerd, red.). Amsterdam 19765.

Over de periode 1900-1942:

- Bossenbroek, M., Holland op zijn breedst. Indië en Zuid-Afrika in de Nederlandse cultuur omstreeks 1900, Amsterdam: Bert Bakker, 1996.
- Baudet, H. en M. Fennema et al. Het Nederlands belang bij Indië, Utrecht/Antwerpen: Spectrum, 1983.
- Breman, J., Koelies, planters en koloniale politiek. Het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra's Oostkust in het begin van de twintigste eeuw, Leiden: KITLV Press, 19923.
- Clemens, A.H.P. en J.Th. Lindblad (red.), Het belang van de Buitengewesten. Economische expansie en koloniale staatsvorming in de Buitengewesten van Nederlands-Indië 1870-1942, Amsterdam: NEHA, 1989.
- Doorn, J.A.A. van, De laatste eeuw van Indië. Ontwikkeling en ondergang van een koloniaal project. Amsterdam: Bert Bakker, 1994.
- Locher-Scholten, E.B., Ethiek in fragmenten. Vijf studies over koloniaal denken en doen van Nederland in de Indonesische Archipel, 1877-1942, Utrecht: Hes, 1981.
- Nieuwenhuis, R., Tempo Doeloe, een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië, 1870-1920, Drie delen, Amsterdam: Querido, 1981-19881, 19982.

Over de periode 1942-1962

- Cribb, R. en C. Brown, Modern Indonesia. A history since 1945, Londen/New York: Longman, 1995.
- Geus, P.B.R. de, De Nieuw-Guinea kwestie. Aspecten van buitenlands beleid en militaire macht, Leiden: Nijhoff, 1984.
- Lijphart, A., The trauma of decolonization.The Dutch and West New Guinea. New Haven, Yale University Press, 1966.
- Meijer, H., Den Haag-Djakarta. De Nederlands-Indonesische berekkingen, 1950-1962, Utrecht: Spectrum, 1994.
- Meijer, R., Oost-Indisch doof. Het Nederlandse debat over de dekolonisatie van Indonesië, Amsterdam, Bert Bakker: 1995.