We hebben 595 gasten online

CSE Nederland 1939-1945 Deel 1

Gepost in Nederland

Nederland 1939-1945 Deel 1

1 Tot 10 mei 1940

Nederland en de economische wereldcrisis

Gedurende de jaren dertig behoorde Nederland tot de groep kleine en machteloze landen in Europa. Nederland was ook een conservatief land. De samenleving was verzuild. Dat wil zeggen dat alles was georganiseerd volgens geloof of levens­overtuiging. Was iemand bijvoorbeeld katholiek, dan ging hij niet alleen naar de katholieke kerk, maar zijn kinderen gingen naar een katholieke school, hij las een katholieke krant en hij luisterde naar de Katholieke Radio Omroep (KRO). Bovendien stemde hij op de Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP). En zo was het ook in de protestantse zuil. De mensen zonder geloof organiseerden zich in de so­cialistische zuil of in de algemene zuil. Het leek wel of in de jaren dertig het hele maatschappelijke leven vast lag.

De meerderheid van de mensen in Nederland stemde op con­fessionele partijen. Deze baseerden zich op een bepaalde ge­loofsovertuiging. Omdat ze samen bij verkiezingen altijd de meerderheid haalden, vormden zij (de RKSP, de CHU en de ARP) de regering, meestal met de liberalen. Dit was de tijd van de zogenoemde coalitiekabinetten. De confessionelen en rechtse liberalen koesterden een diep wantrouwen tegen de socialisten. Deze werden consequent buiten de regering gehouden. De confessionele partijen, en zeker de ARP met de krachtige leider Hendrik Colijn, vonden de SDAP ge­vaarlijk, revolutionair, niet echt Nederlands, anti­militaristisch en pacifistisch. Dat viel allemaal wel mee. De SDAP was helemaal niet zo revolutionair.

sdap

 

 

Bovendien deed de SDAP erg haar best om in de regering te komen. Maar dat lukte pas in 1939. De redenen daarvoor vind je hieronder. De jaren dertig waren de jaren van de grote economische cri­sis. Overal heerste grote werkloosheid, ook in Nederland. Wie zonder werk zat, kreeg het erg zwaar. De uitkering was laag. Er was weinig hoop op verbetering en iedereen was bang om door de crisis getroffen te worden. De lonen daal­den in deze jaren. Tussen 1930 en 1935 groeide het leger van werklozen van 100 000 tot meer dan 480.000. En dat waren de officiële cijfers. In werkelijkheid was het nog erger. Er werd veel armoede geleden in Nederland. Soms leidde de ver­bittering tot massale uitbarstingen van verzet, maar meer nog waren isolement en apathie het gevolg van de uitzichtlo­ze situatie.

stem colijn

Wat deed minister-president Colijn aan deze ellende? De ka­binetten Colijn (tussen 1933 en 1939 waren èr vier) voerden een aanpassingspolitiek.Dat wil zeggen dat de regering zo min mogelijk wilde ingrijpen inde economie. De crisis moest 'uitzieken'. Ondertussen moest de overheid zorgen voor een sluitende begroting: niet meer uitgeven dan de belastingen opbrachten. De salarissen van de ambtenaren gingen omlaag omdat er door de armoede minder belasting werd opge­haald. Ook de uitkeringen aan werklozen daalden. De rege­ring wilde de economie geen duw in de rug geven door juist meer geld uit te geven, bijvoorbeeld door wegen en havens aan te leggen of door de uitkeringen op peil te houden. Nee, iedereen moest zich maar aanpassen, dan zou alles wel goed komen. Dit beleid was echter geen succes. Aan het eind van de jaren dertig ging het wel wat beter met de economie, maar het herstel was zwak en kwam veel later dan in andere landen.

De SDAP in de regering

De SDAP was altijd fel tegen aanpassingspolitiek geweest en ook de RKSP, die in de regering zat, had er in toenemende mate moeite mee. De druk om een actiever beleid te voeren werd vooral door de grote arbeidersaanhang van de RKSP opgevoerd. Omdat de SDAP steeds gematigder was gewor­den, mocht deze partij in 1939 eindelijk meeregeren van de RKSP. Tenslotte hadden de socialisten hun ideeën van ont­wapening, van het gebroken geweertje, laten varen. Colijn bleef echter fel tegen de SDAP. Hij kwam in juli 1939 met zijn vierde kabinet naar de Tweede Kamer. Door de motie Decker van 27 juli 1939 werd dit kabinet meteen weer naar huis gestuurd. Decker was de leider van de RKSP in de Twee­de Kamer. Het tijdperk Colijn was afgelopen. Onder leiding van minister-president De Geer (van de CHU) ging een nieu­we regering aan de slag waarin, voor het eerst, ook twee so­cialistische ministers zaten. Naast de economische dreiging was de dreiging die uitging van het nationaalsocialisme de tweede, belangrijke reden daarvoor. Tegen het nationaalsocialisme had de SDAP zich altijd hevig verzet. En toen er in de zomer van 1939 oorlog in de lucht hing was het logisch om ook deze partij verantwoordelijkheid te geven voor de verde­diging van Nederland. Want niemand in ons land wilde in een oorlog betrokken raken.

Neutraliteitspolitiek van Nederland

In de jaren dertig lagen de herinneringen aan de Eerste We­reldoorlog nog vers in het geheugen. Nog nooit was er zo'n bloedige oorlog in Europa gevoerd. Maar Nederland was buiten die oorlog gebleven. Het had geen partij gekozen; Ne­derland was neutraal gebleven. Duitsland was verslagen en tot 1933, het jaar dat Hitler aan de macht kwam, gedroeg Duitsland zich vreedzaam. Dat veranderde echter snel.

Hitler joeg de bewapening van Duitsland omhoog. De bui­tenlandse politiek van ons machtige buurland werd agres­sief. Het was begonnen met het uittreden uit de Volkenbond (een voorloper van de Verenigde Naties) in 1933. De vredes­verdragen van Versailles werden opgezegd. In 1936 rukte het Duitse leger het gedemilitariseerde Rijnland binnen. In 1938 volgde de `Anschluss' van Oostenrijk bij Duitsland. Vervol­gens liet de `Fuhrer' zijn begerig oog op een deel van Tsjecho-Slowakije vallen, Sudetenland, omdat daar veel Duitsta­ligen woonden. In de hoop Hitler definitief tevreden te stellen, gingen Engeland en Frankrijk akkoord (appease­mentpolitiek) met het afstaan van dit deel aan het 'Dritte Reich'. Maar Hitler was onverzadigbaar. Vroeg in 1939 ver­overde hij, tegen alle afspraken in, de rest van Tsjechoslowa­kije en begon toen Polen te bedreigen. De appeasement was mislukt. Er dreigde oorlog. Frankrijk en Engeland konden niet blijven doorgaan met het toestaan van de Duitse ex­pansie.

De Nederlandse regering werd door al deze ontwikkelingen steeds zenuwachtiger. Duitsland was niet alleen machtig, het was ook erg belangrijk voor onze handel. Bijna een kwart van onze invoer kwam uit Duitsland en Nederland voerde 15%van zijn export uit naar de oosterburen. In een tijd van werkloosheid en crisis wilje zo'n belangrijke partner natuur­lijk niet kwijtraken. Bovendien moesten de Duitsers nog f 1.500.000.000,- aan Nederland terugbetalen. Een ernstig conflict met Duitsland was wel het laatste waar Nederland op zat te wachten.

Dan was er het probleem van de vluchtelingen. Tienduizen­den mensen, vooral joden, ontvluchtten het gewelddadige regime van de nazi's, eerst uit Duitsland, later uit Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. Ook socialisten en communisten trachtten weg te komen. De Nederlandse regering heette ze niet bepaald van harte welkom. Men liet uiteindelijk maar een klein aantal toe (30 000). Men was bang voor vergroting van de werkloosheid, bang om de Duitsers te bruskeren, bang om door gastvrijheid te tonen een veel grotere stroom vluchtelingen naar ons land te trekken, bang voor revolutio­nairen. Wat kon Nederland ondertussen doen tegen de Duit­se dreiging? Nederland kon steun zoeken bij sterke andere landen, zoals Frankrijk en Engeland. Of Nederland kon neutraal blijven, zich heel stilletjes houden en hopen dat het, net als in de Eerste Wereldoorlog, opnieuw buiten een even­tuele oorlog zou blijven. Het gevaar van de eerste keus was dat we in geval van strijd tussen Duitsland en de andere grote Europese landen, onherroepelijk meegesleurd zouden wor­den in de oorlog. Het gevaar van de andere keuze was dat Ne­derland toch aangevallen zou worden door Duitsland en dan niet meer op tijd geholpen zou kunnen worden door Frank­rijk en Engeland, de geallieerden. Dan zou het Nederlandse leger alleen staan tegenover het Duitse. Maar ons leger was zwak, slecht bewapend en slecht geoefend. Je zou denken dat het een moeilijke keus was die de regering moest maken. Toch vonden maar weinig Nederlanders de keus moeilijk. Bijna iedereen was voor de neutraliteitspolitiek. Als Neder­land zich nu maar heel netjes gedroeg, tegen iedereen aardig was en volstrekt onpartijdig, dan had Hitler toch geen reden om ons land aan te vallen. Wat in de Eerste Wereldoorlog was gelukt zou ons zeker in de Tweede wel weer lukken. Dat hoopte men. Dat dacht men. Ja, dat wist men bijna wel ze­ker, minister-president De Geer voorop.

Duitsland 1940

Op 1 september 1939 viel Hitler Polen binnen en op 3 septem­ber volgden de oorlogsverklaringen van Engeland en Frank­rijk. De Tweede Wereldoorlog was begonnen. Polen werd in een regelrechte Blitzkrieg door Hitler verslagen, die daarbij een handje geholpen werd door Stalin. Nederland bleef neu­traal. En met succes. Ons land werd met rust gelaten. Hitler zei nog eens dat hij niets kwaads in de zin had. Maar weinigen hadden in de gaten dat Hitler geen gewone politicus was. Maar weinigen zagen dat het nationaalsocialisme geen ge­wone politieke beweging was. Hitler wilde oorlog, het nationaalsocialisme wilde Europa overheersen. Neutrali­teit of niet, dat maakte helemaal niets uit. Hitler wachtte ge­woon op het gunstige ogenblik.

De Nederlandse strijdkrachten sterk genoeg voor de strijd?

Hoe stond het ondertussen met de Nederlandse strijdkrach­ten? Vlak voor het uitbreken van de oorlog kondigde de rege­ring op 29 augustus 1939 de algemene mobilisatie af. Onge­veer 200 000 dienstplichtige militairen moesten zich melden bij de kazernes. Het leger onder het opperbevel van generaal Reijnders groeide uit tot een strijdmacht van 300.000 man. Het was een reusachtige operatie. De spoorwegen werden he­lemaal in dienst gesteld van de soldaten, telefoon- en tele­graaflijnen werden vrijgehouden, 33.000 paarden, 7.000 auto's, 2.000 motoren, 28.000 fietsen en 10.000 wagens wer­den gevorderd. Over het geheel genomen verliep de mobilisa­tie prima, maar met de gevechtskracht van de strijdmacht was het niet zo best gesteld. Toen de herbewapening van Duitsland begon, had Nederland niet meteen gereageerd met het verhogen van de defensie-uitgaven. In 1933 kostte de defensie 83 miljoen, in 1935 was dat bedrag gezakt tot 76 miljoen. Pas in 1938 werd het 152 miljoen, maar die verhoging ging geheel op aan het langer in dienst houden van de dienstplichtigen in verband met de oorlogsdreiging. Daar waren dus geen nieuwe wapens voor gekocht. In 1938 was men wel met de modernisering be­gonnen, maar Nederland had geen eigen wapenindustrie en de bestellingen in het buitenland kwamen toen te laat. Ande­re landen gaven voorrang aan eigen wapenbehoefte en lieten de Nederlanders wachten. Dat betekende een zwakke uit­rusting van de troepen, een schreeuwend tekort aan moderne kanonnen, aan tanks en niet te vergeten aan munitie. Verder waren er weinig goede gevechtsvliegtuigen. Aan die toestand veranderde niet veel tussen september 1939 en mei 1940. Je begrijpt dat dit geen geheim was voor de Duitsers en de geal­lieerden.

Nederland bleef neutraal, dat had in de Staatscourant van 3 september 1939 gestaan: `In het rechtsgebied van het Ko­ninkrijk der Nederlanden worden generlei vijandelijkheden toegestaan. Dit gebied mag door geen der oorlogvoerenden als basis voor operatieën tegen de vijand worden gebruikt.' Overtreders zouden ontwapend en geïnterneerd worden.

memo hfst 8 afb 18

Ondertussen moest de belangrijke handel van Nederland met Duitsland en met Engeland doorgaan, vond het kabinet De Geer. Maar de geallieerden hadden onmiddellijk een strenge blokkade tegen Duitsland ingesteld. Zij hielden sche­pen aan die op weg waren naar Nederland en die onderzoch­ten zij op contrabande. Dat waren goederen die voor Duits­land bestemd waren en voor de oorlogvoering gebruikt zouden kunnen worden. Maar bijna alles wat vervoerd werd was belangrijk voor de oorlogvoering van Duitsland. De geallieerden lieten maar weinig doorgaan. De Duitsers pro­testeerden bij Nederland. En de regering probeerde beide partijen te vriend te houden door eindeloos te onderhande­len zodat de Nederlandse handel zo min mogelijk schade leed. Ondertussen werd door vergissingen van Duitse onder­zeebootkapiteins het ene na het andere Nederlandse schip door torpederingen naar de zeebodem gejaagd. In totaal 26 schepen tussen september 1939 en mei 1940. Bij elkaar ver­loor Nederland in deze periode 4,5% van de beschikbare scheepsruimte.

Plannen en voorbereidingen

Om mobilisatie en verdediging goed te kunnen uitvoeren moest het burgerlijk gezag worden beperkt en de bevoegdhe­den van de militaire commandanten worden uitgebreid. Dit gebeurde in twee fasen: eind augustus 1939 door middel van de staat van oorlog en na 1 november met een iets verder­gaande staat van beleg. Tegelijk met de algemene mobilisa­tie werden een hamsterverboden een systeem van distributieingesteld. Hamsteren is het inslaan van zoveel mogelijk le­vensmiddelen en andere goederen bijvoorbeeld als er oorlog dreigt. Dat kon paniek veroorzaken en tekorten. Dat wilde de regering voorkomen met het hamsterverbod. Het heeft goed gewerkt. De distributie (een systeem van bonnen, bij in­levering waarvan je bepaalde goederen mocht kopen) was bedoeld om schaarse producten eerlijk over de mensen te verdelen. Ook dat heeft goed gewerkt.

En dan waren er natuurlijk de krijgsplannen van het opper­bevel. Men ging ervan uit dat het meest waardevolle deel van Nederland het dichtbevolkte westen was. Dit westelijke deel van Nederland werd tot Vesting Hollandverklaard. De oost­kant van de Vesting Holland werd gevormd door een stelsel van forten en versterkingen. Verder waren daar ook inunda­tiesgepland, laaggelegen gebieden die onder water gezet konden worden. Samen vormden zede zogenaamde Waterli­nie. In het zuiden waren de grote rivieren de natuurlijke bar­rière van de Vesting Holland en een inval in het noorden via de Afsluitdijk zou gemakkelijk af te slaan zijn. Aan de lands­grenzen stonden maar weinig soldaten. Daarachter lagen wel min of meer sterke verdedigingslinies, zoals de Peel-Raamstelling, de IJssellinie, de Grebbelinie en de Wonsstel­ling. Deze zouden de Duitse opmars moeten vertragen. On­dertussen zouden de inundaties klaar zijn en de Vesting Hol­land onneembaar.

Hield de legerleiding rekening met de verdedigingsplannen van bijvoorbeeld de Belgen of van de geallieerden? Waren er regelmatig besprekingen? Reijnders voelde daar niets voor. Ten eerste zag hij zulke contacten als een overtreding van de neutraliteitspolitiek en daar was de regering het van harte mee eens. Ten tweede geloofde de opperbevelhebber sowieso niet in een Duitse aanval. Dat was natuurlijk niet de juiste in­stelling, zeker niet op dat moment. De regering, Koningin Wilhelminaincluis, wilde om die reden van Reijnders af. In februari 1940 werd Reijnders vervangen door generaal Win­kelman.

Er waren wel onofficiële contacten voor het geval Duitsland de neutraliteit zou schenden. Maar die waren oppervlakkig en bleken, toen het er in mei 1940 op aan kwam, nauwelijks vruchtbaar. Het opperbevel verwachtte op bepaalde gebie­den in Nederland heftige strijd, en men was van plan grote delen land onder water te zetten. Om de burgers in deze ge­bieden te beschermen werden grote evacuatieplannen voor­bereid voor in totaal 440.000 mensen. Zo moest bijvoorbeeld heel Amersfoort ontruimd worden als er oorlog zou uitbre­ken. Was dat nu allemaal voldoende? Hadden de Nederlan­ders, of beter gezegd, had de Nederlandse regering nu echt niet in de gaten wat Hitler van plan was? Er waren aanwijzin­gen genoeg, denk maar aan de torpederingen van de schepen. Er kwamen ook spionageberichten binnen in Den Haag over de datum van de Duitse aanval. Maar de regering wilde het niet geloven. Daarbij kwam dat deze spionageberichten on­juist leken. Maar dat was schijn. `Fall Gelb', zoals de code­naam van het Duitse aanvalsplan op West-Europa heette, werd in de loop van de herfst en de winter van 1939-1940 vele malen uitgesteld en ondertussen ook veranderd. Het uitstel was een gevolg van het slechte weer. En goed weer was abso­luut noodzakelijk voor de inzet van de Luftwaffe. De veran­deringen van Fall Gelb betekenden onder meer dat eerst maar een gedeelte, later heel Nederland aangevallen zou worden.

Hoe strikt men zich wenste te houden aan de neutraliteit bleek ook uit het Venlo-incident in het najaar van 1939. Daardoor werd de Nederlandse regering in grote verlegen­heid gebracht. Zonder dat het kabinet iets wist had de Neder­landse geheime dienst meegeholpen aan contacten tussen de Britse geheime dienst en tegenstanders van Hitler uit het Duitse leger. Die wilden de Fuhrer vermoorden. Nu bleken die tegenstanders van Hitler eigenlijk agenten van de 'Ab­wehr', de Duitse contraspionage te zijn. Een Nederlandse en enkele Britse agenten werden door SS-ers bij Venlo ontvoerd en over de grens gesleept toen ze weer eens een vergadering met de `tegenstanders' van Hitler hadden. De Nederlander werd dodelijk verwond, maar de Duitsers verzonnen een ver­klaring die deze dode zou hebben afgelegd en die de Neder­landse regering in diskrediet bracht. Die verklaring werd op 10 mei 1940 gebruikt als een van de argumenten om Neder­land aan te vallen. Een handig, maar niet noodzakelijk argu­ment, en bovendien vervalst.

Nationaal-socialisme van eigen bodem

Voordat we naar het verhaal van de Duitse aanval gaan moe­ten we nog terug naar het begin van de jaren dertig, naar de Nederlandse Nationaal-Socialistische Beweging, de NSB. Deze partij was in 1931 opgericht door ir. A.A. Mussert. Mussert, `leider van het Nederlandsche volk', was de Neder­landse variant van de Fuhrer. Overigens leek de saaie Mus­sert helemaal niet op de gedreven Hitler.

De NSB was tegen de parlementaire democratie, maar wilde proberen die op democratische wijze op te heffen, via de stembus. Een sterk gezag, een sterk leger, tegen slapheid en verdeeldheid, dat waren de leuzen die in Volk en Vaderlandstonden, het blad van de NSB. In het begin was Mussert niet zo enthousiast voor Hitler. Hij vond het felle anti-joodse geschreeuw van de Fuhrer niet passen bij Nederland. De NSB had succes, in ja­nuari 1935 33 000 leden en bij de verkiezingen voor de Pro­vinciale Staten haalde de partij 7,94% van de stemmen. Dat was voor het verzuilde Nederland, waar zelden iets verander­de in de politiek, een soort aardbeving. Van toen af aan ging het echter steeds slechter met de NSB. Het ledental steeg wel­iswaar nog even, maar bij verkiezingen in 1939 liep de aan­hang terug tot 3,89%. De partij raakte steeds meer in een iso­lement. De leden werden alsmaar radicaler en agressiever. Ook Mussert deed daaraan mee, hij gaf er leiding aan. Mus­sert prees Hitler en Mussolini steeds feller, terwijl de gemid­delde Nederlander steeds banger voor deze figuren werd. De NSB (en Mussert) werd ook steeds openlijker antisemitisch.Het verzet tegen de NSB nam in de jaren dertig toe. Het was al in 1933 begonnen toen het officieren en ambtenaren, op straffe van ontslag, verboden werd om lid te zijn van de NSB. De Weerafdeling (WA) van de NSB marcheerde door de stra­ten in zwarte uniformen. Om dit tegen te gaan werd het in 1933 voor politieke bewegingen verboden om uniformen te dragen, het zogenaamde uniformverbod. Later gingen de kerken zich ook verzetten tegen de NSB en er ontstonden grote verenigingen van mensen die actie voerden tegen het nationaal-socialisme. Eenheid door Democratie (EDD) was een politiek gematigde vereniging, tegen fascisme en com­munisme, terwijl het veel kleinere Comité van Waakzaam­heid (intellectuelen) zich alleen tegen het gevaar van het nationaal-socialisme verzette.

memo hfst 8 afb 19

Van de andere fascistische clubs is het Zwart Frontonder leiding van Arnold Meyer de bekendste. Deze ex‑priesterstudent had grote bewondering voor Mussolini. Zijn grotendeels katholieke aanhang was geconcentreerd in Bra­bant. Daar veroverde hij in 1937 ruim 8000 stemmen. Zwart Front en Arnold Meyer waren een veel activistischer en in sommige opzichten kwaadaardiger combinatie dan de NSB en Mussert. Zo was bijvoorbeeld het blad Zwart Frontanti­semitisch op een lage en smerige manier, te vergelijken met het Duitse propagandablad Der Sturmer.

Toen in september 1939 de oorlog uitbrak werden de mensen erg bang dat NSB-ers het Nederlandse leger in de rug zouden aanvallen, landverraadvan binnenuit. Dat werd de angst voor een Vijfde Colonne genoemd. Deze term was toen be­kend omdat de Spaanse fascisten bij de verovering van de hoofdstad Madrid volgens eigen zeggen gebruik maakten van vier colonnes buiten en een Vijfde Colonne binnen de stad. Het was in de winter van 1940 een zenuwentoestand in Nederland. Overal zag men de Duitse spionage aan het werk, in vreemde lichtschijnsels in de nacht, of in complete Duitse vlooteenheden voor de kust, die bij nader onderzoek niet ble­ken te bestaan. Natuurlijk was er wel Duitse spionage, erg goede zelfs, maar een echte Vijfde Colonne heeft, zo is na de oorlog gebleken, in Nederland nooit bestaan.

2 De oorlogsdagen van mei 1940

Kern van het verdedigingsplan van generaal Winkelman : zwakke verdediging aan de directe grenzen, opblazen van bruggen om de opmars te vertragen, sterke verdediging in de verschillende stellingen en linies, met als voornaamste obstakel de Grebbelinie want daar werd de zwaarste Duitse aanval verwacht. Tenslotte terugtrekken op de Vesting Holland en wachten op hulp. Het Duitse op­perbevel had natuurlijk ook een plan, een aanvalsplan. Hoofddoel was Nederland zo snel mogelijk, binnen een dag, te verslaan. Dan hadden ze hun handen vrij in België en Frankrijk.

Maar hoe moest dat gebeuren? De Duitsers dachten dat niet alleen de bewapening, maar ook de wil om te vechten van de Nederlandse soldaat erg slecht was. Ze dachten op twee ma­nieren de verdediging te breken. Enerzijds door een razend­snelle opmars vanuit het oosten. Daarvoor moesten zoveel mogelijk bruggen ongeschonden in Duitse handen komen. Anderzijds, en dat was een modern idee, door rechtstreeks het hart van Holland aan te vallen met grote eenheden lucht­landingstroepen. Die zouden vliegvelden rond Den Haag veroveren, de stad in trekken, de Koningin, het kabinet en het Nederlandse opperbevel gevangen nemen. Als dat be­kend zou zijn, zou geen soldaat meer verder willen vechten. Verder zouden parachutisten de bruggen bij Rotterdam ver­overen. Door dat `gat' in de Vesting Holland zouden zegevie­rende Duitse troepen het hart van Holland binnenstromen. In de vroege ochtend van de tiende mei 1940 vlogen vele hon­derden vliegtuigen richting Den Haag en Rotterdam. Overal sprongen parachutisten naar beneden. Militaire installaties werden gebombardeerd. Drie vliegvelden rond Den Haag werden veroverd. Maar de tegenstand was veel sterker en taaier dan verwacht. Nederlandse soldaten heroverden de vliegvelden en de Duitse troepen werden verstrooid over een groot gebied. Het gevangennemen van de regering en het op­perbevel was mislukt. Dit was een grote tactische nederlaag voor de Duitsers. Meer succes hadden ze bij de verovering van de bruggen bij Rotterdam. Maar ook daar was de strijd fel en konden ze hun veroveringen niet uitbreiden. Toch was dit `gat' in het zuidfront van de Vesting Holland een levens­gevaarlijke toestand.

De Duitse opmars in de rest van Nederland

De Duitse opmars aan de grenzen verliep vlot, maar toch ook weer niet zo snel als verwacht. De Nederlanders waren er in geslaagd een aantal belangrijke bruggen op te blazen. Dat betekende vertraging. Zeer zware strijd werd vanaf 11 mei geleverd bij de Grebbelinie. Alle verschrikkingen van de mo­derne oorlogvoering teisterden dit slagveld: artilleriebe­schietingen, duikbommenwerpers, aanvallen van geharde en nietsontziende SS-troepen. Er waren soldaten die held­haftig streden. Anderen vluchtten weg in paniek en soms werden ze door Nederlandse officieren met het pistool in de vuist weer naar het front teruggedreven. Er vielen honderden doden. Maar het duurde tot 14 mei voordat de Grebbelinie werd doorbroken. De rest van de verdedigers trok zich terug achter de Waterlinie.

Bij Kornwerderzand, de oostkant van de Afsluitdijk, was een sterke vesting gebouwd die door de Wonsstelling werd beveiligd. Dit was een heel belangrijk punt, omdat de Duit­sers de Vesting Holland via de Afsluitdijk konden bedreigen. De Wonsstelling viel al snel bij de eerste Duitse aanvallen op 12 mei, maar de verdediging van de vesting Kornwerderzand leverde hardnekkig en moedig tegenstand. Luchtaanvallen, beschietingen, duikvluchten van huilende Stuka's, twee da­gen lang hielden de verdedigers stand. En het zag ernaar uit dat deze tegenstand nog veel langer kon doorgaan.

Koningin en kabinet tijdens de meidagen

Net als vele andere Nederlanders waren de ministers op 10 mei 1940 wakker geschrokken door het gedreun van vliegtui­gen en het geratel van afweergeschut. Enkele ministers zoch­ten de oude minister-president De Geer thuis op. Daar werd de proclamatie van de Koningin opgesteld die om 8.00 uur voor de radio werd voorgelezen. Koningin Wilhelmina richt­te zich tot haar volk met een `vlammend protest' tegen de `schending' van de `stipte neutraliteit' die zo `nauwgezet' was nageleefd. Zij riep iedereen op `waakzaam' te zijnen zijn of haar `plicht' te doen. Miljoenen Nederlanders hoorden geschokt en verdoofd deze woorden.

Het kabinet besloot minister van buitenlandse zaken Van Kleffensen de minister van koloniën Welter naar Londen te sturen om snel om militaire hulp te vragen en om ieder geval contact te kunnen houden met Nederlands-Indië. Na een le­vensgevaarlijke tocht per vliegtuig kwamen ze dezelfde dag in Londen aan. Maar daar bleek al snel dat hulp in de omvang waarop de Nederlanders rekenden helemaal niet zo snel ge­boden kon worden.

De Tweede Kamer kwam ook op 10 mei bijeen, maar De Geer had het niet nodig gevonden er naar toe te gaan en de verte­genwoordigers van het volk toe te spreken. Het kabinet zat in stevige kelders in Den Haag, liet zich door de legerleiding in­formeren en dacht na over de vraag wat er met de koninklijke familie en het kabinet moest gebeuren. Moest er worden doorgevochten? Moest de regering naar het buitenland ver­trekken of de kans lopen gevangengenomen te worden? Al­lereerst werden Prinses Juliana, Prins Bernhard en de kleine prinsesjes naar Engeland gestuurd. Op 13 mei kwamen ze per Engels oorlogsschip in Harwich aan. Maar de Koningin? Wat zouden de soldaten wel niet denken als ze zouden horen dat zij en haar ministers `gevlucht' waren naar een veilige plek, terwijl de rest mocht doorvechten? Op aandringen van de ministers en generaal Winkelman stemde Wilhelmina in met vertrek. Overigens was De Geer geestelijk bijna in­gestort, er ging in ieder geval geen enkele besluitkracht meer van hem uit. In de morgen van de dertiende mei ging Konin­gin Wilhelmina aan boord van een Brits oorlogsschip en voer naar Engeland.

De discussies over doorvechten of capitulatie gingen door in het kabinet en tussen Winkelman en de ministers. Men besloot het risico te nemen om voor laffe vluchters te worden aangezien en te vertrekken. Iedere minister droeg bevoegd­heden over aan zijn hoogste ambtenaar op het ministerie, de secretaris-generaal. In de avond van de dertiende mei gingen de ministers in Hoek van Holland aan boord van een Britse torpedobootjager. Generaal Winkelman kreeg als in­structie: doorvechten tot verdere strijd doelloos is gewor­den. Met andere woorden, hij moest zelf maar zien wanneer dit moment kwam. Op 14 mei kwamen de ministers in Lon­den aan, de regering was in ballingschap. Diezelfde dag werd het nieuws officieel bekend gemaakt. Inderdaad werd het in Nederland niet begrepen. Maar achteraf mag je zeggen dat de verplaatsing van de regering naar Londen het enig juiste besluit was dat toen genomen kon worden. De Koningin kon in Londen uitgroeien tot een symbool van nationale eenheid en verzet. Dat had nooit gekund als ze door de Duitsers was gevangengenomen. Nederland werd dan wel onder de voet gelopen, het Koninkrijk was groter dan Nederland. De rege­ring kon vrij zeggen wat ze wilde en besluiten nemen in Lon­den. Met de regering waren ook de meeste koopvaardij­schepen en de marineschepen naar Engeland uitgeweken en bovendien de goudvoorraad van de Nederlandse bank. He­laas hebben er maar bitter weinig joden en politieke vluchte­lingen weten te ontkomen. En de Staten-Generaal? Die bleven achter.

De capitulatie

Winkelman moest beoordelen of verdere strijd zinloos was. Op 14 mei zag de zaak er niet gunstig uit. Bij Rotterdam dreigde een doorbraak van Duitse tanks en het oostfront van de Waterlinie was door de late inundaties nauwelijks meer te verdedigingen. Hoeveel soldaten moesten nog sneuvelen, burgers omkomen en hoeveel verwoestingen moesten°er nog bij komen voordat capitulatie de enige overgebleven keuze was? Misschien zou Winkelman extra moed hebben gekre­gen als hij had geweten dat Hitler diezelfde dag tot de slotsom kwam dat `de tegenstand van het Nederlandse leger veel ster­ker gebleken (is) dan aangenomen werd'. Maar de moed zou hem misschien in de schoenen zijn gezonken als hij ook Hit­lers besluit had gekend dat daarop volgde: `Politieke, zowel als militaire redenen eisen dat deze tegenstand op korte ter­mijn gebroken wordt.'

En dat gebeurde. Men besloot Rotterdam te bombarderen. In twee aanvalsgolven zouden bommenwerpers de oude bin­nenstad verwoesten. Voor het zover kwam werd aan het Rot­terdamse front een ultimatum overhandigd: overgave van destad of vernietiging ervan. Het stuk was niet ondertekend en daarom weigerde de commandant van de stad, kolonel Scharroo, dit `waardeloze papier'. Dat had Scharroo beter niet kunnen doen. Het was wel degelijk een geldig ultima­tum. Er werd om een nieuw papier gevraagd. Dat kwam er. Maar nog voordat de tijd van het ultimatum was verstreken bombardeerden Duitse toestellen de oude havenstad. Het centrum werd herschapen in een hel van brandende en instor­tende huizen. Mensen werden verpletterd, raakten bekneld, verbrandden levend. Ongeveer 900 burgers kwamen in de vuurzee om.

Er is later heel wat gediscussieerd over de vraag of dit bom­bardement nu per ongeluk is doorgegaan of dat de Duitsers het opzettelijk hebben doorgezet. Rotterdam werd verde­digd, dus de Duitsers mochten het bombarderen. Dat was zo bepaald in het Landoorlogreglement, een regeling van het internationale oorlogsrecht die door Nederland en Duits­land was erkend. De Duitsers gaven de Rotterdammers ech­ter maar twee uur de tijd om te vertrekken. Er werd van Duit­se kant gezegd dat een aanvalsgolf het afgesproken teken om niet te bombarderen niet had gezien. Hadden ze niet beter een andere en duidelijker afspraak kunnen maken?

's Middags 14 mei brandde Rotterdam. De Duitsers dreigen nu Utrecht te bombarderen. Winkelman nam om kwart voor vier zijn loodzware besluit: behalve in Zeeland, waar ook geallieerde troepen gelegerd waren, zou het Nederlandse le­ger zich overal overgeven. Ook de koopvaardij en de marine mochten zich niet overgeven. Deze orders gingen uit naar alle plaatselijke commandanten, die tevens munitie en wapens moesten vernietigen. Op 15 mei sprak Winkelman via de ra­dio. Hij sprak van onvergetelijke moed van de soldaten, van de ongelijke strijd en van de bedreiging van verdere bombar­dementen, van verdediging tot het uiterste en dat het uiterste was bereikt. Miljoenen Nederlanders zaten verbijsterd aan hun radio. Zo kort maar had de strijd geduurd. Een verkla­ring was snel gevonden: verraad. Een Vijfde Colonne had ons in de rug aangevallen. Dat de Duitsers gewoon veel ster­ker en meedogenlozer waren, wilde er toen niet meteen in. In Zeeland werd nog tot 19 mei gevochten. Nederland was vol­gens het Landoorlogreglement een bezet land.

De capitulatie was voor velen een ondragelijke gebeurtenis. Enkele duizenden mensen deden een zelfmoordpoging; bij ongeveer 250 slaagde die. Joden, intellectuelen, politici, kunstenaars, zij konden het vooruitzicht van een leven onder een nationaalsocialistische dictatuur niet accepteren. Bij dit dodental komen nog de ruim 2000 Nederlandse soldaten en vele honderden burgerslachtoffers. Een afschuwelijke ramp had het land getroffen.

3 Het optreden van de bezetters

Het Duitse bestuur

Niemand wist hoe lang de bezetting zou gaan duren, hoe de bezetters zouden optreden en wie de oorlog zou gaan win­nen. Wij weten dat achteraf wel. De mensen toen konden, net zomin als wij nu, in de toekomst zien. De houding die de mensen aannamen hing af van hun verwachtingen over een onbekende toekomst.

Laten we eerst een grote lijn schetsen van bezettingspolitiek en de Nederlandse reactie daarop. Aanvankelijk traden de Duitsers gematigd op en reageerden de Nederlanders af­wachtend en welwillend. Naarmate de oorlog voor de Duit­sers slechter ging verlopen verhardde hun optreden en werd de anti-Duitse stemming sterker. Op het eind was er sprake van terreur en was de stemming fel anti-Duits. Hier dwars doorheen liep de vervolging en deportatie van de Nederland­se joden.

Nederland kreeg een burgerlijk en geen militair bestuur, zo­als in België. Omdat de invloed van de radicale SS op het bur­gerlij k bestuur groter was en de gematigde Wehrmacht min­der in de melk te brokkelen had, was de bezetting hier zwaarder. Rijkscommissaris in Nederland werd de intelli­gente Oostenrijkse nazi Seyss-Inquart. Onder hem functio­neerden vier 'Generalkommissare' waarvan Rauter de be­ruchtste was. Deze was hoofd van de politie en de SS in Nederland. Naast de Nederlandse politiediensten, die bleven doorwerken, kwam hier de Sicherheitspolizei,de politieke politie die politieke tegenstanders moest uitschakelen. Te­vens waren er de Sicherheitsdienst (SD),de inlichtingen­dienst van de nazi's, en de Griine Polizei, die voor het hand­haven van de openbare orde moest zorgen. Via Rauter had de SS en dus Himmler een stevige vinger in de pap in Nederland. De Wehrmacht was hier natuurlijk wel aanwezig maar had, vergeleken met andere instellingen van de nazi's, minder macht.

Nederland werd niet ingelijfd bij Duitsland, het bleef be­staan, maar het werd dienstbaar gemaakt aan Duitsland en de Duitse oorlogvoering. Seyss-Inquart eigende zich alle be­voegdheden toe die voordien regering en parlement hadden. Zijn verordeningen kregen kracht van wet. Het Nederlandse recht zou, voor zover niet in strijd met Duitse regels, blijven bestaan. Er kwamen Duitse gevolmachtigden in de provin­cies en de grote steden. De werkzaamheden van de Staten-Generaal werden in juli 1940 `opgeschort', ze werden dus naar huis gestuurd. De CPN werd in juli 1940 verboden, de andere partijen trof dit lot in de loop van 1941. Democrati­sche controle was onmogelijk geworden, de democratie was afgeschaft. Er werd ruim baan gemaakt voor de doelen die de Duitse bezetter met Nederland had: ten eerste de inschake­ling van de economie voor de oorlogvoering en ten tweede het omvormen van de Nederlandse samenleving tot een nationaalsocialistische totalitaire samenleving met een be­volking die net als de Duitse, gewonnen was voor de ideeën van de nazi's.

De bezetters bestuurden niet direct, ze hielden toezicht. Daarom konden ze met een klein aantal Duitsers het hele land hun wil opleggen. Voorwaarde was dat de Nederlandse ambtenaren en burgers gehoorzaamden en samenwerkten. Dat gebeurde ook. En dat was ook toegestaan volgens de `Aanwijzingen' die hoge ambtenaren en gezagsdragers al in 1937 hadden gekregen van de Nederlandse regering. Men moest zoveel mogelijk op zijn post blijven als het belang van de bevolking dit vroeg, als weigeren meer schade zou bren­gen dan samenwerken. Dit soepele standpunt werd alge­meen, van hoog tot laag, van secretarissen-generaal tot poli­tieman, gedeeld. Geen verzet, geen sabotage, meewerken om erger te voorkomen was het parool. Die houding was ook niet zo moeilij k op te brengen omdat de Duitsers in het begin zo verrassend mild optraden.

Nederland en Nederlanders ingeschakeld bij Duitse oorlogvoering

Wat er ook voor ideeën in Berlijn over een `Nieuwe Orde' en een `Nieuw Europa' hebben bestaan, zowel politiek als eco­nomisch werd het bezette Nederland ondergeschikt aan Duitsland. Dat betekende volgens dr. L. de Jong `op econo­misch gebied voor de massa van het Nederlandse volk van meet af aan slechts één ding: daling van de levensstandaard'. Overzeese handel viel vrijwel weg, voorraden werden naar Duitsland versleept, miljarden guldens werden `geleend' bij de Nederlandse bank. Gevolg: er kwam steeds minder in de winkels te liggen, het leven werd duurder. Nederlandse be­drijven werkten in opdracht van de Duitsers en leverden hun bijdrage aan de oorlogvoering. De bedrijfsleiders en arbei­ders reageerden hetzelfde als de ambtenaren. Wat kon één bedrijf nu tegen het almachtige Duitsland beginnen, was het argument. Het was een houding van aanpassing, niet van verzet.

Ook arbeidskrachten uit Nederland werden gevraagd naar­mate de oorlog meer Duitse arbeiders naar de fronten joeg. Eerst op vrijwillige basis, zoals in de Arbeidsdienst, later werd het dwangarbeid onder de naam arbeidsinzet. Tot april 1942 werden werklozen naar Duitsland gestuurd onder bedreiging van intrekking van de uitkering, tot mei 1943 wer­den bedrijven uitgekamd op `overbodige' werkkrachten en daarna werden hele j aarlichtingen mannen opgeroepen of in razzia's opgepakt om naar Duitsland gesleept te worden. Eind april werd het gedemobiliseerde Nederlandse leger weer in krijgsgevangenschap teruggeroepen om in Duitsland te gaan werken. Driehonderdduizend mannen voor de bewa­peningsindustrie en een enorme aderlating voor het toen juist in omvang groeiende Nederlandse verzet. Als reactie braken de April-Meistakingen uit. Veel Nederlanders doken onder, maar velen zijn ook gegaan. Men schat hun totale aantal op 600.000. Hun gezin achterlatend en blootgesteld aan geallieerde bombardementen, was het een verschrikke­lijke dreiging voor zeer veel jongens en mannen.

Een vlijmscherp wapen van de Duitsers in de jacht op man­nen voor de arbeidsinzet was het persoonsbewijs. Overigens gold dat ook voor de jacht op joden en verzetsmensen. Het persoonsbewijs was bijna niet te vervalsen. Het zat razend knap in elkaar. Het ongelukkige was dat het een Nederlandse ambtenaar was die het had ontworpen. Van deze pro-Duitse Jacob Lentz is wel eens gezegd dat hij de Nederlander is ge­weest die de meeste schade heeft veroorzaakt. Iedereen bo­ven de veertien jaar moest altijd een persoonsbewijs bij zich hebben. Joden kregen er een grote `J' in gestempeld. Had je geen Ausweis, een bewijs van vrijstelling voor de arbeidsin­zet, dan was je erbij. De Duitsers hadden vrij toegang tot alle kaartenbakken waarin de persoonsbewijzen geregistreerd waren. Duizenden mensen zijn in deze bureaucratische val gevangen. Hoeveel hebben dat niet overleefd? Lentz kreeg drie jaar gevangenisstraf na de oorlog.

Schaarste en roof

Maatregelen zoals de invoering van het persoonsbewijs had­den dus hun uitwerking op de economische onderwerping van Nederland aan de Duitse oorlogsinspanning. Het hele economische leven werd in veel sterkere mate gereglemen­teerd. Er was strikte prijscontrole, er bestonden uitvoerver­boden en voor een groeiend aantal produkten werd distributie ingevoerd. Textiel, schoenen en allerlei huishou­delijke artikelen kwamen op de bon. Er heerste toenemende schaarste, de prijzen werden kunstmatig laag gehouden en er was meer geld in omloop dan dat er spullen waren die je er­voor kon kopen. Haast onvermijdelijk ontstond er toen een zwarte markt waarop de werkelijke prijs bepaald werd.

Met name de voedselvoorziening kwam steeds meer in de knel. Het pakket aan voedingsmiddelen veranderde, en niet naar de smaak van de mensen. Het meeste voedsel kwam op de bon. De overheid regelde wat er door de boeren werd ge­produceerd, tegen welke prijs en waar het voedsel naar toe ging. Hoewel er veel geklaagd werd over de voedseldistribu­tie, en op het eind van de oorlog er werkelijk ellende en hon­ger voorkwam — we komen daar nog op terug — is de voedselvoorziening tijdens de bezetting toch een succesver­haal te noemen. De gezondheidstoestand ging er, door een wat minder vet en granenrij ker dieet, aanvankelijk eerder op vooruit dan op achteruit.

Er werd natuurlijk voedsel naar Duitsland uitgevoerd en veel daarvan had de Nederlandse bevolking best kunnen gebrui­ken. Maar er werd meer door de Duitsers gevorderd: metaal­voorraden, en toen die uitgeput waren werden klokken van kerken en carillons weggehaald om omgesmolten te wor­den. Verder werden auto's en andere transportmiddelen gevorderd.

Eén vordering heeft wel heel diepe indruk op de Nederlan­ders gemaakt, de `roof', zoals zij dit noemden, van tiendui­zenden fietsen. Generaal Christiansen had in juli 1942, vanwege zijn grote angst voor een invasie van de geallieer­den, plotseling oog gekregen voor de slechte verplaatsbaar­heid van zijn reservesoldaten. Hij eiste binnen twee weken 100 000 fietsen. De secretarissen-generaal moesten er maar voor zorgen. Die gaven, na enig tegensputteren, 144 burge­meesters van grote gemeenten de opdracht tot inbeslagname over te gaan. En deze stuurden op hun beurt de politie erop uit. Op straat, bij fietsenstallingen, huis aan huis, overal werden fietsen in beslag genomen. Maar zelden is een maat­regel zo gesaboteerd door de bevolking als deze. Men ver­stopte de karretjes, haalde ze uit elkaar, gaf ze over schuttingen door, men ging op de oudste wrakken rijden die men had. De woede was groot. De verzetskrant Het Paroolschreef: `Nauwelijks heeft een daad der bezetters een zo wil­de woede, een zo grote verbittering veroorzaakt als deze mas­sale rijwieldiefstal.' Daar was de SD het in haar geheime rapport mee eens: `Die Aktion hat ein bisher nie gekannte Empörung in der Bevölkerung ausgelöst.' Deze actie leverde 53.000, deels slechte, fietsen op.

De fietsenvordering van 1942 gaf al aan dat de militaire situa­tie zich niet ten gunste van Duitsland ontwikkelde. De Slag om Engeland was door de Britten gewonnen, van Duitse kant was men beducht voor een invasie en die kon natuurlijk ook in Nederland plaatsvinden. Hitler gaf persoonlijk op­dracht tot aanleg van een 5300 km lange verdedigingslinie, van de Noordkaap tot de Spaanse grens, met duizenden for­ten en bunkers, honderdduizenden soldaten en ontelbare versperringen. Ook de Nederlandse kust werd versterkt. Strand werd verboden gebied verklaard, woonwijken wer­den ontruimd en afgebroken, tienduizenden burgers geëva­cueerd, bunkers en kazematten werden gebouwd, soms door Nederlandse aannemers, die hier goed geld aan verdienden, terwijl duizenden landgenoten als dwangarbeiders aan deze Atlantikwall werkten. De bunkerbouwers, zoals ze genoemd werden, stonden model voor economische collaboratie met de vijand.

Duits nationaal-socialistisch optreden in Nederland

 Tot nu toe is het beeld geschetst van een bezetter die bestuurde en die profiteerde van de verovering. Aanvanke­lijk een gematigde bezetter, gaandeweg harder en meedogen­lozer. Geen plezierige zaak, maar ook niet zo uitzonderlijk. Er zijn in de geschiedenis wel meer volken verslagen en lan­den bezet.

Maar bezetting door de nationaalsocialisten had een heel ei­gen karakter, want de Duitsers wilden ook nog de Nederlan­ders winnen voor hun ideologie en de samenleving opnieuw inrichten, ordenen volgens hun nationaalsocialistische principes. De consequenties van deze ordening van het maat­schappelijk levenwaren diep ingrijpend en menigmaal do­delijk voor de vrijheid van de mensen, voor de mogelijkheid tot oppositie en voor speciale groepen, met name de joden. Het is juist het nationaalsocialistische karakter van de be­zetting dat maakte dat er dingen gebeurden die in een 'nor­male' bezetting ondenkbaar zouden zijn. In dit karakter ligt de verklaring voor veel onbegrijpelijke verschrikkingen.

Het nationaalsocialisme was een ideologie die van de sa­menleving een totalitair systeemwilde maken, dat wil zeg­gen dat heel het leven, niet alleen de politiek, maar ook de opvoeding, de cultuur, de sport, de pers, kortom alle maat­schappelijke terreinen, doordrongen zouden zijn van één idee, één ideaal, het nationaalsocialisme. Voor andere me­ningen en opvattingen van individuen of organisaties kon geen plaats zijn.

Deze gedachte ten diepste antidemocratisch, omdat in een democratie nu juist wel ruimte en respect voor verschillende opvattingen bestaan. Het spreekt ook voor zich dat van vrije meningsuiting geen sprake kon zijn in zo'n totalitair systeem, dat er dus censuurop alle niveaus moest worden ingesteld, of het nu ging om kranten en tijd­schriften, om de radio, om literaire publicaties of school­boeken. Alles moest voldoen aan de eis van de nationaalsocialistische gezindheid.

De bezetters konden natuurlijk proberen deze ordening van het maatschappelijk leven, de Nieuwe Orde, plotseling en met geweld door te voeren. Maar dat gebeurde niet. Wel wer­den razendsnel de belangrijkste organen voor de beïnvloe­ding van de bevolking onder controle gebracht. De omroepen mochten, onder censuur weliswaar, gewoon doorgaan met uitzenden, maar wel met een Duitse toezicht­houdende organisatie boven zich. Hoofdredacteuren van kranten en tijdschriften kregen hetzelfde te horen. Bijna ie­dereen werkte weer `gewoon' door. Bijna iedereen deed dat `om erger te voorkomen'. En dat `erger' was je omroep of je blad te moeten overdoen aan de NSB. Deze tactiek van de Duitsers had aanvankelijk veel succes.

Natuurlijk waren de Duitsers niet van plan een socialistische, een katholieke en een protestants-christelijke omroep te la­ten voortbestaan. Alle media, ook de radio, moesten worden gelijkgeschakeld, de term voor het aanpassen van maat­schappelijke organisaties aan de nationaalsocialistische ideologie. Op 1 januari 1941 werden de omroepen opgehe­ven en de Nederlandse Omroep kwam ervoor in de plaats. Deze werd geleid door een NSB'er. Nieuwsberichten kwamen volledig uit de Duitse koker. Amusementsprogramma's kregen soms een fel antisemitische inslag, zoals het 'Zondag­middagcabaret Paulus de Ruiter' met liedjes als: `Dat was de jodenman, de dikke jodenman ... de uitgekookte, gaar-gestookte vette jodenman...' En natuurlijk werd de radio gebruikt voor propagandapraatjes die, zoals in het geval van de meer dan achthonderd uitzendingen van de NSB'er Max Blokzijl, een groot publiek bereikte en zeker niet zonder in­vloed bleek.

De Duitsers konden de Nederlandse radio gelijkschakelen, maar ze konden de Britse radio niet uit de ether verwijderen. Luisteren naar die zender werd verboden, met name naar de uitzendingen onder verantwoordelijkheid van de Neder­landse regering, maar hoe kon je dat verbod doen naleven? Veel Nederlanders bleven naar Radio Oranje luisteren, er waren immers ruim 1 150 000 geregistreerde radiotoestel­len. In maart 1941 werden al deze radiotoestellen verbeurd verklaard en moesten ingeleverd worden. Nederlanders mochten alleen nog naar de radiodistributie, een soort kabel­radio met beperkte ontvangst, luisteren. Veel toestellen wer­den verstopt en het luisteren naar de verboden zenders ging op grote schaal door.

Het beïnvloeden van de geesten in Nederland werd vanuit het nieuw opgerichte Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) gestuurd. Dat gebeurde vanaf november 1940. Het oude ministerie van onderwijs, kunst en weten­schappen was toen opgeheven en vervangen door het Depar­tement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescher­ming. Het DVK werd bijna helemaal bemand door NSB'ers. Die zaten daar niet omdat ze zulke goede propagandamen­sen waren of fantastische managers, maar omdat ze aanhan­gers waren van het nationaalsocialisme. Het gevolg was dat, ondanks demiljoenen guldens die aan propaganda via radio, film en pers werden uitgegeven, het resultaat schamel bleef. Organisatorisch was het DVK een chaos.

Een ander voorbeeld van het beïnvloeden van het doen en denken door de bezetter door middel van ordening was de in­stelling van de Cultuurkamer in november 1941. Alle schep­pende en uitvoerende kunstenaars moesten lid worden van deze organisatie wilden ze aan het werk blijven, joden uitge­zonderd natuurlijk, want iedereen die lid werd moest een Ariërverklaring ondertekenen. Deze verklaring was al eerder in oktober 1940 aan alle ambtenaren ter invulling en onderte­kening voorgelegd. Men gaf daarin aan of men zelf of even­tueel de echtgeno(o)t(e) Arisch of joods was. Dat was een maatregel ter registratie van joden en was meteen een voor­bereiding voor het ontslag van alle joodse ambtenaren. Na­tuurlijk mocht een kunstenaar ook niet blijk geven van een antifascistische instelling. Iedere schrijver die wilde publi­ceren, iedere toneelspeler die wilde optreden, iedere musicus die muziek wilde blijven maken werd zo in het keurslijf van de bezetter gedwongen. Je kon natuurlijk weigeren lid te worden, maar dat betekende stopzetting van inkomen of verandering van beroep. In de praktijk werden zeer veel kunstenaars lid. Echte invloed in nationaalsocialistische zin heeft de Cultuurkamer op de kunsten in Nederland niet ge­had. Het bleef een log lichaam, geleid door NSB'ers.

Niet alleen de media, ook de vakverenigingen werden gelijk-geschakeld. Het Nederlands Verbond van Vakverenigingen

(NVV), belangrijk onderdeel van de socialistische zuil, was de grootste vakcentrale met bijna 320 000 leden en 49 aan­gesloten bonden. Wilde de nazificering kans van slagen heb­ben, dan moesten de arbeiders voor het nationaal-socialisme gewonnen worden. Er was dus grote aandacht voor het NVV. Het NVV kreeg op 16 juli 1940 van de Duitsers te horen dat de NSB'er Henk Woudenberg de vakcentrale zou gaan leiden. De voorzitter en het dagelijks bestuur werden ontsla­gen; enkelen werden prompt daarna gearresteerd.

Pikten de bestuurders en de leden van deze socialistische en democratische vakcentrale dat zomaar? Misschien niet zo­maar, maar men pikte het inderdaad. Slechts enkele duizen­den leden liepen weg. De katholieke en christelijke vakcentrales kregen geen `commissaris' maar slechts contro­leurs. In plaats van te weigeren of zichzelf op te heffen, slaak­te men daar een zucht van verlichting. Zozeer was men van het belang van het vakbondswerk overtuigd, dat men deze overval accepteerde. Men hoopte toch zoveel mogelijk op de oude voet door te kunnen gaan.

Maar deze stappen waren slechts het begin op de weg naar opheffing van de vakcentrales en een opgaan daarvan in een volledig gelijkgeschakelde vakorganisatie, het Nederlandse Arbeidsfront (NAF) onder leiding van dezelfde Henk Wou­denberg op 1 mei 1942. De opzet van de oude bestuurders om de eigen organisatie te redden was mislukt, maar de opzet van de bezetter, de leden te winnen voor het nationaalsocialisme, was ook niet geslaagd. Want het NAF verloor zeer snel het grootste deel van zijn aanhang.

Dit patroon zien we in de hele nazificeringspolitiek. Duitsers overvielen de leiding van organisaties razendsnel met vol­dongen feiten, of ze paaiden organisaties met gematigd op­treden. Uiteindelijk brachten ze vrijwel alle organisaties onder nationaalsocialistische controle door direct toezicht of door plaatsing van NSB'ers aan het hoofd ervan, maar na verloop van tijd bleek dat de bevolking zich niet liet bekeren tot de ideologie van de Nieuwe Orde. Zelfs een organisatie als Winterhulp,opgericht in oktober 1940 en bedoeld om be­hoeftige Nederlanders `zonder aanziens des persoons' finan­cieel te ondersteunen en zo de bestaande welzijnsorgani­saties te verdringen, kon op weinig steun rekenen en werd voor de bezetters een fiasco. De collectes leverden veel min­der op dan verwacht. De bevolking zag ook Winterhulp, te­recht, als een propagandamiddel voor de Duitsers en de NSB.

De positie van de NSB

We zijn tot nu toe al enkele keren de NSB tegengekomen. Voor de oorlog als een aanvankelijk succesvolle politieke be­weging die toch niet echt doorbrak en radicaliseerde tot een groep wrokkige, antisemitische ontevredenen. In de meida­gen van 1940 waren veel NSB'ers geïnterneerd en menige Ne­derlander gaf de NSB het stempel van de Vijfde Colonne. De haat tegen de NSB was algemeen en werd alleen maar groter toen Mussert, `leider van het Nederlandsche volk', openlijk de kant van Hitler en de Duitse bezetters koos. De `leider' vond het toen bijvoorbeeld nodig om op een massabijeenkomst in Lunteren in juni 1940 zijn duizenden aanhangers drie vragen te stellen.

`Zijn wij met Duitsland in oorlog?' `Nee!' weerklonk het massaal. `Zijn wij bondgenoot van Engeland?' `Nee!' was hetzelfde antwoord. `Beschermt Duitsland ons nu tegen En­gelse luchtaanvallen?' `Ja!' donderde het over het reusachti­ge terrein. En Mussert schonk vervolgens onder luide toejuichingen de 3000 kilo zware bronzen klok van de NSB aan Gdring, `de schepper van het Duitse luchtwapen'. En dat terwijl de puinhopen van Rotterdam nog maar net waren gesmeuld.

Was Mussert dan zo'n felle aanhanger van Duitsland? Was hij van plan, in 1940, Nederland met huid en haar uit te leve­ren aan het `Germaanse broedervolk'? Laten we voorop stel­len dat Mussert een overtuigd nationaalsocialist was, een antidemocraat van het zuiverste water. Maar hij was ook een Nederlands nationalist. Hij was aanhanger van de Groot-Nederlandse gedachte. Nederland zou in het nieuwe Europa, waarin Duitsland natuurlijk de eerste viool zou spelen, een zelfstandig bestaan leiden, op grond van een eigen geschiede­nis en een grootse cultuur. Vanzelfsprekend onder leiding van de NSB en haar `leider', Anton Mussert zelf. Zijn doel was om dit onder Duitse bezetting te verwezenlijken. En daarvoor had hij de Duitsers natuurlijk nodig. Die zouden hem de leiding over het land moeten geven. Die zouden het zelfstandige Groot-Nederland naast zich moeten dulden, ja zelfs helpen.

Waren de Duitsers het met Musserts ideaal eens? Waren alle NSB'ers het met Musserts ideaal eens? Helaas voor Mussert luidde het antwoord op beide vragen ontkennend. Met name de SS had grootse plannen met Duitsland en Europa. Daar hing men de Groot -Germaanse gedachte aan: alle Germaanse volken in een groot verband, onder leiding van de Fuhrer. Oude grenzen zouden verdwijnen, oude naties moesten in een nieuw, ras­zuiver Germaans 'Reich' opgaan. Een Groot-Nederland paste hier niet in. En veel NSB'ers voelden voor deze SS-idealen. Belangrijke NSB'ers als Rost van Tonnin­gen en Feldmeijer waren felle tegenstanders van Mussert en diens nationalistische gedachten.

Wilde Mussert een kans maken, zo dacht hij, dan moest hij de bezetter te vriend houden, tegemoetkomen, helpen en te­vreden stellen. Hij wilde zich onmisbaar maken en de leiding van het land op deze manier aan zich trekken. Vandaar dat Mussert de Duitsers vleide en steeds verder ging in het mee­werken, het collaboreren met de Duitsers. Hij was bereid openlijk landverraad te plegen om zijn doel te bereiken. Mussert bond binnen de NSB de strijd met de radicale SS-NSB' ers aan, maar hij heeft ze nooit definitief verslagen.

Seyss-Inquart heeft handig op deze verdeeldheid ingespeeld en op die manier zijn eigen machtspositie zoveel mogelijk veilig gesteld. Het kwam erop neer dat Seyss-Inquart Mus­sert aan het lijntje hield met loze beloften en nutteloze ereti­tels. Hij zag vanaf het begin dat de Nederlanders nooit de NSB als leiding zouden accepteren en hij was ervan overtuigd dat Mussert ook totaal ongeschikt was als `leider'. Hij gaf hem in december 1942 de titel `Leider van het Nederlandse volk', maar dat stelde in de praktijk weinig of niets voor. Mussert had Seyss-Inquart daarvoor proberen te paaien met het voorstel om 300.000 Nederlanders aan het Oostfront te laten vechten in ruil voor zijn benoeming tot minister-president. Dit landverraderlijke voorstel heeft Mussert niet uit kunnen voeren.

De NSB zelf was na mei 1940 met tienduizenden nieuwe leden verblijd. `Meikevers' werden ze in de beweging genoemd, opportunisten en baantjesjagers. De bevoordeling van de NSB door de Duitsers leidde ertoe dat gedurende de bezet­ting overal NSB-ers in leidinggevende posities kwamen. Ho­ge ambtelijke posten, burgemeestersbaantjes, veel posities bij de politie, dat was vaak de beloning voor de collaboratie. Maar ook vette contracten met de overheid en persoonlijke verrijking op kosten van joods bezit kon het lucratieve ge­volg zijn van het NSB-lidmaatschap.

De Duitse bezettingspolitiek ontwikkelde zich van een voor­zichtig beleid om de bevolking te nazificeren (1940-1941) via een verharding van het optreden (1942-1943) tot een algeme­ne terreurpolitiek (1944-1945). Deze jaartallen zijn natuur­lijk grove aanduidingen. Terreur tegen individuen en groepen was een middel dat de bezetter niet schuwde. Neder­landers die zich actief gingen verzetten konden in toenemen­de mate rekenen op een keiharde behandeling. Ze werden vervolgd en eenmaal vastgenomen waren ze als politieke ge­vangenenovergeleverd aan de willekeur van de Duitsers. Als Nederlanders werden verdacht van activiteiten tegen de Duitse bezettingsmacht, werden ze door de burgerrechter of door Duitse militaire rechtbanken berecht. In 1941 werd na de Februaristakingbesloten tot invoering van het poli­tiestandrecht. Met draconische vonnissen, zoals zware gevangenisstraffen en veelvuldige doodstraffen, die zeer snel werden uitgesproken en uitgevoerd, werd geprobeerd de be­volking te intimideren en van verder verzet af te houden. Heel berucht was het zogenoemde Oranjehotel,zoals de ge­vangenis in Scheveningen werd genoemd. Zeer veel ver­zetsmensen werden daar gevangengezet, gemarteld bij verhoren, en van daaruit naar de executieplaats in de duinen gebracht. Ook werden politieke gevangenen in concentra­tiekampenopgesloten. De kans om daar levend uit te komen was niet groot.

Het lot van de joodse Nederlanders

Hitler voerde oorlog. Dat was het doel van zijn politiek ge­weest, al lang voordat hij in 1933 aan de macht gekomen was. Deze oorlog overtrof in gewelddadigheid alles wat Europa daarvoor had gekend. De bezettingspolitiek van de nationaalsocialisten, vooral in Oost -Europa, was van een onvoorstelbare wreedheid. Daar was geen sprake van aan­vankelijk gematigd optreden. Daar speelde ook voor de niet-joodse bevolking een factor mee die in het Westen alleen jo­den en zigeuners aan den lijve hebben ondervonden, de fac­tor van het racisme.Want de strijd aan de fronten was niet Hitlers enige oorlog. Hij voerde ook een rassenoorlog, voor­al tegen de joden.

Antisemitisme heeft een duizenden jaren oude geschiedenis. Vervolgingen, pogroms,discriminatie, onderdrukking, de meeste Europese joden wisten ervan. Een land als Nederland was een gunstige uitzondering. Niet dat joden hier niet ge­discrimineerd werden, maar van vervolging was al honder­den jaren geen sprake en niets wees erop dat dit hier ooit zou gebeuren. De meeste niet-joodse Nederlanders hadden hun joodse medeburgers geaccepteerd. Men liet ze met rust. Er was wel wat antisemitisme, maar dat was over het algemeen erg gematigd en zeker niet gewelddadig.

In het nationaalsocialisme was echter een buitengewoon giftige, moderne variant van het eeuwenoude antisemitisme tot ontwikkeling gekomen. Het was `verrijkt' met racisme, een pseudowetenschappelijke theorie die een rangorde in de waarde van verschillende rassen aanbracht. Bovendien zou­den de rassen in een onderlinge strijd om de heerschappij ver­wikkeld zijn. In nationaalsocialistische ogen was het `Germaanse ras'superieur en helemaal onderaan stond het joodse ras. De `rassenstrijd' werd in deze theorie door de jo­den heel sluw gevoerd, namelijk door zich te verspreiden on­der de `tegenstander', in dit geval natuurlijk het Germaanse ras. De opdracht van het Germaanse ras was, in Hitlers ogen, om zijn bedreigde `raszuiverheid'te herstellen. Nu waren jo­den niet de enigen die de Germaanse `Ubermenschen' be­dreigden, ook het Slavische `ras' en zigeuners waren volstrekt minderwaardig inde ogen van de nationaal­socialisten. En met een ijzeren en meedogenloze consequen­tie verklaarden zij ook zwakzinnigen en homoseksuelen tot `verpesters' van hun edele Germaanse ras, niet waard om te leven.

Al voor 1939 werd in Duitsland deze oorlog gevoerd. Joden werden eerst sociaal geïsoleerd, economisch geplunderd, tot emigratie gedreven, mishandeld en vervolgd. Het was alleen het feit dat de omstandigheden voor een `totale oorlog' tegen de joden nog niet aanwezig waren, dat Hitler en zijn volgelin­gen zich `inhielden' en nog niet tot massamoord overgingen. Overigens werden ook toen al, in het geheim, zwakzinnigen systematisch om het leven gebracht. De ervaringen die daar­mee werden opgedaan, te zamen met de methode van het op­voeren van de druk en de vervolging, werden gebundeld en in de praktijk gebracht in de nieuw veroverde gebieden in Europa.

Het voeren van de `gewone' oorlog verloste Hitler van de laatste terughoudendheid ten opzichte van de joden. Emi­gratie was als `oplossing' van het `joodse vraagstuk' niet meer mogelijk. Wanneer Hitler precies tot moord op de jo­den heeft besloten is niet bekend, maar als logische laatste stap in een gruwelijke ontwikkeling die al veel langer aan de gang was. Europa zou 'judenrein' worden gemaakt, te be­ginnen in het Westen. Nederland was dus een van de eerste landen waar de jacht op de joden geopend werd, die tot totale vernietiging van deze mensen moest leiden.

In Nederland waren de Duitsers aanvankelijk rustig opgetre­den tegen de joodse burgers. Maar in oktober 1940 begon men met de zuivering van het overheidsapparaat. Alle niet-joodse ambtenaren mochten blijven, mits ze een Ariërver­klaring ondertekenden. Deze verklaring van niet-jood zijn werd door vrijwel iedere ambtenaar getekend en er volgde ontslag voor joodse collega's. Vrijwel niemand pro­testeerde.

Andere maatregelen volgden toen snel. De chronologielijst geeft de data en de maatregelen. Er zat een opgaande lijn in: sociale isolering, economische plundering, fysieke isolatie, deportatie en uiteindelijk moord. Joden mochten niet meer naar de bioscoop, niet meer in parken of andere openbare ge­legenheden komen. Joodse Nederlanders mochten hun kin­deren alleen nog maar naar speciale scholen sturen. Bedrijven van joodse Nederlanders werden onteigend en ze moesten in een speciale wijk gaan wonen, een getto. In 1942 moest iedere jood een Jodenster op de kleding dragen om voor iedereen herkenbaar te zijn.

Ondertussen waren de vervolgingen begonnen. In Amster­dam braken in februari 1941 vechtpartijen uit tussen jonge joodse Amsterdammers en provocerende WA-mannen, le­den van de Weerafdeling (WA) van de NSB. Een WA-man kwam daarbij om het leven en als wraak werden honderden joodse mannen bij razzia's bijeengeknuppeld en naar het concentratiekamp Mauthausen gedeporteerd.Binnen en­kele maanden waren ze allemaal vermoord.

De Februaristaking, die in protest daartegen toen in Amster­dam en enkele andere steden in Nederland uitbrak, werd met grof geweld gebroken.

De Duitsers eisten in februari 1941 de oprichting van de Joodse Raad.Deze organisatie kreeg als taak rust en orde onder de joden te herstellen. In werkelijkheid werd hij een ef­fectief administratief instrument ten bate van de meedogen­loze Duitse politiek.

De Duitsers wilden de anti-joodse maatregelen zo soepel mo­gelijk doorvoeren en zoveel mogelijk onrust voorkomen. Wat was er dan beter dan het werk door vertrouwenwekken­de joodse burgers zelf te laten opknappen? Wie zouden de jo­den eerder geloven dan hun eigen mensen?

In de hoop zoveel mogelijk schade te voorkomen, ging de Joodse Raad aan het werk. Met goede bedoelingen, dat wel, maar voor velen die bij de Joodse Raad werkten toch ook omdat ze zich daar veiliger voelden dan de anderen. Natuur­lijk wisten ze niet dat het uiteindelijke doel van de nazi's was om iedereen, inclusief de leden en vele honderden medewer­kers van de Joodse Raad, te vermoorden. Samenwerken met je doodsvijand om erger te voorkomen, hoelang mag je daarmee doorgaan? Hoelang konden de lei­ders van de Joodse Raad zichzelf overtuigen dat hun joodse landgenoten naar werkkampen werden gestuurd? Waarom moesten dan baby's en ouden van dagen, zieken en zwakzin­nigen naar Polen worden versleept? Na de oorlog is door een Ereraad vastgesteld dat de leiders van de Joodse Raad in het samenwerken met de Duitsers te ver zijn gegaan.

De Joodse Raad gaf hulp bij het uitvoeren van de Duitse maatregelen. Via het Joodsch Weekbladwerd iedereen van de nieuwste verordeningen op de hoogte gesteld. Allerlei raadgevingen stonden daarin, bijvoorbeeld over de juiste kleding om het klimaat in Polen goed te weerstaan. Men re­gistreerde de joodse mensen, bood financiële hulp, organi­seerde culturele evenementen en scholing, troostte de mensen en stelde hen zoveel mogelijk gerust. Men regelde opslag van meubels en men hielp financieel wanneer dat no­dig was. Men onderhandelde met de Duitse autoriteiten om de deportatielijsten te verkorten, om `waardevolle' leden van de joodse gemeenschap, zoals wetenschappers en artsen, voor deportatie te behoeden. Soms kregen ze ook wel wat ge­daan, uitstel voor deze of gene. En daardoor bleef men gelo­ven dat men al dit werk deed om erger te voorkomen.

En de grote massa van de joden? Een groot aantal van hen werd door de activiteiten van de Joodse Raad gerustgesteld. Hoevelen zijn juist niet ondergedoken omdat ze de Joodse Raad zo hun best zagen doen? Niemand kan het zeggen. Er doken, toen de feitelijke deportatie voor de deur stond, wel duizenden joden onder, maar vergeleken met andere landen in West-Europa toch weinig. In 1942 was de verzetshouding van de bevolking nog maar zwak; weinigen wilden de joden helpen. Maar wie kon en wilde de geruchten van vergassing en industriële massamoord geloven?

Op deze manier kon de concentratie van joodse Nederlan­ders in getto's betrekkelijk soepel verlopen. Zo werd de de­portatie van meer dan honderdduizend joodse Nederlanders — mannen, vrouwen, kinderen, ouden van dagen, baby's - naar het doorgangskamp Westerbork in Drenthe in Duitse ogen een groot succes. Hoop doet leven, zei men, en men hoopte op overleving in arbeidskampen in het Oosten. Men hoopte op een snel einde van de oorlog. Men hoopte op be­vrijdingsacties van de geallieerden. Degenen die bij aan­komst in de vernietigingskampenAuschwitz en Sobibor niet meteen vergast waren en verbijsterende gruwelen van de con­centratiekampen probeerden te overleven, hoopten op geal­lieerde bombardementen op de gaskamers en crematoria. Dat was een vergeefse hoop. Ongeveer 104.000 van de circa 140.000 joodse Nederlanders zijn op afschuwelijke wijze vermoord. Er kwamen maar 6000 joden uit de concentratie­kampen terug...

Wie kan beschrijven wat deze tragedie voor de mensen die het meemaakten betekend heeft? Doodgewone mensen die in een langzaam beginnende draaikolk van angst en bedrei­ging werden meegesleurd, steeds sneller, steeds dieper. Waarom hebben ze zich niet feller verzet, wordt vaak ge­vraagd. Feit is dat het joodse verzet relatief groter was dan het niet-joodse. Maar het is ook een feit dat het toch niet overweldigend en massaal was. De overmacht  was enorm. En verzet leidde vrijwel zeker tot de dood, terwijl gehoorzaamheid de hoop op redding levend hield, totdat redding niet meer mogelijk en de val gesloten was. Waarom van joodse Nederlanders een fundamenteel andere houding verwachten dan van hun niet-joodse landge­noten? De laatste keer dat Nederland bezet was geweest lag anderhalve eeuw terug. En juist de betrekkelijk grote tole­rantie had de Nederlandse joden minder weerbaar gemaakt. Verzet moet je leren en tijd om te leren werd de joden nauwe­lijks of niet gegund. Iedereen zag wat er met de joodse land­genoten gebeurde. Leerlingen en leraren zagen klasgenoten en collega's vertrekken. Stoeten mannen, vrouwen en kinde­ren stonden bepakt en bezakt op de perrons te wachten op de­portatie. Nederlandse politiemensen hielpen bij de razzia's. Nederlanders verraadden joodse medeburgers, zetten hen straat als zede kosten van de onderduik niet meer konden be­talen en niet verder uitgeknepen konden worden. De meeste mensen keken maar liever de andere kant uit en hadden ge­noeg aan hun eigen zorgen. Te laat en te weinig is er gehol­pen. Des te groter is de verdienste van hen die het onbaatzuchtig toch deden, die met gevaar voor eigen leven joden bij zich lieten onderduiken.

Van de onderduikers is Anne Frank de aller-beroemdste. Het dagboekvan Anne Frankwerd na de oorlog gevonden, gepu­bliceerd en in vele talen vertaald. Zijzelf werd, na verraad, met haar familie op transport gesteld. Ze is vlak voor de be­vrijding in Bergen-Belsen van ziekte, honger en gebrek doodgegaan.

Zie verder deel 2 CSE Nederland 1939-1945 Deel 2