We hebben 149 gasten online

CSE Positie vrouw in NL en de VS 1929-1969

Gepost in Nederland

CSE positie van de vrouw in NL en de VS 1929-1969

1 De positie van de vrouw in 1929

A De Verenigde Staten

Het vrouwenkiesrecht

`Wij zijn te oud en de jongeren missen de toewijding.' Dit constateerde Carrie Chapman Catt teleurgesteld in de loop van de jaren twintig over de vrouwenbeweging. Catt was ja­renlang een van de stuwende krachten uit de feministische beweging. Decennia lang had zij zich samen met vele andere vrouwen ingezet voor het verkrijgen van het vrouwenkies­recht. Deze vrouwen wilden het kiesrecht niet omdat ze gelij k waren aan mannen, maar juist omdat ze zo verschilden. Mannen en vrouwen hadden verschillende kwaliteiten, die elkaar aanvulden. Mannen waren bijvoorbeeld zakelijker, vrouwen waren gevoeliger. De vrouwen vergeleken het landsbestuur met een huishouding in het groot. En net als in een goed gezin man én vrouw nodig waren, had een goed bestuur van het land ook beiden nodig: ieder in zijn eigen `sfeer'. Bovendien meenden de kiesrechtstrijdsters dat vrou­wen, juist omdat ze meer aandacht voor het menselijke, het sociale hadden, hogere morele normen bezaten dan mannen en dat ze via het kiesrecht de natie moreel konden verheffen. Ten slotte waren vrouwen als moeders verantwoordelijk voor het goed laten functioneren van het gezin. De overheid kreeg door middel van wetgeving steeds meer invloed op kwesties die het domein van de vrouw, het gezin, betroffen: onderwijs, medische zorg en dergelijke. Vandaar dat vrou­wen op deze terreinen medezeggenschap wilden.

Critici, die vrouwenkiesrecht associeerden met progressieve ideeën als vrije liefde en echtscheiding, vreesden dat vrou­wenkiesrecht het einde betekende van het huwelijk. Door in hun argumenten uit te gaan van de vrouw als moeder en huis­vrouw namen de vrouwen de wind uit de zeilen van deze te­genstanders. Bovendien sloot hun argumentatie aan bij het gezinsdenken, dat in de Verenigde Staten overheerste. Waarschijnlijk heeft deze stellingname ertoe bijgedragen dat in 1920 het vrouwenkiesrecht als amendement op de grondwet werd aangenomen.

De eerste jaren

De eerste jaren na het verkrijgen van het kiesrecht leken voor de vrouwenbeweging voorspoedig te verlopen. Vrouwen werden in het Congres gekozen; als eerste Jeanette Rankin uit de staat Montana.

De kiesrechtbeweging had zich inmiddels omgevormd tot de League of Women Voters. Die probeerde zoveel mogelijk vrouwen op te wekken om gebruik te maken van hun stem­recht en oefende politieke druk uit op de bestaande politieke partijen. De vrouwenbeweging wekte de indruk, dat vrou­wen een aparte politieke groep vormden. En zo zien we dat de politieke partijen, om niet de steun van het blok vrouwelijke kiezers te verliezen, stemden voor `typische vrouwen­kwesties' zoals een verbod op kinderarbeid, zorg voor moe­der en zuigeling, bescherming van consumenten en het verbod op de verspreiding van alcohol, de `drooglegging'.

In 1922 werd de Cable Act aangenomen, die gehuwde vrou­wen het burgerrecht verleende, ongeacht het staatsburger­schap van de echtgenoot.

Teruggang

In de loop van de jaren twintig kwam er echter een kentering. De vrouwelijke kiezers bleken niet het blok te vormen waar­voor zo gevreesd werd. Vrouwen maakten lang niet allemaal gebruik van hun stemrecht en als ze stemden, deden ze dat niet anders dan hun echtgenoten of vaders. Toen dit eenmaal duidelijk werd, was het voor de politici niet meer nodig om rekening te houden met de vrouwen als aparte groep kiezers. De bereidheid in het Congres om zich in te zetten voor vrou­wenzaken nam af.

Daarnaast verzwakte de vrouwenbeweging zelf ook. Zoals Mrs. Catt al constateerde, misten jongeren niet alleen de toe­wijding, ze waren ook niet meer geïnteresseerd in de vrou­wenbeweging. Het leek of de vrouwenemancipatie bereikt was. Vrouwen hadden kiesrecht, konden in steeds meer be­roepen gaan werken en hadden nieuwe mogelijkheden op het terrein van vrijetijdsbesteding: film, dansen, sport, auto's. Bovendien verlegde een aantal vrouwen van de oude garde onder invloed van de verschrikkingen van de Eerste Wereld­oorlog haar activiteiten naar de strijd voor de vrede. Vrede werd als een typische vrouwenzaak beschouwd. Om met een van de vredesvrouwen te spreken: `Mannen lossen conflicten op door vechten, terwij 1 vrouwen juist van nature vreedzaam zijn.' Een vooraanstaande vrouw op dit terrein was Jane Ad­dams. Zij was onder andere actief in de Women's Interna­tional League for Peace and Freedom en ontving in 1931 voor al haar inspanningen de Nobelprijs voor de vrede.

Carrie Chapman Catt richtte in 1925 de National Confe­rence on the Cause and Cure of War op, een vredesorganisa­tie die in de jaren dertig zou uitgroeien tot een brede vredesbeweging, met grote jaarlijkse conferenties.

Ook de Women's Peace Union verenigde vrouwen rond de kwestie van de vrede.

Het Equal Rights Amendment (ERA)

Alice Paul bleef zich wél bezighouden met de gelijke rechten. Volgens haar was de emancipatie van vrouwen nog lang niet bereikt. Daarom ging zij zich met de door haar opgerichte National Women's Party inzetten voor het Equal Rights Amendment (ERA). Dit amendement op de grondwet hield kort en goed in dat mannen en vrouwen in de gehele Verenig­de Staten gelijke rechten zouden hebben. Volgens Paul was dit amendement de enige manier om een einde te maken aan alle discriminerende wetten en regels waar vrouwen mee ge­confronteerd werden. Je begrijpt dat Paul hierbij weinig steun kreeg van de vrouwengroepen, die meenden dat vrou­wen nu juist verschilden van mannen en niet gebaat waren bij gelijke rechten. Zij vonden dat voor vrouwen juist aparte wetten moesten komen, bijvoorbeeld een verbod op zwaar li­chamelijk werk.

In 1923 werd het amendement voor het eerst in het Congres aan de orde gesteld. Het zou echter nog jaren duren voor het serieus in discussie kwam.

Vingervlugheid, accuratesse en zorgzaamheid

In de jaren twintig bestond de meeste vrouwenarbeid uit on­betaalde arbeid in het huishouden, al nam het percentage vrouwen dat buitenshuis werkte toe met 1%. In 1930 werkte 24% van alle vrouwen buitenshuis. Dat waren vooral jonge vrouwen, die tot hun huwelijk een baantje hadden.

Door de verdergaande mechanisatie nam voor vrouwen de werkgelegenheid in de landbouw en de huishouding af. In het bedrijfsleven daarentegen ontstond vraag naar vrouwe­lijk personeel, die werd veroorzaakt door het verschil tussen mannen- en vrouwenwerk. Typisch vrouwenwerk kenmerk­te zich door lage lonen, ondergeschikte functies en maakte gebruik van `typisch vrouwelijke' kwaliteiten, zoals vinger­vlugheid, accuratesse en zorgzaamheid. In 1930 werkte al 19% van de werkende vrouwen als typiste of stenografe.

Mede onder invloed van de vraag naar vrouwelijk personeel in `nette' beroepen zien we een lichte toename van het aantal gehuwde werkende vrouwen uit de middenklasse. Zij kon­den zich huishoudelijke apparaten, zoals stofzuigers en ijs­kasten, permitteren, die het huishouden eenvoudiger en efficiënter maakten. Zo werd het mogelijk om werk te com­bineren met huishouding. Het loon dat zij verdienden werd gebruikt voor de aanschaf van extra consumptiegoederen. Het was een wereld van verschil met de zwarte gehuwde wer­kende vrouwen. Die werkten uit pure noodzaak. Voor hen geen huishoudelijke apparaten, vaak geen echtgenoot met inkomen, maar een huishouden dat na hun lange werkdag nog op hen lag te wachten.

De spil van het gezin

De vrouw werd als spil van het gezin gezien. Ze was verant­woordelijk voor de opvoeding van de kinderen en de opvang en verzorging van de kostwinner, haar man. Dat was het ideaalbeeld dat naar voren kwam in tijdschriften en reclame. De ware bestemming van de vrouw lag immers in het huwe­lijk en het moederschap. Ook feministen deelden dit stand­punt, zoals bleek uit de argumenten die de kiesrecht-strijdsters hanteerden.

Toch veranderde erin de jaren twintig wel het een en ander in de feitelijke gezinssituatie.

Het aantal echtscheidingen nam iets toe, terwijl de huwe­lijksleeftijd en het geboortencijfer daalden. Of dit laatste in verband gebracht mag worden met het optreden van de Birth Control Movement is onduidelijk. Deze beweging, die zich al vanaf de eeuwwisseling inzette voor het toepassen van ge­boortenbeperking, vond weinig steun in de gematigde vrou­wenbeweging. De pogingen om voorbehoedmiddelen te introduceren stuitten op veel weerstand en onkunde, ook on­der artsen. Geboortenbeperking werd door veel mensen geassocieerd met zedeloosheid en vrije liefde. De vrije liefde werd door een aantal Birthcontrollers inderdaad gepropa­geerd, maar voor vele anderen was geboortenbeperking een sociaal-economische kwestie: als arbeidersgezinnen minder groot zouden zijn, was er minder kans op armoede. Hoewel voorbehoedmiddelen voorlopig verboden bleven, slaagde de Birth Control Movement erin om langzamerhand geboor­tenbeperking tot een punt van discussie te maken.

Steeds meer moderne huishoudelijke apparaten, zoals stof­zuiger, ijskast en broodrooster, verschenen op de markt. In de gezinnen die deze apparaten konden betalen, veranderde er heel wat. De huishoudelijke arbeid van de vrouw werd ver­licht, maar bovendien speelde de huisvrouw een grote rol bij het aanschaffen van deze apparaten. Daarom ging de recla­me zich op de vrouw als consument richten. Het gezin werd belangrijk als consumptie-eenheid.

De moderne huisvrouw werd gestimuleerd zich meer bezig te houden met hygiëne en kinderverzorging. Je begrijpt dat dit nauwelijks was weggelegd voor een moeder uit de lagere klassen. De slechte woonomstandigheden, het ontbreken van huishoudelijke apparaten en haar dubbele baan zorgden ervoor dat ze geen tijd had voor dat soort extra dingen.

B Nederland

Politiek

`Ik ben blij dat ik de drie grote doelen in mijn leven in vervul­ling heb zien gaan. Namelijk: de openstelling van alle studies voor vrouwen en de uitoefening van alle beroepen; het Moe­derschap als een kwestie van willen en niet meer van moeten; en de politieke gelijkstelling van vrouwen.' Dat schreef Alet­ta Jacobs in 1928 aan haar vriendin Carrie Chapman Catt. Jacobs, toen 74 jaar, was een van de vooraanstaande kies­rechtstrijdsters in Nederland. Ze maakte samen met Catt over de halve wereld propagandareizen voor het vrouwen­kiesrecht. Ze correspondeerde uitgebreid met vrouwen uit verschillende landen en bezocht allerlei internationale vrou­wencongressen.

Dat deed ook Johanna Naber, een andere feministe van het eerste uur. Zij was een van de bestuursleden van de Internati­onale Vrouwenraad (IVR), die een overkoepelend orgaan wilde zijn voor alle vrouwenorganisaties in de hele wereld. Het is dus begrijpelijk dat de argumenten en de strijdwijze van de Nederlandse kiesrechtstrijdsters sterk overeenkwamen met die in Amerika. Ook hier ging men ervan uit dat mannen en vrouwen verschillend waren en dat ieder zijn eigen specifieke kwaliteiten had.

Het vrouwenkiesrecht werd in Nederland na jarenlange strijd stapsgewijs verkregen. In 1917 kregen de vrouwen bij de grondwetswijziging het passief vrouwenkiesrecht. Bij de eerstvolgende verkiezingen in 1918 werd Suze Groeneweg, een sociaal-democrate, als eerste vrouw in de Tweede Kamer gekozen. Zij werd echter niet vanwege haar feministische sympathieën gekozen, maar omdat men haar een goed par­tijlid vond. In 1919 kwam het actief vrouwenkiesrecht en in 1922 ten slotte werden vrouwen dankzij een grondwetswijzi­ging (artikel 81) staatkundig gelijkgesteld aan de man. In dat jaar mochten vrouwen ook voor het eerst meestemmen voor de Tweede Kamer.

De strijd voor verkrijging van het vrouwenkiesrecht werd vooral door liberale en sociaal-democratische groepen ge­voerd, zoals de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwen-propagandaclubs. Deze in 1908 opgerichte bond had echter als hoofddoel de verspreiding van de socialistische gedachte onder vrouwen. Ook zette zij zich in voor ontwapening.

Toen het vrouwenkiesrecht steeds dichterbij kwam gingen ook de confessionele partijen vrouwenorganisaties oprich­ten. Het verzuilde politieke systeem in Nederland bracht met zich mee dat er een katholieke, een protestants-christelijke en een sociaal-democratische vrouwenorganisatie ontstond. De R.K. Vrouwenbond en de Christenvrouwenbond functio­neerden volledig binnen hun eigen zuil. Beide bonden hiel­den zich vooral bezig met sociale kwesties en hielden de officiële politiek zoveel mogelijk buiten de deur. De verzui­ling zorgde er ook voor dat de Nationale Vrouwenraad (NVR), die een overkoepelend orgaan wilde zijn van alle vrouwenorganisaties in Nederland, dat doel niet bereikte. De verzuilde organisaties sloten zich er niet bij aan. Ook de Joodse Vrouwenraad niet.

Huishouden wordt een vak

Al had de vrouw nu het kiesrecht, daarmee veranderde niets aan haar levensbestemming: het moederschap. Voor de meeste meisjes was dat ook het ideaal: een gezin met kinde­ren, waar zij de scepter zwaaide. Vrouwen die om wat voor reden niet trouwden vond men meestal zielig en zij werden beschouwd als overgeschoten. Slechts één groep ongehuwde vrouwen ondervond respect: de vrouwen die in het klooster gingen. Maar dat waren dan ook `bruiden van Christus'.

De arbeid die de huisvrouw verricht wordt wel eens omschre­ven als reproductie. Daarmee wordt bedoeld dat zij door haar man eten te geven en gezond te houden en door haar kin­deren gezond te laten opgroeien hen in staat stelt om te wer­ken. Zo reproduceert de huisvrouw de arbeidskrachten die de samenleving nodig heeft.

De industrialisatie, die in Nederland later en langzamer op gang kwam dan in de VS, veranderde de repróductieve taak van de huisvrouw. Fabrieken namen een aantal taken van de huisvrouw over, zoals de confectie en de levensmiddelenin­dustrie. Zelf kleren maken werd minder noodzakelijk en de voedselbereiding kostte minder tijd. Ook de invoering van arbeidsbesparende machines, zij het nog op beperkte schaal, vereenvoudigde het huishoudelijk werk. En de introductie van gas en elektriciteit als energiebronnen maakten wassen en eten koken eenvoudiger en schoner.

Daarnaast werd de arbeid in de huishouding zelf bestudeerd. Ideeën uit de industriële produktie werden toegepast op de huishoudelijke arbeid, wat leidde tot een rationalisatie van de huishoudelijke arbeid. Keukens werden zo ontworpen dat de huisvrouw daar efficiënt in kon werken. Overbodig ge­loop tussen fornuis en gootsteen werd voorkomen door die twee naast elkaar te plaatsen. Deze tijdbesparende factoren leidden er echter niet toe dat de huisvrouw meer vrije tijd kreeg. Integendeel, het huishouden en de opvoeding werden steeds meer als vak gezien en de huisvrouw diende zich te scholen in de nieuwe methoden van voedselbereiding, was­behandeling en dergelijke. Daarnaast behoorde ze op de hoogte te zijn met de nieuwe inzichten die er waren op het ter­rein van kinderopvoeding en hygiëne.

Met dat doel werden speciaal voor huisvrouwen huishoud­cursussen georganiseerd aan huishoudscholen. Ook de oprichting van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen in 1912 paste in deze ontwikkeling. De Vereniging wilde een vakvereniging voor huisvrouwen zijn, omdat het huishou­den `inderdaad een vak' was.

De nadruk die kinderopvoeding en hygiëne kregen bleek on­der andere uit de oprichting van consultatiebureaus. Door moeders voor te lichten over de beste methoden van opvoe­ding en ze dwingend voor te schrijven hoe de zuigelingen ge­voed en verschoond dienden te worden, hoopte men de zuigelingensterfte terug te dringen. De consultatiebureaus (de eerste geneeskundige overheidsvoorzieningen) richtten zich in eerste instantie op de lagere sociale klassen. Maar ook moeders uit de middenklasse maakten er steeds meer gebruik

Geboortenbeperking

Net als in de VS daalde het geboortencijfer in de jaren twin­tig. Voor sommige vrouwen werd het moederschap inder­daad een kwestie van willen en niet meer van moeten, zoals Aletta Jacobs stelde. Dit werd onder andere mogelijk door het optreden van de Neo-Malthusiaanse Bond. Deze bond, in 1881 opgericht, propageerde de geboortenbeperking. Via voorlichting en verstrekking van voorbehoedmiddelen trachtte de bond zijn ideeën te verwezenlijken. De bond werd fel bestreden, met name door de katholieken, die geboortenbeperking als een misdaad, een zonde zagen. Inde bijbel stond immers dat sek­sueel contact tot doel had het verwekken van nakomelingen. Ondanks deze tegenwerking groeide de bond gestaag. In 1929 had hij ruim 8000 leden, in 1939 bijna 29 000. In 1931 werd het eerste consultatiebureau van de bond opgericht in Amsterdam, het Aletta Jacobshuis.

Moederen in het groot

Uit het vorenstaande is al duidelijk geworden, dat de meeste vrouwenarbeid, de reproductie, binnen het gezin werd ver­richt. En hoewel de vrouwenbeweging aan het begin van de twintigste eeuw zich naast het kiesrecht had ingezet voor be­taalde arbeid voor vrouwen, was het percentage werkende vrouwen sinds de eeuwwisseling nauwelijks toegenomen.

Wel nam, net als in de VS, het percentage vrouwen dat in de landbouw en de huishoudelijke diensten werkte vanaf 1900 gestaag af, terwijl het aantal werkende vrouwen in handel, administratie en industrie toenam. En ook hier zien we het al eerder beschreven onderscheid tussen mannen- en vrouwen­werk. Leidinggevende taken of promotiekansen waren er niet voor vrouwen, omdat men ervan uitging dat de vrouw (het meisje) slechts werkte om de tijd op te vullen tussen school en huwelijk. Nog sterker dan in de VS gold hier dat vrouwenarbeid in feite meisjesarbeid was. Maar 2% van de werkende vrouwen was gehuwd. De kleine groep vrouwen die wel carrière wilde maken bestond veelal uit ongehuwde vrouwen, die meestal terechtkwamen in functies waarbij de verzorgende, sociale en opvoedkundige kwaliteiten van vrouwen ('moederen in het groot') voorop stonden, zoals so­ciaal werksters, verpleegsters en onderwijzeressen.

Aletta Jacobs kon dan wel constateren dat alle beroepen voor vrouwen waren opengesteld, maar in de praktijk bleken vrouwen toch in typische vrouwenberoepen terecht te ko­men. Het allerbelangrijkste vrouwenberoep bleef echter dat van huisvrouw.

2 De invloed van de crisisjaren 1929-1939

Natuurlijk heeft de beurskrach van 1929 en de daarop vol­gende economische crisis grote invloed gehad op het leven van vrouwen. Ook de Europese landen raakten, vanwege de grote Amerikaanse investeringen in Europa, betrokken bij de crisis. De werkloosheid die zowel in Nederland als in de VS opliep tot bijna een kwart van de werkende bevolking had in­grijpende gevolgen voor het gezin en de arbeid van vrouwen. Soms waren die gevolgen echter anders dan je zou ver­wachten.

A De Verenigde Staten

`Don't steal a job from a man!'

Zo werd er in de jaren dertig gedacht over vrouwen die bui­tenshuis werkten. Men vond dat vrouwen niet het recht had­den het werk van mannen in te pikken. Er waren maar weinig politieke kwesties waar de Amerikanen het over eens waren in de jaren dertig, maar dat gehuwde vrouwen niet buitens­huis hoorden te werken dát vond haast iedereen. Ze hoorden gewoon thuis hun kinderen te verzorgen. In vrouwentijd­schriften verschenen artikelen met als titel 'You Can Have My Job: A Feminist Discovers Her Home'.

Terwille van die publieke opinie werden ook maatregelen ge­nomen om het werk van (gehuwde) vrouwen te beperken. Vele werkgevers besloten vrijwillig geen gehuwde vrouwen meer in dienst te nemen. En in 1932 nam het Congres een wet aan (de Federal Economy Act), die bepaalde dat per gezin slechts een van de echtgenoten werkzaam mocht zijn bij de federale regering. In de praktijk betekende dit veelal de man. De League of Women Voters en de National Women's Party verzetten zich hevig tegen deze wet.

Ondanks deze maatregelen en de vijandige houding tegen­over werkende gehuwde vrouwen, nam hun aantal tijdens de crisis echter met 50% toe, terwijl het percentage werkende vrouwen met 1% toenam. Hoe was dat mogelijk?

De verklaring ligt allereerst in het feit, dat mannen en vrou­wen verschillende soorten werk deden. De zware industrie, een sector waar veel mannen werkten, werd het zwaarst ge­troffen door de crisis, terwijl de sectoren waar vrouwen werkten, lichtere industrie, administratie en dergelijke, min­der getroffen werden. Door het grote onderscheid tussen mannen- en vrouwenwerk op de arbeidsmarkt was het echter haast onmogelijk om een werkloze man het werk te laten overnemen van een vrouw. Een walser uit de staalindustrie kan toch moeilijk het werk overnemen van een hoeden­maakster of kinderverzorgster. Vandaar dat vrouwen vaker dan mannen hun werk konden behouden.

Alleen in beroepen die niet zo sekse-specifiek waren, zag je dat vrouwen in groten getale werden ontslagen. Zo was er in de jaren dertig wél een sterk toenemende werkloosheid onder leraressen, bibliothecaressen en dergelijke.

Daarnaast was het nog steeds zo, dat vrouwenwerk minder betaald werd dan mannenwerk. Zo was in 1937 het gemiddel­de inkomen van vrouwen ongeveer de helft van dat van man­nen. Een vrouw in dienst nemen was dus voordeliger.

Een derde verklaring is te vinden in de situatie in het gezin tijdens de crisis.

Tenslotte was de New Deal van invloed.

Roosevelt en de New Deal

Spoedig na zijn verkiezing als president in 1932 kwam de de­mocraat Franklin D. Roosevelt met een serie wetten en maat­regelen om de economische crisis te bestrijden, de New Deal. De New Deal betekende een ingrijpende verandering wat be­treft de taak van de overheid. Voor die tijd had de overheid zich nooit bemoeid met zaken als werkloosheid, armoede en oudedagsvoorziening. Dat paste niet in het Amerikaanse denken, waarin vrijheid en eigen verantwoordelijkheid een‑

traal stonden. Nu kwam Roosevelt met wetgeving op deze terreinen. Dankzij de invloed van Roosevelts vrouw Eleanor Roosevelt en de vrouwenafdeling van de democratische par­tij, de Women's Division of the Democratic Party, benoemde Roosevelt een vrij groot aantal vrouwen op belangrijke posten binnen het ambtelijke apparaat. Frances Perkins, die tot minister van arbeid benoemd werd, was de eerste vrouwe­lijke minister in de VS. Deze `New Deal-vrouwen' konden nu vanuit hun nieuwe posities proberen hun `oude' sociale en morele ideeën op het gebied van kinderarbeid, zorg voor moeder en kind en dergelijke uit te voeren.

De New Deal-wetten, niet in eerste instantie op vrouwen ge­richt, hadden wel hun gevolgen voor vrouwen.

De National (Industrial) Recovery Act (NRA) van 1933 gaf richtlijnen voor minimumlonen en arbeidstijden, die voor alle werknemers, dus ook voor vrouwen zouden moeten gel­den. Toch bleef het mogelijk gehuwde vrouwen een lager loon te betalen. Bovendien vielen sectoren waar veel vrou­wen werkten, zoals landbouw, huishouding, dienstverlening en administratie, niet onder de wet.

De Social Security Act van 1935 voorzag onder andere in een oudedagsvoorziening en een weduwen- en wezenuitkering. Hulp aan gezinnen was slechts mogelijk als er een mannelijke kostwinner was.

Onder druk van vrouwenorganisaties, die protesteerden te­gen het achterwege blijven van werkgelegenheidsprojecten voor vrouwen, richtte de overheid kampen in waar vrouwen,

tegen vergoeding van een zakgeld, arbeid konden verrichten. Van welke New Deal-maatregelen profiteerden vrouwen', Allereerst gingen de gemiddelde vrouwenlonen dankzij de NRA-wetgeving omhoog (al bleven ze lager dan de mannen­lonen) en werden de werktijden geregeld. Bovendien kwa­men er als direct gevolg van de New Deal meer banen voor vrouwen. De vele wetten die onder de New Deal ingevoerd werden, hadden een enorme uitbreiding van het ambtelijke apparaat tot gevolg. Op de departementen en overheidsbu­reaus konden daardoor vrouwen als typiste, secretaresse of stenografe een baan vinden.

Al met al lijkt het erop dat vrouwen op de arbeidsmarkt enigszins geprofiteerd hebben van de economische crisis. De door de vrouwenbeweging bekritiseerde sekse-segregatie op de arbeidsmarkt bleek nu in het voordeel van vrouwen te werken. Doordat vrouwen minder werkten in de sectoren die het ernstigst getroffen werden door de crisis en doordat ze `goedkoper' waren, wisten ze hun positie op de arbeidsmarkt te behouden en zelfs enigszins uit te breiden. Het proces van toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, dat sinds 1900 waarneembaar was, ging ondanks de crisis gewoon door.

Zwarte vrouwen

`De crisis, dat is een uitvinding van de blanken. Voor ons zwarten is het altijd crisis.' Deze uitspraak gold zeker voor de zwarte werkende vrouwen. Zij hadden ° al niet geprofiteerd van de voorspoed in de jaren twintig. Maar tijdens de crisis werd hun situatie pog uitzichtlozer. De uitbreiding van het aantal `schone' vrouwenberoepen bood geen voordelen voor hen. Zij werkten voor het overgrote deel in de landbouw en de huishouding, juist die sectoren waar de omstandighe­den het slechtst waren en waarde overheid de minste greep op had. Zij werkten niet, zoals de blanke middenklassevrou­wen, om het gezinsbudget wat aan te vullen. Hun werk was pure noodzaak.

Een van de weinige zwarte vrouwen die benoemd werd door Roosevelt was Mary McLeod Bethune, die een positie kreeg op het terrein van het jeugdbeleid. Deze benoeming trok sterk de aandacht, omdat zwarte vrouwen in dubbel opzicht gediscrimineerd werden. Er was ook nauwelijks sprake van samenwerking tussen blanke en zwarte vrouwen. Ieder had haar eigen organisaties. Zo werd Mary McLeod Bethune in 1935 voorzitter van de National Council of Negro Women, een zwarte vrouwenorganisatie met 850 000 leden.

Het gezin

`Vrouwen weten dat het leven door moet gaan, en dat in de le­vensbehoeften moet worden voorzien. Hun moed en vast­beslotenheid hebben ons door ernstigere crises geleid dan de huidige,' aldus Eleanor Roosevelt. Zij stelde dat de taak van vrouwen tijdens de crisis zwaarder werd.

Welke invloed had de economische crisis op het gezinsleven in de VS? Wat veranderde er voor vrouwen in het gezin? Dat de meerderheid van de Amerikanen vond dat de taak van de vrouw in het gezin lag hebben we al gezien. Deze consensus werd uitgedragen in de reclame, op de radio en door de kerk.

Rijk of arm, bijna alle vrouwen werden geconfronteerd met de crisis. Daar waarde man ontslagen werd, had de vrouw de taak de thuiszittende man geestelijk te ondersteunen. Want een werkloze man raakte niet alleen zijn inkomen kwijt, maar ook het respect van anderen.

Daarnaast moest de vrouw proberen rond te komen met een veel lager gezinsbudget. Veelal betekende dat meer werk: geen dure kant-en-klaar maaltijden, maar goedkope een­pansgerechten, kinderkleding maken uit versleten volwas­sen kleding, lang onderweg zijn om zo goedkoop mogelijk boodschappen te doen enzovoort. Bij met name zwarte ge­zinnen op het platteland was er sprake van echte armoede. Bovendien probeerden veel vrouwen met een werkloze man thuis zelf er wat bij te verdienen, hetzij in de vorm van thuis­werk, hetzij buitenshuis. Als dat lukte betekende het een dubbele belasting, want zelfs als de vrouw erbij werkte was het toch haar taak om voor de huishouding en de kinderen te zorgen.

In gezinnen waar de man niet zonder werk kwam, werd de vrouw toch geconfronteerd met een achteruitgang van inko­men. Dat betekende minder geld voor de luxe goederen waar men, vooral in de steden, in de loop van de jaren twintig juist aan gewend was geraakt. Dus: minder vlees eten, minder naar de bioscoop, minder autorijden. Bovendien was er de voortdurende angst voor onvoorziene grote uitgaven. Het betekende een stap terug, maar geen totale ellende. Toch probeerden ook uit deze groep vrouwen een betaalde baan te zoeken, ondanks de openlijke vijandigheid tegenover ge­huwde werkende vrouwen. Zij wilden het consumptieniveau dat ze voor de crisis gewend waren, handhaven. Dit gold vooral voor blanke middenklassengezinnen.

Dat de mensen op het dieptepunt van de crisis het somber in­zagen blijkt uit de demografische cijfers. Tussen 1929 en 1932-1933 daalden huwelijks, geboorten- en echtschei­dingscijfers. Financiële problemen waren hiervan de oor­zaak. Een jong stel had geen geld voor een huis. Een echtpaar dat wilde scheiden bleef bit elkaar: samenwonen is goedkoper dan alleen. En ook het krijgen van kinderen werd uit­gesteld vanwege de kosten en het sombere perspectief. Een bijkomende factor was, dat langzamerhand in de jaren der­tig voorbehoedmiddelen gemakkelijker verkrijgbaar wer­den, dankzij de niet-aflatende druk van de Birth Control Movement. In enkele staten werd onder invloed van de crisis geboortebeperking een onderdeel van de gezondheidszorg.

B Nederland

Naar natuurlijk bestel

`Naar natuurlijk bestel, dient de man de kostwinner van het gezin e zijn en heeft de vrouw tot taak de verzorging van het gezin. Het is in het algemeen een misstand, wanneer de vrouw zich aan die taak onttrekt en zich een andere werk­kring zoekt. De vrouw wordt dan door haar beroepsbezighe­den verhinderd de gezinsbelangen naar behooren te behartigen.' Deze uitspraak deed minister Romme in 1937. De crisispolitiek van de Nederlandse regering bestond, in te­genstelling tot de New Deal, uit een politiek van aanpassing. Dat wil zeggen, aanpassing aan de omstandigheden, bezuini­ging op de overheidsuitgaven door middel van salarisverla­gingen van ambtenaren en beperking van de bouw­activiteiten. Dit alles in de veronderstelling dat de crisis spoe­dig voorbij zou zijn. Maar deze politiek leidde juist tot ver­sterking van de crisis.

In het vorige hoofdstuk hebben we al gezien wat er eind jaren twintig begin jaren dertig voor vrouwen op de arbeidsmarkt veranderde.

Een van de maatregelen die de confessionele regeringen in de jaren dertig namen ter bestrijding van de werkloosheid, was het tegengaan van vrouwenarbeid, omdat die, zoals zij meenden, sinds het begin van de eeuw `schrikbarend' was toegenomen. Gesteld werd, dat vrouwen de arbeidsplaatsen van mannen in beslag namen. Soms gebeurde dat inderdaad.

Aangezien de lonen voor vrouwen aanmerkelijk lager waren dan die voor mannen (zo'n 30 tot 50%), was het vooral in tij­den dat het niet zo goed ging in de industrie, aantrekkelijk om vrouwen in dienst te nemen. Op die manier konden de produktiekosten omlaag. Het ging dan meestal om jonge (ongehuwde) vrouwen. Dit economische argument om de vrouwenarbeid te verbieden werd echter gekoppeld aan een `moreel' argument, namelijk dat vrouwen in het gezin hoorden.

Vandaar dat de eerste maatregelen de gehuwde vrouwen troffen. In 1933 kwam er een verbod op het aannemen van gehuwde ambtenaressen, terwijl ambtenaressen die gingen trouwen ook ontslagen dienden te worden. (Er zijn op dat moment 158 gehuwde vrouwen in rijksdienst.)

In 1935 bepaalde de wet Marchant dat deze maatregelen ook voor onderwijzeressen gingen gelden.

Bij het wetsvoorstel van Romme in 1937, dat een volledig verbod op arbeid van gehuwde vrouwen inhield, werd steeds duidelijker dat het morele argument het belangrijkste was, zoals blijkt uit het citaat hiervoor. Het wetsvoorstel kende enkele uitzonderingen: kostwinsters vielen niet onder de re­geling evenmin als werksters, waar een enorm tekort aan was. Bij de verdediging van dit wetsvoorstel speelde Romme in op het gezinsdenken en de ideeën over opvoeding en moe­derschap, die in brede lagen van de bevolking, met name bij de confessionelen, heersten.

Toch kwam er zoveel verzet tegen het wetsontwerp, onder andere van de kant van de werkgevers, dat het uiteindelijk in 1939 weer werd ingetrokken. Terwijl de regering enige jaren eerder van mening was, dat de vrouwenarbeid 'schrikba­rend' was toegenomen, stelde men bij de discussie over het wetsvoorstel voor een onderzoek te doen naar de omvang van de arbeid van gehuwde vrouwen. Blijkbaar waren daar geen juiste cijfers over voorhanden.

Baanbrekend werk op het terrein van de vrouwenarbeid werd verricht door de econome W.H. Posthumus-van der Goot, die samen met Johanna Naber en Rosa Manus in 1935 het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV) oprichtte. Doel van het IAV was `het bevorderen van deken­nis en de wetenschappelijke studie der vrouwenbeweging in de uitgebreidste zin'. Het onderzoek naar de vrouwenarbeid van mevrouw Posthumus-van der Goot maakte duidelijk, dat er geen sprake was van een `schrikbarende' groei van het aantal werkende vrouwen. Zij berekende dat het percentage buitenshuis werkende vrouwen tussen 1909 en 1930 was gestegen met 0,9%. Een percentage dat niet afweek van de totale toename van de werkende bevolking.

De gehuwde werkende vrouwen maakten in 1930 slechts 2,2% uit van de beroepsbevolking. In 1899 was dat 2,3%. Van deze 2,2% werkte bovendien het grootste deel als kleine zelfstandige in het familiebedrijf. In vergelijking met de situ­atie in de VS was dit heel weinig.

Nu we deze cijfers kennen hoeft het ons niet te verbazen, dat de maatregelen ter beperking van de vrouwenarbeid geen in­vloed hadden op de vrouwenarbeid, maar ook niet op de werkloosheidscijfers.

De werkloosheid onder vrouwen nam procentueel evenveel toe als die van mannen en na 1936 daalde die ook weer. We moeten de hiervoor beschreven maatregelen dan ook vooral zien als een poging van de overheid om haar normen op het gebied van het gezinsleven aan de burgers op te leggen.

Het gezin

Romme was met zijn ideeën over de vrouw in het gezin de spreekbuis van de protestanten en katholieken, die meenden dat de gehuwde vrouw niet buitenshuis behoorde te werken. Ook hun vrouwenorganisaties namen dit standpunt in. Bo­vendien benadrukten zij dat het een schande was dat een ge­huwde vrouw uit noodzaak moest werken. Inplaats daarvan zou dan een beroep gedaan moeten worden op de sociale voorzieningen.

De kwestie van de dubbele werkkring is inderdaad een be­langrijk punt. In de loop van de jaren dertig werd de druk op de huisvrouw als spil van het gezin groter. Net als in de VS kregen de gezinnen waarde werkloosheid toesloeg het moei­lijk Aan het begin van de crisis bestond er nog geen behoor­lijke steunregeling en toen die er eenmaal was, kwam een groot deel van de werklozen (in 1937 46%) niet in aanmer­king voor een uitkering. Maar ook gezinnen die wel steun ontvingen hadden het moeilijk. De steunbedragen waren vrij laag, waardoor het voor de huisvrouw een hele opgave werd om rond te komen. Door middel van goedkoper eten, vaker repareren van kleding en dergelijke probeerde ze het te red­den. We noemen dit de bufferfunctie van het gezin. Als dat niet lukte werd er geleend, gepoft of iets bij de lommerd ge­bracht. Vaak zonder dat de man er iets van wist, want die schaamde zich al genoeg over het feit dat hij zonder werk zat. Vrouwen probeerden soms het gezinsinkomen te verhogen door te gaan werken. Om begrijpelijke reden gebeurde dat vaak zwart: in de huishouding, maar ook in de haven. Ook werd veel thuiswerk gedaan: wassen voor een ander, garna­len pellen, enveloppen plakken en dergelijke.

In veel gezinnen van werklozen werd de rol van de vrouw in het gezin belangrijker. Ze zorgde voor het huishouden en vaak voor een extra inkomen, terwijl de man niets deed. Hierdoor veranderden de gezinsverhoudingen. De vrouw kreeg meer inbreng, werd zelfstandiger.

In 1935 werd de arbeidsplicht voor gezinsleden van steun­trekkers ingesteld. Een merkwaardige regel als je bedenkt dat tegelijkertijd geprobeerd werd het werk van gehuwde vrouwen te verbieden. Echtgenotes en kinderen van werklo­zen moesten zich bij het arbeidsbureau melden om te wer­ken. Voor vrouwen en meisjes kwam dat vaak neer op het verrichten van huishoudelijk werk, want daar was nog steeds een tekort aan. Ook in fabrieken vonden de jonge meisjes ge­makkelijk werk vanwege het lage loon dat meisjes betaald werd. Twee derde van het zo verdiende loon werd echter in­gehouden door de steun.

Net als in de VS had de crisis invloed op het aantal geboorten en huwelijken. Beide daalden. Het was de tijd van de lange verlovingen. Vaak was er niet voldoende geld om te trouwen, of betekende een huwelijk ontslag voor de vrouw en dus ver­mindering van inkomsten. Ook werden huwelijken uit­gesteld omdat werkloze ouders ondersteund moesten worden.

Al vanaf 1920 kunnen we een daling van het geboortencijfer waarnemen, ondanks het verbod van, met name de katholie­ke kerk, op voorbehoedmiddelen. In rooms-katholieke kring werd een gezinspolitiek gevoerd, die via de kerkelijke en maatschappelijke organisaties druk uitoefende op vrou­wen en meisjes om te huwen en vervolgens zoveel mogelijk kinderen te krijgen. De katholieken waren ook de felste bestrijders van de Neo -Malthusiaanse Bond, die steeds meer cliënten kreeg.

Anti-Romme-actie

`Een coupeur en coupeuse uit Ommen,

die konden er samen net kommen,

maar al klinkt het wat raar

ze gaan nou uit elkaar.

En dat komt door het wetsontwerp Romme.

(Uit: De Groene.)

Gedichtjes zoals dit werden gebruikt in de acties die vrouwen voerden tegen de beperking van de vrouwenarbeid. Toen vanaf 1933 duidelijk werd dat de Nederlandse regering maat­regelen ging nemen tegen de arbeid van (gehuwde) vrouwen, werd er al spoedig het Comité tot Verdediging van de Vrij­heid van Arbeid van de Vrouw opgericht. Dit comité (het comité-met-de-lange-naam, zoals het wel genoemd werd) was een samenwerkingsverband van een twintigtal vrouwen­organisaties. Dat de Nederlandse Christenvrouwenbond en de R.K. Vrouwenbond zich niet aansloten bij het comité, zal je niet verbazen.

Het comité organiseerde het verzet tegen het wetsontwerp Romme, dat de Anti-Romme-actie werd genoemd. Door middel van brochures, pamfletten, advertenties en protest­bijeenkomsten stelde het comité zich teweer tegen de plan­nen van Romme. De succesvolle en vrij massale acties hebben zeker bijgedragen aan het uiteindelijke intrekken van het voorstel in 1939.

Voor vrede en tegen fascisme

Net als in de VS gingen ook in Nederland vrouwen zich na het bereiken van het vrouwenkiesrecht bezighouden met kwesties van oorlog en vrede. Een van hen was Rosa Manus. Zij speelde een belangrijke rol bij diverse internationale vre­descongressen, die in de jaren dertig plaatsvonden. De werk­wijze van deze organisatie bestond vooral uit het organiseren van internationale congressen om zodoende contacten te leg­gen met vrouwen uit de hele wereld. In een later stadium or­ganiseerde Rosa Manus, zelf een joodse, hulp voor vluchtelingen uit nazi-Duitsland. Dergelijke initiatieven werden ook door Amerikaanse vrouwengroepen on­dernomen.

Een andere organisatie die zich bezighield met de bestrijding van oorlogen fascisme was het Wereldvrouwencomité tegen oorlog en fascisme (WVC). Deze linkse organisatie stond op het standpunt dat de vrede een echte vrouwenzaak was. Als vrouwen en moeders, die het leven doorgaven, vonden deze vrouwen dat ze niet passief mochten zijn in de bestrijding van oorlog en fascisme. Het WVC veroordeelde oorlogsspeel­goed, steunde dienstweigeraars en maakte een diepgaande analyse van de oorzaken van het fascisme.

Ook de jaarlijkse vrouwenvredesgang, die voor het eerst in 1934 werd gehouden, liet zien dat vrouwen vrede als een ech­te vrouwenzaak beschouwden. Duizenden vrouwen van al­lerlei overtuigingen liepen daarin mee.

Inmiddels had, met de oprichting van de Nationaal Socia­listische Beweging (NSB) in 1931, in Nederland het fascisme ook voet aan de grond gekregen. Toch bleven de waarschu­wingen tegen het fascisme vooral gericht op de fascistische bewegingen in Italië en Duitsland. De NSB liet geen twijfel bestaan over de positie van vrouwen in het fascisme. Man en vrouw hadden ieder hun eigen terrein. Het terrein van de vrouw bestond uit het gezin. Zij was hoedster van de traditie, de zeden en de godsdienst. De vrouw werd als moeder, op­voedster en verzorgster op een voetstuk geplaatst. Dit waren ideeën die voor grote groepen van de bevolking zeker geen bedreiging inhielden. Integendeel, ze sloten aan bij het ge­zinsdenken dat in heel Nederland de overhand had.

In 1938 werd door de NSB de Nationaal Socialistische Vrou­wenorganisatie (NSVO) opgericht. Nu konden de vrouwen binnen de NSB hun werk een meer vrouwelijke richting ge­ven. In feite was het een duidelijkere scheiding van het mannen- en vrouwendomein. In mei 1940 telde de NSVO 1500 leden, waarvan de meeste echtgenoten van NSB-ers wa­ren. Pas na mei 1940 zou de NSVO flink in ledental toenemen.

3 Vrouwen in oorlogstijd 1939-1945

Oorlog lijkt een echte mannenzaak. Veldslagen, fronten, soldaten, bommenwerpersen generaals; het lijkt of vrouwen er niets mee te maken hebben. Hoe verandert een oorlog het leven van vrouwen? In het vanaf mei 1940 bezette Nederland waren de gevolgen voor vrouwen heel anders dan in de VS, dat na de aanval op Pearl Harbor in 1941 bij de oorlog be­trokken raakte.

A Nederland

Recept van de week: `Spinazie zonder spinazie.'

`U bewaart het groen van de radijsjes en van de worteltjes. U hakt dit groen fijn en maakt het klaar als spinazie. Dien het op met...'

Op deze manier probeerden honderdduizenden vrouwen in Nederland dag in dag uit te verzinnen wat er op tafel moest komen, terwijl er nauwelijks iets te verzinnen viel. In mei 1940 ontstonden er bijna onmiddellijk voedsel- en grondstofproblemen. De aanvoer van overzee stokte en er werd veel naar Duitsland `geëxporteerd'. De overheid had met het oog op de oorlogsdreiging wat voorraden laten aan­leggen en een distributiesysteem ontwikkeld, om iedere bur­ger door middel van voedselbonnen een basispakket aan noodzakelijke levensbehoeften te garanderen. Al in juni 1940 gingen brood, koffie en thee op de bon, in september vlees, in oktober kaas enzovoort. Uiteraard moesten de boodschappen gewoon betaald worden, maar zonder bon kreeg je je pak koffie gewoon niet. Huisvrouwen stonden vaak urenlang in de rij, want al had je bonnen, toch moest je er snel bij zijn, wantje wist nooit of er die dag voldoende was. Voor produkten die niet of nauwelijks te krijgen waren, zo­als koffie, theeen chocola, bestonden vervangingsmiddelen, de surrogaten. Ondanks de verslechterende voedselsituatie en het tekort aan brandstof was er tot 1944 nauwelijks sprake van honger. Maar lekker was het eten lang niet altijd. De voedselsituatie veranderde echter drastisch in het laatste oorlogsjaar. Het zuiden was al bevrijd en het westen ging de laatste winter, de hongerwinter, in. De spoorwegen staak­ten, de Duitsers legden daarop het scheepvaartverkeer stil, de aanvoer van voedsel stagneerde in ernstige mate. In de ijs­koude winter van 1945 gaven de wegen naar het oosten en het noorden van ons land het beeld te zien van een eindeloze stoet van vooral huisvrouwen, die op de fiets, met de kinderwagen of de handkar op hongertocht gingen.

Niet alleen de zorg voor het gezin drukte in deze tijd zwaar op de huisvrouw. Veel gezinnen waren ontwricht, doordat de mannen tewerk gesteld waren in Duitsland, krijgsgevangen waren of ondergedoken zaten. Dat het aantal huwelijken af­nam, valt dan ook gemakkelijker te begrijpen dan de stijging van het geboorteciifer in de oorlogsjaren.

Vrouwenarbeid in oorlogstijd

Het grootste deel van de bezettingsperiode draaide het ar­beidsleven van de vrouw gewoon door: als spil van het gezin en voor sommigen een baan buitenshuis. Veel gegevens over de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt in de jaren 1940-1945 zijn niet voorhanden. Daar waar vrouwen de plaatsen van ondergedoken mannen konden innemen, ge­beurde dat zelden. Werd het werk te specifiek mannelijk ge­vonden, of wilden vrouwen een arbeidsplek die zo ontstaan was niet innemen? Vrouwen van 16 tot 21 en ongehuwde vrouwen boven de 21 konden tewerk gesteld worden, maar van die maatregel is gelukkig sporadisch gebruik gemaakt.

Vrouwen in het verzet

De bestaande rolverdeling tussen man en vrouw werd tijdens de oorlog niet aangetast, ook niet in het verzet. De mannen pleegden overvallen, de vrouwen vervalsten persoonsbewij­zen en deden werk als koerierster. Ongeveer 10% van de ver­zetsstrijders was vrouw. Veel vrouwen namen onderduikers op in hun huis, meer dan 200 000 in totaal, een daad die nota bene door velen niet als tot het verzet behorend werd gezien. Een vrouw vertelt: `Je leefde voortdurend onder spanning, vierentwintig uur per etmaal. Je was constant op je hoede. Om geen argwaan te wekken moest je dan weer hier dan weer daar boodschappen doen: te veel bonnen inwisselen viel op.

Thuis was je altijd verdacht op ongewone geluiden, die be­zoekers ook als ongewoon zouden kunnen treffen.'

De joodse gezinnen die ondergedoken zaten vormden een zeer kwetsbare groep, vogelvrij als ze waren. Miep Gies is be­kend geworden als de vrouw die Anne Frank en haar familie in `Het Achterhuis' onderdak verschafte en waarvan Annes dagboek de stille getuige is.

In het najaar van 1942 richtte Riek Kuipers-Rietberg de Lan­delijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) op. Zij was een van de weinige vrouwen die een leidinggevende func­tie in het verzet bekleedde. In 1944 overleed zij in Ravens­bruck, het concentratiekamp voor vrouwen.

Vanaf 1943, toen mannen opnieuw in krijgsgevangenschap werden gevoerd, namen vrouwen steeds meer taken van mannen in het verzet over. Vrouwen vielen minder op bij het verrichten van koeriersdiensten, het verspreiden van illegale kranten en het smokkelen van wapens onder hun kleren.

Echt deelnemen aan gewapend verzet deden vrouwen spora­disch. Hannie Schaft, het meisje met het rode haar, en Truus van Lier, die beiden landverraders liquideerden, waren uit­zonderingen. Deze twee vrouwelijke studenten werden na een overval gepakt en later gefusilleerd.

Collaboratie

Vrouwen bleven grotendeels buiten het politieke leven. Ze waren ook niet sterk in het verzet vertegenwoordigd. Het ligt dan ook voor de hand dat niet veel vrouwen collaboreerden met de Duitsers. De vrouwenafdeling van de NSB, de NSVO, groeide wel in het begin van de oorlog. Ze telde op haar hoog­tepunt 20 000 leden; bijna allemaal echtgenoten of gezinsle­den van NSB-ers. Uiteraard waren er overtuigde nationaal-socialisten bij, maar het gros van de NSB-vrouwen zag in het lidmaatschap van de NSVO een middel om uit het sociale isolement te raken, waarin zij door de poli­tieke voorkeur van hun echtgenoot terecht waren gekomen. De NSVO organiseerde onder meer vormingslessen voor ras­zuivere vrouwen om ze op het moederschap voor te bereiden. Ook steunde zij met geld en goederen de Duitse oorlog­voering.

Slechts zeer weinig vrouwen werkten rechtstreeks als spion of verklikker voor de Duitsers.

Toch bevonden de vrouwen, zeker de jongere, zich in de oor­log vaak in een lastige positie. Er waren veel Duitse militairen in Nederland, terwijl de Hollandse jongens ondergedoken zaten of naar Duitsland waren gezonden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er relaties groeiden tussen Duitse soldaten en Hollandse meisjes. Die vrouwen kwamen dan vaak ge­makkelijk aan kleding, voedsel en brandstof. Na de oorlog werden deze 'moffenmeiden' hard aangepakt door de be­volking.

Vrouwen in het leger

In de krijgsmacht werd tijdens de oorlog ook vrouwenwerk geaccepteerd. Tot 1942 was erin het leger van de VS, in tegen­stelling tot bijvoorbeeld Duitsland en Engeland, voor vrou­wen geen plaats. In dat jaar werd de Women's Army Auxiliary Corps (WAAC) ingesteld, een vrouwenhulpkorps. De WAAC moest het werk van soldaten die niet aan het front streden overnemen. Zodoende kwamen er meer manschap­pen beschikbaar voor de werkelijke oorlogshandelingen. Uiteindelijk zou het korps uitgroeien tot 200 000 à 250 000 vrouwen.

Voor een groot deel zouden deze vrouwen traditioneel vrou­wenwerk gaan verrichten (typiste, verpleegster, telegrafiste en dergelijke). Maar in de loop van de oorlog kwamen er ook vrouwen in andere functies, als bijvoorbeeld piloot, vlieg­instructeur, chauffeur en technicus. Vrouwen werden echter nooit aan het front ingezet.

Een dubbele taak

Na 1941, toen grote groepen mannen voor lange tijd het leger ingingen, waren er veel gezinnen waar de vrouw het alleen moest zien te redden. Voor de vrouwen die werkten beteken­de dat overvolle dagen. Overdag werken in de fabriek of op kantoor, daarna boodschappen doen, wat onder andere be­ekende lang in de rij staan. Want al waren de inkomens om­hooggegaan, er waren produkten niet verkrijgbaar en andere waren op de bon. Dan gauw naar huis, eten maken, kinderen verzorgen en 's avonds nog het huishouden doen. En bij dit alles de voortdurende zorg over de vader/man aan het front.

Bovendien waren er de problemen bij de opvang van kinde­ren. De regering stelde wel van alles in het werk om vrouwen deel te laten nemen aan het arbeidsproces, er was echter volstrekt onvoldoende opvang voor kinderen van werkende moeders. Er waren wel een aantal kinderopvangcentra van

de overheid, gefinancierd met geld van de Lanham Act. Ook zorgde een aantal bedrijven voor kinderopvang, maar het was bij lange na niet genoeg om de kinderen van werkende moeders op te vangen. Slechts 10% van de kinderen van wer­kende moeders konden een plaats krijgen in de kinderop­vangcentra.

Vrijwilligerswerk

Van vrouwen die niet buitenshuis werkten, werden vader­landslievende activiteiten verwacht in de vorm van vrijwilli­gerswerk. Vooral vrouwen uit de middenklasse deden dit soort werk. Ze speurden naar vijandige vliegtuigen, pakten pakketten voor het Rode Kruis in, administreerden bon­kaarten, of breiden kleren voor de soldaten aan het front. Dit werk, niet altijd even zinvol of effectief, had vooral ten doel iedereen bij de strijd waar het vaderland in gewikkeld was te betrekken. De propaganda zorgde ervoor dat je je als vrouw schuldig ging voelen alsje geen baan buitenshuis had of vrij­willigerswerk deed. Door vrijwilligerswerk te doen hoorde je erbij.

Politiek

Zolang de VS zelf nog niet betrokken waren in de oorlog, ble­ven de diverse vrouwenvredesgroepen, bijvoorbeeld Cause and Cure, zich inzetten voor de vrede. Na de aanval op Peari Harbor was dit afgelopen. Jeanette Rankin was in 1941 het enige lid van het Congres, dat zich verzette tegen de Ameri­kaanse betrokkenheid in de oorlog. Haar anti-oorlogshouding werd haar niet in dank afgenomen; ze werd niet herkozen.

4 Groei naar een moderne samenleving

Zowel in de VS als in Nederland kenmerken de jaren vijftig zich door een versterking van het gezinsdenken. Een goede echtgenote en moeder te zijn is het ideaal van veel meisjes. Toch neemt in de VS het aantal werkende gehuwde vrouwen sterk toe, terwijl het aantal in Nederland stabiel blijft. We zullen kijken waar dat verschil vandaan komt.

In de periode na 1945 neemt het aantal vrouwen in de politiek licht toe. Maar de belangrijkste politieke activiteiten van vrouwen liggen buiten het parlement. Dat de emancipatie nog niet voltooid is, wordt in de jaren zestig voor steeds gro­tere groepen vrouwen duidelijk. Hun onvrede zal uiteinde­lijk uitmonden in de zogenoemde tweede feministische golf.

A De Verenigde Staten

Het gezin ('Back to normalcy')

Met het beëindigen van de oorlog vond er een herstel van de gezinsideologie plaats. Alles moest weer net als vroeger zijn. Nog explicieter dan daarvoor werd het gezin als de veilige thuishaven afgeschilderd en werd de vrouw in haar rol als echtgenote en moeder bevestigd. Sociaal-wetenschappelijke onderzoekers ondersteunden deze ideeën en `bewezen' dat de carrièrevrouw meestal ongelukkig was en in ieder geval geen Echte Vrouw. Sociale problemen als drankzucht of rebellerende jeugd werden verklaard vanuit de afwezigheid van de vrouw en moeder in het gezin. Opvoedkundigen, zo­als Spock, bepleitten een loon voor moeders met jonge kin­deren, zodat die niet hoefden te gaan werken. In feite zei hij daarmee, dat het slecht was voor de ontwikkeling van jonge kinderen als de moeder van huis was. Ook de Britse opvoed­kundige Bowiby stelde, met zijn attachment-theorie, dat ba­by's niet zonder hun moeder kunnen. Een baby die de moederlijke zorg miste, zou zich later niet goed kunnen ont­wikkelen.

Ook de demografische cijfers laten een versterking van het gezinsdenken kort na de oorlog zien. De begrijpelijke daling van het aantal huwelijken tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in de periode daarna snel ingehaald. Daarnaast nam in de periode 1946-1950 het aantal geboorten explosief toe. Men sprak van een `baby-boom', een geboorteexplosie. Het geboortencijfer, dat sinds het dieptepunt tijdens de de­pressie alweer enige jaren in opgaande lijn was (óók tijdens de Tweede Wereldoorlog), schoot omhoog. Gedeeltelijk kan dit verklaard worden door het inhaaleffect. Mensen die vanwege de slechte omstandigheden tijdens de crisis of de oorlog het krijgen van kinderen hadden uitgesteld, besloten alsnog kinderen te nemen. Maar veel vrouwen wilden ook dolgraag huisvrouw zijn en voor meerdere kinderen zorgen. De rol van de huisvrouw werd ook belangrijker door de op­komst van de consumptiemaatschappij. De oorlog werd niet gevolgd door een economische crisis, onder andere dankzij het feit dat de Amerikaanse industrie zich met alle energie had geworpen op het produceren van consumptiegoederen, die gretig aftrek vonden bij de groepen die tijdens de oorlog (vanwege de hogere lonen en de beperkte consumptiemoge­lijkheden) behoorlijk wat hadden kunnen sparen. Veel van deze goederen waren gericht op het huishouden en de huis­vrouw werd een serieuze consument, waarmee in de reclame rekening werd gehouden.

Voor de maatschappelijke groep waar we het dan over heb­ben, de blanke middenklasse, veranderde ook hun woonsi­tuatie. Zodra ze het zich financieel konden veroorloven, verhuisden de blanke gezinnen naar de nieuwe buitenwijken, de suburbs, die met hun prettige woningen en riante tuinen een verademing waren na de benauwde binnensteden. Voor de vrouw betekende dit echter dat ze nog meer vastzat aan haar rol als huisvrouw en moeder. Met haar auto bracht ze eerst haar man naar het station, waar hij de trein naar de `city' pakte. Vervolgens reed ze de kinderen naar school, daarna naar gymnastiek, muziekles en dergelijke. Eveneens met de auto deed ze haar boodschappen, want de suburbs waren niet ontworpen om te lopen. Naast haar huishoudelij­ke taken, die aanzienlijk verlicht werden door allerlei nieuwe huishoudelijke apparaten, en haar chauffeurstaken, hield de 'suburbian housewife' zich bezig met het zelf bakken van brood, het maken van jam, het naaien van kinderkleren en het lezen van vrouwenbladen. Uit deze bladen leerde ze hoe ze haar kinderen moest opvoeden, hoe ze aan `gezonde seks' kon doen en hoe ze aantrekkelijk kon blijven voor haar echt­genoot. Dit leven in de suburbs was voor veel blanke meisjes in de j aren vijftig het ideaal, vanwege de grote vrijheid van de huisvrouw, haar belangrijke rol als consument, maar vooral het respect dat een goede huisvrouw in de samenleving had; 60% van de meisjes verliet voortijdig het hoger onderwijs om te gaan trouwen. De gemiddelde huwelijksleeftijd van meis­jes daalde tot onder de 20. Hier zien we het uiteindelijke re­sultaat van de benadering dat mannen en vrouwen verschillend zijn, maar beiden even waardevol. De vrouw werd gewaardeerd en gerespecteerd in haar `eigen sfeer', het huishouden.

The Feminine Mystique

De hooggespannen verwachtingen van veel tieners ten aan­zien van het huisvrouwenbestaan kwamen niet uit. Een groot aantal vrouwen bleek toch niet tevreden met dit leven. Velen kwamen met klachten bij de psychiater terecht. Vrouwen die zich niet gelukkig voelden in hun rol als moeder en huisvrouw schaamden zich om daar open voor uit te komen. Ze meenden dat ze niet voldeden als huisvrouw, bijvoorbeeld omdat ze er niet voldoende voor waren opgeleid. En terwijl ze met hun vriendinnen en buurvrouwen uitgebreid spraken over de problemen met de kinderen en hun seksleven — daar werd men langzamerhand gemakkelijker in — bleek het on­derwerp van de onvrede taboe.

Toen Betty Friedan in 1963 met haar boek The Feminine Mystique dit probleem aan de orde stelde, ontdekten vrou­wen dat hun probleem geen individueel probleem was, maar iets waar tienduizenden anderen ook mee zaten. Friedan stel­de dat vrouwen helemaal geen speciale gave hebben om voor kinderen en huishouden te zorgen. En dat het vrouwelijke helemaal niet zo mysterieus was; dat mannen het, met hun zakelijke manier van denken, niet konden begrijpen. Hier­mee viel ze psychologen aan, die er juist vanuit gingen dat vrouwen anders waren dan mannen. Ze constateerde dat vrouwen ontevreden waren met hun bestaan als 'suburban housewife' omdat het een fundamenteel vervelend bestaan was en niet omdat ze er niet voldoende voor waren opgeleid. Deze huisvrouwen vierden hun onvrede bot op man en kin­deren en droegen zodoende niets positiefs bij aan de samen­leving.

Het boek bleek een startpunt te worden voor het ontstaan van een nieuwe feministische beweging, die wilde afrekenen met het idee, dat vrouwen zo verschillend zijn van mannen dat ze anders behandeld moesten worden. Uitgangspunt werd nu de fundamentele gelijkheid van mannen en vrou­wen. Dit had ook gevolgen voor het gezin. Man en vrouw zouden het werk buitenshuis én binnenshuis samen doen.

Armoede

In haar boek had Betty Friedan het alleen over de blanke vrouwen in de suburbs. De zwarte vrouwen, die met hun ge­zinnen veelal in de oude binnensteden waren blijven wonen, kenden heel andere problemen. Ondanks de sociale voorzie­ningen die inde New Deal-tijd waren ontstaan, zoals de Aid to Dependent Children, was de welvaart in de VS zeer onge­lijk verdeeld. Eind jaren vijftig leefde ongeveer de helft van de zwarte gezinnen (ongeveer 10% van de Amerikaanse be­volking was zwart) en 15% van de blanke gezinnen onder de armoedegrens. Toen deze cijfers bekend werden was dat een schok voor veel Amerikanen. Hun droom, dat alles zo per­fect was in de VS, klopte niet. Voor veel vrouwen in die gezin­nen was het vanzelfsprekend dat ze werk en kinderen combineerden. De door Betty Friedan beschreven situatie is zeker niet op hen van toepassing.

Terug naar het vrouwenwerk

Al voor het einde van de oorlog werd vrouwen duidelijk ge­maakt dat hun `war-job' maar tijdelijk was. Als `de jongens' van overzee terugkwamen, zouden die natuurlijk weer de ar­beidsplaatsen van de vrouwen overnemen. Na het beëindi­gen van de vijandelijkheden waren er vrouwen die zelf ontslag namen. Voor deze groep vrouwen, die hun oorlogsbaantje uit vaderlandslievendheid hadden verricht, beteken­de het mogelijk een opluchting dat ze zich weer volledig konden gaan bezighouden met het huishouden en de verzor­ging van de kinderen.

Maar er werden ook veel vrouwen ontslagen. Voor deze vrouwen, die werkten voor het geld, verslechterde hun posi­tie op de arbeidsmarkt. De regering had namelijk bepaald dat veteranen voorrang hadden bij sollicitaties. Aangezien er 70 000 veteranen per maand op de arbeidsmarkt kwamen, hadden deze vrouwen geen schijn van kans. Ze keerden noodgedwongen terug naar hun slecht betaalde, typische vrouwenwerk van voorde oorlog. Voor deze vrouwen was de oorlog een tijd van voorspoed en betekende het eind van de oorlog een enorme stap terug, zowel in inkomen als in aan­zien en zelfrespect.

Arbeidstekort

De wens van veel blanke jonge vrouwen om zich alleen bezig te houden met huishouden en kinderen was niet de enige oor­zaak voor het arbeidstekort dat in de jaren vijftig ontstond in een aantal typische vrouwenberoepen als verpleegster en on­derwijzeres. Het werd mede veroorzaakt door het lage ge­boortencijfer tijdens de crisis van de jaren dertig. Vrouwen die echter wel wilden werken kregen hierdoor onverwachte kansen. Geheel in strijd met de heersende gezinsideologie gingen werkgevers bewust gehuwde vrouwen aantrekken om in het arbeidstekort te voorzien. Alleen ging het nu niet meer om jonge vrouwen, maar om gehuwde vrouwen boven de 35. Deze vrouwen, jong getrouwd, rond hun 30ste al uit de kleine kinderen en voorzien van allerlei huishoudelijke apparaten hadden in feite geen dagtaak meer. Moesten zij de rest van hun leven met nietsdoen doorbrengen? Aanvankelijk werd het werk van deze vrouwen nog gezien als een bijbaantje, waarvan de verdiensten gebruikt konden worden om de ge­zinsconsumptie te verhogen of de opleiding van de kinderen te betalen.

Maar langzamerhand gingen steeds meer vrouwen een car­rière ambiëren. Logisch als je je realiseert dat werken niet meer iets is dat je doet totdat je gaat trouwen, maar van je 35ste tot je pensioen.

De snelle toename van het aantal werkende gehuwde vrou­wen kan het beste geillustreerd worden aan de hand van de volgende cijfers: in 1940 was 15% van de werkende vrouwen getrouwd, in 1960 was dat 30% en in 1968 al meer dan 50%. Wat echter niet veranderde, was de hoogte van het vrouwen­loon. Dat was gemiddeld nog steeds maar 60% van het man­nenloon. Dit werd grotendeels veroorzaakt doordat typisch vrouwenwerk slechter betaald werd.

In zijn `War on Poverty', die tot doel had de nieuw 'ontdek­te' armoede te bestrijden, probeerde president Johnson hier iets aan te doen. Een van de maatregelen die hij nam in het ka­der van de bestrijding van de armoede betrof extra oplei­dingsmogelijkheden voor vrouwen. Door vrouwen uit de laagste inkomensgroepen op te leiden voor traditionele man­nenberoepen kregen deze vrouwen de kans meer te gaan ver­dienen, waardoor het gezinsbudget omhoogging. Deze maatregelen waren vooral gericht op zwarte vrouwen en blanke arbeidersvrouwen, die relatief vaak alleen moesten zorgen voor het gezinsinkomen.

Toen vanwege de Vietnam-oorlog in de loop van de jaren zestig er een tekort kwam aan mannelijke arbeidskrachten, werden vrouwen meer gestimuleerd om in traditionele man­nenberoepen te gaan werken.

Vrouwen en de Civil Rights Movement

De politieke activiteiten van vrouwen na de Tweede Wereld­oorlog waren nauw verbonden met de progressieve en demo­cratiseringsbewegingen, die in de loop van de jaren vijftig ontstonden. Eén daarvan is de Civil Rights Movement, een beweging die streefde naar gelijke burgerrechten voor blank en zwart.

Deze burgerrechtenbeweging kon op felle tegenacties reke­nen van de Ku Klux Klan, die zich al sinds de jaren twintig ver­zette tegen alles in de VS dat niet blank en christelijk was. Deze racistische organisatie was tegen elke vorm van raciale samenwerking of vermenging, omdat die de kracht van het Amerikaanse volk zou aantasten. Door middel van geweld en intimidatie probeerden de Klanleden hun ideaal van een blanke, protestantse overheersing te realiseren.

De Civil Rights Movement probeerde door geweldloze acties de rassenscheiding die in de zuidelijke staten heerste onge­daan te maken. Uiteindelijk zouden deze acties, maar ook de meer gewelddadige rassenrellen resulteren in het aannemen van de Civil Rights Act van 1964. In de Civil Rights Movement waren ook blanke mannen en vrouwen actief. Voor de vrouwen betekende dat een bewustwording van hun eigen si­tuatie. Ze realiseerden zich dat, terwijl ze streden voor gelij­ke rechten van de zwarten, vrouwen ook geen gelijke rechten hadden. De striid die Alice Paul in de jaren twintig voerde voor het Equal Rights Amendment, was nog steeds niet af­gelopen.

Bovendien merkten de vrouwen dat ze ook in deze progres­sieve beweging, die de Civil Rights Movement was, de ty­pisch vrouwelijke taken mochten verrichten, terwijl de beslissingen door de mannen genomen werden. Vrouwen die in het begin van de jaren zestig het initiatief namen om de vrouwenbeweging nieuw leven in te blazen, waren dan ook veelal afkomstig uit de Civil Rights-beweging, of een andere democratiseringsbeweging.

Drie factoren

Rond 1960 was er echter nog een politieke gebeurtenis die de opkomst van de vrouwenbeweging stimuleerde.

In 1960 werd J.F. Kennedy tot president gekozen. Bij zijn kandidaatstelling was hij gesteund door Eleanor Roosevelt, die nog steeds voor veel vrouwen het grote voorbeeld was. Na zijn verkiezing stelde hij onder druk van diverse vrouwenor­ganisaties de Commission on the Status of Women in. Deze commissie moest de positie van vrouwen in kaart brengen en adviezen geven. Het rapport van de commissie, dat in 1963 uitkwam, was verre van radicaal. Het steunde het gezin en was tegen het Equal Rights Amendment. Maar wel pleitte het rapport voor gelijke beloning en gelijke kansen op werk en voor uitbreiding van kinderopvangcentra.

Zo zien we dus een drietal factoren die ertoe bijdroegen dat in de jaren zestig de vrouwenbeweging weer tot leven kwam: de onvrede van de suburban housewives, onder woorden ge­bracht door Betty Friedan, de ervaringen die vrouwen opde­den in de Civil Rights Movement en de verschijning van het rapport van de Commission on the Status of Women.

Verbeteringen

De eerste winst die door de vrouwen binnengehaald kon wor­den was de Equal Pay Act in 1963, een wet die gelijke belo­ning voor een aantal beroepen regelde. 111 1964 werd het Civil Rights Amendment aangenomen door het Congres, dat dis­criminatie op grond van ras, kleur, geloof en sekse verbood. Title VII verbood met name de discriminatie op grond van sekse en daarmee hadden de vrouwen een wapen in de strijd tegen discriminatie. De vrouwen in het Congres speelden een belangrijke rol bij het aannemen van dit amendement. De National Organization for Women (NOW), die in 1966 werd opgericht, met Betty Friedan als voorzitter, ging toezien op de uitvoering van Hoofdstuk VII. Zij wilde vrouwen volle­dig laten participeren in de Amerikaanse samenleving. De NOW wilde ook dat vrouwen de kans kregen om zich te be­wegen in de mannelijke `sfeer', terwijl mannen zich bezig moesten gaan houden met zogenoemde typische vrouwenza­ken. Kortom, de NOW propageerde wat we noemen de rol-doorbreking.

In 1968 werd de Women's Equity Action League (WEAL) opgericht, een organisatie waar vooral vrouwen met een ho­gere opleiding lid van waren. De WEAL hield zich vooral be­zig met discriminatie in werk, opleiding en belasting. Ook op lokaal niveau ontstonden allerlei vrouwengroepen en orga­nisaties, die verschilden in strijdwijze en radicaliteit, maar alle wilden ze op de een of andere manier een eind maken aan de ongelijke behandeling van vrouwen.

Steeds meer gingen vrouwen zich op politiek en maatschap­pelijk terrein profileren. Een voorbeeld is Angela Davis, een radicale zwarte vrouw, die een prominente rol speelde in de Black Panthers-beweging.

B Nederland

De jaren vijftig (`Gezinsherstel is volksherstel')

Dankzij de Marshallhulp kon Nederland na de oorlog spoe­dig een begin maken met de economische wederopbouw, al bleven bepaalde consumptiegoederen tot het begin van de ja­ren vijftig op de bon. Er moest echter in de ogen van de rege­ring niet alleen een economisch herstel plaatsvinden, maar ook een moreel herstel. In de voorafgaande oorlogsjaren wa­ren de zeden wat losser geworden en alle politieke partijen waren het erover eens dat deze `zedenverwildering' het best bestreden kon worden door het gezin weer in zijn waarde te herstellen.

Hierbij speelde de vrouw een doorslaggevende rol. Het gezin diende ook nog om andere reden versterkt te worden. De in­dustrialisatie, die zich in Nederland na de Tweede Wereld­oorlog versneld doorzette, creëerde een onpersoonlijkere samenleving. Het gezin diende niet alleen om kinderen op te voeden en te verzorgen, maar moest ook veiligheid, gebor­genheid en gezelligheid bieden tegenover de verhardende buitenwereld.

Bij deze taak werd de Nederlandse vrouw, net als de Ameri­kaanse, gesteund door nieuwe wetenschappelijke inzichten. Ook hier vonden de ideeën van Spock en Bowlby ingang.

Verzuiling

Hoewel Nederland inde jaren vijftig nog steeds een verzuild land was, deden zich onder de oppervlakte toch enige veran­deringen voor. Een van die veranderingen zag je in het maat­schappelijk werk. Problemen rond opvoeding, seksualiteit en dergelijke werden steeds minder met de dominee of pastoor besproken. Daarvoor in de plaats kwamen de maat­schappelijke werkers, modern opgeleide beroepskrachten die in het kader van de gezinspolitiek gesubsidieerd werden door de overheid. Deze mensen maakten meer gebruik van de nieuw verworven inzichten uit de sociale wetenschappen en hielden zich minder strikt aan de uitspraken van de kerk. Dit betekende niet dat er in de jaren vijftig al sprake was van ontzuiling, oftewel het afbreken/verdwijnen van de zuilen. Integendeel, het maatschappelijk werk was onderverdeeld in katholiek, protestants-christelijk en openbaar. Wel kun je zeggen, dat de jaren vijftig een voorbereiding op de ontzui­ling waren. Mensen namen al een klein beetje afstand van de leer van hun kerk.

Seksualiteit

Ook de Christelijke Vereniging Zedenopbouw nam enigszins afstand van de christelijke leer. De vereniging hield zich be­zig met hulp bij gezins- en huwelijksmoeilijkheden. Profes­sionele hulpverleners introduceerden nieuwe ideeën die wat verder afstonden van de kerk. Zo werd langzamerhand geboorteregeling geaccepteerd; echtparen hoefden niet meer naar een maximaal aantal kinderen te streven, maar naar een `optimaal' aantal. En in 1951 werd onder verwijzing naar de bijbel het gebruik van voorbehoedmiddelen goedgekeurd. In 1953 besteedde de Christelijke Vereniging Zedenopbouw aandacht aan het Kinsey-Rapport. Dit rapport van de Ame­rikaan Kinsey besteedde voor het eerst aandacht aan de sek­suele beleving van de vrouw. Het rapport maakte duidelijk dat vrouwen andere behoeftes hebben op het gebied van sek­sualiteit dan mannen.

Al met al waren dit ingrijpende veranderingen. Seksualiteit was niet meer direct gekoppeld aan voortplanting en er kwam aandacht voor de vrouw, niet alleen als echtgenote en moeder, maar ook als minnares.

In verband met de kwestie van de voorbehoedmiddelen had de Christelijke Vereniging Zedenopbouw al in een vroeg sta­dium contact gehad met de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), die de voortzetting was van de Neo-Malthusiaanse Bond van voor de oorlog. Ze hield zich bezig met het verstrekken van anti-conceptiemiddelen en seksuele voorlichting. Aanvankelijk was die voorlichting vooral gericht op echtparen, waarbij de individuele vrijheid van mensen benadrukt werd. Later, in de jaren zestig, ging de NVSH zich ook richten op voorlichting aan jongeren en ongehuwden.

De veranderende houding van de (christelijke) kerk tegen­over geboortebeperking en de activiteiten van de NVSH zullen zeker hun invloed hebben gehad op de daling van het geboortencij fer, die in 1950 inzette. Kort na de oorlog was er, en weer kunnen we een parallel trekken met de VS, sprake ge­weest van een geboorteexplosie. Aan deze geboortengolf ging een sterke stijging van het aantal huwelijken direct na de oorlog vooraf. Huwelij ken, die in verband met de oorlog uit­gesteld waren, werden nu gesloten. Maar er was niet alleen een piek in het aantal huwelijken te constateren. Ook het aantal echtscheidingen nam toe tot een voor Nederland on­gekend aantal van 5,5 per 1000 inwoners. Blijkbaar had de oorlog zo ontwrichtend op gezinnen gewerkt, dat dit niet meer te herstellen was na de oorlog.

De jaren zestig

De economische groei in de jaren vijftig resulteerde eind ja­ren vijftig, begin jaren zestig ook in loonsverhogingen, waardoor de welvaart van de meeste Nederlanders toenam. Daarnaast werd de grondslag gelegd voor de verzor­gingsstaat, het stelsel van sociale wetten, dat ervoor zorgde dat ook mensen die niet werkten konden rekenen op een in­komen, waardoor ze op bescheiden schaal mee konden delen in de welvaart. Deze veranderingen hadden vanzelfsprekend hun invloed op het gezin. Net als in Amerika werd het gezin als consumptie-eenheid belangrijk.

De massamedia bereikten steeds meer mensen, die daardoor de mogelijkheid kregen om buiten hun eigen leefwereld te kijken. Mede hierdoor nam het vertrouwen van de mensen in gezagsdragers af. Dat gold ook voor kerkelijke gezagsdra­gers. De haast niet zichtbare ontwikkelingen uit de jaren vijftig zetten zich dan zichtbaar voort. De mensen mensen keerden zich openlijk af van hun kerk. We noemen dit deconfessiona­lisering.

Vooral in de katholieke kerk speelde dit sterk. Terwijl bin­nen die kerk diverse groeperingen trachtten een modernere visie te ontwikkelen ten aanzien van gezin en seksualiteit, kwam paus Paulus VI in 1968 met zijn encycliek Humanae Vitae. In deze pauselijke brief, waarvan de inhoud voor de gelovigen als een voorschrift gold, werden alle vormen van geboortebeperking (afgezien van periodieke onthouding) verboden. Voor veel katholieken was dit onacceptabel. Zij keerden zich verder van hun kerk af.

De meer kritische houding van de mensen zien we ook aan de langzaam vrijer wordende houding tegenover seksualiteit en geboortebeperking. Seksualiteit werd een onderwerp waar openlijk over gesproken kon worden en met de introductie van de anti-conceptiepil in 1964 werd geboortebeperking eenvoudiger en bovendien door vrouwen zelfstandig toe te passen. Een vrouw was voor het voorkomen van zwanger­schap niet meer afhankelijk van haar partner. `De pil' heeft de vrijheid van de vrouw op seksueel terrein in belangrijke mate vergroot; vrijen kon nu voor het eerst zonder angst voor zwangerschap. Daarnaast heeft de pil duidelijk invloed gehad op het geboortecijfer, dat vanaf 1965 zeer snel daalde.

Het kritischer worden gold echter niet alleen voor volwasse­nen. Ook kinderen accepteerden steeds minder het gezag van bijvoorbeeld de ouders. Dit leidde ertoe, dat zich in het gezin ook steeds meer conflicten voordeden. En hoewel het huwe­lijkscijfer tot 1970 nog steeds toenam, groeide ook het aantal echtscheidingen. Langzaam maar zeker zien we dat in de ja­ren zestig de hoeksteen van de samenleving, het gezin, werd ondergraven.

Arbeid

De kleine groep gehuwde vrouwen die tot de beroepsbevol­king gerekend werd, werkte vooral in het bedrijf van de man mee, met name op boerderijen en in winkels. Daardoor was in de jaren vijftig slechts 1,8% van de gehuwde vrouwen werkzaam in loondienst. In vergelijking met andere landen was dit een bijzonder laag percentage. Dit had niet alleen te maken met officiële belemmeringen (verbod gehuwde amb­tenaressen). De noodzaak was er ook niet. De hoogte van het minimumloon voor een man was gebaseerd op het mini­mumbudget voor een gezin met twee kinderen. In andere lan­den was het loon een individueel inkomen. Voor de Nederlandse gehuwde vrouwen was de noodzaak om te gaan werken waarschijnlijk dan ook minder dan in andere landen. Vrouwenarbeid was dus nog steeds vooral meisjesarbeid.

Maar ook de arbeid van meisjes groeide in de eerste tien jaren na de Tweede Wereldoorlog niet. Dit had gedeeltelijk te ma­ken met de gevolgen van de oorlog, maar ook de huwelijks-en geboortengolf en de leerplichtverlenging uit 1942 hebben daartoe bijgedragen.

Het tekort aan vrouwelijke arbeidskrachten, met name in huishoudingen industrie, werd in 1947 echter zo nijpend, dat men tijdelijk besloot de leerplicht voor meisjes met een jaar te verkorten, zodat ze eerder in het arbeidsproces konden worden opgenomen. Ook trachtte men meisjes op te sporen die `onverantwoord thuisbleven'.

Vanwege een tekort aan vrouwelijk onderwijzend personeel besloot de minister in 1946, dat huwende onderwijzeressen en ambtenaressen tijdelijk, indien nodig, gehandhaafd kon­den blijven.

Toch bleef ondanks de krapte op de arbeidsmarkt het aan­deel van vrouwen in het arbeidsproces bijna gelijk, ook al werden de bezwaren tegen buitenshuis werken van gehuwde vrouwen kleiner. In de jaren zestig zie je een lichte stijging van het aantal werkende vrouwen, maar pas na 1970 kun je spreken van echte groei.

Deze ontwikkeling, die zo sterk verschilde van de situatie in de VS, waar vanaf de jaren vijftig meer dan de helft van de werkende vrouwen gehuwd was, kan voor een deel verklaard worden uit het overheersende gezinsdenken in Nederland. Maar in de VS was die gezinsideologie toch ook overheer­send. Vandaar dat het zogenoemde gezinsloon mogelijk een betere verklaring biedt. Gehuwde vrouwen hoefden niet om financiële redenen te gaan werken. Ook moeten we niet ver­geten, dat de Amerikaanse vrouw jonger trouwde en dus ook sneller uit de kleine kinderen was.

Vrouwen in politieke organisaties

Na 1945 was er een lichte toename waar te nemen van vrou­wen die actief werden binnen de bestaande politieke partij­en. Bij de Anti-Revolutionaire Partij duurde het echter tot 1963 voor daar de eerste vrouw haar intrede deed in de Twee­de Kamerfractie.

Een van die vrouwelijke kamerleden van kort na de oorlog, Marga Klompé, lid van de Katholieke Volks Partij (KVP), zou ook de eerste vrouwelijke minister worden. Zij behoorde binnen de KVP tot de kritische vleugel, met een gematigder standpunt dan door de kerk verkondigd werd. Hoewel zelf ongehuwd (zoals relatief veel vrouwen die in de politiek ac­tief waren) meende ze dat er voor de gehuwde vrouw meer ta­ken waren weggelegd dan alleen het gezin.

De vrouwelijke kamerleden boekten in de jaren vijftig enige successen. De sociaal-democratische mevrouw Tendeloo diende in 1955 de motie Tendeloo in, die afschaffing inhield van het in de jaren dertig ingestelde verplichte ontslag voor huwende ambtenaressen. Alle vrouwelijke kamerleden, ook de katholieken, stemden voor deze motie. Bij de katholieken was doorslaggevend, dat de overheid zich niet diende te men­gen in kwesties waar de beide echtgenoten samen verant­woordelijk voor waren. Dat ook mannelijke kamerleden de motie steunden zal misschien ook te maken hebben gehad met het tekort aan vrouwen op de arbeidsmarkt.

Een jaar later nam het parlement nog een belangrijke beslis­sing voor vrouwen. Tot dan toe was de man volgens de wet de baas in het gezin, met andere woorden hij had de maritale macht. Nu werd de handelingsonbekwaamheid van gehuw­de vrouwen opgeheven. Dat betekende dat zij nu zelfstandig kon optreden in juridische en financiële kwesties.

Het duurde echter nog tot 1969 voordat de regel werd afge­schaft dat de man het hoofd van de echtvereniging was. Tot die tijd was de mening van de man doorslaggevend voor beslissingen die in het gezin werden genomen.

De naoorlogse vrouwengroepen, zoals de vrouwenorganisa­ties van de diverse politieke partijen, waren verenigd in het overkoepelende Nederlands Vrouwencomité (NVC).

Het onbehagen van de vrouw

Ondanks de toenemende participatie van vrouwen binnen de bestaande politieke partijen en de grotere acceptatie van vrouwen in het maatschappelijk leven vonden bepaalde groepen vrouwen, dat ze niet voldoende aan bod kwamen in en buiten de politiek. Het door sommigen geschilderde beeld, dat er eind jaren vijftig sprake was van een voltooide emancipatie, waarbij vrouwen natuurlijk niet gelijk, maar wel gelijkwaardig waren, werd door hen afgewezen. Zij voel­den zich gesteund door de francaise Simone de Beauvoir, die in haar boek Le deuxième sexe (De tweede sekse) stelde, dat vrouwen nog steeds als tweederangs burgers beschouwd wer­den. In Nederland was het de historica Annie Romein-Verschoor die dit standpunt verwoordde. Zij stelde dat er nog lang geen sprake was van gelijkheid tussen de seksen.

De tweede feministische golf

Net als in de VS ontstond er in Nederland in de jaren zestig een nieuwe feministische beweging. Ook hier ontdekten vrouwen die meededen in buitenparlementaire acties van bij­voorbeeld studenten en provo, dat zij in deze democratise­ringsbewegingen nog steeds een andere rol kregen toebedeeld dan mannen. Er was een tweede feministische golf nodig om de werkelijke gelijkstelling tussen man en vrouw te bereiken, waarbij de vrouw recht had over haar ei­gen lichaam en leven te beschikken. In haar artikel `Het on­behagen van de vrouw' bracht Joke Kool-Smit in 1967 voor het eerst deze emancipatie-ideeën naar voren. Nieuwe orga­nisaties werden opgericht, zoals in 1968 Man-Vrouw­Maatschappij (MVM), die streefde naar een doorbreking van de traditionele rolpatronen die in onze samenleving ge­bruikelijk waren. MVM pleitte bijvoorbeeld voor meer mo­gelijkheden voor vrouwen om buitenshuis te werken en meer betrokkenheid van mannen bij de opvoeding van de kinderen.

In 1969 werd Dolle Mina opgericht, een meer radicale groep die zich door middel van aandachttrekkende acties richtte te­gen beperkingen die vrouwen ondervonden in de samenle­ving. Dat varieerde van de ontoegankelijkheid van`herensociëteiten' voor vrouwen, tot het ontbreken van openbare toiletten voor vrouwen.

Tegen het eind van de jaren zestig ging de abortusstrijd een centrale rol spelen in de acties van de feministen. Nog jaren zou deze kwestie centraal staan in de acties van vrouwen.

Continuïteit of verandering?

Als je het leven van een vrouw uit 1930 vergelijkt met dat van een vrouw uit 1970, zie je dat er veel veranderd is. Veel vrou­wen werken in 1970 buitenshuis en men vindt dat geen schan­de meer. De gezinnen zijn kleiner geworden en de verhoudingen in het gezin zijn veranderd. Het gezin is trou­wens niet meer de hoeksteen die het was. En op het terrein van de politiek zijn meer vrouwen actief.

Toch zijn die veranderingen niet zo snel gegaan als de femi­nisten aan het begin van deze eeuw hoopten en hun tegen­standers vreesden. En wat nog opvallender is: de grote gebeurtenissen als de crisis en de Tweede Wereldoorlog lij­ken weinig invloed te hebben gehad op die veranderingen. We zien bijvoorbeeld dat er sprake is van een continu proces van langzame toename van het percentage werkende vrou­wen, de plotselinge stijging van vrouwenarbeid in de VS tij­dens de Tweede Wereldoorlog ten spijt. Ook de geboortengolf van na de oorlog lijkt een incident, dat de da­lende trend in het geboortencijfer niet werkelijk beïnvloedt. De vraag: Continuïteit of verandering? is dus niet zo eenvou­dig te beantwoorden; het antwoord verschilt per onderwerp. In zijn algemeenheid kun je echter het beeld schetsen van een continu proces van langzame verandering in het leven van vrouwen.