We hebben 484 gasten online

CSE Nederland 1939-1945 Deel 2

Gepost in Nederland

CSE Nederland 1939-1945

4 De houding van de Nederlanders

In het verhaal van de bezetting zijn tot nu toe drie varianten van de houding van de Nederlanders naar voren gekomen: de collaboratie inclusief het openlijke landverraad, de aanpas­sing aan de nieuwe meesters, weliswaar met groeiende tegen­zin, en het verzet. Natuurlijk zijn er geen duidelijke scheidslijnen te trekken. Waar houdt aanpassing op en be­gint collaboratie? Wanneer mag je van verzet spreken? Als je stiekem naar de BBCluisterde of wanneer je op de verjaar­dag van Prins Bernard een witte anjer in je knoopsgat stak, zoals op 29 juni 1940 massaal gebeurde en sindsdien bekend stond als Anjerdag? In ieder geval lieten deze mensen zien dat ze zich innerlijk, passief verzetten tegen de Duitse bezetter. Sommigen pasten zich aanvankelijk aan, werden bijvoor­beeld lid van de Cultuurkamer, maar later werden ze over­tuigde antifascisten en actief in de illegaliteiten in het kunstenaarsverzet. De illegaliteit was een vorm van actief verzet, van verboden activiteiten die overduidelijk het tegenwerken van de Duit­sers tot doel hadden en die alleen ondergronds konden wor­den verricht.

Collaborateurs

Nederlanders onder de bezetters konden rekenen op voorde­len als ze collaboreerden. Collaboratie kon geld en macht be­tekenen, in ieder geval meer geld en macht dan de collaborateurs daarvoor bezaten. Over de NSB en haar jon­gerenafdeling de Jeugdstorm,samen goed voor ongeveer 80.000 leden en over degenen die dik verdienden aan de be­zetting, zoals de bunkerbouwers, is al gesproken. Ongeveer 25.000 duizend jonge Nederlanders meldden zich in Duitse krijgsdienst in het Vrijwilligerslegioen Nederland, een SS-strijdmacht. Velen waren overtuigde nationaalsocialisten maar er waren ook a-politieke avonturiers bij. Voor het gel­delijk gewin deden ze het niet. Een groot aantal sneuvelde aan het Oostfront.

Er waren ook landgenoten die zich aanmeldden bij de Land­macht,een vrijwillige hulppolitie die behulpzaam was bij het opsporen van joden, zigeuners, politieke tegenstanders van de Duitsers, maar ook voedsel in beslag nam van mensen die in de hongerwinter voedseltochten ondernamen. Een categorie die erg gehaat werd, waren de zogenoemde moffenmeiden, meestal jonge vrouwen die met Duitse solda­ten uitgingen. Lang niet al deze meisjes waren nationaal­socialisten, maar dat maakte hun vergrijp in de ogen van de meeste Nederlanders niet minder erg.

Verklikkers, mensen die ondergedoken joden, verzetsmen­sen en andere onderduikers verrieden aan de politie, of nazi-provocateurs, die voor de Sicherheitsdienst verzetsorgani­saties infiltreerden en verzetsmensen aanbrachten, werden door velen beschouwd als de ergste collaborateurs.

Niet al deze Nederlanders waren NSB-ers, hoewel het meren­deel wel uit deze beweging voortkwam. Voor al deze catego­rieën collaborateurs gold dat zij zich los hadden gemaakt van de gemeenschap van `gewone' Nederlanders. Die zonnen al tijdens de bezetting op wraak. Na de bevrijding zou men af­rekenen met deze `verraders'. Bijltjesdagnoemde men dat. We zullen nog zien of het tot een echte bijltjesdag gekomen is.

Een categorie mensen, waarvan je niet meteen kunt zeggen dat het collaborateurs waren, maar die gehaat werden en zeer veel Nederlanders het leven moeilijk en soms onmogelijk maakten, waren degenen die zich met zwarte handelbezig­hielden. Aan de ene kant zorgde de zwarte handel voor de mogelijkheid om aan noodzakelijke levensbehoeften te ko­men voor onderduikers, aan de andere kant was het slechts ordinaire geldzucht die de drijfveer voor de zwarthandelaars vormde. De mensen die grof geld aan de bezetters of aan de ellende van landgenoten verdienden, werden OW-ers (OorlogsWinst-profiteur)genoemd.

Accommodatie

Wie zich aanpaste, gehoorzaamde, zich rustig hield, werd met rust gelaten. Het leven werd wel steeds moeilijker, en de dreiging van tewerkstelling in Duitsland, honger en op het laatst ook het oorlogsgeweld nam toe. De stemming werd steeds sterker anti-Duits, maar dat leidde niet tot openlijk verzet tegen de bezetter. De overgrote meerderheid van de Nederlanders heeft deze koers gevaren en zo de oorlog beleefd en overleefd. Zonder heldendom, zonder verraad hebben ze gewoon geprobeerd er het beste voor zichzelf en hun gezin van te maken. In dit verband is het belangrijk de Nederlandse Unie te noe­men. In de zomer van 1940 werden meer dan 800.000 Neder­landers lid van deze op 24 juli 1940 met een Manifest naar buiten tredende organisatie. De leiding, waaronder de voor­aanstaande katholiek De Quay, die het na de oorlog tot minister-president bracht, wilde samenwerken met de bezet­ter en Nederland aanpassen aan de nieuwe situatie in Europa met een oppermachtig Duitsland. Doel was de vooroorlogse verdeeldheid te overwinnen en zo Nederland als politieke, culturele en economische eenheid te laten voortbestaan. Van parlementaire democratie en trouw aan de koningin was geen sprake in het programma van de Nederlandse Unie. Dat was de reden waarom de toen nog bestaande politieke partij­en weigerden mee te doen. De motieven van de leiding van de Nederlandse Unie waren heel anders dan die van de gewone leden. Die werden vooral lid als protest tegen de NSB en om te voorkomen dat deze partij het in Nederland voor het zeg­gen kreeg. De Duitsers hoopten de Unieleden voor het nationaalsocialisme te winnen. Maar toen deze hoop ijdel bleek en de leiding van de Unie in juni 1941 weigerde Duits­land te steunen in de oorlog tegen de Sovjet-Unie, was het ein­de snel in zicht. In december 1941 werd de Unie verboden.

Verzet

Met het toenemen van de onderdrukking, de verslechtering van de economische situatie en het keren van de oorlogskan­sen van Duitsland, nam de geest van verzet in Nederland toe. De eerste massale uiting daarvan was de Fe­bruaristaking van 1941. De illegale CPN speelde daarbij een belangrijke rol. Deze partij nam het initiatief voor een pro­test tegen het wrede optreden van de Duitsers tegen Amster­damse joden. Dat de respons zo massaal zou zijn hadden de communisten zelf niet durven dromen. Een vrijwel algemene en spontane staking brak uit in de hoofdstad. Ook in enkele andere steden legden werknemers uit protest tegen de raz­zia's op joden het werk neer. De Duitsers waren volkomen verrast. Dat hadden ze absoluut niet verwacht. Het duurde twee dagen voordat ze, met bruut geweld, de stakingen gebroken hadden.

Tot grootscheepse vormen van verzet kwam het in de jaren die daarop volgden niet, of het moet de weigering van veel studenten zijn geweest, in maart 1943, om de loyaliteitsver­klaring te tekenen. Degenen die niet schriftelijk beloofden alle maatregelen van de Duitsers te gehoorzamen en geen en­kele actie te ondernemen die schadelijk zou kunnen zijn voor de Duitse bezettingsmacht, moest zijn studie opgeven en werd naar Duitsland gestuurd om er te gaan werken. Niet minder dan 86% van de studenten weigerden te tekenen en ve­len van hen doken onder. Dat was een belangrijk moment in het ontwikkelen van het verzet in het onderwijs. Het protest van de Leidse hoogleraar Cleveringa in november 1940 tegen het ontslag van joodse professoren had veel minder weer­klank gevonden. Opnieuw een teken dat de geest van verzet halverwege de bezetting pas vaste vorm begon te krijgen.

Deze ontwikkeling werd goed duidelijk in de massale pro­testactie in het voorjaar van 1943, de April - Meistakingen. Deze waren een gevolg van de verscherping van de arbeidsin­zet.

Na de nederlaag van Duitsland bij Stalingrad in februari 1943 werd in Duitsland de totale oorlog uitgeroepen. Nog meer mannen moesten in dienst. De wapenproductie moest worden opgevoerd. Dus waren er extra arbeiders nodig uit de bezette landen, waaronder Nederland. Hier werd het Neder­landse leger, dat allang uit krijgsgevangenschap was vrijge­laten, eind april 1943 weer in gevangenschap geroepen. Vanuit kampen zouden de 300.000 manschappen naar Duit­se fabrieken gedeporteerd worden. Bijkomend gunstig ge­volg voor de bezetters was dat het verzet een grote potentiële bron van leden in één klap kwijt zou raken. En het verzet be­gon vanwege de gekeerde oorlogskansen juist de wind in de zeilen te krijgen. De woede over deze maatregel was groot. Vanuit Twente breidden proteststakingen zich uit over het hele land. De Duitsers reageerden met ijzeren vuist. Het standrecht werd toegepast en er werd ook willekeurig op groepen stakers geschoten. Er werd een avondklok ingesteld. De staking verliep na enkele dagen. Er vielen aan Nederland­se kant 175 slachtoffers. Duizenden werden gearresteerd. Heel veel opgeroepen soldaten doken in de maanden die volgden onder. Hun aantal groeide bij iedere verscherping van de arbeidsinzet. Aan het eind van de bezetting werd hun aantal op ruim 300.000 geschat.

De laatste vorm van massaal verzet die in dit verband ge­noemd kan worden is de Spoorwegstaking die begon in sep­tember 1944. Om de opmars van de geallieerden te ondersteunen en de bevrijding, waarvan men dacht dat die voor de deur stond, nog meer te bespoedigen, legde vrijwel al het spoorwegpersoneel in bezet Nederland het werk neer. In dit geval was het geen spontane, maar een door de regering in Londen uitgeroepen staking. De staking werd tot de bevrij­ding volgehouden. Die liet echter veel langer op zich wachten dan toen, in september, werd voorzien. De Duitsers hadden veel minder last van de staking dan bedoeld, doordat ze Duits spoorwegpersoneel inzetten. De Nederlandse bevolking ech­ter werd gestraft door het afsnijden van voedsel- en brandstofvervoer perschip.Deze maatregel heeft in belang­rijke mate bijgedragen tot de nood tijdens de Hongerwinter.

Verzet tegen gelijkschakeling

De gelijkschakeling bracht veel leden van maatschappelijke organisaties en beroepsgroepen in een gewetensconflict. We hebben al gezien hoe ambtenaren, vakbeweging en omroe­pen reageerden. Sommigen waren bereid erg ver met de be­zetter mee te gaan om de eigen organisatie te redden en uit handen van de NSB te houden. Anderen reageerden op de ge-lij kschakeling met een houding van verzet. Vaak werd ook in de loop van de bezetting de aanvankelijke houding van aan­passing, grenzend aan collaboratie, gewijzigd in een fellere verzetshouding. Het verloop van de oorlog (steeds beroerder voor de Duitsers) en de veranderingen in de aard van de be­zetting (steeds wreder onderdrukkend) zijn aan een dergelij­ke standpuntwijziging niet vreemd geweest.

Er waren kunstenaars die weigerden lid te worden van de Cultuurkamer. Onder hen waren er weer die deze weigering actief organiseerden en er werd bijvoorbeeld ook een illegaal blad, De Vrije Kunstenaar, gedrukt en verspreid.

De organisatie van Nederlandse artsen werd vanaf mei 1941 bestuurd door NSB-artsen. Uit protest liep de helft van de le­den (bijna alle artsen in Nederland waren lid) weg. In decem­ber 1941 werd er een Artsenkamer opgericht en iedere arts werd lid verklaard. De organisatie had niets om het lijf. Be­halve enkele NSB-ers deed geen arts mee in deze club.

De kerken in Nederland hadden zich al voor de bezetting teweer gesteld tegen het fascisme. Daarmee hadden ze een be­langrijke bijdrage geleverd aan het falen van de NSB. Toen de bezetter via de gelijkschakeling een frontale aanval deed op de traditionele verzuiling, gaf dat een sterke impuls aan -en houding van weerstand en verzet. Het wrede optreden te­gen joden leidde tot een scherp protest in juli 1942. Een tiental kerkgenootschappen, waaronder de rooms-katholieke, de gereformeerde en de hervormde kerken, schreven over hun `ontzetting' over de deportatie van de joden, over het `leed' dat werd veroorzaakt, over de `gerechtigheid en barm­hartigheid' die hiermee werden aangetast en zij riepen de be­zetter op `aan deze maatregelen geen uitvoering te geven'. Deze consequente houding heeft zeker bijgedragen tot het mislukken van de nazificeringsplannen van de Duitsers. De houding van het Nederlandse episcopaat onder leiding van de moedige en strikt antifascistische aartsbisschop De Jong van Utrecht stond in sterk contrast met wat vele kerkleiders in Duitsland en de rest van bezet Europa lieten zien. Er zijn ook uit kerkelijke kring mensen in de illegaliteit terechtgeko­men die met hun leven voor deze stap hebben moeten betalen.

De illegaliteit

Bij de Februaristaking is al even de vooraanstaande rol van de CPN in het verzet genoemd. De communistische partij was eerder dan welke partij ook verboden. Naast de joden hebben vooral de communisten aan vervolgingen bloot­gestaan. Zij zijn zonder twijfel de partij geweest die zich het felst heeft verzet tegen de nazi's. Zeer veel partijleden zijn daarbij omgekomen. Het prestige van de communisten was aan het eind van de bezetting dan ook vele malen groter dan bij het uitbreken van de oorlog.

De CPN had een sterke ondergrondse organisatie opge­bouwd. Ze bedreef antifascistische propaganda onder meer via het illegale blad De Waarheid.Zij riep op tot stakingen en sabotage. Na de deelneming van de Sovjet-Unie aan de oorlog werd ook de gewapende strijd tegen de bezetter belangrijk. Toen gingen de communisten zich veel opener opstellen te­genover andere partijen en groeperingen. Men zocht samen­werking.

Die kwam bijvoorbeeld tot stand in de Raad van Verzet (RVV), opgericht in 1943. Daarin werkten communisten sa­men met andere, meestal linkse personen en groeperingen. Een echte overkoepeling van het hele verzet is de RVV niet geworden; hij vertegenwoordigde de linkervleugel van de il­legaliteit.

Waarmee hielden deze verzetsstrijders zich bezig? Met sabo­tage, zoals het opblazen van spoorlijnen, met overvallen, bijvoorbeeld op bevolkingsregisters en op gevangenissen om gevangen kameraden te bevrijden, met liquidaties, dat was het doodschieten van verraders en van belangrijke bezet­tingsautoriteiten. Wapendroppingszorgden voor de be­voorrading met explosieven, handgranaten en handvuur­wapens. De illegaliteit hield zich met spionageactiviteiten bezig om de geallieerden informatie over troepensterkte en verdedigingswerken toe te spelen. Heel belangrijk was ook de hulp aan neergeschoten piloten, van het verzorgen en ver­bergen tot het organiseren van vluchtroutes via België en Frankrijk naar Spanje of Zwitserland. Nederlanders die naar Engeland probeerden te ontkomen werden Engelandvaarders genoemd. Verder was natuurlijk het in stand hou­den van de organisatie zelf, het onderhouden van contacten, het uitwisselen van informatie, het financieren van activitei­ten, het vervalsen van papieren en verder alles wat voor een ondergrondse organisatie nodig was belangrijk.

Een categorie verzetsmen­sen die niet zoveel aandacht heeft gekregen, maar volstrekt onmisbaar was, waren de vrouwen. De illegaliteit weerspiegelde de maatschappelijke opvattingen van de tijd. Van een volledige emancipatie van de vrouw in de rol van verzetsstrijder was geen sprake. Daarom werden vrouwen ingezet als koe­rierster,of als degene die de verzorging voor ondergedoke­nen op zich nam en maar uiterst zelden deelnam aan de gewapende acties. Hannie Schaft is een van de grote uitzon­deringen. Ze is nog beroemder geworden door de film `Het meisje met het rode haar'. Het verzet van de vrouwen zoals het dagelijks verzorgen van onderduikers, het verspreiden van illegale bladen en het overbrengen van berichten binnen een illegale organisatie vereiste niet minder moed. De spanningen en gevaren waren levensgroot, alleen de `glamour' van de gewelddadige strijd was groter.

De rechtervleugel van de illegaliteit, als je deze termen mag gebruiken, was de Ordedienst,de OD. Deze al in 1940 opge­richte organisatie was vooral bemand met ex-militairen. Het voornaamste doel van de organisatie was de rust en de orde in het vaderland te bewaren zodra de Duitsers zich hadden overgegeven. Een deel van de groep wilde bovendien gewa­penderhand meewerken aan de bevrijding van Nederland bij de nadering van de geallieerden. De SD had niet veel moeite de nogal amateuristisch opererende OD in de eerste jaren vrijwel op te rollen. In 1942 kwam de leiding in handen van de reserveritmeester der huzaren, jonkheer P. J. Six. Hij, en velen met hem in de OD, waren vooral bang voor een linksrevolutionaire machtsovername na de bevrijding. Die moest voorkomen worden. Het schrikbeeld van Troelstra's revolu­tiepoging in 1918 spookte hen door het hoofd. Daarom moest er een Driemanschap gevormd worden met als taak `direct na de bevrijding van het Moederland voor Hare Majesteit de Koningin de Regering in handen te nemen; (...) en dit herboren Nederland aan Hare Majesteit aan te bieden en verder naar Haar wil te handelen.' Zover is het niet gekomen. Wel werden contacten met de regering in Londen gelegd en met de Britse geheime dienst. Er werd georganiseerd, over­legd en er werden wapens verzameld. Veel sabotagedaden heeft de OD niet gepleegd. In september 1944 gingen de OD, de RVV en de Landelijke Organisatie voor hulp aan onder­duikers (LO) samen in de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) onder opperbevel van Prins Bernhard.

De LO was in november 1942 opgericht. De bereidheid om joodse landgenoten op te nemen was toen niet groot. Alleen mensen met veel geld en goede relaties lukte dat. De vraag naar onderduikadressen was groter dan het aanbod. Na de April-Meistakingen van 1943 kwamen er vele tienduizenden aanvragen om onderduikadressen. Opvallend genoeg waren er toen wel voldoende plaatsen waar men onderdak kon vin­den. Tussen de 200.000 en 300.000 Nederlanders zijn door de LO geholpen, een reusachtig succes. De leiding van de LO was in handen van orthodoxe protestanten. De LO had een aantal nevenorganisaties opgericht waaronder de Landelijke Knokploegen (LKP) en het Centraal Distributie Kantoor, dat ervoor moest zorgen dat de door de LKP bij overvallen buit­gemaakte bonnen over de onderduikadressen werden ver­spreid. De LKP telde in totaal 1500 leden, mannen en vrouwen, waarvan er zo'n 500 zijn omgekomen. De LKP groeide in de laatste periode uit tot een organisatie die naast overvallen ook sabotagedaden pleegde en op een paramili­taire manier een soort guerrillastrijd voerde.

Links (RVV), rechts (OD) en midden (LO) verenigden zich dus in september 1944 in de BS. Al deze activiteiten kostten natuurlijk geld. Daarvoor was het Nationaal Steunfonds (NSF)opgericht. Dit fonds zorgde voor de verdeling van gel­den die door `goede' Nederlanders en financiële instellingen aan het verzet ter beschikking werden gesteld over alle moge­lijke verzetsgroepen.

Massale uitingen van weerstand en verzet, organisaties en groeperingen die zich niet lieten nazificeren, groepen en indi­viduen die zich daadwerkelijk en soms gewelddadig teweer stelden tegen de bezetter, bij al deze uitingen speelde de on­dergrondse perseen belangrijke rol. Waarom? De onder­grondse pers was een noodzakelijke aanvulling op de vaak onbetrouwbare berichtgeving van de gelijkgeschakelde pers. Bovendien was de ondergrondse pers een middel tot propaganda tegen het nationaalsocialisme. De verwerping van die ideologie was algemeen in de illegale bladen en bro­chures, maar de achtergrond van deze verwerping was net zo divers als de Nederlandse samenleving van voor de bezetting. Je vond er alle ideologieën en religies, van communistisch tot gereformeerd, allemaal hadden ze hun eigen uitgaven. En ook alle belangrijke maatschappelijke groeperingen waren vertegenwoordigd in het mozaïek van de illegale pers, van kunstenaars tot arbeiders. Een derde functie van de illegale pers was het bespreken van de vraag: wat moet er in Neder­land gebeuren zodra de Duitsers verslagen zijn? Het zal je niet verbazen dat de meningen hierover zeer verdeeld waren: van aanhangers van de restauratiegedachte tot felle vernieu­wers die een radicale en soms revolutionaire verandering van Nederland voorstonden.

Belangrijke illegale bladen waren Het Parool, Vrij Neder­land, Trouw, De Waarheid en Je Maintiendrai.Maar er bestonden nog veel meer. Sommige bladen zijn na de bezet­ting doorgegaan en bestaan tot op de dag van vandaag.

De regering in Londen

De Koningin was met haar kabinet in mei 1940 naar Londen vertrokken. De strijd zou vanaf niet-Nederlandse bodem worden voortgezet. Hét symbool van de regering in balling­schap was Koningin Wilhelmina. Zij had zich tot 1940 ge­schikt in haar rol van constitutioneel monarch. Dat betekende weinig invloed op de politieke gang van zaken. Niet dat ze daar blij mee was. Ze had weinig waardering voor het parlementaire stelsel en in ieder geval weinig ontzag voor de meeste politici die dat stelsel bevolkten. Deze strijdbare en onbuigzame vrouw met een diep gevoel voor de historische band tussen volk en Oranje werd de overheersende figuur van de Nederlandse kolonie in Londen. Zij ging in veel ster­kere mate het beleid beïnvloeden dan volgens de staatsrech­telijke regels mogelijk was.

Nu bestond er ook een staatsrechtelijke situatie die uitzon­derlijk was. Aan wie warende ministers verantwoording ver­schuldigd? Aan een parlement dat er niet was? Aan de Koningin die volgens de grondwet ministers kon benoemen en ontslaan? Er was geen Raad van State. Wetten konden zonder parlement niet worden aangenomen. In die verwar­rende situatie kon Koningin Wilhelmina de rol spelen die ze zichzelf had toegedacht, ver buiten het kader van de consti­tutionele monarchie.

Het kabinet dat naar Londen was gekomen stond onder lei­ding van De Geer. Deze was ervan overtuigd dat Duitsland de oorlog zou winnen. Hij wilde het met Hitler op een ak­koordje gooien. Dat veroorzaakte grote ruzie in de regering. Wilhelmina, en zij niet alleen, wilde van deze defaitistische grijsaard af. In september 1940 werd hij ontslagen. De stoere Fries Gerbrandy, een ARP'er die aan de Duitsers geen duim­breed wilde toegeven, werd premier. De Geer werd naar Nederlands-Indië gestuurd. Hij stapte echter in Lissabon uit, reisde via Berlijn terug naar Nederland en publiceerde een brochure waarin hij zijn opvattingen over samenwerking met de Duitsers uiteen zette. Hij kreeg voor deze actie na de oorlog voorwaardelijke gevangenisstraf.

Gerbrandy leidde in totaal drie kabinetten in Londen. De on­derlinge verdeeldheid was groot want ieder kabinet was een samenraapsel van alle politieke richtingen. De ruzies met Wilhelmina waren niet mals. Ook Gerbrandy vond in toene­mende mate dat de Koningin veel te eigenmachtig optrad.

Waarmee hield de regering zich bezig nu het vaderland onbe­reikbaar was geworden? Met het buitenlands beleid, met de koloniën, en dan vooral Nederlands-Indië (van groot econo­misch en strategisch belang voor de geallieerden), met de bij­drage aan de geallieerde oorlogvoering en met de problemen die de regering voorzag bij de terugkeer in Nederland.  De regering, zonder de ondersteuning van de departementen en afgesneden van de Nederlandse be­volking, was vaak slecht geïnformeerd en zwak toegerust  om beleid uit te stippelen en uit te voeren.

Buitenlandse politiek

De positie van de Nederlandse regering was zwak. De neutra­liteitspolitiek was een fiasco geworden. Nederland was be­zet. En de positie verzwakte nog verder toen in maart 1942 Nederlands-Indië zich aan Japan moest overgeven. Een zelfstandige politiek voeren naast die van de Britten en Ame­rikanen was onmogelijk geworden. De regering in Londen had daar eenvoudig de machtsmiddelen niet toe. Bij alle gro­te beslissingen die de oorlog in Europa of Azië betroffen speelde Nederland een te verwaarlozen rol.

Het karakter van de Nederlandse buitenlandse politiek ver­anderde sterk in deze Londense jaren. De neutraliteitspoli­tiek werd definitief verlaten. Zo verklaarde Nederland aan Japan de oorlog toen dit land de vloot van de Verenigde Sta­ten aanviel in december 1941. In principe was hiertoe al in no­vember 1941 besloten. Dr. L. de Jong noemt het `het belangrijkste besluit dat de Nederlandse regering in Londen tijdens de oorlog genomen heeft'.

Een ander teken dat de Nederlandse positie was veranderd, was de diplomatieke erkenning in 1942 van de Sovjet-Unie (Nederland had sinds de revolutie van 1917 erkenning afge­wezen), nadat dit land in juni 1941 door Hitler was over­vallen.

Heel het denken over nationale soevereiniteit had zich gewij­zigd. Daarvoor in de plaats kwam een buitenlandse politieke oriëntatie op collectieve veiligheid. Kleine landen zoals Ne­derland zouden in de toekomst alleen nog maar een rol kun­nen spelen en effectief voor hun belangen opkomen in bondgenootschappen en samenwerkingsverbanden. Neder­land werd een enthousiast bondgenoot van de geallieerden. In september 1944 werd al een verdrag gesloten met de Belgi­sche en Luxemburgse regering om tot nauwe economische samenwerking te komen, het Benelux-verdrag. Deze funda­mentele koerswijziging heeft zich na de oorlog voortgezet. Nederland behoorde bij de eerste en enthousiaste leden van de VN, de EEG, de NAVO en nog veel meer andere interna­tionale organisaties.

Bijdrage aan de geallieerde oorlogvoering

De regering heeft zich ingespannen om een zo groot mogelij­ke bijdrage aan de oorlogvoering te leveren. De koloniën werden zolang als dat ging in dienst gesteld van de geallieerde oorlogsinspanning. Tot de snelle verovering door Japan kwamen belangrijke grondstoffen uit Nederlands-Indië. De Antillen en Surina­me (bauxiet, aluminium) waren van groot strategisch belang.

De regering probeerde ook een strijdmacht op de been te brengen, het `Nederlands Legioen', later genoemd de 'Irene-brigade'. Deze eenheid bleef vrij klein. Rekrutering van Ne­derlanders in het buitenland viel erg tegen. Later werd de bri­gade steeds beter bewapend en geoefend en steeg ook het moreel. Twee maanden na D-day in 1944 kwam de brigade in actie. In het geheel van de strijd was het een erg kleine bijdra­ge. Ook vochten er Nederlanders bij de RAF en er opereer­den Nederlandse eskaders van de Marineluchtvaartdienst vanuit Engeland.

Van groter militair belang was de marine. Die was in twee de­len verdeeld: de oorlogsbodems in Europese wateren en de zelfstandig opererende vloot in de Indische wateren. Er is door de marine in Azië hard gevochten; de slag in de Javazee is er het beroemdste voorbeeld van. Het Koninklijk Neder­lands Indisch Leger, het KNIL, was echter net zo min tegen de Japanse overmacht opgewassen als de marine. De enkele kruisers, torpedobootjagers, kanonneerboten en onder­zeeërs die in mei 1940 naar Engeland waren ontkomen, heb­ben allemaal aan de strijd meegedaan, vanaf 1942 onder Brits oppercommando. `Overal waarde Nederlandse strijd­krachten in Geallieerd verband aan de oorlogshandelingen deelgenomen hebben is die bijdrage (aan de eindoverwin­ning) door hen geleverd; ze was bescheiden, maar ze was reëel,' aldus dr. L. de Jong.

Maar het waren niet alleen militairen die meehielpen de Asmogendheden te verslaan. Nederland had een van de gro­tere handelsvloten van de wereld. Het grootste deel ervan, ongeveer 800 schepen met een gezamenlijke tonnage van 2,8 miljoen bruto registerton, bleef uit de Duitse handen. Dat was een machtig wapen in de strijd om de bevoorrading van de geallieerden. Razendsnel kwamen al deze schepen onder gezag van de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommis­sie, ofwel de shippingcommittee. Door deze stap werd vor­dering door de Engelsen voorkomen. Hoewel geleid door reders en uitgerust met grote bevoegdheden, was de 'ship­ping', zoals de commissie al snel genoemd werd, onderwor­pen aan overheidscontrole. De 'shipping' verhuurde schepen aan de Britten. En daarbij ging het om grote aantal­len. Door deze constructie bleven belangen van eigenaars en oorlogsbelangen met elkaar in evenwicht. In 1942 vergrootte de regering haar greep op de koopvaardij;zij kon vanaf toen zelf schepen vorderen door middel van het Zeeschepenbesluit. De bemanningen kregen vaarplicht onder een soort burgerlijke dienstplicht. De schepen werden verzekerd, de verhuur bracht geld op, maar de verliezen aan scheepsruim­ten en lading waren groot. Bijna de helft van de vloot ging verloren. Nog veel belangrijker waren de verliezen aan men­senlevens. Er werkten ruim 18.000 mensen, waarvan twee­derde Nederlanders. Ruim 3.000 van hen kwamen bij vijandelijke acties om het leven, soms onmiddellijk, vaak na dagen- of wekenlang zwalken op de golven. Het vervoer van grondstoffen, wapens en soldaten was een levensgevaarlijke taak, maar essentieel voor de uiteindelijke overwinning van de geallieerden.

Verbindingen met Nederland

Het lijkt nauwelijks voorstelbaar, maar de regering in Lon­den had de grootste moeite om te weten te komen wat er in Nederland gebeurde, hoe de mensen dachten, wat de om­vang van vervolging en verzet, collaboratie en verraad wa­ren. Nederland was dichtbij maar tegelijkertijd ongelooflijk ver weg. Ontvangen en versturen van informatie was van levens­belang voor de regering, wilde ze haar taken kunnen vervul­len. Dat dat niet altijd lukte ligt voor de hand. Dat er verkeerde voorstellingen in Londen leefden is niet verba­zingwekkend. Er werden fouten gemaakt, soms levensgrote en levensgevaarlijke. Bijvoorbeeld in het Englandspiel.Door bijna misdadige nonchalance van de kant van de Britse Dienst voor Speciale Operaties vielen tientallen Nederlandse en Britse agenten in Duitse handen. De Duitsers konden ja­renlang codeberichten naar Engeland seinen, zogenaamd van actieve spionagegroepen in Nederland. Dit `spel', of `Englandspiel' heeft aan tientallen agenten en verzetsmen­sen het leven gekost. En erg betrouwbaar waren de 'berich­ten' die ook de Nederlandse regering via deze lijn kreeg niet.

Andere, meer succesvolle contacten onderhield de regering via de Zweedse wegen de Zwitserse weg.De eerste was de benaming voor de contacten die via enkele Nederlandse koopvaardijkapiteins liepen, die nog tot 1943 op het neutrale Zweden mochten varen, tussen spionagegroepen in Neder­land en de Nederlandse consul in Stockholm. Deze consul stond op zijn beurt in verbinding met de Britse geheime dienst. Later berichtte hij ook rechtstreeks aan de Neder­landse regering. Wat kreeg Londen? Rapporten van de spio­nagegroepen, blanco persoonsbewijzen en distributie­bonnen om na te laten maken, illegale bladen. Wat kregen de Nederlandse spionagegroepen? Exemplaren van de Londense `Vrij Nederland', foto's van de Koninklijke familie, hoe­veelheden insuline en radioapparatuur. In 1943 werd scheepvaartcontact onmogelijk en werden in Nederland agenten door de Duitsers gearresteerd, evenals de kapiteins die de verbindingen hadden verzorgd. De Zwitserse weg functioneerde vanaf mei 1942. Een aparte lijn waarlangs minstens eenmaal in de twee weken post tussen Zwitserland en Nederland vervoerd kon worden, werd toen opgezet door een verzetsorganisatie die al pilotenroutes naar en door Frankrijk organiseerde. Soms konden ook personen via de Zwitserse weg naar en uit Nederland komen. In Nederland zorgde een `Politieke Commissie' met enkele vooraanstaan­de verzetsmensen voor een regelmatige rapportage. Tot april 1944 kon de Zwitserse weg gebruikt worden, toen rolden de Duitsers deze op. Honderden stukken waren toen al op mi­crofilm verzonden.

Mensen die vanuit bezet gebied naar Engeland wisten te ko­men, over zee of via een van de vele landroutes, werden En­gelandvaarders genoemd. Vaak na een avontuurlijke en levensgevaarlijke tocht bereikte men na lange tijd Londen. Deze routes waren soms ontwikkeld als pilotenroute, hele netwerken van contacten die neergeschoten geallieerde pilo­ten weer naar Engeland moesten helpen. Koningin Wilhelmina wilde alle Engelandvaarders persoonlijk spreken. Zo dacht ze het beste beeld te krijgen van wat er in Nederland leefde.

Te weinig heeft ze beseft dat het slechts een deel van het totale beeld was en nog verwrongen bovendien. Hooggestemde, ondernemende en avontuurlijke Engelandvaarders schetsten een Nederland dat smachtte naar de bevrijding. Dat klopte. Maar ook een Nederland dat af zou rekenen met de oude politieke en maatschappelijke structuren. Een Ne­derland dat de verdeeldheid, de verzuiling, het eindeloze ge­kissebis in het parlement achter zich zou laten en eensgezind onder bezielende en strenge leiding van de Koningin nieuwe wegen zou inslaan. Had niet het verzet de oude scheidslijnen doorbroken? Had niet de nederlaag van mei 1940 het failliet van het oude stelsel aangetoond? Waren niet groepen, zoals socialisten en zelfs communisten, bereid en in staat schouder aan schouder te strijden voor het vaderland? Uit deze geest zou een nieuw, een vernieuwd Nederland geboren worden. Zo dachten de vernieuwers, in Nederland en in Londen. Zo dacht ook Koningin Wilhelmina. Maar de vernieuwers ver­gaten dat er veel mensen helemaal niet zaten te wachten op die vernieuwing. Die wachtten op bevrijding en op een terug­keer van de oude vrijheden en zekerheden. Niet iedereen in Londen was overigens een vernieuwer.

De Londense regering probeerde natuurlijk de opinie in Ne­derland te beïnvloeden. Nu had de regering niet zoveel kaas van aansprekende propaganda gegeten. Radio Oranje, die in juli 1940 korte uitzendingen vanuit Londen begon te verzor­gen, was in het begin een saaie aaneenschakeling van com­mentaren en lezingen. Nieuws mocht er aanvankelijk ook niet worden uitgezonden. Later verbeterden de uitzendingen wel, maar commentaren en nieuws uit bezet gebied waren door het gebrekkig functioneren van de verbindingen met Nederland vaak oudbakken. De toespraken van Koningin Wilhelmina waren echter een groot succes. Zij wist vuur en overtuigingskracht in haar woorden te leggen. Ook liedjes en cabaretprogramma's kwamen goed over, maar in Londen twijfelde men aan het nut van deze oppeppers van het thuis­front en het cabaret `De Watergeus' verdween uit de ether. Veel Nederlanders stemden voor hun nieuwsvoorziening af op de BBC. Toen de radiotoestellen in Nederland ingeleverd moesten worden, liet de regering het blad De Vliegende Hollanderdoor Britten en Amerikanen boven Nederland uitwerpen. Pas tegen het eind van de bezetting kwam deze vorm van nieuwsvoorziening en propaganda goed op gang.

Voorbereiding van de terugkeer van het `wettig gezag' naar Nederland

Ook deze taak heeft de regering in Londen aangepakt. Wet­ten konden niet worden opgesteld, wel werden zogenoemde wetsbesluiten uitgevaardigd. Daardoor kon de regering maatregelen met kracht van wet nemen zonder parlementai­re goedkeuring.

De toekomstige positie van het parlement was niet duidelijk geregeld. De vernieuwers, en ook Koningin Wilhelmina, hielden dit tegen. Zij wilden het verzet een grote stem geven in de vorming van het landsbestuur en de toekomstige poli­tieke structuur. Men voorzag dat het oude burgerlijke bestuur niet direct na de bevrijding zou kunnen functione­ren. Collaborateurs moesten eerst worden weggezuiverd en misschien waren er wel revolutionaire woelingen op komst. Daarom werd als tijdelijk overgangsbestuur het Militair Ge­zagingesteld. Generaal Kruiskreeg de leiding. Gebruikma­kend van de Bijzondere Staat van Beleg zou het Militair Gezag vergaande bevoegdheden krijgen op het gebied van ordehandhaving en andere vitale bestuursterreinen.

Bijzonder veel werk is in Londen verricht bij de voorberei­ding van de rechtspleging.

Was de regering in Londen druk bezig na te denken over hoe het in bevrijd Nederland verder moest, ook in bezet Neder­land gebeurde dat. Een voorbeeld was de oprichting van de Stichting van de Arbeid. Dit samenwerkingsverband tussen ondernemers, arbeiders, middenstanders en landbouwers zou moeten gaan overleggen over overeenstemming op nati­onaal niveau over het te voeren sociaal beleid. Dit ter voor­koming van heftige arbeidsconflicten. Daartoe werd in 1944 een urgentieprogram opgesteld waarin van de regering na de bevrijding van alles werd gevraagd: terugkeer in de baan die tijdens de oorlog moest worden opgegeven, wachtgeldrege­lingen, controle op lonen en prijzen, huurbescherming, ver­hoging uitkeringen voor ouden van dagen, hulp aan oorlogsinvaliden en nog veel meer. Het was geen revolutio­nair program. Maar het was opgesteld in de Stichting van de Arbeid waarin de overheid geen directe bemoeienis had en waarin oude tegenstanders met elkaar wilden samenwerken. Zo werkte de regering in Londen aan haar terugkeer en be­reidden anderen in Nederland zich voor op de bevrijding. Maar wie kon vermoeden dat het nog zo lang zou duren? Wie kon voorzien dat Nederland in twee etappes bevrijd zou wor­den, met een tussenpose van driekwart jaar?

5 Van D-day tot 5 mei 1945

Op 6 j uni 1944 gebeurde waar iedereen op had zitten wachten en waarnaar de meeste Nederlanders reikhalzend hadden uitgezien: de landing van de geallieerden in West-Europa, D-day. Normandië was het uitverkoren gebied, ver weg van Nederland. Na een maand harde strijd braken de geallieer­den door de Duitse linies en begonnen in hoog tempo de op­mars door Frankrijk en België. Deze operaties verliepen zo snel dat iedereen erdoor verrast werd. Op zondag 3 septem­ber werd Brussel bevrijd. Radio Oranje zond een boodschap uit van het geallieerde opperbevel: `Het uur der bevrijding waarop Nederland zo lang gewacht heeft, is nu zeer nabij.' Op maandag 4 september werd Antwerpen bevrijd; Radio Oranje meldde dat de geallieerden bij Maastricht stonden. Lange colonnes Duitse troepen trokken zich vaak wanorde­lijk terug. De totale bevrijding van Nederland leek voor de deur te staan. NSB'ers en andere collaborateurs begonnen aan een overhaaste vlucht richting Duitsland. Vreugde bij het grootste deel van de Nederlandse bevolking. De wildste geruchten deden de ronde. Gerbrandy sprak op Radio Oran­je van de aanstaande bevrijding. Duitsers vluchtten bepakt en bezakt terug naar hun vaderland. Dinsdag 5 september gaf hetzelfde beeld, Dolle Dinsdag. Knokploegen begonnen al gebouwen te bezetten in Rotterdam. In Wijk bij Duurstede werd de NSB-burgemeester door verzetsmensen gear­resteerd en gevangen gehouden.

Een ooggetuige uit Zevenaar aan de Duitse grens vertelde: `Lange colonnes voertuigen van allerlei aard trekken over de grote wegen, in de richting van de Duitse grens. Daartussen werden heel wat dure auto's opgemerkt, die bij de herhaalde opstoppingen ongeduldig de stroom van boerenkarren, vrachtwagens en lorries, ja volgeladen handkarren trachtten te doorbreken. Dit alles om toch maar vóór de anderen weg te komen. Aan sarcastische opmerkingen onzer mensen na­tuurlijk geen gebrek. Tenminste als er geen nazi in de buurt is.' Op woensdag kwam al de kater: `We hebben te vroeg ge­juicht; het grootste optimisme van gisteren is verdwenen. Breda en Maastricht zijn nog steeds bezet.' (Dagboekaante­kening dr. Mees.) De opmars stokte, de aanvoerlijnen van de geallieerden dreigden te lang te worden. Half september wer­den Breda en Maastricht bevrijd. In de loop van de herfst volgde de rest van het zuiden.

Market Garden

De geallieerden wilden het front weer in beweging brengen, maar hoe? Langs de volle breedte of met een gewaagde speerpunt, dwars door de linies, over de bruggen van de kanalen en de grote rivieren? Montgomery, de Britse maarschalk, was een voorstander van de laatste strategie. In Zuid-Nederland kreeg hij zijn kans. Op 17 sep­tember startte de aanval. Luchtlandingstroepen moesten de bruggen van Son (Wilhelminakanaal), Veghel (Zuid­ Willemsvaart), Grave (Maas), Nijmegen (Waal) en Arnhem (Rijn) bij verrassing veroveren en in handen houden. Onder­tussen zouden Britse gepantserde eenheden een snelle op­mars volvoeren die hen in enkele dagen over de Rijn bij Arnhem moest brengen. Dan lag het Ruhrgebied, de wa­pensmidse van Hitler, én de weg naar Berlijn open. Dan zou niet Stalin, maar de westerse geallieerden de heerschappij over Duitsland hebben.Maar het mislukte.

De brug bij Son werd, toen de veroveraars op 200 meter af­stand waren, opgeblazen. De opmars verliep trager dan ver­wacht. Eindhoven werd bevrijd. De strijd om Nijmegen was ongekend fel. Grote verwoestingen waren het gevolg. Een drieste aanval van beide kanten van de Waalbrug bracht deze vitale verbinding op 20 september in geallieerde handen. De Corridor, de smalle strook land waarlangs de Britten opruk­ten naar Arnhem, werd vooral vanuit oostelijke richting aangevallen. Met name naar het westen verliep de verbreding gemakkelijker.

Met een achterstand op het oorspronkelijke schema rukten de Britten op naar Arnhem om de omsingelde en zwaar aan­gevallen luchtlandingstroepen te ontzetten en de Rijnbrug, waarvan alleen de noordelijke oprit in Britse handen was, te veroveren. De tegenstand die de lichtbewapende parachu­tisten ondervonden was veel zwaarder dan verwacht. Bij toe­val bevonden zich grote, goed geoefende en geharde Duitse pantsereenheden in het gebied. De parachutisten werden te­ruggedreven en na een ware slachting gaven de resten zich op 26 september over. De brug bleef onbereikbaar. Het was `a bridge too far'.

Wat waren de gevolgen van deze nederlaag? Kijken we alleen naar Nederland, dan zien we dat de bevrijding zich beperkte tot het zuiden. Het westen, noorden en oosten van het land bleven bezet. Een Hongerwinter vol terreur stond het groot­ste deel van de bevolking nog te wachten.

Strijd in Zeeland

De Duitsers hadden Antwerpen verloren, maar de toegang tot deze strategische haven (aanvoer van zware wapens en troepen voor de strijd in Duitsland zelf) via de Westerschelde was nog onmogelijk. Heel moeizaam verliep de strijd om de zuidoever van de Westerschelde. Pas op 1 november 1944 was die voltooid. De Duitsers hadden zich verschanst in Wal­cheren. Ondertussen hadden beschietingen en bombarde­menten grote verwoestingen aangericht. Via Zuid-Beveland rukten de geallieerden op naar Walcheren. Kanalen, pol­ders, dijken, zompige, moerassige bodemgesteldheid, regen en kou, ze maakten de voortgang haast onmogelijk. Toch moest de Westerschelde gezuiverd worden. Bombardemen­ten op de dijken zetten in de maand oktober grote delen van Walcheren onder water, inundaties ter verdrijving van de Duitsers. Dat de burgerbevolking grote persoonlijke en ma­teriële verliezen leed kun je je voorstellen. Op 1 november volgden landingen, onder meer bij Vlissingen. Het ver­woeste Middelburg werd 7 november bereikt en een dag later gaven de restanten van de Duitse verdedigers zich over. Op 28 november 1944 bereikte het eerste konvooi Antwerpen.

Ook in Limburg werd nog gedurende de herfstmaanden ge­vochten. Het duurde maanden voordat de Maasoever volle­dig in geallieerde handen was.

Verder werd in het noorden van Brabant strijd geleverd. In de Betuwe zetten inundaties grote delen onder water. Dit keer als verdediging van de Duitsers. Het oorlogsgeweld bleef het zuiden van Nederland bepaald niet bespaard.

Het zuiden na de bevrijding

Het front verliep grillig nadat het bij de naderende winter tot stilstand was gekomen. Er vond een evacuatie uit het front­gebied plaats; het betrof de bevolking van sommige delen van het frontgebied. Langs hele stukken was er sprake van een niemandsland waar niet duidelijk was wie er nu de baas was.

De situatie in het zuiden was niet direct rooskleurig. De ver­woestingen waren groot, de levensomstandigheden van vluchtelingen en mensen in kelders van half verwoeste hui­zen niet gemakkelijk. De winter was streng. Er werd geen honger geleden, maar voor velen was de armoede groot. Het economisch leven kwam moeizaam op gang. Als de gebou­wen en machines er nog stonden, dan ontbraken vaak de grondstoffen. De werkloosheid was groot en de lonen laag. De mijnen waren intact, maar het werk kwam moeilijk op gang, hoewel er een schreeuwend tekort aan steenkool bestond.

De verbindingen waren slecht. Bruggen waren verwoest. De wegen waren verstopt met militaire voertuigen. Heel het zuiden leek één groot legerkamp. Alles moest wijken voor het belang van de militairen. Honderdduizenden mensen leefden tussen en samen met de soldaten in een onzekere en chaotische wereld. De nieuwsvoorziening was schamel, kranten leden onder papiergebrek.

De angst voor chaos, wanorde, geweldsuitbarstingen en re­volutionaire woelingen na de bevrijding was in Nederlandse bestuurskringen groot. Het spookbeeld van een bijltjesdag was daarvan een uiting. De regering in Londen was ervan uit­gegaan dat de bevrijding van Nederland in één ruk zou ge­schieden, door buitenlandse troepen die Nederland zouden gebruiken als uitvalsbasis voor de eindstrijd tegen Duitsland.

In augustus 1944 was op initiatief van de regering in Londen in bezet gebied een College van Vertrouwensmannen in­gesteld. Daarin zaten vooraanstaande mensen uit het verzet en de politiek, zoals Prof. Cleveringa en de socialist Willem Drees. Deze Vertrouwensmannen vertegenwoordigden de regering in bezet gebied en zouden het regeringsgezag moe­ten uitoefenen in de tijd tussen bevrijding en aankomst van de ministers in bevrijd gebied. In feite heeft dit college maar een kleine rol kunnen spelen; er was al eerder een ander over­gangsbestuur opgezet, het Militair Gezag. Dat kon in het zuiden driekwart jaar eerder aan de slag.

Ook het Militair Gezag was ingesteld om een gezagsvacuüm te voorkomen. `Het Militair Gezag is in de eerste plaats handhaver van de openbare rust en orde,' aldus het over­gangsbestuur zelf. Generaal Kruls rekruteerde zijn geüniformeerde medewerkers niet onder militairen, die moesten vechten, maar onder departementsambtenaren in Londen en mensen uit het bedrijfsleven. Het democratisch gehalte van veel van hen liet op het gebied van besturen veel te wensen over. Veel animo om het bestuur te delen met verzetsmensen hadden Kruls en de zijnen niet. Het Limburgse Parool schreef: `het militairgezag, symbool van de aftandse reactionaire geest van zekere Londense kringen'. Er bestond in brede kring weerzin tegen 'baantjesjagers' die zich wel heel snel een kapiteinsuniform lieten aanmeten.

Kruisen zijn staf lieten zich niet veel gelegen liggen aan de mi­nisters. De communicatie was zeker niet optimaal en in krin­gen van het Militair Gezag werd over het te volgen beleid, bijvoorbeeld over het arresteren van `foute' Nederlanders al of niet door illegale organisaties, anders gedacht dan de rege­ring deed en anders gehandeld dan de regering wilde. Ook verzette Kruls zich tegen de komst van een aantal ministers naar het bevrijde zuiden. Dat zou alleen maar extra tijd kosten, veel vergaderen, niets oplossen en vooral de oude po­litieke partijen weer doen herleven. Een zelfbewust kabinet zou de generaal onmiddellijk ontslagen hebben, maar dat ge­beurde niet. Kruls ging gewoon door met het negeren van de ministers die pas in november gekomen waren. De weinig de­mocratische opvattingen van het Militair Gezag werden blijkbaar door leden van de regering, inclusief Koningin Wilhelmina, die in deze sterk steunde op Prins Bernhard, de bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten, gedeeld. De autoritaire stijl van Kruis, de zwaarte van de taak, de on­ervarenheid van veel leden van het Militair Gezag en de vele vermijdelijke en onvermijdelijke fouten maakten de spot­naam `circus Kruls' nog tot een milde.

Herstel of vernieuwing

De discussie over herstel of vernieuwing werd na september 1944 gevoerd op drie niveaus: in regeringskringen, in het zuiden en in de rest van bezet Nederland, met name in krin­gen van het verzet en in de (verboden) politieke partijen. Dat de regering en het Militair Gezag niet stonden te springen om via snelle verkiezingen de parlementaire democratie te her­stellen, is al duidelijk geworden. Verder waren er in het gijze­laarskamp St. Michielsgestel,waar veel vooraanstaande Nederlanders opgesloten waren geweest, ideeën ontwikkeld die ook in de richting gingen van een `democratisch gezag dat niettemin sterk kan zijn'. Mensen uit de Nederlandse Unie, zogls de katholiek De Ouay. en socialisten als Banning en links-liberalen als Schermerhorn hadden elkaar op de ver­nieuwingsidee gevonden. Zij hadden zelfs al het initiatief ge­nomen om een organisatie te beginnen die de vernieuwing verder moest uitdragen en vormgeven, de Nederlandse Volksbeweging (NVB). De Quay zat in het bevrijde zuiden en sloeg driftig aan het vernieuwen, dat wil zeggen, hij verza­melde gelijkgezinden in invloedrijke kringen en trachtte het beleid van de regering te beïnvloeden. De vernieuwers leken het pleit helemaal te winnen toen het tweede kabinet Gerbrandy viel in januari 1945. De socialist Burger had bedekte kritiek op het zuiveringsbeleid van het Militair Gezag in het zuiden geleverd. Hij werd ontslagen, zijn socialistische colle­ga's volgden. Koningin Wilhelmina wilde De Quay als for­mateur. Deze was razendsnel de vertrouweling van de Koningin geworden. Dat was enkele ministers, waaronder Van Kleffens, te gortig. Een van de leiders van de Nederland­se Unie als formateur en toekomstig premier! Hij stelde als eis alleen onder Gerbrandy verder te willen. Dat gebeurde. De Quay werd `maar' minister van oorlog, naast enkele an­dere vernieuwers in het derde kabinet Gerbrandy, dat van 23 februari tot 24 juli 1945 in functie was.

Toch waren de krachten van het herstel, de restauratie, niet uitgeschakeld, integendeel. In het zuiden werden de oude or­ganisaties, zoals politieke partijen en vakbonden, weer ac­tief. Vanuit de zeer invloedrijke katholieke kerk kwamen duidelijke signalen dat het herstel van de katholieke zuil belangrijker was dan een onduidelijke eenheid in een onzekere toekomst. Al deze maatschappelijke organisaties hadden meer te verliezen dan te winnen bij vernieuwing. Toch bleef de situatie onduidelijk, omdat van een publieke opinie nog nauwelijks sprake was, het grootste deel van Nederland nog bezet was en er geen verkiezingen met dit fundamentele punt als inzet gehouden konden worden. En snelle verkiezingen, dat was het laatste waarop de vernieuwers zaten te wachten.

Bezet Nederland tot 5 mei 1945

Voor veel mensen is het beeld van de bezetting vooral be­paald door de gebeurtenissen tussen september 1944 en mei 1945. De terreur, de honger, de koude, de angst, de ver­woesting, het ongeduld, de voedseltochten, de voedseldrop­pings,het `Zweeds wittebrood'en de vreugde van de bevrijding, dat alles heeft de herinnering aan de hele periode sterk gekleurd.

De steeds driestere ter­reur van de Duitsers in de laatste fase van de bezetting. De represailles (Putten) werden moorddadiger, de mensenjacht (50.000 Rotterdammers in razzia's in novem­ber 1944) intenser, de plundering grondiger (leeghalen van de ontruimde stad Arnhem).

De Spoorwegstaking die de regering ter ondersteuning van de bevrijdingspoging van september 1944 (Slag om Arnhem) had uitgeroepen, was een succes dat zich tegen de bevolking keerde toen de bevrijding niet kwam. De aanvoer van voed­sel en brandstof werd steeds geringer; veel ging er naar Duits­land. De winter 1944-1945 was uitzonderlijk streng. Er was in de grote steden van het westen steeds minder op de bon te krijgen.

De schaarste werd aan het eind van de bezetting zo groot, dat op de zwarte markt astronomische prijzen voor voedsel wer­den betaald. Terwijl een gemiddeld arbeidsinkomen f 40,-per week bedroeg kostte boter bijvoorbeeld! 70,- per pond, een brood! 12,- en dit waren de prijzen van november 1944. Wat later was de prijs voor een brood opgelopen tot! 30,-. De voedselvoorziening dreigde in deze periode totaal ineen te storten. Het aantal beschikbare calorieën per persoon per dag daalde ver beneden het aanvaardbare minimum. Dat gold vooral voor het westen van het land. Er werd door velen honger geleden en hongeroedeem, een opeenhoping van vocht door gebrek aan voedsel, was een veel voorkomend verschijnsel. Ouderen, kinderen en in het algemeen zwakke­re leden van de bevolking leden extra en duizenden zijn aan de directe of indirecte gevolgen van honger en koude be­zweken.

In de grote steden waren de centrale keukens (gaarkeukens), die al eerder waren ingesteld voor bejaarden, zieken en der­gelijke, voor veel mensen de enige mogelijkheid om aan voedsel te komen. Maar ook zij kregen steeds minder en steeds slechter voedsel, zoals suikerbieten. Af en toe was er een lichtpuntje, zoals in februari, toen uit Zweden, onder ge­zag van liet Rode Kruis, per schip meel, peulvruchten en an­der voedsel werd aangevoerd. Het `Zweeds wittebrood' dat daarvan gebakken is, is in de herinnering van velen het lek­kerste dat men ooit gegeten heeft. Maar melk, boter, brood, alles raakte op, eind april 1945.

De mensen die de voedselvoorziening zo lang en in het licht van de gigantische problemen zo succesvol gedurende de hele bezetting hadden geregeld, hadden in het najaar met de geal­lieerden en de Nederlandse regering afgesproken om voorra­den aan te leggen zodat onmiddellijk na de bevrijding de bevolking zou kunnen worden gevoed. Maar de bevrijding kwam maar niet. Toen besloot men tot voedseldroppings. Geallieerde bommenwerpers wierpen, met toestemming van Seyss-Inquart, op terreinen bij de grote steden pakketten af. Ze hebben vooral een morele uitwerking gehad; de mensen kregen hoop om de laatste ellendige dagen te doorstaan.

Bevrijding van het noorden en oosten

Nadat de geallieerden de Rijn overgestoken waren, Duits­land in, stevenden Britse en Canadese legers naar het noor­den en het westen. Op 30 maart begon de bevrijding van de Achterhoek. Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland volgden. Op 15april stonden de Canadezen in Leeuwarden en op 17 april aan de oostkant van de Afsluitdijk. Ook tij­dens deze opmars werden zware gevechten geleverd, lucht­landingstroepen ingezet en waren de materiële en persoonlijke verliezen aan de kant van de burgerbevolking groot. In sommige gebieden hadden de Duitsers zich zonder gevechten teruggetrokken, zoals in een groot deel van Fries­land. Daar oefenden de Binnenlandse Strijdkrachten de con­trole uit voordat de geallieerde eenheden verschenen. De BS verleenden ook hulp aan de bevrijders tijdens en na de ge­vechten. Soms vochten ze zelfstandig tegen Duitse garnizoe­nen voordat de geallieerde troepen er waren.

Ondertussen was de doorbraak in westelijke richting via Arnhem en Deventer halverwege april eindelijk gelukt. De Betuwe en de Veluwe waren bevrijd, de geallieerden stonden aan de Grebbelinie. Hier werd halt gehouden. Verdere mili­taire operaties in het westen van Nederland werden opge­schort. Die zouden voor de verzwakte bevolking van het dichtbevolkte gebied te veel risico's opleveren. Overigens waren de voedseltransporten over het IJsselmeer naar het westen nu definitief onmogelijk geworden.

Capitulatie

Seyss-Inquart had de nederlaag van Duitsland natuurlijk al lang zien aankomen. Hij was te intelligent om niet verder te zien dan de onmiddellijke strijd tegen de geallieerden. Hij zocht via secretaris-generaal Hirschfeld contact met de Ne­derlandse regering en de geallieerden. Dat contact liep verder via het College van Vertrouwensmannen. Seyss-Inquart wil­de wel voorkomen dat liet bevel om alle niet-militaire fabrie­ken en installaties in Nederland te vernielen werd uitgevoerd. Verder gaf hij door dat er een Wehrmachtbevel bestond om heel het westen van Nederland onder water te zetten bij een geallieerde aanval. Ook wilde hij wel voedselbevoorrading toestaan. Wilden de geallieerden niet onderhandelen over een onofficiële wapenstilstand, een geregelde capitulatie en een behoorlijke behandeling van Duitse troepen en burgers? De Rijkscommissaris pokerde met het leven en de toekomst van miljoenen mensen. Halverwege april 1945 werd er in Londen overlegd binnen de regering en met de hoogste geal­lieerde leiders. Op 17 april bliezen de Duitsers de dijken van de Wieringermeerpolder op. Op 26 april liet generaal Eisen­hower weten met de Duitse bezettingsautoriteiten in Neder­land te willen onderhandelen. Meteen daarop kwamen de voedseldroppings tot stand. Toen leiders van het verzet in april van deze geheime contacten hoorden waren ze woe­dend. Alleen over onvoorwaardelijke capitulatie mocht met de Duitsers worden gesproken. Ze voelden zich verraden en distantieerden zich van de Vertrouwensmannen. Het was na­tuurlijk een afschuwelijk dilemma: vernietiging van grote delen van Nederland en onafzienbare ellende, of onderhan­delen met de doodsvijand die vreselijk had huis gehouden, met name in kringen van het verzet. Later sprak de Parle­mentaire Enquêtecommissie als haar oordeel uit: `... dat Vertrouwensmannen (...) naar aanleiding van het door Seyss-Inquart op 2 april 1945 genomen initiatief een wijs be­leid hebben gevoerd.' Het westen was ternauwernood aan totale verwoesting ontsnapt.

De capitulatie was een kwestie van dagen. Op 4 mei gaven alle Duitse troepen zich in Noordwest-Europa over en op 5 mei werd in Wageningen de overgave van de Duitsers in Neder­land ondertekend. Geallieerde troepen stroomden het westen binnen. Uitzinnige vreugde op de straten, overal vlaggen. De bezetting was voorbij; aan een nachtmerrie van vijf jaar leek een eind gekomen. De periode van wederop­bouwkon beginnen.

6 Het eerste jaar na de oorlog in Europa

Politieke ontwikkelingen: meer herstel dan vernieuwing

Hoe moest Nederland er wat betreft de politiek uit gaan zien nadat de Duitsers zich hadden overgegeven? We wezen al op het debat tussen vernieuwers en herstellers. De meningen van de vernieuwers liepen uiteen. Aan de rechterkant de voor­standers van een versterking van de positie van staatshoofd en kabinet ten koste van het parlement. Aan de linkerkant communisten en linkse sociaaldemocraten die een socia­listisch Nederland nastreefden, met een zeer grote invloed van de arbeidersbeweging ten koste van de burgerlijke klasse die tot dan toe, in hun ogen, de lakens hadden uitgedeeld. Overigens zonder gewelddadige omverwerping en revolutie te prediken. Een middenpositie werd ingenomen door de erf­genamen van St. Michielsgestel, de Nederlandse Volksbe­weging (NVB). Die streefden naar volkseenheid onder het banier van het personalistisch socialisme, een moeilijk te omschrijven combinatie van socialistische idealen, demo­cratische gezindheid en grote aandacht voor het vrije en ver­antwoordelijke individu. De klassenstrijdgedachte werd in ieder geval overboord gegooid. Die bracht maar verdeeld­heid. En juist de verdeeldheid, die in de verzuiling van voor de oorlog zo sterk had geleken, wilde men op alle terreinen, niet alleen het terrein van de politiek, opheffen. Vandaar dat de NVB geen politieke partij werd, maar haar leden aan­spoorde om binnen de politieke partijen, die na de bevrij ding (eerst in het zuiden, later ook in de rest van Nederland) overal weer opgericht werden, voor doorbreking van de verzuiling aan het werk te gaan. Partijvernieuwing werd dit genoemd. Wilden de leiders van de oude partijen dat wel? Voelden de leden voor een samengaan van de oude partijen in nieuwe grote verbanden, voor de doorbraak? En — last put not least — zouden de kiezers wel zo'n doorbraakpartij steunen? Zo­mer en herfst van 1945 gaven een koortsachtige activiteit te zien van NVB-ers in de toppen van de oude partijen om tot één nieuwe partij te komen.

Welke partijen waren gevoelig voor de vernieuwers? Allereerst de VDB en daarna de SDAP. Ook een kleine linkse christelijke partij, CDU, wilde wel. Verder waren er groepen mensen die zich niet meer thuis voelden in de heropgerichte confessionele partijen en die vol ongeduld wachtten op de oprichting van een nieuwe door­braakpartij, de politiek `daklozen'.

Maar waar waren de katholieken en de protestanten? Als die niet meededen, dan zou de doorbraak mislukken. Vooral op de katholieken hadden de vernieuwers hun hoop gevestigd. De Quay was een vooraanstaand katholiek en had zich, zo­wel als leider van de Nederlandse Unie als lid van de NVB, doen kennen als een vernieuwer en tegenstander van de ver­zuiling. Er zaten veel katholieken in de NVB en er was al een groep katholieken die zich bereid verklaarde lid te worden van een nieuwe doorbraakpartij waarin ook de SDAP zou opgaan. Er waren zelfs al die alvast lid werden van de SDAP! Net als in het bevrijde zuiden waren het episcopaat en de lei­ding van de katholieke vakbeweging tegen een opgeven van de politieke zelfstandigheid van de katholieken. De katholie­ke belangen waren volgens deze leiders het veiligst in een katholieke zuil met een katholieke partij als onderdeel daar­van. De Quay ging om. De RKSP veranderde haar naam in Katholieke Volkspartij en bleef verder buiten de doorbraak­partij. Iets dergelijks gebeurde met de CHU. Er waren wel `overlopers', maar de CHU bleef bestaan. De ARP had hele­maal geen zin in de doorbraak. En de CPN werd niet eens in beschouwing genomen.

pvda

Zo kwam er in februari 1946 een nieuwe partij tot stand, de Partij van de Arbeid, samengesteld uit SDAP, VDB, CDU en groepen daklozen. De doorbraak was geprobeerd maar was eigenlijk toen al mislukt.

Restte nog het oordeel van de kiezers. In mei 1946 werd een nieuw parlement van 100 zetels gekozen. De KVP was de grootste partij (32). De PvdA de tweede (29). Wat een te­leurstelling voor de doorbraakpartij! Ze was niet eens groter dan de som van de oude partijen. De ARP (13) en CHU (8) waren opgelucht. De CPN (10) was in jubelstemming. Haar rol in het verzet en het prestige van de Sovjet-Unie, als belang­rijkste tegenstander van Hitler, had haar deze beloning op­geleverd. De vooroorlogse liberalen hadden zich, voor zover zij niet met de VDB naar de PvdA waren gegaan, gegroe­peerd in de Partij van de Vrijheid, de voorloper van de VVD. Deze partij haalde 6 zetels. Niet vernieuwing en doorbraak, maar restauratie, herstel en continuïteit zijnde termen om de periode na de bezetting te karakteriseren.

vvd 1956

Hoe was het ondertussen met de regering gegaan? Was er een parlement geweest om de regering te controleren? Waarom werden er pas in mei 1946 verkiezingen gehouden? In juni 1945 trad het kabinet Schermerhorn-Drees aan. (Schermer­horn was voorzitter van de NVB.) Een kabinet van vernieu­wers en linkser dan enig kabinet daarvoor. Het stelde een meerjarenplan op voor sociaaleconomisch en financieel be­leid en wilde bijvoorbeeld de mijnen en de Nederlandse Bank nationaliseren, onderwijs een centrale plaats geven en de be­grotingspolitiek zien als instrument voor bevordering van welvaart en sociale rechtvaardigheid in plaats van alleen maar de methode om het huishoudboekje van de overheid in evenwicht te houden.

En het parlement? In mei 1945 was het mandaat van de leden allang verlopen. Er waren leden gestorven en er waren leden die hadden gecollaboreerd. Snelle verkiezingen kon het ver­nieuwingskabinet niet gebruiken. Besloten werd om de ou­de, nog in leven zijnde en niet weggezuiverde leden van het parlement van mei 1940 bijeen te roepen. Dit rompparle­ment vormde de tijdelijke Staten-Generaal. Het trad op in de periode september - november 1945. Het enige wat deze tijde­lijke Staten-Generaal deed was het voorstel behandelen om zichzelf uit te breiden. Overigens niet met vernieuwers, maar vooral met leden (meestal afkomstig uit het verzet) die er­voor zorgden dat de oude stemverhoudingen hersteld wer­den. Uiteindelijk kwam er maar één vertegenwoordiger van de nieuwe stromingen in de voorlopige Staten-Generaal, ook wel het noodparlement genaamd. Deze Voorlopige Staten-Generaal fungeerde tot 26 mei 1946, de dag van de verkiezingen. Pas daarna was er weer een volwaardig parle­ment om de regering te controleren.

Wederopbouw van de samenleving

1 gulden 18 mei 1945

Nederland was verarmd. De bezetting had veel geld gekost en de oorlogsschade was enorm. De econoom J. Tinbergen heeft eens gezegd dat heel het Nederlandse volk een jaar op vakantie had kunnen gaan, 50% meer dan normaal had kun­nen uitgeven om bij thuiskomst nog altijd een betere toestand aan te treffen dan in mei 1945. De staatsschuld was gegroeid van f 4 miljard in 1940 tot f 23,6 miljard in 1945. De productieve basis van de samenleving was ontwricht, bij - voorbeeld het verkeerswezen. De koopvaardijvloot was voor de helft verloren. Wegen, bruggen, kanalen, vliegvel­den, spoorwegen waren in belangrijke mate vernield. Vrachtwagens, bussen verdwenen, net als het merendeel van de locomotieven, treinstellen en goederenwagons.

Van de industrie was 40% verloren gegaan, voorraden waren weggesleept. Handel, midden- en kleinbedrijf en landbouw waren er relatief nog gunstig vanaf gekomen met ongeveer 20% schade. Een andere schadepost was de woningvoor­raad: er waren ruim 165.000 woningen verloren gegaan en werd overgelaten aan de ereraden die de betreffende organi­saties zelf zouden bemannen.

Meteen na de bevrijding werden er tienduizenden Nederlan­ders en (veel minder) Duitsers gearresteerd en opgesloten. Vaak in dezelfde kampen en gevangenissen waar de ver­zetsmensen nog kort tevoren zelf gevangenzaten. De soms volstrekt willekeurige manier van gevangenneming en de omstandigheden waaronder zeer velen werden vastgehou­den waren niet bepaald in overeenstemming met de normen van de rechtsstaat, zelfs niet als men de sfeer van wraak en haat in aanmerking neemt. Mishandeling, treitering, rechts­onzekerheid door langdurige detentie zonder een vorm van aanklacht, erbarmelijke sanitaire omstandigheden, schuldi­gen en onschuldigen door elkaar, zware politieke delinquen­ten naast zielige meelopers, al deze factoren maakten de Bijzondere Rechtspleging niet tot een glorieus hoofdstuk in de rechtsgeschiedenis van Nederland. In de zomer van 1945 zaten meer dan 130.000 mensen vast. De achterstand was enorm. Welk apparaat kon zo'n toevloed van zaken een beetje fatsoenlijk behandelen? Naarmate de tijd vorderde groeide de kritiek op deze toestand. Verder begonnen steeds meer mensen in te zien dat een indeling in `goed' en `fout' wel erg ongenuanceerd was. Aanpassing, accommodatie, was toch wel wat anders dan collaboratie.

Voorlopig waren de Gerechtshoven en Tribunalen druk be­zig aan de lawine van zaken. In totaal zijn in zeven jaar door de Bijzondere Gerechtshoven 15 000 veroordelingen uit­gesproken. Daarvan waren er 152 doodstraffen die echter niet allemaal zijn uitgevoerd. 35 Nederlanders, waaronder Mussert en Blokzijl, werden geëxecuteerd en vijf Duitsers, waaronder Rauter, troffen hetzelfde lot. De rest kreeg gra­tie. De laatste gegratieerden, de Twee van Breda, zijn na ruim 43 jaar in de gevangenis opnieuw gegratieerd en in 1989 Nederland uitgezet. De Tribunalen spraken bijna 50.000 keer vonnis. Gevangenisstraffen, geldboetes, ontneming van burgerrechten, verbeurdverklaring van goederen waren de daar veel voorkomende straffen. Zeer veel zaken werden geseponeerd, dat wil zeggen dat het niet tot een proces kwam. Vanaf het begin was er groeiende kritiek op de Bijzondere Rechtspleging. Van de loutering en versterking van Neder­land kwam niet veel terecht. Sommigen vonden de straffen te mild, anderen ergerden zich aan het slepende karakter van de zaken, weer anderen begonnen de normen van de rechtsstaat nadrukkelijk toe te passen op de praktijk van de Bijzondere Rechtspleging.

De mensen die ten onrechte vastgezeten hadden kwamen met hun verhalen. De publieke opinie veranderde, ging meer naar de toekomst kijken. Men begon in te zien dat je zoveel mensen niet uit de samenleving kon verbannen, dat het beter was ze weer in te passen.

De ereraden deden ondertussen hun werk. Velen kregen be­rispingen, hoorden veroordelende kwalificaties over zich uitspreken zoals 'onoorbaar', `laakbaar', `eerloos', 'onva­derlandslievend'. Anderen kregen tijdelijke verboden om hun beroep of bedrijf uit te voeren. Maar ook daar werden fouten gemaakt en frustraties geboren. En ook daar groeide het inzicht dat uitstoting uiteindelijk geen oplossing was.

Het eindresultaat was dat maar weinig mensen tevreden wa­ren met wat in Nederland aan berechting en zuivering heeft plaatsgehad.