We hebben 198 gasten online

CSE Nederland 1780-1830 Eenheid in tweevoud

Gepost in Nederland

CENTRALE VRAAG

Welke ontwikkelingen sinds ongeveer 1780 maakten het begrijpelijk dat de totstandkoming van een eenheidsstaat in de Noordelijke Nederlanden in 1798 na 1813 duurzaam bleek, en waardoor kwam er aan de vereniging in 1815 van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in 1830 weer een einde?

DEELVRAGEN 

1 INTRODUCTIE

1 Welke verschillen vertoonden de kaart en de naam van `Nederland' in 1780, in 1798, na 1815 en na 1830?

Deze vraag is bedoeld als een globale introductie op het onderwerp als geheel.

— De kaart van rond 1780 laat zien dat Nederland ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden nog een versnipperd geheel was met `binnengrenzen' tussen de gewesten en met andere `buitengrenzen' dan nu.

nederland 1780

Nederland in 1780 Niet eerder veranderde Nederland zo vaak van naam en vorm als in de perio­de 1780- 1830. In 1780 (bron 1.1) was Nederland nog een versnipperd land. Nederland heette in die tijd Republiek der Verenigde Nederlanden. Zeven gewesten - tegenwoordig zou je zeggen provincies - maakten er de dienst uit: Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen. Deze gewesten waren bijna geheel zelf­standig. Alleen zaken van algemeen belang werden gemeenschappelijk besproken. Dit gebeurde in de Staten­Generaal, een college dat bestond uit afgevaardigden van de gewesten. Zaken die hier aan de orde kwamen waren onder andere het buitenlands beleid, defensie en het bestuur over de zoge­noemde generaliteitslanden: Staats­Brabant, Staats-Limburg en Staats­Vlaanderen, het tegenwoordige Zeeuws-Vlaanderen. In tegenstelling tot de zeven gewesten hadden deze gebie­den, waar voornamelijk katholieken woonden, geen zelfbestuur en politieke rechten. Zij waren in de zeventiende eeuw op de Spanjaarden veroverd en vielen onder direct bestuur van de Staten-Generaal, vandaar ook de bena­ming Staats-Brabant, Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen. Drenthe was weer een andere uitzonde­ring; dit werd Landschap Drenthe genoemd. Drenthe betaalde wel belas­tingen en had een eigen zelfStandig bestuur, maar mocht geen vertegen­woordiger naar de Staten-Generaal stu­ren en had daarmee dus geen zeggen­schap in zaken van gemeenschappelijk belang. Dit kwam deels door de weinig geestdriftige medewerking van het Landschap aan de Opstand tegen Spanje (1568-1648). Deels vond het ook zijn oorzaak in de grote armoede die er in dit gebied heerste en het geringe aantal mensen dat er woonde. Een groot deel van Drenthe bestond uit woeste grond waarop alleen schapenteelt mogelijk was. De zeven gewesten waren weliswaar verenigd, maar vormden nog geen een­heid. Er waren grenzen tussen de gewesten, de regels verschilden per gewest en er werd tol geheven. Ook de buitengrenzen leken nog lang niet op de huidige buitengrenzen van Neder­land.

— De kaart van 1798 laat zien dat ten tijde van de Bataafse Republiek, de binnen­grenzen waren verdwenen, maar dat de buitengrenzen nog steeds afweken van de huidige.

nederland 1798

 Nederland in 1798 In 1798 was de Republiek der Verenigde Nederlanden vervangen door de Bataafse Republiek. De 'binnengrenzen' tussen de verschillende gewesten verdwenen (bron 1.2). Overigens ver­dwenen ook de oude gewestnamen. Voortaan werd het land naar Frans voorbeeld opgedeeld in departementen die de naam kregen van de belangrijkste rivieren die erdoor stroomden. De generaliteitslanden Staats-Brabant en Staats-Limburg kregen dezelfde rechten en plichten als de vroegere gewesten. Alleen in Drenthe was - behalve de naam - nog niets veranderd ten opzichte van 1780. De buitengrenzen van de BataafSe Republiek hadden echter nog niet de vorm van het huidige Nederland. Zo was Staats-Vlaanderen bijvoorbeeld overgegaan in Franse handen.

— De kaart van rond 1815, ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, laat zien, dat dat Nederland toen was samengevoegd met het huidige België en het huidige Luxemburg.

nederland 1815

Nederland in 1815 Omstreeks 1815 was er sprake van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De gewesten waren vervangen door provincies en ook het Landschap Drenthe verwierf de status van provincie. Het vroegere Staats­Vlaanderen kwam weer in Nederlandse handen en werd toegevoegd aan de provincie Zeeland. Bijna nog belangrijker waren de gewijzigde buitengrenzen van het rijk. Nederland was een stukje groter geworden. Zowel België als Luxemburg maakten deel uit van dit koninkrijk. Deze situatie duurde slechts tot 1830.

— De kaart van het Koninkrijk der Nederlanden na 1830 laat zien dat Nederland toen de buitengrenzen van nu kreeg.

nederland 1830

Nederland in 1830De kaart van 1830 toont weer een geheel ander Nederland met weer een geheel andere naam. In 1830 brak in België een revolutie uit, die in 1839 leidde tot de Belgische onathankelijkheid. Luxemburg bleef tot 1890 het persoonlijk bezit van het Huis van Oranje. Met het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was het na 1830 afgelopen. Nederland kreeg de naam Koninkrijk der Nederlanden en de buitengrenzen hadden vanaf dat moment grotendeels de vorm die het land nu nog heeft. Al die wijzigingen - zowel in naam als in vorm - roepen terecht het beeld op van een woelige periode, waarin veel veranderde en waarin eigenlijk de geboorte van het moderne Nederland plaatshad.

II DE PERIODE 1780 TOT 1815

2 In hoeverre had de Republiek der Verenigde Nederlanden rond 1780 al elementen van eenheid in zich?

2.1 In cultureel-mentaal opzicht

Enerzijds wel:— De Noord-Nederlandse gewesten hadden sinds de Opstand tegen Spanje een gemeenschappelijke geschiedenis, waaraan ze een nationale identiteit ontleenden.

— Het geschreven Nederlands was, voor iedereen die kon lezen, in alle delen van de Republiek te begrijpen.

Anderzijds niet:

- Er was geen eenheid van godsdienst en de vele aanhangers van andere gods­diensten dan de officiële calvinistische konden in de Republiek geen bestuur­lijke functies vervullen.

— Er was sprake van juridische ongelijkheid en verschillen in rechten en mogelijk­heden tussen de standen, tussen mannen en vrouwen, tussen stad en platteland en tussen streken en steden onderling, bijvoorbeeld ten aanzien van de moge­lijkheden voor immigranten om het burgerschap van een stad te verkrijgen

2.2 In economisch-sociaal opzicht

Enerzijds wel:

— De gewesten hadden gemeenschappelijke tarieven voor de in- en uitgaande rechten bij de buitengrenzen van de Republiek.

Anderzijds niet:

— Er bestonden beperkingen aan het vrij verkeer van personen en goederen tussen de gewesten en tussen stad en platteland, inkomende rechten aan de grenzen tussen de gewesten, tollen op wegen en vaarten en stadsmuren.

2.3 In politiek-bestuurlijk opzicht

Enerzijds wel:

— De Republiek had gemeenschappelijke, centrale vertegenwoordigende organen: de Staten-Generaal, die beslisten over buitenlands beleid en defensie en een gemeenschappelijke stadhouder, prins Willem V van Oranje, die hoofd was van leger en vloot.

— Het gewest Holland was binnen de Staten-Generaal zeer machtig, doordat het meer dan de helft van de defensiekosten van de Republiek opbracht; daardoor was er in de praktijk meer eenheid dan wanneer twee of meer gewesten even machtig waren geweest.

Anderzijds niet:

— De gewesten die de Republiek der Verenigde Nederlanden vormden waren autonoom, met elk eigen staten, wetten, rechtspraak en financiën, en vetorecht in de Staten-Generaal.

— Er waren politieke tegenstellingen tussen de landgewesten en de zeegewesten; de prinsgezinde landgewesten wilden een sterk leger en voldoende macht voor de prins, die een goede relatie met Engeland wenste; de staatsgezinde Hollandse regenten en de zeegewesten vonden voldoende macht voor de statenvergaderin­gen en een sterke vloot belangrijker en hechtten gezien de grote omvang van de handel meer aan een goede relatie met Frankrijk.

3 Hoe is het te verklaren dat er kritiek op de rond 1780 bestaande situatie ontstond?

Onder invloed van de Verlichting ontstond er kritiek op de gedachte dat de onge­lijkheid tussen de mensen door God was gewild en dat God vorsten en regeringen boven het volk had gesteld 

Volgens `verlichte' auteurs, wier ideeën door velen in de Republiek werden gelezen en besproken, waren mensen van nature vrij en gelijk en was het volk soeverein. `Verlichte' auteurs meenden dat misstanden in de samenleving vanzelf zouden verdwijnen als deze op redelijke wijze was ingericht en als alle mensen werden opgevoed tot redelijkheid en tolerantie.

De op de idealen van de Verlichting gebaseerde Amerikaanse Revolutie van 1776 droeg bij tot het vertrouwen dat revolutionaire veranderingen mogelijk waren.

Doordat de in 1780 uitgebroken Vierde Engelse Zeeoorlog voor de Republiek ongunstig verliep, was de nationale trots gekwetst en werd het gevoel versterkt dat er iets moest veranderen in de Republiek.

Het onvermogen van bestuurders om iets te doen tegen de achteruitgang in politie­ke betekenis van de Republiek en tegen de toenemende werkloosheid in de steden in het westen, maakte het steeds onacceptabeler dat mannen overheidsfuncties niet verwierven op grond van hun geschiktheid, maar op grond van het feit dat ze gebo­ren waren in een regentenfamilie die de nationale gereformeerde godsdienst aanhing. Pas onder invloed van de Franse Revolutie van 1789 echter, waarin naast volkssoevereiniteit en mensenrechten het idee dat de natie `één en ondeelbaar' was een belangrijke rol speelde, zouden ook in Nederland felle discussies ontstaan over de vraag of de Republiek in plaats van een federatie niet beter een eenheidsstaat zou kunnen worden.

4.1 Hoe in het pamflet 'Aan het volk van Nederland' uit 1781 van Joan van der Capellen?

volk van nederland

De Overijsselse jonker Joan Derk van der Capellen richtte zich in zijn pamflet tot het volk van Nederland als geheel.

Hij vond dat zijn tijdgenoten geen voorbeeld moesten nemen aan voorvaderen die zich hadden laten knechten door de prinsen van Oranje, maar aan het vrije volk der Bataven dat vroeger in Nederland woonde.

De bewoners van steden en dorpen zouden volgens hem vertegenwoordigers moe­ten kiezen om controle uit te oefenen op de prins; deze had volgens hem de schuld van het slechte verloop van de oorlog tegen Engeland; een vrije pers zou het volk van Nederland voortdurend van al hun daden op de hoogte moeten houden; en boeren en burgers zouden zich moeten bewapenen in plaats van zich voor de bescherming van hun vrijheid afhankelijk te maken van buitenlandse huurlingen van de prins.

4.2 Hoe in de ideeën en daden van de 'patriottenbeweging' in de periode tot 1787?

Patriotten voelden zich aangesproken door het pamflet van Joan Derk van der Capellen. Ze richtten kranten op, waarin ze de ideeën uit zijn pamflet — dat onmid­dellijk na verschijnen door de overheid was verboden — begonnen te verspreiden en droegen zo bij tot het ontstaan van een landelijke publieke-opiniepers. Patriotten meenden dat het economische en politieke verval van de Republiek te wijten was aan een zedelijk verval en aan een gebrek aan vaderlandsliefde zowel bij mannen als bij vrouwen. Vrouwen moesten weer `ware moeders' worden, die zelf hun kinderen zoogden en zelf de verantwoordelijkheid op zich namen om hun kin­deren vaderlandslievend op te voeden, in plaats van dat over te laten aan minnen en gouvernantes. En mannen moesten weer actieve, wapendragende `ware burgers' worden in plaats van verwijfde pruikendragers; ze moesten zelf vertegenwoordigers kiezen in besturen in plaats van de prins en de regenten maar hun gang te laten gaan, en zich actief inzetten voor de verbetering van de economie door hun geld te beleggen in economische activiteiten die werkgelegenheid opleverden, in plaats van in buitenlandse effecten.

De patriotten richtten in aansluiting hierop tussen 1783 en 1787 in allerlei steden exercitiegenootschappen op, hielden daarmee soms ook nationale bijeenkomsten, en maakten ontwerpen voor een nieuwe staatsinrichting van de Republiek.

De patriotten namen de macht over in een aantal stedelijke en gewestelijke bestu­ren, maar namen nog geen initiatieven om de gewestelijke autonomie aan te tasten.

Niet alle patriotten waren voor algemeen kiesrecht: vooral in Holland waren er patriotse regenten die meer tégen de prins dan vóór meer volksinvloed ijverden.

4.3 Hoe in de ideeën en daden van de patriottenbeweging in de periode van 1787 tot 1796?

Toen de patriottenrevolutie van de jaren tachtig door Pruisisch ingrijpen ten gunste van de macht van de prins in 1787 weer ongedaan was gemaakt, vluchtten velen van hen naar Frankrijk.

Degenen die achterbleven, richtten geheime revolutionaire clubs op, en de uitgewe­kenen lichtten hen in brieven in over de succesvolle Franse Revolutie van 1789.

Toen Franse revolutionaire legers in 1795 de Nederlandse Republiek binnenvielen, trok een Bataafs legioen van uitgeweken patriotten met hen mee; de geheime revo­lutionaire clubs namen, gesteund door de nadering van de Fransen, overal de macht van de zittende bestuurders over als provisionele representanten van het volk.

Ze kondigden in het hele land de Rechten van de Mens en van de Burger af en veranderden de naam van de Republiek der Nederlanden in Bataafse Republiek. De aanhangers van de patriottenbeweging hadden van het begin af aan gevonden dat godsdienst geen verschil mocht maken in het recht om te kiezen of gekozen te worden; ze kondigden dan ook meteen na de Bataafse Revolutie van 1795 de schei­ding van kerk en staat af.

Ze begonnen daarnaast onmiddellijk met de organisatie van nationale verkiezingen voor een Nationale Vergadering. De Nationale Vergadering, het eerste gekozen par­lement, kon in 1796 voor het eerst bijeenkomen en had als belangrijkste opdracht het opstellen van een grondwet.

Deze opdracht leidde tot hevige discussies:

 — tussen de radicalen en de moderaten over de vraag wie het stemrecht moesten krijgen en of het ook aan politieke tegenstanders moest worden gegeven;

— tussen unitarissen en de federalisten over de vraag of Nederland een federatie van gewesten moest blijven of een eenheidsstaat moest worden met één begro­ting, één belastingstelsel en één staatsschuld.

4.4 Hoe in de ideeën en activiteiten van de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van 't Algemeen? 

Het Nut werd opgericht vanuit het idee dat onderwijs en opvoeding konden bijdra­gen tot een betere samenleving en dat er dus ook gestreefd moest worden naar een betere opvoeding en beter onderwijs voor kinderen uit de lagere sociale lagen.

Overal in het land werden Nutsafdelingen opgericht die activiteiten ontplooiden om jongens én meisjes uit de lagere klassen beter onderwijs te geven, en vaderlands­liefde en `vaderlandse deugden' en godsdienstige verdraagzaamheid te bevorderen. Het lidmaatschap van het Nut stond open voor mensen van alle godsdiensten; daar­door waren er veel mensen in actief die op grond van hun godsdienst geen toegang hadden tot bestuurlijke functies in de Republiek.

Na de Bataafse Revolutie van 1795 kwam het Nut meteen met een plan voor het instellen van goed openbaar, nationaal onderwijs op algemeen christelijke grond­slag, dat de basis zou worden van de eerste nationale schoolwet in Nederland.

4.5 Hoe in de ideeën van een prinsgezinde tegenstander van de patriotten als Laurens Willem van de Spiegel?

Volgens Van de Spiegel die in 1787 raadpensionaris van Holland werd, was het belangrijkste probleem niet dat de mensen niet vaderlandslievend meer waren, maar dat de Republiek niet langer in staat was om zich effectief te verdedigen tegen een buitenlandse vijand, doordat:

1 legers en vloten steeds duurder werden,

2 andere landen wel groter, machtiger en rijker werden, maar de Republiek niet, ten gevolge van de economische achteruitgang van Holland.

Volgens Van de Spiegel moesten, om de economie te stimuleren, de belastingen in Holland omlaag. Dat zou kunnen als de andere gewesten meer gingen betalen aan de defensie van de Republiek en als er naast de gewestelijke ook enkele nationale belastingen zouden komen. Hij zag de mogelijkheid om dat te realiseren niet in meer invloed van gewone burgers en boeren op het landsbestuur, maar veeleer in minder macht voor de inefficiënte Staten-Generaal en meer macht voor de prins.

4.6 Hoe in de ideeën en daden van de volgende vrouwen?

4.6.1 De schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken

Zij gaven actieve steun aan de ideeën van de patriottenbeweging door het schrijven van liedjes, gedichten en proza. Zij benadrukten het belang van goed onderwijs voor vrouwen om hen beter toe te rusten voor hun maatschappelijke taak als moeder.

Hoewel het voor hen vanzelfsprekend was dat vaderlandslievende vrouwen zich richtten op een actief moederschap en vaderlandslievende mannen op een actief burgerschap, kwam de gedachte aan gelijke rechten voor vrouwen nog niet in hen op.

4.6.2 De mosselverkoopster Kaat Mulder

Een Rotterdamse volksvrouw als Kaat Mossel verwachtte in tegenstelling tot burgervrouwen als Betje Wolff en Aagje Deken geen enkele verbetering voor het volk van een patriotse revolutie.

Ze lokte, met behulp van giften van de prins, onder het gewone volk van Rotterdam rellen uit tegen de patriotse exercitiegenootschappen en stadsbestuurders aldaar, die vaak afkomstig waren uit de middelste sociale lagen. Ze meende dat de prins van Oranje de enige aristocraat in Nederland was die het gewone volk een goed hart toedroeg en dat dus juist diens macht versterkt moest worden.

4.6.3 De vrouw van stadhouder prins Willem V, Wilhelmina van Pruisen

Ook zij had niet zozeer kritiek op de situatie rond 1780, als wel op de geleidelijke machtsovername door de patriotten daarna.

Ze was de belangrijkste drijvende kracht geweest achter het ingrijpen van haar broer, de koning van Pruisen, tegen de patriotten ten gunste van de prins, en achter de vervolging van de patriotten nadien.

5 Op welke manier kwam de eenheidsstaat in 1798 tot stand?

bataafse republiekvlag bataafse republiek

De radicale unitarissen onder de patriotten waren van oordeel dat de discussies over de nieuwe grondwet te lang duurden. De Fransen meenden dat een krachtige centrale regering beter in staat zou zijn om te voldoen aan de zeer forse financiële vergoedingen die zij van de Bataafse Republiek hadden geëist in ruil voor hun hulp bij de Bataafse Revolutie. Gesteund door de Fransen pleegden de radicalen een staatsgreep en verwijderden moderaten en federalisten uit de Nationale Vergade­ring.

Nederland kreeg zo in 1798 zijn eerste grondwet, die het land tot een eenheidsstaat maakte met grote macht voor de Nationale Vergadering. De gewesten waren niet langer autonoom, maar werden voortaan bestuurd door een centrale regering in Den Haag.

I.J.A. Gogel moest als `Agent van Financie' een nationaal belastingstelsel voor de hele Republiek ontwerpen ter vervanging van de oude gewestelijke stelsels. Tezelfdertijd was er een begin gemaakt met de economische eenwording door de afschaffing van alle binnenlandse inkomende rechten, van tollen op wegen en vaarten, en van de gilden, waardoor ook stadsmuren overbodig geworden waren. Onder de naam `Agentschap voor de Nationale Oeconomie' kwam er bovendien voor het eerst een ministerie van economische zaken, dat op nationaal niveau moest gaan werken aan het economisch herstel van Nederland. Ook kwam er een `Agent­schap' voor de waterstaat, dat onder meer de zorg kreeg voor de verbetering van de onderlinge communicatie in de Republiek door middel van wegen en vaarten; en een `Agent van Nationale Opvoeding' die op nationaal niveau de verbetering van het onderwijs ter hand moest gaan nemen. Tevens werd van overheidswege een uniforme spelling van de Nederlandse taal doorgevoerd.

5.1 Waaruit blijkt dat het begrip `democratie' in de eenheidsstaat die in 1798 ontstond een andere inhoud had dan tegenwoordig?

Dat blijkt vooral uit het feit dat weliswaar in beginsel iedereen die ouder was dan 20 jaar en die langer dan 10 jaar in de Republiek woonde stemrecht had, maar dat dat niet gold voor:

— degenen die weigerden te verklaren dat ze tegen de stadhouder en tegen het federalisme waren;

— dienstboden, bedeelden en degenen die bankroet waren gegaan;

— vrouwen.

Dat vrouwen geen stemrecht hadden, werd zelfs zo vanzelfsprekend geacht dat het niet apart in de grondwet werd vermeld.

6 Op welke wijze werd de eenheidsstaat tussen 1798 en 1815 verder versterkt?

Na nog drie door Frankrijk gesteunde staatsgrepen en grondwetswijzigingen kwam de macht in 1805, wederom door toedoen van Frankrijk, voor een belangrijk deel in handen van één man, Rutger Jan Schimmelpenninck. Mede doordat het kiesrecht inmiddels beperkt was geraakt tot mannen die een bepaald bedrag aan directe belastingen betaalden en doordat bovendien de macht van de nationale volksvertegenwoordiging flink was beknot, slaagde men er toen eindelijk in het al in 1798 ontworpen nationale belastingstelsel en de nationale schoolwet door te voeren.

kon lodewijk napoleon

Lodewijk Napoleon, die in 1806 door zijn broer Napoleon Bonaparte koning van Holland was gemaakt, probeerde een nationaal cultuurbeleid gestalte te geven door de oprichting van een Algemeen Rijksarchief, een nationale Koninklijke Bibliotheek en een Rijksmuseum. Hij probeerde het gevoel van nationale saamhorigheid ook te versterken door grote rampen, zoals de ontploffing van een kruitschip te Leiden en grote overstromingen in de Betuwe, als nationale rampen te beschouwen waarvoor dus op nationale schaal werd gecollecteerd.

Toen Nederland van 1810-1813 bij Frankrijk was ingelijfd, werd door de Fransen eenheid in maten en gewichten doorgevoerd, kwam er één wetgeving voor het hele land, de Code Napoleon, en werd de bevolking voortaan in het hele land op uniforme wijze geregistreerd door de invoering van een Burgerlijke Stand.

Het nationale saamhorigheidsgevoel werd tezelfdertijd overigens tevens versterkt door een groeiende afkeer van de Fransen ten gevolge van de oplegging van het Continentaal Stelsel dat de handel belemmerde, door de invoering van de dienst­plicht na 1810, door het feit dat de Franse regering na 1810 nog maar een derde van de rente op de staatsschuld uitbetaalde, en door de invoering van onaangename Franse belastingen.

6.1 Hoe blijkt uit de levensloop van Herman Willem Daendels dat de begrippen nationalisme en vaderlandsliefde toen een andere inhoud hadden dan nu?

Daendels was als jonge man een zeer actief patriot geweest en had in 1787 dus naar Frankrijk moeten vluchten. Hij had daar het `Bataafse legioen' georganiseerd dat de Franse legers had geholpen bij hun inval in Nederland in 1795. Hij had behoord tot degenen die in 1798 met behulp van de Fransen de staatsgreep hadden gepleegd die had geleid tot de eenheidsstaat. Hij had in de periode van de inlijving bij Frankrijk dienst genomen in het leger van Napoleon.

Toch aarzelde hij niet zich tot Willem van Oranje te wenden toen hij had vernomen dat deze was teruggekeerd, en er in een brief bij hem op aan te dringen de auto­nomie van de gewesten niet te herstellen. Van vervolging op beschuldiging van landverraad was ook in het geheel geen sprake toen hij uit het Napoleontische leger in Nederland terugkeerde.

6.2 Welke rol heeft G.K. van. Hogendorp gespeeld in de wijze waarop Nederland in 1813 een koninkrijk werd?

De uit elitekringen afkomstige G.K. van Hogendorp was tijdens de Bataafs-Franse tijd steeds oranjegezind gebleven; hij was overtuigd van de kwaliteiten van de staatsstructuur van de oude Republiek, maar vond wel dat de prins meer macht moest hebben om het volk te beschermen tegen corrupte regenten en dat er een grondwet moest zijn.

Hij had gedurende de Bataafs-Franse periode een `Schets' voor een nieuwe grond­wet voor Nederland ontworpen voor als de prins zou zijn teruggekeerd. Hij bewerkstelligde dat Nederland zichzelf in 1813 weer onafhankelijk verklaarde, nog voordat de tegen Napoleon verbonden legers van de grote Europese mogend­heden de Fransen hadden overwonnen, en hij nam het initiatief om de prins van Oranje naar Nederland terug te halen om hem de soevereiniteit aan te bieden.

De nieuwe vorst nam de door Van Hogendorp gemaakte `Schets' wel als uitgangs­punt voor een nieuwe grondwet, maar hij nam in de commissie die deze nader moest uitwerken ook twee oud-revolutionairen op. Die moesten waken tegen een herstel van de oude provinciale vrijheden en voor het behoud van de maatregelen waarmee tussen 1806 en 1813 de eenheid was versterkt. De prins was 'patriots' geworden, zoals tijdgenoten zeiden.

III DE PERIODE 1815-1830

7 Waardoor werden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden in 1815 verenigd tot één koninkrijk?

Willem I wilde graag regeren over een aanmerkelijk groter gebied dan de voor­malige Republiek.

De grote mogendheden hadden de Zuidelijke Nederlanden, die meer dan twintig jaar door Frankrijk bezet waren geweest, op Napoleon veroverd. De Oostenrijkse keizer, tot wiens gebied de Zuidelijke Nederlanden voordien hadden behoord, was er echter niet langer in geïnteresseerd.

Groot-Brittannië wist de andere mogendheden te bewegen akkoord te gaan met de wens van Willem I tot een vereniging van Noord en Zuid als een bufferstaat tegen eventuele nieuwe Franse aspiraties.

8 Wat vond de bevolking van Noord en Zuid van de vereniging van beide gebieden tot één staat?

In het Noorden heerste over het algemeen onverschilligheid over de samenvoeging, behalve bij enkele politici rond Willem I die enthousiaste voorstanders waren. In het Zuiden had een enkel lid van de Zuid-Brabantse adel in de jaren tachtig van de achttiende eeuw wel eens geijverd voor aansluiting bij Nederland, in reactie op een steeds verder gaande aantasting van de oude rechten van de provinciale staten­vergaderingen door de Oostenrijkse keizer. Daar was toen ook wel enige aanhang onder de bevolking voor geweest. Maar in 1815 had de rooms-katholieke bevolking toch liever de terugkeer van een rooms-katholieke Oostenrijkse keizer gezien dan de komst van een protestantse Noord-Nederlandse koning.

Sommige fabrikanten en kooplieden in het Zuiden voelden echter wel voor de unie met het Noorden, omdat ze verwachtten dat die economisch gunstiger zou zijn dan terugkeer onder Oostenrijk 

9 In hoeverre zijn er binnenlandse factoren aan te wijzen die hadden kunnen bijdragen tot het instandblijven van de eenheid van Noord en Zuid?

9.1 In cultureel-mentaal opzicht

Enerzijds wel:

— Vóór de opstand van het Noorden tegen Spanje in de zestiende eeuw hadden de Nederlandse gewesten een gemeenschappelijke geschiedenis gehad. Ze hadden toen dezelfde vorst en de Noordelijke en Zuidelijke provincies kwamen bijeen in gezamenlijke vergaderingen van de Staten-Generaal.

— Een deel van de Zuid-Nederlandse bevolking was Nederlandstalig.

— In het Noorden was een groot deel van de bevolking ook na de Opstand katho­liek gebleven, wat verenigend had kunnen werken.

— In het Zuiden had zich nog geen krachtige eigen nationale identiteit ontwikkeld.

Anderzijds niet:

— Er was geen sprake meer van een gemeenschappelijke geschiedenis sinds de Opstand van het Noorden tegen Spanje.

— De belangrijkste taal van het Zuiden was Frans. Zelfs in de Nederlandstalige gedeelten van het Zuiden was de elite in de meer dan twintig jaar Franse tijd nogal `verfranst' geraakt.

— Na de Opstand was het Zuiden vrijwel geheel rooms-katholiek gebleven; de protestanten waren naar het Noorden gevlucht. De nationale identiteit die zich sinds de Opstand in het Noorden had ontwikkeld was voor velen verbonden met het protestantisme.

9.2 In economisch opzicht

Enerzijds wel:

— De in het Zuiden aanwezige moderne industrie kon bevorderd worden door de vrije toegang tot de Indische markt. het Noorden kon voor de handel op Indië in beginsel voordeel trekken van nieuwe heenvrachten naar Indië uit de Zuidelijke industrie.

Anderzijds niet:

— In Amsterdam verwachtte men er vooral nadeel van als de regering in het economisch beleid rekening moest houden met de belangen van de zuidelijke industrie en van de Antwerpse handel.

— De samensmelting van de enorme staatsschuld van het Noorden met de minieme schuld van het Zuiden en de unificatie van het belastingstelsel, bracht voor Noord een verlichting van de belastingdruk, maar voor Zuid een forse verzwaring.

9.3 In politiek opzicht

Enerzijds wel:

— Bij de opstelling van een nieuwe grondwet voor het Verenigde Koninkrijk waren evenveel Zuid-Nederlanders als Noord-Nederlanders betrokken.

— Er werd rekening gehouden met het feit dat de adel in de Zuid-Nederlandse samenleving altijd veel belangrijker was gebleven dan in het Noorden: naast een gekozen Tweede Kamer, kwam er een door de koning uit de aanzienlijken van het land te benoemen Eerste Kamer.

— De zetel van de regering was elk jaar afwisselend in Brussel en in Den Haag. Alle staatsstukken werden in het Frans en in het Nederlands gedrukt.

Anderzijds niet:

— In het Zuiden was het grondwetsontwerp voor het nieuwe Verenigde Koninkrijk afgewezen, omdat deze nieuwe staat niet rooms-katholiek zou zijn. In het inter­nationale verdrag dat aan de wieg van het Verenigd Koninkrijk had gestaan, was echter zowel de volledige ineensmelting van de beide rijksdelen als de vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat vastgelegd. Omdat de nieuwe grondwet in het Noorden wel was aanvaard, was gemakshalve geconcludeerd dat een meerderheid akkoord was.

— Het Zuiden moest zich tevreden stellen met slechts de helft van de zetels in de Tweede Kamer, hoewel de bevolking in het Zuiden ongeveer anderhalf keer zo groot was als die in het Noorden.

10 Op welke wijzen heeft Willem I geprobeerd de beide delen van zijn rijk te integreren?

10.1 Op cultureel-mentaal gebied

In het Zuiden werd de schoolwet van 1806 van kracht, waardoor het voor het eerst een goed stelsel van lager onderwijs kreeg.

In de Vlaams-sprekende gebieden was het onderwijsbeleid erop gericht het Neder­lands tot voertaal te maken, terwijl in de Waalse provincies tweetaligheid de nor­male situatie moest worden.

Ten aanzien van het middelbaar onderwijs was het beleid gericht op kwaliteits­verbetering door middel van terugdringing van de kerkelijke invloed. Willem achtte het nodig om in dat kader tevens over te gaan tot sluiting van de klein-seminaries, die vaak als middelbare scholen functioneerden, en waar de invloed van de tegen de unie gekante clerus vanzelfsprekend zeer sterk was.

Om te bewerkstelligen dat nieuwe katholieke priesters zich niet langer tegen de nieuwe staat zouden keren, werden priester-studenten bovendien verplicht om voorafgaande aan het groot-seminarie een tweejarige opleiding in een speciaal daartoe door de staat opgericht Collegium Philosophicum te volgen. Om dezelfde reden wenste de koning inspraak in de benoeming van nieuwe bisschoppen.

De pers kreeg te verstaan dat kritiek op het beleid van de koning niet werd getolereerd.

10.2 Op economisch-sociaal gebied 

Door middel van de aanleg en verbetering van wegen en vaarten probeerde Willem I de economie in zijn rijk te stimuleren en de communicatie tussen Noord en Zuid te verbeteren.

Door middel van de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) integreerde hij de handels- en scheepvaartbelangen van het Noorden met de indus­triële belangen van het Zuiden. De beschermde afzet van Zuid-Nederlandse textiel op de zeer grote Indische markt, vervoerd op schepen die de NHM tegen gunstige prijzen van Noord-Nederlandse reders huurde, leverde de Noord-Nederlandse handel de begeerde Indische handelsproducten op.

In zijn fiscale beleid probeerde hij voortdurend zowel rekening te houden met Noord- als met Zuid-Nederlandse economische belangen. Hij richtte een fonds voor de nationale nijverheid op dat zowel subsidies verstrekte aan landbouw en visserij als aan de industrie. Omdat de Nederlandse Bank zijn activiteiten in hoofdzaak beperkte tot de (Noord-Nederlandse) handel, gaf hij het Zuiden een eigen bank, de Société Générale, ten behoeve van kredietverlening aan de industrie.

10.3 Op bestuurlijk gebied

De koning achtte zijn integratiestreven beter gediend met een autoritair beleid dan met het toestaan van veel invloed van het parlement. Hij koos zelf zijn ministers en deze waren voor hun beleid geen verantwoording schuldig aan het parlement. Hij heeft het niet wenselijk gevonden tegemoet te komen aan de kritiek op de ondervertegenwoordiging van Zuid-Nederlanders in het parlement en in hoge ambtelijke en militaire functies, maar hij heeft na verloop van tijd wel concessies gedaan als andere elementen uit zijn beleid te hevig verzet bleken op te roepen.

11 Welke reacties riep Willems beleid op?

Voor zijn sociaal-economische beleid bestond bij de economische elites vrij algemeen grote waardering. Dat verhinderde echter niet dat de talrijke arbeidersbevolking in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de economische malaise in 1830 gemakkelijk geneigd was de schuld daarvan te zoeken in een slecht economisch beleid. Tegen het taalbeleid werd geprotesteerd door jonge intellectuelen die hun opleiding in het Frans hadden genoten. Maar voor de verbetering van het lager onderwijs was veel waardering.

De sluiting van de klein-seminaries, de oprichting van het Collegium Philosophicum en het streven van de koning naar invloed op bisschopsbenoemingen riepen fel ver­zet op bij de katholieken. De katholieke achterban werd gemobiliseerd door middel van grootscheepse petities aan de Staten-Generaal over taalvrijheid, schoolvrijheid en persvrijheid.

Het autoritaire bewind van de koning, de geringe invloed van het parlement door gebrek aan ministeriële verantwoordelijkheid en zijn beknotting van de vrijheid van drukpers riepen fel verzet op bij Zuid-Nederlandse liberalen. In 1828 kwam het tot een Monsterverbond van liberalen en katholieken tegen het beleid.

Concessies aan de katholieken ten aanzien van het onderwijs namen het wantrou­wen niet weg, evenmin als het plotselinge herstel van de taalvrijheid en de pers­vrijheid in 1830. Bij romantische radicale jongeren ontstond in reactie op Willems beleid in deze jaren een Belgisch nationaal bewustzijn, dat verder gevoed werd door de liberale revolutie van juli 1830 in het nabijgelegen Frankrijk, en dat gemakkelijk te prikkelen was door kleine incidenten.

De hardhandigheid waarmee in september 1830 door het leger in Brussel op derge­lijke incidenten werd gereageerd, versterkte in het Zuiden de gevoelens van vijand­schap tegen het Noorden en het nationale bewustzijn en leidde tot de Belgische Afscheiding.

IV EVALUATIE VAN DE CENTRALE VRAAG

12 Welke visies zijn er mogelijk op de oorzaken van het ontstaan van een eenheidsstaat in de Noordelijke Nederlanden in 1798 en de duurzaamheid daarvan in 1813?

Sommige historische gegevens uit deze periode geven aanleiding tot de interpreta­tie dat de eenheid van 1798 en de handhaving ervan in 1813 het resultaat waren van buitenlandse inmenging, te weten:

— de inval van Franse troepen in de oude Republiek en de steun van Frankrijk aan de Bataafse Revolutie in 1795;

— de bemoeienis van de Fransen met de staatsgreep van 1798 waarmee de politieke eenheid werd afgedwongen;

— de Franse `unificerende' maatregelen gedurende het tijdperk van de inlijving bij

Frankrijk van 1810 tot 1813.

Andere historische gegevens geven aanleiding tot de interpretatie dat de eenheid en de democratie vooral het resultaat waren van binnenlandse factoren, te weten: — kritiek op het functioneren van de oude staatsinrichting van de Republiek met behulp waarvan men niet in staat bleek de ongunstige politieke en economische ontwikkelingen uit die tijd te keren;

— het appel op een `nationaal gevoel' en het streven naar meer volksinvloed van de patriottenbeweging van de jaren tachtig;

— het feit dat koning Willem I, die in 1813 met grote instemming van de bevolking naar Nederland was teruggehaald, er van het begin af aan van overtuigd was dat de Nederlanden een eenheidsstaat moesten blijven.

13 Welke visies zijn er mogelijk op de oorzaken van de mislukking van de vereniging van Noord en Zuid?

De historische gegevens maken verschillende interpretaties mogelijk: 

— Men kan de oorzaak zoeken in het feit dat eenwording in hoofdzaak het resul­taat was van buitenlandse bemoeienis en dat de wensen van de bevolking geen enkele rol hebben gespeeld in de samenvoeging. Daar kan dan aan toegevoegd worden dat de hardnekkige pogingen van Willem I na 1830 om de unie te herstellen alleen al weinig kansrijk waren, omdat de grote mogendheden onvoldoende belang hechtten aan het instandblijven van de unie.

— Men kan het mislukken van de eenwording van Noord en Zuid zien als gevolg van een op betreurenswaardige wijze uit de hand gelopen incident, terwijl de kansen op het welslagen ervan, zeker na de gedane concessies, gunstig leken.

— Men kan betogen dat de kansen van begin af aan ongunstig waren door het verschil in godsdienst en andere cultureel-mentale verschillen ten gevolge van het verschil in geschiedenis na de zestiende eeuw, waardoor in het Noorden een gevoel van verbondenheid met het Zuiden ontbrak.

— Men kan de oorzaak zoeken in het autoritaire karakter van het beleid van Willem I, waarop in het oranjegezinde conservatieve Noorden weinig kritiek bestond, maar dat in het Zuiden het ontstaan van een eigen nationaal bewustzijn stimuleerde.

LITERATUUR

Overzichtswerken

E.H. Kossmann, De Lage Landen 1780-1980. Twee eeuwen Nederland en België. Deel 11780-1914 (Amsterdam 1986) p. 39-133. Het beste en meest uitvoerige over­zicht over de hele periode van de hand van één auteur.

Algemene Geschiedenis der Nederlanden, de delen 9,10 en 11 (Bussum 1980-1983).

Geschiedenis van de Nederlanden, red. J.C.H. Blom en E. Lamberts (Amsterdam 1994) 295-310 en 325-341 (Hoofdstuk 6, `Revolutie in Noord en Zuid 1780-1830') of in de identieke paperbackuitgave (Rotterdam 1993): p. 219-230 en p. 241-252. De meest recente beknopte overzichten van de Belgische historicus J. Roegiers en de Nederlandse historicus N.C.F. van Sas.

Thom Roep en Co Loerakker, Van nul tot nu. Deel 2 en 3 (Heemstede 1986). Grappig overzicht, ook voor leerlingen zeer toegankelijk.

Simon Schama, Patriotten en bevrijders. Revolutie in de Noordelijke Nederlanden 1780-1813 (Amsterdam 1989). Het rijkste en meest uitvoerige boek over de periode 1780 tot 1813.

Bijzondere onderwerpen

H. Knippenberg en B. de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800 (Nijmegen 1988). Betreft in hoofdzaak de 19e en 20e eeuw maar bevat ook relatief veel over onze periode; interessant gezien de centrale vraagstelling.

W.W. Mijnhardt, Tot heil van 't mensdom. Culturele genootschappen in Nederland 1750-1815 (Amsterdam 1988). Over verschijningsvormen van de Verlichting in Nederland.

J.W. Buisman, Tussen vroomheid en Verlichting. Een cultuurhistorisch en -sociolo­gisch onderzoek naar enkele aspecten van de Verlichting in Nederland 1 750-1 810 (Zwolle 1992). Eveneens over verschijningsvormen van de Verlichting in Neder­land.

J.D. van der Capellen, Aan het volk van Nederland. Het patriottisch program uit 1781, ingeleid en van annotaties voorzien door H.L. Zwitzer (Amsterdam 1987). Fotografische herdruk van het originele pamflet.

L.P. van de Spiegel, `Schets tot een vertoog over de intrinsique en relative macht van de Republijk', ed. Joh. de Vries, in: Economisch-historisch Jaarboek nr. 27 (1957) p. 81-100.

Om het algemeen volksgeluk: twee eeuwen particulier initiatief 1784-1984, red. W.W. Mijnhardt en A.J. Wichers (Edam 1984). Gedenkbundel over de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

J. Lenders, De burger en de volksschool. Culturele en mentale achtergronden van de onderwijshervorming. Nederland 1780-1850 (Nijmegen 1988).

J. Lucassen en R. Penninx, Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders. Immigranten in Nederland 1550-1993 (Amsterdam 1994). Onder meer over burgerrechten voor immigranten.

J.M.F. Fritschy, De patriotten en de financiën van de Bataafse Republiek. Hollands krediet en de smalle marges voor een nieuw beleid 1785-1801 (Den Haag 1988). Over de discussies tussen unitarissen en federalisten, en tussen radicalen en gematigden, en over de financiële eenwording van 1798.

G.W. Bannier, Grondwetten van Nederland (Zwolle 1936). Bevat onder meer de tekst van de `Rechten van de Mens en van de Burger' van 1795.

N.C.E van Sas, Onze natuurlijkste bondgenoot 1 813-1 831 (Groningen 1985). Over de rol van het buitenland in de vereniging van Noord en Zuid en de scheiding van 1830.

L. Blok, Stemmen en kiezen. Het kiesstelsel in Nederland in de periode 1814-1850 (Groningen 1987). Over de beperkingen aan het stem- en kiesrecht in Nederland onder koning Willem I.

R.Th. Griffiths, `The creation of a national Dutch economy 1795-1909', in: Tijdschrift voor Geschiedenis nr. 95 (1982) p. 513-537. Over de economische eenwording van Nederland na 1795.

J.  Filarski, Kanalen van de koning-koopman. Goederenvervoer, binnenscheepvaart en kanalenbouw in Nederland en België in de eerste helft van de negentiende eeuw (Amsterdam 1995).

Biografieën over binnen het onderwerp te bespreken personen

Hella Haasse, Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern (Amsterdam 1989). Een boeiende, op historische documenten gebaseerde, roman over Joan Derk van der Capellen en zijn tijd.

De wekker van de Nederlandse natie: Joan Derk van der Capellen 1741-1784, red. E.A. van Dijk e.a. (Zwolle 1984).

J.W.A. Naber, Prinses Wilhelmina, gemalin van Willem V, prins van Oranje (Amsterdam 1908).

P.J. Buijnsters, Wolff & Deken. een biografie (Leiden 1984).

K.  van Baardewijk, Kaat, Keet en de Kezen. Rotterdamse vrouwen in opstand (Wezep 1991). Over Kaat Mossel.

Herman Willem Daendels 1762-1818: Geldersman, patriot, Jacobijn, generaal, hereboer, maarschalk, goeverneur, van Hattem naar St. George del Mina (Utrecht 1991). Artikelenbundel met bijdragen van Jan Blokker e.a.

P. van 't Veer, Daendels, maarschalk van Holland (Zeist 1963).

Th. de Vries, Rutger Jan Schimmelpenninck: republikein zonder republiek (Nijmegen 1979, oorspr. 1941). Boeiende biografische roman.

o-= Zie voor Gogel: Schama, Patriotten en bevrijders.

H.L.T. de Beaufort, Gijsbert Karel van Hogendorp: grondlegger van het Koninkrijk (Rotterdam 1979).

H.T. Colenbrander, Willem L Koning der Nederlanden (Amsterdam 1931). Zie voor recentere literatuur over Willem I de hierna genoemde bundel Staats- en natie-vorming.

Artikelenbundels en themanummers van tijdschriften met betrekking tot (delen van) de periode

Voor vaderland en vrijheid. De revolutie van de patriotten (Amsterdam 1987). Rijk geïllustreerd.

Staats- en natievorming in Willem I's Koninkrijk 1815-1830, red. C. Tamse en E. Witte (Brussel 1992).

1787 De Nederlandse revolutie?, red. T. van der Zee e.a. (Amsterdam 1988)

De droom van de revolutie. Nieuwe benaderingen van het patriottisme (Amsterdam 1988).

BMGN 104, nr. 4 (1989): themanummer over natievorming.

TvG 102, nr. 3/4 (1989): themanummer `Revolutie en contrarevolutie'.

The Dutch Republic in the eighteenth century. Decline, enlightenment and revolution, eds. M.C. Jacob and W.W. Mijnhardt (London 1992).