We hebben 132 gasten online

CSE Nederland 1880-1919: op het breukvlak van twee eeuwen

Gepost in Nederland

Een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen?

Nederland 1880-1919: op het breukvlak van twee eeuwen

Historisch kader

 

In Nederland was rond 1880 - anders dan in de ons omringende landen - de industrialisatie nog nau­welijks begonnen. Nederland begon echter in deze tijd sterk te veranderen.

Tussen 1879 en 1920 groeide de bevolking van Nederland van 4 miljoen inwoners tot 6,9 miljoen. Deze groei kwam tot stand ondanks het dalen van de geboortecijfers en was vooral toe te schrijven aan de daling van het sterftecijfer als gevolg van verbeterde voeding, toenemende aandacht voor hygiëne en meer medische zorg. Grote epidemieën kwamen in de periode 1880-1920 niet meer voor met uitzondering van de Spaanse Griep van 1918. Deze groeiende bevolking van Nederland leefde in een samenleving waarin sociale stijging en daling van mensen nog geen normaal verschijnsel was. De sociale positie was belangrijker dan de economische.

In de jaren `70 van de 19e eeuw was ruim een derde van de mannelijke beroepsbevolking in de land­bouw werkzaam. De internationale landbouwcrisis van 1873 kwam hard aan, maar vormde ook het begin van modernisering van de productiemethodes en differentiatie in productie. De industrialisatie zorgde voor nieuwe werkgelegenheid in de steden en voor nieuwe industriegebieden. De urbanisatie nam sterk toe. In de loop van de periode 1880-1920 zien we de opkomst van moderne bankbedrijven, chemische industrie, elektrotechnische industrie en het industrieel grootbedrijf (Koninklijke Olie, Philips, Unilever). Door de industrialisatie werden nieuwe groepen in de bevolking belangrijk, zoals geschoolde arbeiders in de industrie en middengroepen in de dienstensector.

Door de economische veranderingen nam de welvaart van de bevolking geleidelijk toe.

Met de uitbreiding van het kanalen- en spoorwegnet ontstond een stelsel van goede verbindingen over het gehele land met aansluiting op buitenlandse transportnetten. Ook telegraaf en telefoon zorgden in deze periode voor een snellere communicatie. Openbare nutsbedrijven werden opgericht. Nederland werd door de ontsluiting van het platteland en door de urbanisatie meer tot een geheel op economisch politiek-bestuurlijk en cultureel vlak. De overheid speelde hierbij op lokaal en nationaal niveau een belangrijke rol.

De opkomst van de stoomscheepvaart leidde tot betere contacten met de koloniale bezittingen. Mede daardoor werd de interesse vergroot voor `Nederlandse' gebieden overzee.

De overheid begon in deze tijd haar greep op het leven van de Nederlanders te vergroten. Aan de andere kant kreeg de bevolking in toenemende mate de gelegenheid te participeren in de politiek. Rooms-katholieke en protestants-christelijke groepen volgden in de sterk veranderende samenleving de behoefte zich te organiseren en te emanciperen door de oprichting van eigen zuilen. Ook de soci­aal-democraten organiseerden zich in een zuil. Deze ontwikkeling wordt verzuiling genoemd. De uitbreiding van het kiesrecht kwam aanvankelijk alleen ten goede aan mannen. Ook groeide de scheiding tussen de rolpatronen en taken voor mannen en vrouwen. Als gevolg daarvan ontstond een vrouwenbeweging die onder andere streed voor gelijkberechting en voor een betere positie op ver­schillende maatschappelijke terreinen, de eerste feministische golf.

De hierboven genoemde ontwikkelingen worden in dit thema op een vijftal terreinen onder de loep genomen: het gezin, de emancipatie van de vrouw, van confessionele groepen, van arbeiders en de overheidszorg.

Al deze ontwikkelingen hadden in de loop van de periode 1880-1920 hun weerslag in de kunst. Steeds bredere groepen van de bevolking kwamen ermee in aanraking. Er werd meer gelezen, er ont­stonden verenigingen van allerlei soort, theaters werden opgericht. De urbanisatie van Nederland leid­de aan het eind van de periode tot wijde bekendheid voor de Amsterdamse School die invloed had op de sociale woningbouw. Schilders als Israëls en Breitner namen het stadsleven als thema voor hun werk. Politieke tekenaars en ontwerpers van affiches brachten veel van wat in hun tijd leefde in beeld. De sociale problematiek speelde een rol in de literatuur; het thema van de vrouwenemancipatie werd literair besproken en vond veel weerklank.

Deze uitingen van cultuur dienen waar mogelijk bij de uitwerking van het thema betrokken te wor­den. In dit verband wordt van de leerlingen verwacht dat zij tijdgebonden symbolen op affiches en in de politieke tekeningen kunnen herkennen.

bond vrije liberalen

Historici hebben deze tijd naderhand verschillend beoordeeld. Sommigen signaleerden in de periode 1880-1920 vooral doemdenken rond het fin de siècle en zagen die tijd als een echt breukvlak tussen twee verschillende eeuwen. Anderen brachten naar voren dat de ontwikkelingen rond 1900 geleidelijk gingen en zich in de daarna komende decennia voortzetten.

II Het gezin

2.1 Hoe was de situatie rond 1880 in de samenleving op het gebied van het gezin?

• In Nederland namen huwelijk en gezin een belangrijke plaats in. Bijna 90% van alle volwassenen trad in het huwelijk. Getrouwd zijn betekende voor de meeste mensen rond 1880 de beste en meest geschikte levensvorm, een verbintenis voor het leven. Het moderne gezin werd het ideaal: met romantische liefde tussen de echtgenoten, grote zorg voor de kinderen en huiselijkheid. Maar dat ideaal kwam bijna alleen binnen het bereik van de burgerij. Kinderen konden aan het gezinsin­komen bijdragen en betekenden een voorziening voor de oude dag. Onder de arbeiders in de ste­den en op het platteland speelde een groot deel van het leven zich buitenshuis af. Ook hun vrouw en hun kinderen moesten vaak gaan werken om het inkomen van het gezin aan te vullen. Van huiselijkheid kwam onder hen weinig terecht.

De leeftijd in Nederland bij eerste huwelijk was rond 1880 hoog: voor vrouwen 26,5 en voor man­nen 28,5 jaar. Een gezin kon namelijk pas gesticht worden als men over de middelen beschikte om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

Slechts weinig kinderen werden buiten het huwelijk geboren. Echtscheiden kwam rond 1880 heel weinig voor en was vrijwel alleen mogelijk in het geval van bewijsbaar overspel van één van de partijen.

• Er kwamen veel onvolledige gezinnen voor omdat de sterfte in het kraambed en bij achtergestelde groepen, zoals arbeiders, hoog was. Bovendien stierf 1 op de 5 zuigelingen.

• De huwelijksvruchtbaarheid was hoog, vooral bij rooms-katholieken en orthodoxe protestanten. Arbeiders hadden gemiddeld meer kinderen dan mensen uit hogere bevolkingsgroepen.

• Het gezin was voor veel mensen niet alleen een consumptieve eenheid maar ook een productie­eenheid. Er bestond vaak een 'armoedecyclus': vooral als de kinderen klein waren of het huis hadden verlaten, leefden de ouders uit lagere bevolkingsgroepen nauwelijks boven het bestaansmi­nimum.

• De meeste kinderen gingen naar school, maar vervolgonderwijs was voor het merendeel een uit­zondering.

• De man was, ook volgens het huwelijksrecht, het hoofd van het gezin. Er was weinig bemoeienis met het gezinsleven van de kant van de overheid.

• Particuliere instanties, zoals de kerken, sprongen alleen in als gezinnen onder het bestaansmini­mum dreigden te geraken.

2.2 a Wat waren de belangrijkste veranderingen in de periode 1880-1919 op het gebied van het gezin?

• Het moderne gezin kreeg een veel belangrijker plaats in de samenleving voor een steeds groter deel van de bevolking.

Tussen man en vrouw ontstond een striktere rolverdeling, waarbij de man de kostwinner werd en de vrouw het gezin en het huishouden verzorgde. Kinderen kregen in het algemeen meer aandacht. Middengroepen gingen in een beschavingsoffensief hun ideeën over het moderne gezin verbrei‑

Al deze ontwikkelingen hadden in de loop van de periode 1880-1920 hun weerslag in de kunst. Steeds bredere groepen van de bevolking kwamen ermee in aanraking. Er werd meer gelezen, er ont­stonden verenigingen van allerlei soort, theaters werden opgericht. De urbanisatie van Nederland leid­de aan het eind van de periode tot wijde bekendheid voor de Amsterdamse School die invloed had op de sociale woningbouw. Schilders als Israëls en Breitner namen het stadsleven als thema voor hun werk. Politieke tekenaars en ontwerpers van affiches brachten veel van wat in hun tijd leefde in beeld. De sociale problematiek speelde een rol in de literatuur; het thema van de vrouwenemancipatie werd literair besproken en vond veel weerklank.

Deze uitingen van cultuur dienen waar mogelijk bij de uitwerking van het thema betrokken te wor­den. In dit verband wordt van de leerlingen verwacht dat zij tijdgebonden symbolen op affiches en in de politieke tekeningen kunnen herkennen.

Historici hebben deze tijd naderhand verschillend beoordeeld. Sommigen signaleerden in de periode 1880-1920 vooral doemdenken rond het fin de siècle en zagen die tijd als een echt breukvlak tussen twee verschillende eeuwen. Anderen brachten naar voren dat de ontwikkelingen rond 1900 geleidelijk gingen en zich in de daarna komende decennia voortzetten.

II Het gezin

2.1 Hoe was de situatie rond 1880 in de samenleving op het gebied van het gezin?

• In Nederland namen huwelijk en gezin een belangrijke plaats in. Bijna 90% van alle volwassenen trad in het huwelijk. Getrouwd zijn betekende voor de meeste mensen rond 1880 de beste en meest geschikte levensvorm, een verbintenis voor het leven. Het moderne gezin werd het ideaal: met romantische liefde tussen de echtgenoten, grote zorg voor de kinderen en huiselijkheid. Maar dat ideaal kwam bijna alleen binnen het bereik van de burgerij. Kinderen konden aan het gezinsin­komen bijdragen en betekenden een voorziening voor de oude dag. Onder de arbeiders in de ste­den en op het platteland speelde een groot deel van het leven zich buitenshuis af. Ook hun vrouw en hun kinderen moesten vaak gaan werken om het inkomen van het gezin aan te vullen. Van huiselijkheid kwam onder hen weinig terecht.

De leeftijd in Nederland bij eerste huwelijk was rond 1880 hoog: voor vrouwen 26,5 en voor man­nen 28,5 jaar. Een gezin kon namelijk pas gesticht worden als men over de middelen beschikte om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

Slechts weinig kinderen werden buiten het huwelijk geboren. Echtscheiden kwam rond 1880 heel weinig voor en was vrijwel alleen mogelijk in het geval van bewijsbaar overspel van één van de partijen.

• Er kwamen veel onvolledige gezinnen voor omdat de sterfte in het kraambed en bij achtergestelde groepen, zoals arbeiders, hoog was. Bovendien stierf 1 op de 5 zuigelingen.

• De huwelijksvruchtbaarheid was hoog, vooral bij rooms-katholieken en orthodoxe protestanten. Arbeiders hadden gemiddeld meer kinderen dan mensen uit hogere bevolkingsgroepen.

• Het gezin was voor veel mensen niet alleen een consumptieve eenheid maar ook een productie­eenheid. Er bestond vaak een 'armoedecyclus': vooral als de kinderen klein waren of het huis hadden verlaten, leefden de ouders uit lagere bevolkingsgroepen nauwelijks boven het bestaansmi­nimum.

• De meeste kinderen gingen naar school, maar vervolgonderwijs was voor het merendeel een uit­zondering.

• De man was, ook volgens het huwelijksrecht, het hoofd van het gezin. Er was weinig bemoeienis met het gezinsleven van de kant van de overheid.

• Particuliere instanties, zoals de kerken, sprongen alleen in als gezinnen onder het bestaansmini­mum dreigden te geraken.

2.2 a Wat waren de belangrijkste veranderingen in de periode 1880-1919 op het gebied van het gezin?

• Het moderne gezin kreeg een veel belangrijker plaats in de samenleving voor een steeds groter deel van de bevolking.

Tussen man en vrouw ontstond een striktere rolverdeling, waarbij de man de kostwinner werd en de vrouw het gezin en het huishouden verzorgde. Kinderen kregen in het algemeen meer aandacht. Middengroepen gingen in een beschavingsoffensief hun ideeën over het moderne gezin verbreiden onder arbeiders.

• De sterfte onder kraamvrouwen daalde waardoor minder onvolledige gezinnen voorkwamen. De sterfte daalde bij alle leeftijdsgroepen, ook bij zuigelingen.

• De huwelijksvruchtbaarheid nam af, als gevolg van het toepassen van geboortebeperking, ook bij confessionele groepen en arbeiders.

• Als gevolg van de toenemende welvaart hoefden gehuwde vrouwen en kinderen minder bij te dra­gen aan het gezinsinkomen. Er trad meer bestaanszekerheid en een verruiming van het uitgavenpa­troon op.

• De rechtspositie van vrouwen in het huwelijk verbeterde omdat de moeder op grond van de Kinderwetten (1901) in sommige gevallen de uitoefening van de ouderlijke macht kon krijgen. De overheid ging over tot wetgeving die haar in specifieke gevallen het recht gaf in te grijpen in het gezinsleven.

• Ideeën over het belang van het gezin werden meer dan tevoren door kerkelijke functionarissen en overheid (door middel van wetgeving) verbreid.

2.2 b Hoe vallen deze veranderingen te verklaren?

memo hfst 3 afb 3

• Een deel van de gezinnen ging er, mede door de beschikbaarheid en de lage prijs van geboortebe­perkende middelen, toe over hun kindertal te verminderen.

• De sterfte daalde door een verbeterde hygiëne, veroorzaakt door riolering, afvoer van vuil en waterleiding. Daarnaast werd de medische zorg beter, vooral in de sfeer van de preventie (consul­tatiebureaus).

• Door de stijgende lonen van mannen verminderde de noodzaak voor vrouwen en kinderen om bui­tenshuis te werken.

• Met de invoering van de leerplicht (1901) werd de schoolgang nu praktisch algemeen. Door de oprichting van ambachtsscholen en huishoudscholen namen, ook voor arbeiderskinderen, de mogelijkheden op voortgezet onderwijs toe.

2.3 a In welke opzichten bleef de situatie op het gebied van het gezin hetzelfde?

• Mensen traden laat in het huwelijk: gemiddeld 26 jaar voor vrouwen en 28 jaar voor mannen in 1919.

• Echtscheiden bleef zeldzaam, al nam het wel enigszins toe.

• Rooms-katholieken, orthodoxe protestants-christelijken en arbeiders hebben nog steeds de hoogste huwelijksvruchtbaarheid.

• Er werden ook in deze periode weinig kinderen buiten het huwelijk geboren.

• Het gemiddeld aantal in gezinnen levende kinderen veranderde nauwelijks.

• De man bleef het hoofd van het gezin.

• In de meeste boerenhuishoudingen bleven de gezinsleden meewerken in het bedrijf.

2.3 b Hoe valt de mate van continuïteit te verklaren?

• De meeste boerenhuishoudingen kenmerkten zich door het dooreenlopen van huishoudelijk werk en bedrijfsarbeid; de bijdragen van elk gezinslid waren onmisbaar.

• De grote materiële verschillen tussen gezinnen van ongeschoolde arbeiders en gezinnen uit hogere lagen van de bevolking beperkten de mogelijkheden tot veranderingen voor de eerstgenoemde gezinnen sterk.

• De kerken traden op als hoedsters van oude waarden.

• De mannen hadden de belangrijkste posities in de samenleving in handen en wilden in meerder­heid hun bevoorrechte positie in het gezin niet zomaar prijsgeven.

• De afnemende huwelijksvruchtbaarheid werd gecompenseerd door de daling van de kindersterfte.

2.4 a Hoe werd tussen 1880 en 1919 door belangrijke maatschappelijke groeperingen over het gezin gedacht?

Voor alle belangrijke groepen is `het moderne gezin' het fundament van de samenleving. Maar de confessionelen legden hier meer nadruk op dan sociaal-democraten en liberalen, en wilden hier ook wettelijke regelingen voor maken.

Voor confessionelen waren seksualiteit en huwelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Sociaal-democraten stonden meestal afwijzend tegenover het idee om de moraal door de overheid te laten regelen. Zij streefden naar hogere lonen voor mannen omdat deze dan voor zijn gezin kon zor­gen zonder dat een geldelijke bijdrage van vrouw of jonge kinderen daarvoor ook noodzakelijk was. Liberalen stonden, met name op punten als echtscheiding, voorbehoedmiddelen en de positie van de vrouw, tussen confessionelen en sociaal-democraten in.

2.4 b Hoe verschillend werd/wordt over de volgende casussen gedacht?

Casus 1:

De Koninklijke goedkeuring van de statuten van de Nieuw-Malthusiaansche Bond (1896), een bot­sing van denkbeelden over zedelijkheid en samenleving.

Tijdens discussies over de statuten van de NMB stonden vooral de volgende groeperingen met hun uiteenlopende visies centraal:

• de confessionelen waren tegen omdat de bond middelen tegen geboortebeperking verstrekte;

• de sociaal-democraten waren eveneens tegen: in hun visie week de samenleving waarin de NMB paste af van de klasseloze maatschappij die zij zelf nastreefden;

• liberalen uitten hun ongenoegen over het besluit omdat hierdoor de bevolkingsgroei zou kunnen afnemen. Maar de liberale minister Van Houten, die tot de goedkeuring besloot, zag evenals ande­ren in de gezinsplanning, waarvan de NMB voorstander was, een wapen tegen armoede.

Casus 2:

De behandeling van de leerplichtwet in de Tweede Kamer in 1990, een tegenstelling van belangen. De rooms-katholieken waren tegen de leerplichtwet, omdat deze de rechten van het gezin aantastte: men wilde zelf over de duur van het onderwijs aan kinderen kunnen beslissen. De sociaal-democraten waren tegen omdat dan het gezinsinkomen van veel arbeiders zou dalen. Ander partijen waren vóór in het belang van de kinderen en de samenleving in het algemeen.

Van de leerlingen wordt verwacht dat zij het einde van de 20ste èeuw op de volgende aspecten kun­nen vergelijken met de periode 1880-1919 en dat zij verklaringen kunnen bedenken voor geconsta­teerde verschillen: het aantal geboorten per gezin en geboortebeperking, de positie van het traditio­nele gezin in de samenleving (samenwonen, seks voor het huwelijk, echtscheiding), de mate van indi­vidualisme in het gezin, de zorg voor de kinderen, het onderwijs en de opleiding van kinderen, de rol­verdeling tussen vaders en moeders.

III   Emancipatie van vrouwen

3.1 Hoe was de positie van de vrouw rond 1880?

Het merendeel van de meisjes volgde na de lagere school geen onderwijs. Een opleiding bestond slechts voor enkele beroepen van vrouwen, zoals onderwijzeressen en vroedvrouwen. Een klein deel van de meisjes uit de midden- en hogere klassen volgde middelbaar onderwijs. In uitzonde­ringsgevallen, zoals Aletta Jacobs, volgden zij ook hoger onderwijs.

Meisjes uit de lagere klas werkten na hun schooltijd vaak buitenshuis tot hun huwelijk of tot de komst van het eerste kind, maar langer als de financiële nood groot was. Zij kwamen in de regel terecht in beroepen met het minste aanzien en de laagste scholingsgraad. Vrouwen verdienden met die werkzaamheden de helft tot twee derde van wat mannen ontvingen. Sommige vrouwen hadden de zorg voor een eigen bedrijf binnenshuis. In het midden- en hogere klassen verrichten verreweg de meeste vrouwen geen betaald werk.

Van mannen werd op seksueel gebied veel meer getolereerd dan van vrouwen, de zogenaamde dubbele moraal. Het was verboden om vaders van buitenechtelijke kinderen op te sporen. Prostitutie zagen velen als onvermijdelijk omdat het voor mannen noodzakelijk was om hun geslachtsdrift te uiten: anders zouden zij zich aan `eerbare vrouwen' vergrijpen. Prostituees wer­den als gevallen vrouwen beschouwd, evenals ongehuwde moeders, die immers ook buiten het huwelijk seksuele contacten hadden gehad. Vrouwen zouden, in tegenstelling tot mannen, zelf geen seksuele neigingen kennen.

• Gehuwde vrouwen waren handelingsonbekwaam en hadden zelfs geen zeggenschap over het eigen vermogen. Zij hadden geen passief of actief kiesrecht en bekleedden ook geen openbare functies.

3.2  Onder welke omstandigheden kwamen organisaties voor vrouwenemancipatie tot stand?

Aan het einde van de 19e eeuw werd de bereidheid onder vrouwen om zich te organiseren groter dan ooit tevoren. Zij werden zich in die tijd als gevolg van verschillende factoren van hun achterstand meer bewust:

• het kiesrecht werd telkens uitgebreid, maar alleen voor mannen;

• de mogelijkheden tot scholing breidden zich uit, maar hier profiteerden jongens veel meer van dan meisjes;

• buitenlandse emancipatiebewegingen inspireerden Nederlandse feministen.

3.3  Welke waren de belangrijkste organisaties voor vrouwenemancipatie in de periode 1880-1919 en welke doelen wilden zij bereiken?

De Nederlandse Vrouwenbond tot Verhoging van het Zedelijk Bewustzijn (NVVZB), opgericht in 1884 door Marianne Klerck-Van Hogendorp, was de eerste politieke vrouwenorganisatie. Deze bond keerde zich oorspronkelijk tegen de dubbele moraal in de zedelijkheidswetgeving. Later keerde de Bond zich ook tegen de handel in vrouwen en tegen het verbod op het onderzoek naar het vaderschap.

De Vrije Vrouwenvereeniging (VVV), waarin Wilhelmina Drucker een belangrijke rol speelde, was breder in haar doeleinden. De VVV wilde voor vrouwen alle rechten die zij tot dan toe nog niet hadden op het gebied van onderwijs, werk, huwelijksrecht en vrouwenkiesrecht.

De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) onder voorzitterschap van Aletta Jacobs, was de grootste organisatie die zich vooral op het verwerven van het kiesrecht concentreerde.

3.4 a Welke waren hun belangrijkste argumenten?

Vrijwel alle vrouwen en organisaties gebruikten zowel argumenten die betrekking hadden op de specifieke kwaliteiten, de eigen aard en bestemming van vrouwen (de zogenaamde verschilargu­menten) als argumenten die berustten op de gelijkheid met mannen (de gelijkheidsargumenten). De Vrije Vrouwenvereeniging maakte vooral gebruik van gelijkheidsargumenten. De Nederlandse Vrouwenbond ter Verhoging van het Zedelijk Bewustzijn zocht het meer in argumenten die waren gebaseerd op de speciale positie en geaardheid van vrouwen.

Over kiesrecht bestond verdeeldheid: sommige feministen meenden dat vrouwen eerst meer ont­wikkeling moesten hebben en pas daarna kiesrecht konden krijgen.

3.4 b Op welke manieren poogden zij hun doelen te bereiken?

• Vrouwen organiseerden tentoonstellingen, zoals de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid naar aanleiding van de kroning van Wilhelmina in 1898.

• Zij waren actief op congressen, bijvoorbeeld het Nationaal Congres tegen de Prostitutie (1889). • Zij gaven hun ideeën weer in periodieken en andere publicaties, zoals in de tendensroman Hilda

van Suylenburg (1898) die aanleiding gaf tot veel debatten over de positie van vrouwen. • Zij hielden spreekbeurten, organiseerden petities en betogingen.

3.5 a Welke veranderingen kwamen in deze periode tot stand in de positie van de vrouw?

Meisjes mochten leren, voordat ze gingen trouwen. Vooral meisjes uit de betere kringen profiteer­den van deze mogelijkheden. Zij gingen in toenemende mate voortgezet en soms ook hoger onder­wijs volgen.

Beroepsarbeid werd nu ook voor ongehuwde vrouwen uit midden- en hogere groepen vanzelfspre­kender. Kantoorwerk werd ook voor vrouwen toegankelijk terwijl het aantal onderwijzeressen sterk steeg. Vrouwen kregen een betere bescherming tegen slechte arbeidsomstandigheden.

Vooral confessionelen richtten zich tegen de dubbele moraal: in sommige gemeenten kwam een bordeelverbod. Het verbod op het onderzoek naar het vaderschap van kinderen van ongehuwde moeders werd opgeheven. Ongehuwde moeders kregen de mogelijkheid de vader te laten betalen voor het onderhoud van zijn buiten het huwelijk geboren kind. Ongehuwde moeders en prostituees werden meer als `sociaal probleem' gezien; er kwam nu hulp voor hen in instellingen. Vrouwen kregen recht op het eigen verdiende geld volgens de Wet op de arbeidsovereenkomst in 1907. De steun voor gelijke rechten voor vrouwen in de politiek nam toe door toekenning aan vrouwen van het passief (1917) en het actief kiesrecht (1919).

3.5 b Hoe vallen deze veranderingen te verklaren?

• Feministen zoals Aletta Jacobs dienden als voorbeeld voor de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw. Dit had mede tot gevolg dat meer meisjes langer onderwijs volgden.

• De confessionele ideeën over zedelijkheid vonden gehoor bij een groeiend aantal anderen.

• Het politieke klimaat (vooral de Eerste Wereldoorlog) droeg bij tot het verlenen van algemeen vrouwenkiesrecht.

• Als gevolg van de industrialisatie was er meer werkgelegenheid ontstaan, ontstonden op beperkte schaal voor (vooral ongehuwde) vrouwen speciale beroepen.

• De verbreiding van de ideeën over het moderne gezin brachten de gehuwde vrouw binnenshuis in een sterkere positie: Vooral de sociaal-democraten streefden naar hogere lonen voor mannen, omdat deze dan alleen kostwinner konden zijn. Liberalen stonden, met name op punten als echt­scheiding, voorbehoedmiddelen en de positie van de vrouw tussen confessionelen en sociaal-democraten in.

3.6 a In welke opzichten bleef de situatie voor vrouwen hetzelfde?

• Bij alle groepen in de samenleving bleef de lagere school meestal het eindonderwijs voor meisjes.

• De meeste vrouwen zorgden nog steeds voor het huishouden en de kinderen.

• Het aandeel van de vrouwen op de arbeidsmarkt bleef gelijk en ook het sterke onderscheid tussen vrouwen- en mannenberoepen bleef bestaan.

• De verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen verminderden nauwelijks.

• Gehuwde vrouwen bleven handelingsonbekwaam.

• Politieke functies werden vrijwel uitsluitend door mannen bekleed.

3.6 b Hoe valt de mate van continuïteit te verklaren?

Het overgrote deel van de samenleving bleef overtuigd van verschillen in aanleg en bestemmingen tussen mannen en vrouwen.

Een andere verdeling van betaald werk tussen mannen en vrouwen, en een gelijke beloning, zou betekenen dat het onderscheid tussen kostwinners en huisvrouwen moest verdwijnen. Dit was in strijd met de ideeën over de taken van mannen en vrouwen in het `moderne gezin'.

De eisen die feministen stelden, maakten een ommekeer nodig in de ideeën over de verhoudingen tussen de seksen, waarbij ook het recht diende te worden aangepast.

3.7       Hoe werd en wordt over de volgende casus gedacht?

Casus:

De Arbeidswet van 1889: bescherming van arbeidsters of bescherming van het gezin?

• De Arbeidswet van 1889 verbood nachtarbeid van vrouwen en jeugdigen. In de Tweede Kamer stemde alleen Domela Nieuwenhuis tegen de wet, omdat deze volgens hem niet ver genoeg ging. Later protesteerden feministen tegen nadere invullingen van deze raamwet; zij eisten een gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

• Lange tijd zagen de historici deze wet als de eerste bemoeienis van de overheid met arbeidsom­standigheden van volwassenen. De laatste jaren wordt door historici naar voren gebracht dat deze wet niet bedoeld was om in te grijpen in arbeidsomstandigheden, maar om zich te bemoeien met de taakverdeling tussen mannen en vrouwen binnen het gezin. Arbeidsters moesten voldoende tijd en energie overhouden voor hun gezin en voor het baren van gezonde kinderen.

Van de leerlingen wordt verwacht dat zij het einde van de 20ste eeuw op de volgende aspecten kun­nen vergelijken met de periode 1880-1919 en dat zij verklaringen kunnen bedenken voor geconsta­teerde verschillen: de positie van meisjes in het onderwijs, de beroepsarbeid van vrouwen en mannen, de deelname van vrouwen aan de politiek, de plaats en de rol van emancipatiebewegingen van vrou­wen, de beloning en andere vormen van inkomen van vrouwen.

IV  Emancipatie van arbeiders

4.1 Hoe was de positie van de arbeiders rond 1880?

De omstandigheden waarin arbeiders werkten en leefden waren slecht:

• de lonen waren laag door een groot aanbod van arbeidskrachten;

• kinderen en vrouwen waren gedwongen mee te werken om het gezinsinkomen aan te vullen, zelfs in nachtelijke uren;

• de werktijden van de arbeiders waren lang;

• de huisvesting van arbeiders was minimaal;

• de gezondheid van arbeiders was slecht;

• wetgeving ter bescherming van de arbeiders ontbrak vrijwel geheel;

• gevaarlijke omstandigheden in fabrieken leidden tot veel ongelukken;

• de meeste arbeiders aanvaardden deze slechte positie: er waren weinig vakbonden en de organisa­tiegraad was laag.

4.2 Onder welke omstandigheden kwamen in de periode 1880-1919 organisaties voor emancipatie van arbeiders tot stand?

• De positie van geschoolde handwerkslieden verslechterde door het toenemen van fabrieksarbeid. In de fabrieken konden producten goedkoper worden vervaardigd.

• De overheid en de particuliere organisaties kwamen onvoldoende voor de belangen van werkne­mers op. Daarom leek voor arbeiders verbetering van hun positie alleen mogelijk door het stichten van eigen organisaties.

• De eerste vakbonden ontstonden onder geschoolde handwerkswerklieden die werkloos dreigden te worden.

• De organisaties voor emancipatie van de arbeiders kwamen tot stand in een samenleving die aan het verzuilen was.

4.3 Welke waren de belangrijkste organisaties voor emancipatie van arbeiders en welke doelen wilden zij bereiken?

Het ging om organisaties die zich ontwikkelden tot vakbonden en vakcentrales (overkoepelingen van vakbonden) die verzuild waren:

• liberaal - neutrale als het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond (het ANWV). Protestants‑christelijke als Patrimonium en later het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV);

• sociaal-democratisch als Sociaal Democratische Bond (SDB) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV);

• rooms-katholieke als de Rooms-Katholieke Volksbond.

Al deze organisaties wilden de posities van hun leden verbeteren door het nastreven van sociale wet­geving en arbeidswetten.

Het ANWV wilde alle werknemers opnemen, maar moest deze poging snel opgeven toen de verzui­ling haar intreden deed. De confessionele vakverenigingen namen hun geloof tot uitgangspunt van de vakorganisatie. Aanvankelijk waren zij tegen sociale wetgeving, omdat deze de rechten van de man als hoofd van het gezin zou schenden, maar dit standpunt lieten zij later vallen. Bij de rooms-katho­lieken was de invloed van de encycliek 'Rerum Novarum' groot. Deze wees op de sociale taak van de Kerk en keerde zich tegen de klassenstrijd en het kapitalisme. SDB en NVV streefden in theorie naar een klasseloze maatschappij, maar in de praktijk beperkte het NVV zich steeds meer tot het nastreven van sociale wetgeving en arbeidswetten.

4.4 a Welke waren hun belangrijkste argumenten?

Alle vakverenigingen vonden dat de positie van de arbeiders sterk voor verbetering vatbaar was. Geen vakvereniging verwachtte dat werkgevers en overheid zonder de druk van vakverenigingen tot verbetering van de positie van arbeiders zou overgaan.

Het ANWV en de confessionele vakverenigingen vertrouwden erop dat de door hen gewenste veran­deringen in goede harmonie met de werkgevers tot stand zouden kunnen worden gebracht. Patrimonium stapte echter wel af van het idee dat een arbeider volledig dienstbaar was aan zijn werk­gever, en ging het idee benadrukken dat een arbeidscontract de onafhankelijkheid van de werknemer niet aantastte.

De sociaal-democraten hadden het minste vertrouwen in de werkgevers en de overheid. Zij streefden in theorie naar een geheel ander soort samenleving, in de praktijk accepteerden zij compromissen.

4.4 b Op welke manieren poogden zij deze doelen te bereiken?

De arbeiders organiseerden zich in vakverenigingen en politieke partijen. Via deze organisaties pro­beerden zij hun doelen als volgt te bereiken:

• De liberalen wilden conflicten oplossen door onderhandelingen.

• Patrimonium, onder leiding van de geschoolde bierbrouwersknecht Klaas Kater, was eerst voor overleg en samenwerking met werkgevers, maar wees sinds het Christelijk Sociaal Congres sta­kingen niet meer af. De protestants-christelijken kregen daarnaast hun eigen politieke partijen (ARP en CHU).

• Onder de rooms-katholieken ontstonden principiële tegenstellingen over de organisatievorm (standsorganisaties per bisdom of landelijke vakorganisaties) en over de doeleinden (de standsor‑ ganisaties streefden algemene belangen na en de vakorganisaties speciale vakbelangen). Uiteindelijk won het door de priester Alfons Ariëns voorgestane idee van de vakorganisatie.

• In sommige gevallen ontstonden naast vakbonden ook met hen verwante politieke partijen, zoals naast Patrimonium de ARP en het NVV naast de SDAP.

memo hfst 3 afb 11

• De SDB onder Domela Nieuwenhuis volgde eerst de parlementaire weg. Hij werd lid van de Tweede Kamer voor Schoterland, een kiesdistrict in Friesland, waar de problemen van de landar­beiders groot waren. Na een voor hem teleurstellend verloop van zijn kamerlidmaatschap verloor hij zijn geloof in een parlementaire oplossing. Het kwam tot een afsplitsing waarbij de parlemen­taire georiënteerden in de SDAP verder gingen. De SDB verloor daarna het grootste deel van haar aanhang. De SDAP'ers waren in meerderheid voor legale acties. Dat bleek bijvoorbeeld toen hun leider Troelstra in 1918 onverwacht en zonder succes tot revolutie opriep.

• De arbeidersorganisaties behartigden hun belangen door onderhandelingen, stakingen, petities en demonstraties.

• De emancipatiebewegingen van arbeiders werkten ook aan de ontwikkeling van hun leden door het stichten van instellingen voor culturele verheffing.

• Het geschreven woord (kranten, brochures, pamfletten) speelde naast het gebruik van politieke prenten en affiches en het zingen van (strijd)liederen bij alle bewegingen een belangrijke rol.

4.5 a Welke veranderingen kwamen in deze periode tot stand op het gebied van emancipatie van arbeiders?

• De lonen stegen (in het algemeen).

• De organisatiegraad nam toe.

• Het kiesrecht werd sterk uitgebreid.

• De overheid ging zich veel meer bemoeien met de werk- en leefomstandigheden van de lagere klassen:

a. Op centraal niveau werden parlementaire enquêtes gehouden om knelpunten te onderzoeken op het gebied van arbeid, veiligheid en stakingen.

b. De overheid ging om de schadelijke effecten van de werkomgeving op de gezondheid van de arbeiders te voorkomen wetten maken. Daartoe kwamen de arbeidswet, de veiligheidswet tot stand.

c. De overheid stelde een arbeidsinspectie in.

d. Wetten beoogden soms ook mensen te beschermen die in een, niet aan hen te wijten, nadelige positie waren geraakt. Hierbij ging het om sociale voorzieningen zoals de ziektewet.

e. De overheid werd door de vakbeweging ingeschakeld bij cao's.

f. Met de woningwet van 1901 gaf de overheid een aanzet tot verbetering van de woonomstan­digheden van arbeiders.

g.Op gemeentelijk niveau gingen vooral de grote steden voorop lopen in de zorg voor de verbe­tering van de leefomstandigheden van de arbeiders, bijvoorbeeld op het gebied van de nuts­voorzieningen (gas, water, elektriciteit) en op het terrein van de volkshuisvesting.

memo hfst 3 afb 10

De professionalisering van vakbonden en centrales, kwam tot uiting in fulltime-bestuurders, hoge contributies en stakingskassen. Hierbij diende de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond onder leiding van Henri Polak als voorbeeld. Vakbonden en vakcentrales werden geleidelijk als gesprekspartners in onderhandelingen over lonen en arbeidsomstandigheden aanvaard.

4.5 b Hoe vallen veranderingen te verklaren?

Arbeiders werden zich in toenemende mate bewust van hun ongelijkheid en daarmee groeide de strijdbaarheid onder een deel van hen. Die toegenomen bewustwording was een gevolg van toege­nomen scholing onder de arbeiders en van het succes van sommige acties in binnen- en buiten­land. Het besef groeide dat acties daadwerkelijk konden helpen.

Door de stijging van de welvaart viel meer te verdelen, ook onder de arbeiders. Geleidelijk besefte de overheid dat er een sociale kwestie bestond en dat zij een bijdrage aan de oplossing ervan moest leveren.

4.6 a In welke opzichten bleef de situatie voor arbeiders hetzelfde?

• Het merendeel van de arbeiders had betrekkelijk weinig inkomsten. Dat gold tor, de overslag (havens), de textiel en de landbouw.

• Acties bleven dus steeds noodzakelijk.

• De arbeiders bleven in het parlement ondervertegenwoordigd.

4.6 b Hoe valt de mate van continuïteit te verklaren?

• De bij vakbonden aangesloten arbeiders vormden altijd een minderheid onder de arbeiders.

• Het aanbod van ongeschoolden of geoefende (half-geschoolden) bleef snel groeien, waardoor de positie van de arbeiders verzwakte.

• De vakbeweging was sterk verdeeld, waardoor de verzuilde bewegingen geen vuist konden en wil­den maken.

• De kiesdrempel was door de kieswet van 1896 te hoog om de arbeiders veel politieke invloed te geven.

4.7       Hoe werd en wordt over de volgende casussen gedacht?

Casus 1:

De betekenis van de spoorwegstakingen van 1903 voor de emancipatie van de arbeiders.

Ten tijde van die stakingen stonden vooral de vakbonden en politieke partijen van sociaal-democra­ten, protestants-christelijken en rooms-katholieken tegenover elkaar. De sociaal-democraten waren het felst en wilden de tweede spoorwegstaking die van principiële aard was, zo lang mogelijk uitvechten.

Casus 2:

Domela Nieuwenhuis, verlosser van de arbeiders?

• Domela Nieuwenhuis was in zijn tijd één van de meest omstreden Nederlanders. Hij werd zowel verguisd als verheerlijkt onder de socialisten, genegeerd en op den duur toch ook min of meer gewaardeerd onder zijn tegenstanders, de confessionelen en de liberalen.

• Historici hebben Domela in de loop van de tijd verschillend beoordeeld.

Van de leerlingen wordt verwacht dat zij het einde van de 20ste eeuw op de volgende aspecten kunnen vergelijken met de periode 1880-1919 en dat zij verklaringen kunnen bedenken voor geconsta­teerde verschillen: de positie van de arbeiders in de samenleving, de levensstijl van arbeiders, de mate van verzuiling van de vakbeweging, de opleiding van arbeiders, de beloning en andere vormen van inkomen van arbeiders, de organisatiegraad van arbeiders.

V Emancipatie van confessionele groepen

5.1 Hoe was de positie van protestants-christelijken en rooms-katholieken rond 1880?

• Binnen de Hervormde Kerk voelden de orthodoxe protestants-christelijken zich achtergesteld, omdat er door het benoemingsbeleid van predikanten bijna geen orthodoxe predikanten werden aangesteld. Voor hun ideeën was binnen deze kerk weinig ruimte. De leider van deze orthodoxe protestants-christelijken was de predikant Abraham Kuyper. Zij waren rond 1880 op weg een zuil te worden: ze hadden toen al een eigen dagblad, een politieke partij, De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en een hogeschool.

• Van de vorming van een rooms-katholieke zuil was rond 1880 nog geen sprake. In deze groep ont­vingen de kinderen, vergeleken bij de protestants-christelijken, minder onderwijs omdat ze vaker, met name in het boerenbedrijf, moesten meehelpen om geld te verdienen in het ouderlijk gezin. Vooral boven de grote rivieren bevonden katholieken zich in een achtergestelde positie. Daardoor beschikten zij over minder financiële middelen voor een goede armenzorg en voldoende onderwijs dan de protestanten.

• Rond 1880 kwam de schoolstrijd op gang: de confessionelen wilden een einde maken aan de financiële achterstelling van het bijzonder onderwijs ten opzichte van het openbaar onderwijs.

• Protestants-christelijken wezen de ideeën van socialisten af omdat deze een klasseloze maatschappij voorstonden, uitgingen van klassenstrijd en religie als `opium van het volk' beschouwden.

5.2  Onder welke omstandigheden kwamen in de periode 1880-1919 organisaties van deze confessionele groepen tot stand?

• Het besef groeide onder de orthodoxe protestants-christelijken en de rooms-katholieken dat aan hun achterstand iets moest en kon worden gedaan.

• Beide geloofsgroepen besloten zich vanuit hun eigen levensbeschouwing te organiseren. Kuyper introduceerde het begrip soevereiniteit in eigen kring. Interconfessionaliteit werd afgewezen. Dat werd veroorzaakt door:

a. het onderlinge wantrouwen dat door het verleden was bepaald;

b. de instellingen tegen wie zij zich richtten: de protestants-christelijken voelden zich door de veelal protestantse, maar Hervormde overheid achtergesteld, de rooms-katholieken echter door de kabinetten, van welke achtergrond dan ook;

c. het geografisch sterk verschillend woongebied van beide groepen;

d. grote religieuze tegenstellingen.

5.3 Wat waren de belangrijkste organisaties voor emancipatie van confessionele groepen en welke doelen willen zij bereiken?

• Aan protestants-christelijke zijde: vakbonden als Patrimonium, politieke partijen als de ARP en de CHU, en op zedelijk gebied de Nederlandse Vereniging tegen de Prostitutie.

• Aan rooms-katholieke zijde: de Goede Herder (op moreel gebied) en de Algemene Bond van Kiesverenigingen in Nederland.

Deze organisaties beoogden dezelfde doeleinden:

• directe belangenbehartiging door uitbreiding van het kiesrecht: de protestants-christelijken en rooms-katholieken hadden onder de niet-kiesgerechtigde bevolking een grotere aanhang; • bevordering van een eigen op levensbeschouwing gebaseerd onderwijs;

• verder uitbouwen van de eigen identiteit door verschillende deelgebieden zoals zedelijkheid, waar­op de levensbeschouwing berust, verder te definiëren en inhoud te geven;

• versterking van hun eigen positie door het oprichten van organisaties voor belangenbehartiging en voor vrijetijdsbesteding in eigen kring.

5.4 a Wat waren de belangrijkste argumenten van de confessionele groepen?

De confessionele organisaties beargumenteerden hun doelen als volgt:

• het - eind 19e eeuw gegroeide - besef dat levensbeschouwing zich niet tot één gebied (zoals het kerkelijk leven) moest beperken;

• de overtuiging dat de identiteit van de eigen zuil op verschillende maatschappelijke gebieden naar buiten diende te komen;

• het gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van de eigen groep noodzaakte tot een actieve rol op vele terreinen;

• de vrees dat de industrialisatie met voortgaande verstedelijking zou leiden tot ontkerkelijking en verlies van levensbeschouwelijke waarden, stimuleerde een brede verzuiling: daarin zagen de con­fessionelen een garantie tegen de ongewenste gevolgen van de modernisering.

5.4 b Op welke manieren poogden zij hun doelen te bereiken?

Zowel protestants-christelijken als rooms-katholieken probeerden hun doelen te bereiken door:

• het oprichten van organisaties en politieke partijen, het organiseren van petities, demonstraties en stakingen;

• het vormen van personele unies in de leiding van de verschillende verzuilde organisaties, zoals tussen vakbonden en politieke partijen.

5.5 a Welke veranderingen kwamen tot stand op het gebied van de emancipatie van confessionele groepen?

• Orthodoxe protestants-christelijken scheidden zich van de Hervormde Kerk af en stichtten (in 1885-1886) de Gereformeerde Kerk.

• Confessionele kabinetten ontstonden vanaf 1888.

• De verzuiling van het onderwijs werd verder uitgebreid en bevestigd.

• Na zware politieke strijd werd het bijzonder onderwijs gelijkgesteld aan het openbare, in de paci­ficatie van 1917. Daarmee was de financiering van de bijzondere school dezelfde als die van de openbare school.

• Het leven van protestants-christelijken en rooms-katholieken ging zich vrijwel `van de wieg tot het graf' binnen de eigen zuil afspelen.

5.5 b Hoe vallen deze veranderingen te verklaren?

Door het stichten van de Gereformeerde Kerk konden de orthodoxe protestants-christelijken hun eigen predikanten benoemen.

Confessionele kabinetten werden mogelijk als gevolg van de uitbreiding van het kiesrecht: de libe­ralen hadden vooral aanhang onder de middengroepen in de samenleving.

De verzuiling werd in de hand gewerkt door het toegenomen verlangen van mensen het eigen leven zoveel mogelijk met mensen van de eigen levensbeschouwing door te brengen.

5.6 a In welke opzichten bleef de situatie voor de confessionelen hetzelfde?

• Ondanks de invoering van de leerplichtwet verdween de achterstand in het onderwijs bij rooms-katholieken niet.

• Tussen verschillende levensbeschouwelijke groepen bleef wantrouwen bestaan.

• Confessionelen handhaafden hun grote weerzin tegen de ideeën van de sociaal-democraten.

5.6 b Hoe valt de mate van continuïteit te verklaren?

• Armoede in de rooms-katholieke gezinnen noodzaakte veel kinderen uit deze groep direct na de leerplichtige leeftijd te gaan werken.

• Het wantrouwen tussen protestanten en rooms-katholieken berustte op eeuwenoude tegenstellingen.

De verdeeldheid onder protestanten verslapte ook de daadkrachtige realisering van de ideeën van deze groep.

Confessionelen verwierpen de denkbeelden van sociaal-democraten over een klasseloze maat­schappij en over de religie als `opium van het volk'.

5.7 Hoe werd en wordt over de volgende casussengedacht?

Casus 2:

De zedelijkheidswet van 1911, een keerpunt in de maatschappelijke verhoudingen?

vrijzinnig democraten

• Ten tijde van de discussies rond de zedelijkheidswet stonden vooral de confessionelen (voor: de moraal dient beter beschermd te worden), de meeste liberalen (tegen: het is een privézaak) en de socialisten (tegen: hoger zedelijk peil alleen te bereiken door verbetering van de sociaal-economi­sche omstandigheden) met hun visies tegenover elkaar.

• Achteraf is door historici verschillend geoordeeld over het indienen van de wet. Het `koekoeksei van Regout': de rooms-katholieke minister van justitie zou op het laatste moment nog een bepa­ling tegen homoseksualiteit hebben ingevoerd, terwijl andere historici benadrukken dat ook dit onderdeel van het wetsontwerp uitvoerig werd besproken en in de Tweede Kamer een meerderheid kreeg.

Van de leerlingen wordt verwacht dat zij het einde van de 20ste eeuw op de volgende aspecten kun­nen vergelijken met de periode 1880-1919 en dat zij verklaringen kunnen bedenken voor geconsta­teerde verschillen: de mate van verzuiling en ontzuiling in de samenleving op de volgende gebieden: politiek, vakbeweging, verenigingsleven, onderwijs, verzorgingssector, de machtspositie van oude en nieuwe levensbeschouwelijke groepen, de functie van verzuiling in Nederland nu.

VI  Overheidszorg

6.1 Hoe was de situatie rond 1880 in de samenleving op het gebied van de overheidszorg?

Sinds de grondwetswijziging van 1848 was weinig veranderd:

• de overheidszorg leek op een nachtwakersstaat, die reageerde op knelpunten en voorwaarden schiep die door anderen konden worden gebruikt;

• de menskracht en de uitgaven van de staat waren gering: waren in 1880 ca. 50.000 ambtenaren en men gaf toen jaarlijks ca. f 15 per hoofd van de bevolking uit;

• de overheid greep alleen in op het gebied van de fabriekarbeid door kinderen, en verder slechts wanneer zij dit beslist noodzakelijk achtte: de andere onderdelen van sociale zorg werden vooral aan particuliere organisaties overgelaten;

• wel verschafte de overheid mogelijkheden voor particulieren om hun belangen te verdedigen: een staking was (sinds 1872) een legaal middel.

6.2 a Wat waren de belangrijkste veranderingen in de periode 1880-1919 op het gebied van de overheidszorg?

• De overheidszorg nam sterk toe: zo groeide het aantal ambtenaren in 1900 tot 69.000 ambtenaren en gaf men toen f 23 per hoofd van de bevolking uit.

• De uitgaven van de overheid stegen sterk: van f 113 miljoen in 1880 tot f 204 miljoen in 1910.

• Bij de uitgaven werd relatief minder aan de verdediging en de rechtspraak besteed en meer aan onderwijs en huisvesting. De kosten voor onderwijs stegen sterk als gevolg van de leerplichtwet van 1901 en de pacificatiewet van 1917.

• De lagere overheden, zoals de provincie maar vooral de gemeente (Amsterdam!), gingen een belangrijke rol spelen: bijvoorbeeld op het gebied van de nutsvoorzieningen (gas, water, elektrici­teit) en op het terrein van de volkshuisvesting.

• De centrale overheid hield parlementaire enquêtes om knelpunten te onderzoeken op het gebied van arbeid, veiligheid en stakingen (gas, water, elektriciteit) en op het terrein van de volkshuisves­ting.

• Wetgeving had soms tot doel om schadelijke effecten voor het leven en de arbeidsomstandigheden te voorkomen. Daartoe kwamen de arbeidswet, de veiligheidswet en de woningwet tot stand.

• Wetten beoogden soms ook mensen te beschermen die in een, niet aan hen te wijten, nadelige  positie waren geraakt. Hierbij ging het om sociale voorzieningen zoals de ziektewet.

• Het kiesrecht werd sterk uitgebreid: alleen voor mannen van 25 jaar en ouder: zo had in 1888 26% van hen kiesrecht, in 1910 63%.

6.2 b Hoe vallen deze veranderingen te verklaren?

• De problemen waren door de modernisering van de samenleving (industrialisatie, verstedelijking, groei van de bevolking) te groot geworden om de oplossing daarvan aan particulieren over te laten.

• De kosten van de noodzakelijke voorzieningen konden alleen door de lokale en nationale overhe­den worden gedragen.

• Geleidelijk werd de overheid zich ervan bewust dat er een sociale kwestie bestond.

• Door de druk van emancipatiebewegingen, zoals confessionele groepen en arbeiders.

• Uit vrees bij liberalen en confessionelen voor de opkomst van het sociaal-democraten die een andere (klasseloze) maatschappij wilden realiseren.

6.3 a In welke opzichten bleef de situatie op het gebied van de overheidszorg hetzelfde?

Het accent in de overheidszorg bleef vooral op de tradtionele sectoren liggen: vervoer, defensie, justi­tie.

6.3 b Hoe valt de mate van continuïteit te verklaren?

De overheid trad soms sneller en vaker op dan vroeger, maar niet op grond van een algemeen geac­cepteerde nieuwe visie. De liberalen vonden in meerderheid nog steeds dat de overheid zich terug­houdend moest opstellen. De orthodoxe protestants-christelijken waren voor soevereiniteit in eigen kring; de rooms-katholieken hadden vergelijkbare opvattingen. De socialisten hadden een ideologie van verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van de samenleving, maar zij maakten geen deel uit van de regering.

6.4 Hoe werd in die tijd door belangrijke maatschappelijke groeperingen over de volgende casus gedacht?

Casus

De wet op het arbeidscontract (1909): een goede zaak? Sommige socialisten meenden dat arbeidscon­tracten (cao's) het vuur van de vakbeweging zouden doven, het NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen) zag in de wet een bescherming van de arbeider en een erkenning door de overheid van de belangrijke plaats die de vakbonden in de samenleving innamen. De werkgevers waren tegen, omdat deze wet hun speelruimte op de arbeidsmarkt beperkte.

Van de leerlingen wordt verwacht dat zij het einde van de 20ste eeuw op de volgende aspecten kun­nen vergelijken met de periode 1880-1919 en dat zij verklaringen kunnen bedenken voor geconsta­teerde verschillen: de overheidszorg als sociaal vangnetlhet concept van de verzorgingsstaat, de omvang en de inhoud van de overheidszorg, flexibilisering van de arbeid, de deelname van de bevol­king aan de politieke besluitvorming.

VII  Terugblikken op de periode: was 1880-1919 een breukvlak?

Historici verschillen sterk van mening over deze periode. Ter afsluiting van dit thema volgen hieron­der de visies van twee historici op de periode waarover dit examenonderwerp gaat. Van de leerlingen wordt verwacht dat zij hun visies en aspecten ervan kunnen toetsen aan de stof van dit examenonder­werp.

Jan Romein sprak van een fin de siècle en zag rond 1900 een breukvlak met een versnelde omslag van het zelfverzekerde, stabiele en burgerlijke naar een wereld vol onzekerheid en strijd.

Reacties hierop kwamen onder meer van Ernst Kossmann en Frank van Vree, die de 'ondergangs-stemming', `het fin-de-siècle-gevoel' afwezen en benadrukten dat er een snelle en brede modernise­ring plaatsvond van het politieke, economische en culturele leven.

Literatuur

Algemene werken

• J.C.H. Blom en E. Lamberts (ed.), Geschiedenis van de Nederlanden (Rijswijk'z.j.)

• H. Knippenberg en B. de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800 (Nijmegen 1988)

• J.J. Woltjer, Recent verleden. Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 1992)

• A.J.W. Camijn, Een eeuw vol bedrijvigheid. De industrialisatie van Nederland, 1814-1914 (Utrecht-Antwerpen 1987)

• W.F.B. Melching en J. Talsma (ed.), `Breukvlak in Nederland?', Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 106 (1991)

• H. te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef. Liberalisme in Nederland, 1870-1918 (Groningen 1992)

• J.L. van Zanden en R.T. Griffiths, Economische geschiedenis van Nederland in de 20e eeuw (Utrecht 1989)

Bijzondere onderwerpen

Het gezin

• D. Damsma, Het Hollandse huisgezin (1560-heden) (Utrecht-Antwerpen 1993)

• L. Dasberg, Groot brengen door kleinhouden als historisch verschijnsel (Meppel 1975)

• D.J. Noordam, `Volmaakt geluk? Vier eeuwen huwelijk en gezin in Nederland', in: H. Dupuis e.a., Een kind onder het hart (Amsterdam 1987)

• H. van Setten, In de schoot van het gezin. Opvoeding in Nederlandse gezinnen in de twintigste eeuw (Nijmegen 1986)

• S.L. Sevenhuijsen, De orde van het vaderschap (Amsterdam 1987)

• T. Zwaan (red.), Familie, huwelijk en gezin in West-Europa. Van middeleeuwen tot moderne tijd (Amsterdam 1993)

Vrouwenemancipatie

• M. Borkus, e.a. Vrouwenstemmen-100 jaar vrouwenbelangen, 75 jaar vrouwenkiesrecht (Zutphen 1994)

• E. Brunt (red.), Mevrouw, ik groet u: Necrologieën van vrouwen (Amsterdam 1987)

• C. van Eyl, Het werkzame verschil - vrouwen in de slag om arbeid 1898-1940 (Hilversum 1994)

• U. Jansz, Denken over sekse in de eerste feministische golf (Amsterdam 1990)

• P. Koenders, Tussen christelijk Reveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid in Nederland, met nadruk op de repressie van homoseksualiteit (Amsterdam 1996)

Aletta Jacobs

• I. Smit en A. Weert (red.), Aletta Jacobs, het hoogste streven - interviews en achtergronden (Groningen 1995)

Arbeiders

• G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van Nederlandse vakbeweging (Nijmegen 1975)

• A. de Regt, Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Ontwikkelingen in Nederland 1870-1940 (Meppel-Amsterdam 1984)

Domela Nieuwenhuis

• A. de Jong, Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Den Haag 1966

• J. Romein, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de apostel der arbeiders, in: Erflaters van onze beschaving (Amsterdam 1973)

• J. Frieswijk e, (red.), Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de apostel der arbeiders (Leeuwarden 1988

Levensbeschouwelijke groepen

• J.C.H. Blom en C.J. Misset (ed), Broeders sluit U aan. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Den Haag 1985)

• S. Stuurman, Verzuiling, kapitalisme en patriarchaat: aspecten van de ontwikkeling van de moder ne staat in Nederland (Nijmegen 1983)

Overheidszorg

• H. Daalder e.a., Compendium voor politiek en samenleving in Nederland (Alphen aan de Rijn 1986-)

• P.E. Kraemer, The societal state - the modern osmosis of state and society presenting itself in the Netherlands in particular (Meppel 1966)

Terugblikken op de periode

• E.H. Kossmann, Romeins breukvlak en de Nederlandse geschiedenis (BMGN 106, 1991)

• F. van de Vree, De stad van het betere leven - cultuur en samenleving in Nederland rond 1900 (BMGN 106 1991)

• H. Daalder e.a., Compendium voor politiek en samenleving in Nederland (Alphen aan de Rijn 1986-)

• M. Metze, De staat van Nederland op weg naar 2000 (Nijmegen 1996)

Primaire bronnen

• M. Bosch, A. Kloosterman, Lieve Dr. Jacobs. Brieven uit de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht 1902-1924 (Amsterdam 1985)

• D.H. Couvee, Anje H. Boswijk, Vrouwen vooruit! De weg naar gelijke rechten (Den Haag 1962; Amsterdam 1985)

• J. Giele (red.), Een kwaad leven - de arbeidsenquête van 1887 (Nijmegen 1981)

• J. Giele, Arbeidersleven in Nederland 1850-1914 (Nijmegen 1979)

• L.A. van Heijningen, Nederland honderd jaar geleden (Rijswijk 1988)

• A. Jacobs, Herinneringen (Nijmegen 1978)

• A. de Jong, Van christen tot anarchist en ander werk van F. Domela Nieuwenhuis (Bussum 1982) • A.F. Manning, Nederland rond 1900 (Amsterdam 1993)

• R. Mulder, Verleden tijd - Nederland in de jaren 1900-1930 (Den Ilp 1991)

• M. Schouten, De socialen zijn in aantocht (Amsterdam 1976)

• K.  van Zomeren, Een gegeven moment - interviews met mensen van 1990 (Amsterdam 1984)