We hebben 244 gasten online

CSE Nederland en Ned-Indië 1918-1949

Gepost in Nederland

CSE Nederland en Nederlands-Indië 1918-1949

1 Het Nederlandse bestuur in Indië

Land en volk

dutch east indies 1929

Het gebied dat de Nederlanders  onder hun bestuur hadden gebracht. Het was een enorm uitgestrekt gebied. De noord­punt van Sumatra ligt even ver van Nieuw-Guinea als Ierland ligt van de Kaukasus en de afstand van de zuidkust van Java tot Tarakan op Borneo is gelijk aan die van Ro­me naar Kopenhagen. De archipel bestaat uit honderden eilanden van zeer uiteenlopende grootte. Java alleen al heeft een lengte van Amsterdam tot Marseille.

Nagenoeg de gehele bevolking woonde op het platteland. Europeanen en Chinezen waren meer in de steden te vin­den. Op Java woonde 54% van de Europeanen in steden met meer dan 100 000 inwoners. Er werden 250 verschil­lende talen gesproken.

Omstreeks 1918 waren de Nederlanders erin geslaagd het gebied tot een staatkundige eenheid te maken waarbij wel moet worden opgemerkt dat er grote onderlinge verschillen bleven bestaan.

Deze eenheid werd ook bevorderd door de aanleg van we­gen en spoorlijnen en door de verbetering van de scheep­vaartverbindingen tussen de eilanden. Telegraaf en telefoon waren ook van grote betekenis in dit verband.

De opbouw van land en maatschappij gaf de Nederlanders tot de crisis van de jaren dertig het gevoel dat Indië van hen was. Zij zetten hun stempel op Nederlands-Indië, hoe­wel hun aantal maar klein was.

Bevolking (maal duizend)

 

 

 

                                1905

1920

1930

1940

Nederlands-Indië      38 036

49 345

59 138

70 476

Java                     29 979

34 429

40 891

48 416

Nederlanders               95

168

240

260

We kunnen vier bevolkingsgroepen onderscheiden. De minst talrijke groep waren de Nederlanders. De Indo-Europeanen of Indische Nederlanders waren de mensen met een blanke vader en een inheemse moeder. Door de wet van 1892 werd deze groep beschouwd als Ne­derlanders, maar dit betekende nog niet dat ze ook in welstand en mogelijkheden gelijk waren aan de Nederlan­ders. De beperkte mogelijkheden voor vervolgonderwijs verhinderden hen op te klimmen naar hogere functies. Dan waren er de `Vreemde Oosterlingen\'. Dit waren Chi­nezen, Arabieren en andere uit Aziatische landen af­komstige inwoners. Ten slotte had je de inheemsen. Hiermee bedoelen we de oorspronkelijke bewoners. Soms komen we de nationa­listische term Indonesiër tegen. Veel Nederlanders wezen het gebruik van deze term absoluut af.

Het is van belang deze groepen duidelijk te onderscheiden omdat ze verschillende rechten hadden. Bij de bespreking van het bestuur komen we hierop nog terug. In de jaren twintig kreeg ieder van deze groepen ook haar eigen orga­nisaties en partijen die gescheiden van elkaar opereerden, hoewel er ook partijen waren waarin mensen uit alle bevolkingsgroepen zaten.

Door het verbeterde onderwijs gingen de Indische Neder­landers een belangrijke rol spelen in het bestuur. In de loop der jaren werd de voorsprong die de Indo\'s hadden, tenietgedaan door de zich uitbreidende groep geschoolde Indonesiërs. Na drie eeuwen kolonisatie groeide het gebied, onder in­vloed van een aantal ontwikkelingen in de twintigste eeuw, snel toe naar onafhankelijkheid.

Omstreeks 1900 ontstond er een stroming in Nederland, die vond dat een kolonie niet alleen mocht dienen ter ver­rijking van het moederland. De aanhangers van deze zoge­noemde ethische politiek gingen ervan uit dat  de Nederlanders een taak hadden bij het verhogen van de wel­vaart, het verbeteren van de gezondheidszorg en het on­derwijs in Indië.

Verder kwam er in de kolonie zelf een nieuwe elite op met een westerse opleiding die van mening was dat de Indone­siërs best baas in eigen huis konden zijn. Het Indonesische nationalisme kreeg grote invloed.

Op economisch gebied had Nederlands-Indië een plaats op de wereldmarkt gekregen, waardoor de betekenis van het land toenam. En ten slotte versnelde de Japanse bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog het proces van be­wustwording bij de Indonesiërs.

Ethische politiek

memo hfst 6 afb 8

In de negentiende eeuw was het bestuur van de Nederlan­ders erg autocratisch. _Van inspraak, zelfs voor Europea­nen, was geen sprake. Maar toen na 1870 het cultuurstelsel werd afgeschaft gingen particulieren investeren in de kolo­nie en dat betekende meer belangstelling voor het gebied waar men zijn geld in stak. Daarom wilden rond 1900 de Europeanen in Indië meer invloed op het bestuur. Tegelij­kertijd werd door een aantal Nederlanders gepleit voor meer zorg voor de welvaart van de inheemse gemeenschap­pen. In een bekend artikel getiteld `Ereschuld\' werd be­weerd dat Nederland tot nu toe alleen maar geprofiteerd had van Indië.

Deze veranderde mentaliteit in Nederland en in Indië leid­de tot de introductie van de ethische politiek. Deze politiek wordt wel eens samengevat in de drie woorden educatie, ir­rigatie en migratie.

Een modern land kan niet zonder onderwijs en dus moesten er scholen worden opgericht. Er waren al scholen waar zonen van voorname inheemse bestuurders hun opleiding ontvingen. Deze scholen werden in 1914 omgezet in de Hollands-Indische scholen. Hier werd Nederlands vanaf de eerste klas onderwezen.

Behalve dit onderwijs voor de elite werd in 1906 een begin gemaakt met het onderwijs voor de massa door middel van de zogenoemde dessascholen of volksscholen, die eenvoudig driejarig onderwijs in de landstaal boden. Deze scholen werden slechts op verzoek en met instemming van de lokale gemeenschap gesticht. Men moest ook zelf de kosten voor het onderhoud opbrengen.

Dan was er nog het onderwijs verzorgd door missie en zending. Vanuit deze hoek werd ook veel aandacht besteed aan ziekenzorg.

Een belangrijke stimulans voor de verbetering van de zorg voor de massa was het feit dat het niet goed ging op het platteland. In 1904-1905 werd naar aanleiding van allerlei berichten een onderzoek ingesteld naar de zogenoemde `mindere welvaart\', wat een andere term was voor het be­grip armoede. In verschillende streken van Java ontstond als gevolg van de groei van de bevolking een gebrek aan landbouwgrond in de dessa\'s. Nieuwe dorpsvestigingen op woeste grond, wat altijd een mogelijkheid was geweest om overbevolking van een bepaald dorp te voorkomen, was niet meer mogelijk. De overheid trachtte door de aan­leg van steeds grotere irrigatiewerken, door landbouwvoorlichting en een nieuwe vorm van kredietverlening de nood te lenigen. Deze maatregelen zorgden ervoor dat hongersnood en extreme armoede niet of slechts inciden­teel voorkwamen.

Belangrijk was bovendien dat in de traditionele dorpshuis­houding een zekere wederzijdse zorg bestond, waardoor familieleden die dreigden ten onder te gaan, werden opge­vangen. In de crisis van de jaren dertig bleek de betekenis hiervan.

Het ontging de overheid niet dat Java overbevolkt was. In 1905 werd daarom een begin gemaakt met het overbrengen van Javanen naar Zuid-Sumatra. Deze politiek had maar gedeeltelijk succes. Eind 1940 bevonden zich in totaal meer dan 210.000 Javanen buiten Java, maar de bevolking van Java steeg in die tijd jaarlijks met een half miljoen.

Het bestuur

De Nederlanders bestuurden dit grote gebied met behulp van een tamelijk kleine groep ambtenaren. Kenmerkend voor de koloniale relatie was het bestaan van twee soorten bestuursinstellingen: het Nederlandse binnenlandse be­stuur en het inlandse binnenlandse bestuur. 

De Nederlandse resident was het hoofd van het gewest. Hij had toezicht op en bevel over alle bestuursambtenaren. De Nederlandse controleur trad op als `oren en ogen\' van de resident.

De regenten kwamen meestal uit inheemse adellijke fami­lies.Er werd naar gestreefd een regent door een deskundig familielid of zoon te laten opvolgen. De regent was belast met de dagelijkse leiding van de bevolking in zijn gebied. In 1922 werd begonnen met een bestuurshervorming. Java zou worden verdeeld in drie provincies: West-, Midden- en Oost-Java, die op hun beurt weer waren verdeeld in zelfstandige regentschappen.

Er werden allerlei nieuwe vertegenwoordigende raden in­gesteld voor provincies, regentschappen en gemeenten. Sommige regenten kregen meer verantwoordelijkheden die voor die tijd werden verzorgd door het binnenlandse bestuur. Dit betekende dat de invloed van het Nederlandse bestuur zou worden teruggedrongen.

Veel Nederlanders waren van mening dat het gevaarlijk was om de directe controle over de Indische samenleving op te geven. Communistische opstanden in 1926 en 1927 hadden de Nederlanders onaangenaam verrast.

In gebieden waar het bestuur werd uitgeoefend volgens het hiervoor gegeven schema is sprake van indirect bestuur. Maar er waren ook gebieden waarin de Nederlanders alle bestuursverantwoordelijkheid droegen. We spreken dan van direct bestuur.

Een van de uitgangspunten van de Nederlanders is steeds geweest om zoveel mogelijk gelijken over gelijken te laten besturen. Dit betekende in de praktijk dat op plaatselijk niveau zoveel mogelijk de plaatselijke bestuurders verant­woordelijk waren voor de gang van zaken. Dit hing ook samen met de adat, het Indische gewoonterecht. Wie grond bezat of rechten had op een deel van de gemeen­schappelijke grond had meer invloed dan iemand die geen grond had. Er was een duidelijk verschil tussen de Europe­se vorm van inspraak via gemeenteraden, provinciale ra­den en de Volksraad en de invloed gebaseerd op de adat. Wanneer er in een dorp een conflict was tussen twee fami­lies, dan liet men de bemiddeling liever over aan een dorps­hoofd, die de plaatselijke gewoonten kende. Als het Nederlandse bestuur dit zou doen, bestond de kans dat er een verkeerde beslissing werd genomen, omdat een Neder­lander minder op de hoogte was van de plaatselijke om­standigheden dan een dessahoofd. Hierdoor werd voorkomen dat er onnodige conflicten ontstonden als ge­volg van onvoldoende begrip van de situatie.

Verhouding Nederlands parlement Volksraad (1918-1942)

In 1918 werd de Volksraad ingesteld. Deze moest dienen als een soort parlement voor geheel Nederlands-Indië, maar in wezen was het een raadgevend lichaam zonder werkelijke staatkundige macht.

De gouverneur-generaal vroeg de Volksraad advies in alles wat hij nodig vond. Hij moest advies vragen in zaken die gingen over de begroting, het aangaan van leningen en bij het ontwerpen van algemene verordeningen. De Volksraad kon voor de belangen van Nederlands-Indië opkomen bij de Nederlandse regering, de Staten-Generaal en bij de gouverneur-generaal. In 1918 telde de raad 39 leden, waarvan de helft werd be­noemd door de gouverneur-generaal; de anderen werden gekozen. Deze verkiezing vond plaats door de leden van de gewestelijke en de gemeentelijke raden. In de Volksraad waren Europeanen, inheemsen en `Vreemde Oosterlingen\' vertegenwoordigd. Ten minste een vierde deel moest inheems zijn. Veel Europeanen zagen aanvankelijk het nut van de instel­ling van de raad niet zo, maar later veranderde deze houding.

Voor de gematigde nationalisten bood de raad een gele­genheid om hun ideeën vrij naar voren brengen zonder daarvoor ter verantwoording te kunnen worden geroepen. De raad had een samenbindende functie, omdat voor het eerst mensen uit verschillende gebieden met elkaar in con­tact kwamen. De eenheid van Nederlands-Indië werd er­door bevorderd.

In 1931 kwam de Volksraad in een nieuwe samenstelling bijeen: het aantal was nu 60, waarvan de helft inheems, 5 `Vreemde Oosterlingen\' en 25 Nederlanders. De mogelijkheid van een wat toen genoemd werd `inlandse meerderheid\' verontrustte veel Europeanen.

Bevoegdheden

De minister van Koloniën benoemde de gouverneur-generaal en andere hoge ambtenaren.

De Indische begroting werd in Indië opgesteld en hierbij moest, zoals we zagen, de Volksraad adviseren. Daarna werd de begroting naar Nederland gestuurd en door de mi­nister van Koloniën in het parlement verdedigd, waarna al dan niet goedkeuring door het parlement volgde.

In feite betekende deze gang van zaken dat het Nederland­se parlement boven de Volksraad stond. Deze onderge­schikte positie kwam heel duidelijk naar voren toen in 1938 de Volksraad een petitie aannam waarin gevraagd werd om een conferentie die zou gaan over zelfstandigheid voor Nederlands-Indië. In het Nederlandse parlement werd deze petitie verworpen. Later zei de gouverneur-generaal hierover: `Als men op de petitie inging zou er een sluis geopend worden, zonder dat men wist wat er door kwam en zonder te weten hoe de sluis weer gedicht moest worden.\'

Sinds de instelling van de Volksraad werd het aantal be­voegdheden geleidelijk uitgebreid. In 1918 leek het erop dat de invloed van de Volksraad vanaf het begin aanzien­lijk zou worden. Dat veroorzaakte onrust in Nederland, men was bang voor revolutie. Gouverneur-generaal Van Limburg Stirum liet toen, beïnvloed door de dreigende on­rust, een verklaring afleggen over uitbreiding van de be­voegdheden van de raad. Inheemse leden vroegen om bevoegdheden zoals het Nederlandse parlement die had. Toen de rust teruggekeerd was, liep het zo\'n vaart niet met de macht die de Volksraad kreeg. Een verschijnsel dat zich ook in koloniën van andere landen voordeed.

Bij de grondwetsherziening van 1922 werd de term kolonie geschrapt en na 1925 kreeg de Volksraad het recht van ini­tiatief, amendement, petitie en interpellatie. Het recht van enquête, een duidelijke controlemogelijkheid, werd niet verleend. In de ogen van veel conservatieven zou dan het hek van de dam zijn. Overigens betekende het verlenen van deze rechten niet dat de Volksraad een echt parlement was geworden. Men kreeg inspraak in het bestuur maar meer dan adviezen kon men niet uitbrengen.

Toch heeft de Volksraad een behoorlijke invloed uitgeoe­fend. De mogelijkheid was er nu om meningen die anders onder de oppervlakte leefden openlijk te uiten. Bij ver­schillende gelegenheden slaagde de Volksraad er in een ei­gen standpunt naar voren te brengen. Zo bereikte men dat ook niet-Nederlanders benoemd konden worden in de Raad van Indië (een adviesorgaan voor de gouverneur-generaal). Er werden discussies gevoerd en voorstellen ge­daan over salariskwesties. Gesproken werd over het ge­bruik van de term Indonesië en Indonesiër. Van de ingediende amendementen zijn in de loop der jaren onge­veer 40% door de Indische regering overgenomen.

Voordat de Volksraad bestond was het mogelijk dat nogal autocratisch ingestelde bestuurders hun gang konden gaan. Zoals we zagen waren de Europeanen minder geïnte­resseerd in het doen en laten van de Volksraad: zij hadden immers al een belangrijke invloed. Voor een aantal in­heemsen lag dat anders; voor hen betekende het optreden in de Volksraad een eerste stap op weg naar zelfstandig­heid en inspraak.

Velen van hen vonden deze manier van inbreng een soort fopspeen. Mannen als Soekarno, Hatta en Sjahrir, die later een belangrijke rol zouden spelen in de strijd om de onaf­hankelijkheid, wilden of konden niet meedoen aan wat zij als koloniaal bestuur bestempelden. Veel van deze natio­nalisten hebben geruime tijd moeten doorbrengen in ge­vangenschap omdat ze in de ogen van het Nederlandse bestuur te veel wilden, namelijk zelfstandigheid voor In­donesië.

Het was eigenlijk alleen een bepaalde Nederlands gezinde elite die meesprak in de Volksraad. De grote massa van de bevolking bleef buiten deze vorm van politiek voeren.

2 Politiek en economie 1918-1942

Politieke ontwikkelingen

In het begin van de twintigste eeuw zien we een aantal op­merkelijke veranderingen in de verhouding moederland-kolonie. De ethische politiek is reeds besproken. Ook bij de inheemse bevolking was er sprake van veranderingen.

memo hfst 6 afb 9

 

In 1908 was er een nieuwe vereniging opgericht: Boedi Oetomo,(zie foto) die zich ten doel stelde de inheemse bevolking tot een beter bestaan te brengen waarbij men duidelijk wilde uitgaan van de Nederlandse cultuur.

De Indische Partij werd opgericht in 1911. Deze deed een poging om alle in Indië geboren bevolkingsgroepen te ver­enigen. Na de oprichting van het Indo-Europees verbond nam de betekenis van de Indische Partij af.

In 1912 was de Sarekat Islam opgericht, een partij die radi­caler was. Dat bleek uit de steun die men gaf aan een aan­tal stakingen. Na 1923 ging men de weg op van de non-cooperatie; men weigerde samen te werken met het Nederlandse bestuur. De Sarekat Islam nam niet meer deel aan de Volksraad.

Voor 1930 had de Sarekat Islam veel aanhang verloren. Er kwamen nieuwe islamitische bewegingen maar van een grote eenheidsbeweging was geen sprake. Nog radicaler dan de Sarekat Islam was de communisti­sche partij, de PKI, opgericht in 1921. Deze partij kreeg haar aanhang vooral op het platteland. Hier had de Sare­kat Islam eerst veel aanhang, maar na 1919 nam de invloed van de PKI toe. De regering hield de PKI nauwlettend in de gaten. Verschillende communistische leiders werden verbannen na een mislukte staking in 1925.

Tot grote schrik van de Nederlanders kwam het in 1926 en 1927 tot een opstand, die door gebrekkige leiding en slech­te communicatie tot gering succes leidde. Er werden 13.000 mensen opgepakt en uiteindelijk kwamen er 1300 terecht in het kamp Boven-Digoel op Nieuw-Guinea.

memo hfst 6 afb 11

In de steden kwam de vakbeweging op. Het geschoolde personeel bij de overheid en in de industrie begon zich te organiseren. In deze periode ontstonden er allerlei regio­naal georiënteerde nationalistische verenigingen zoals Sa­rekat Ambon en Jong Sumatra. Hieruit bleek dat niet iedere nationalist bij zelfstandigheid direct dacht aan een Indonesische eenheidsstaat.

Bij de Nederlanders was er een groeiende bezorgdheid te constateren over deze ontwikkelingen. In het begin van de eeuw had men welwillend gestaan tegenover initiatieven die de rol van de inheemsen wilden beklemtonen. Maar de onrust en stakingen rond 1930 maakten de Nederlanders ongerust. Zou men de zaak onder controle kunnen houden met het handjevol bestuursambtenaren waarover men be­schikte? In 1929 leidden deze gevoelens tot de oprichting van de Vaderlandse Club, een conservatieve groepering die van mening was dat de Nederlanders het voornaamste bin­dende element waren in Indië. Voorlopig zou er volgens deze groep geen sprake kunnen zijn van een zelfstandig In­dië. De Nederlanders zouden nog heel lang de leiding moe­ten houden.

Het eerder opgerichte Indo-Europees Verbond, dat zijn aanhang vond onder de Indische Nederlanders, probeerde ook zoveel mogelijk de belangen en de positie van zijn aanhang te verdedigen en te consolideren; voor de natio­nalistische beweging had men geen oog. Zo namen de on­derlinge tegenstellingen toe: aan de ene kant de nationalisten die zelfstandigheid wilden en aan de andere kant de Europeanen die hun positie wilden handhaven.

Maar welke keus de Indo-Europeanen ook maakten, ze vielen steeds tussen de wal en het schip. De Europeanen zagen hen niet als volwaardige Nederlanders, hoewel ze dat volgens de wet wel waren. De inheemsen beschouwden hen als behorende tot de koloniale partij. Het aantal Euro­peanen nam snel toe maar deze groep isoleerde zich heel duidelijk in de steden. Aan de andere kant nam het aantal inheemsen met een belangrijke post in de maatschappij toe, maar vooral de topfuncties bij het bestuur bleven ge­reserveerd voor Nederlanders. Ook in het bedrijfsleven kwamen weinig inheemsen aan bod in de top.

In 1930 werd als reactie op de conservatieve koers van de Vaderlandse Club, in Batavia de Stuwgroep opgericht. Deze vereniging, die haar aanhang vooral vond bij ambte­naren en geleerden in en rond Batavia, wilde in samenwer­king met de Indonesiërs komen tot een onafhankelijk met Nederland verbonden Indisch gemenebest. Deze groep kreeg weinig aanhang en werd in 1934 weer opgeheven. Mannen als Van Mook, Logemann en Jonkman, die na 1945 respectievelijk luitenant, gouverneur-generaal en mi­nister van Koloniën werden, waren lid van deze club.

Economische ontwikkelingen

Na een korte periode van bloei ontstonden er na de Eerste Wereldoorlog al spoedig problemen voor de Nederlands-Indische regering. De prijzen op de wereldmarkt daalden en het gevolg was dat er bezuinigingen moesten worden doorgevoerd. Nederlands-Indië bleek gevoelig voor de ver­anderingen op de wereldmarkt. De export was niet meer alleen gericht op Nederland; de Verenigde Staten en Azia­tische landen werden afnemers van de Nederlands-Indische produkten.

De overheid begon zich steeds meer te bemoeien met het economische leven. De kleine industrie op Java werd gesti­muleerd, maar ook de grote agrarische industrie werd gesteund door het sluiten van overeenkomsten met het bui­tenland over de afzet van suiker, tabak en rubber.

De economische crisis van de jaren dertig trof Indië extra hard, omdat Nederland vasthield aan een vaste koers van de gulden. Daardoor verzwakte de concurrentiepositie. Er werd op grote schaal bezuinigd en de lonen werden verlaagd. Dit was de aanleiding tot de muiterij op het oorlogsschip de Zeven Provinciën in februari 1933. Het schip werd in Noord-Sumatra door de bemanning overgenomen toen een groot aantal officieren van boord was gegaan. De be­manning stoomde met het schip op naar Soerabaja. De gouverneur-generaal trad hard op; het schip werd getrof­fen door een vliegtuigbom, waardoor er een eind aan de muiterij kwam. De kwestie veroorzaakte in Nederland veel deining.

Het was ook voor de inheemse bevolking en zeker op Java een moeilijke tijd. Inkomsten uit de verhuur van grond voor de verbouw van suiker vervielen en door de beper­king van de produktie was het moeilijk in de agrarische in­dustrie werk te vinden. Pas na 1936 trad er door de algemene opleving van de wereldeconomie weer verbete­ring op. De crisis leidde tot algemene armoede onder de bevolking. Toch was de voedselsituatie redelijk dank zij een verdub­beling van de rijstproduktie tussen 1910 en 1940. De over­heid nam maatregelen op het gebied van de kleine landbouw. Er werd voorlichting gegeven, de irrigatie werd verbeterd en er werden wegen aangelegd. Tegelijkertijd werd veel gedaan ter verbetering van de kwaliteit van de gewassen die werden verbouwd door de inheemsen.

De verminderde afzet naar het buitenland bracht grote problemen met zich mee. Er was verschil van mening over de vraag wie nu de produktie moest beperken: de kleine in­heemse boer of de grote ondernemingen? Men beschuldigde gouverneur-generaal De Jonge ervan dat hij de ondernemingen voortrok. De Jonge redeneerde als volgt: de kleine ondernemers kunnen gemakkelijker hun produktie beperken omdat dit minder kapitaalvernie­tiging met zich meebrengt. Niet iedereen was het hiermee eens.

Nationalisme

In 1927 werd de Partai Nasional Indonesia, de PNI opge­richt door Soekarno. Deze partij wilde een onafhankelijk Indonesië. Dat doel wilde men bereiken door non­codperatie en door het organiseren van de massa. Deze partij was belangrijk voor de groei van de gedachte dat er een Indonesisch nationalisme moest komen en dat de strijd voor de onafhankelijkheid belangrijker was dan de onder­linge tegenstellingen.

memo hfst 6 afb 10

Soekarno probeerde in zijn redevoeringen zoveel mogelijk elementen van verschillende richtingen op te nemen. De leiding van de PNI berustte vooral bij westers opgeleide in­tellectuelen. Sommigen van hen, zoals Hatta en Sjahrir, hadden in Nederland gestudeerd. Soekarno en zijn partijgenoten hadden een redelijk succes, vooral in de steden, maar door het optreden van de over­heid werd de propaganda van de nationalisten aan banden gelegd. Soekarno zat tussen 1929 en 1931 in de gevangenis; hij werd ervan beschuldigd dat hij de orde en de rust on­dermijnde. Tussen 1933 en 1942 was hij geïnterneerd, net als Sjahrir en Hatta. Dit was een zware slag voor de organisatie. De komst van de Japanners betekende hun vrijlating.

Gemiste kansen?

In de jaren dertig ontstond er naast het radicale streven een duidelijk gematigder stroming. Het besef drong door dat men weinig kon bereiken tegen de zin van de Neder­landse regering. Men probeerde weer meer te bereiken door samenwerking en overleg. Dit kwam in 1936 tot ui­ting in de petitie van Soetardjo in de Volksraad, waarin werd verzocht om te komen tot een Rijksconferentie om over de toekomst van Nederlands-Indië te spreken. De Volksraad nam deze in gematigde termen geformuleer­de petitie aan, maar het Nederlandse parlement en de mi­nister van Koloniën wezen dit verzoek af.

Tegelijkertijd zochten verschillende nationalistische groe­peringen onderlinge samenwerking. In Indonesische krin­gen bleek men teleurgesteld, maar dit leidde toch niet tot anti-Nederlandse acties na het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog. Ook in nationalistische kringen was er vrees voor een Japanse overheersing. Sjahrir koos wat dit betreft duidelijk partij tegen de Japanners, maar er waren ook nationalisten die niet afkerig waren van samenwer­king met de Japanners om de Nederlanders kwijt te kun­nen raken. In een gebied als Atjeh was deze stroming sterk aanwezig.

Toen Nederland in ei 1940 in oorlog met Duitsland was geraakt, betuigde een aantal nationaliste zijn loyaliteit met de Nederlandse zaak. Men verwachtte nu ook een te­gemoetkomende houding van de Nederlands-Indische re­gering. In de Volksraad werd een motie ingediend waarin verzocht werd de term Nederlands-Indië te vervangen door Indone­sië en die van inlanders en inlands te vervangen door Indo­nesiër en Indonesisch. Tot grote teleurstelling van de inheemse leden van de Volksraad werd deze motie af­gewezen.

In een tweede motie werd verzocht om een conferentie waar gesproken zou worden over zelfstandigheid van In­dië, maar hierop wilde de Indische regering niet ingaan. Wel werd er een commissie ingesteld om de in Indië leven­de wensen te inventariseren.

In 1941 nam de Londense regering het besluit om na de oorlog een conferentie te houden over de verhouding in het koninkrijk en over het intern bestuur van Indië. De In­donesiërs reageerden hierop met gemengde gevoelens; er was vreugde maar ook teleurstelling.

De Nederlandse regering in Londen was bereid verder te gaan dan de Indische maar termen als onafhankelijkheid werden niet gebruikt ondanks de aandrang van minister Soejono, de enige Indonesiër in het Londense kabinet.

Intussen was de in1941 ingestelde commissie met een con­clusie gekomen: in Indië leven geen duidelijke wensen om een einde te maken aan de band met Nederland. Leden van diezelfde commissie, zoals Soejono, wezen erop dat de be­hoefte aan zelfstandigheid van hoog tot laag leefde en sterk was. Men kan niet aan de indruk ontkomen dat de Nederlan­ders over het algemeen het nationalisme hebben onder­schat. Na de oorlog zou dit zich wreken.

3 Oorlog met Japan

Japanse bezetting

Toen Japan in december 1941 Pearl Harbour aanviel en daardoor in oorlog kwam met de Verenigde Staten en En­geland, verklaarde Nederlands-Indië de oorlog aan Japan. Het was ieder duidelijk dat Nederlands-Indië door Japan zou worden aangevallen. Reeds voor de oorlog was de be­langstelling van Japan voor het grondstoffenrijke Nederlands-Indië groot geweest.

De Japanse aanval op de Nederlandse kolonie kwam dan ook vrij spoedig en in een onverwacht hoog tempo werd de gehele archipel door de Japanners bezet. De snelle ne­derlaag van de Nederlanders werd door veel Indonesiërs met leedvermaak gevolgd. Zij verwachtten veel van de Ja­panners. Maar de Japanners waren niet gekomen om de onafhanke­lijkheid van Indonesië te bevorderen. Hun doel was het be­nutten van de grondstoffen die het gebied bood. De Indonesiërs werden opgeroepen mee te helpen in de strijd die Japan voerde om te komen tot `een gemeenschappelij­ke welvaartssfeer in Groot Oost-Azië\'. Voor dit doel was orde en rust nodig en medewerking van de bevolking. De uitlatingen van de Japanners over de toekomst van Oost-Indië waren bijzonder vaag.

Minder vaag waren hun daden: een eerste poging van de uit Nederlandse ballingschap vrijgekomen nationalisten om een begin van een regering te vormen, werd van tafel geveegd, tot grote teleurstelling van Soekarno en Hatta. Sjahrir, een andere bekende nationalist, weigerde met de Japanners samen te werken. Soekarno en Hatta wilden wel gebruik maken van de mogelijkheden die de Japanse be­zetting hen bood. De Japanners hadden immers de Neder­landers verslagen; de blanken werden opgesloten in kampen en de nationalistische leiders konden nu vrij rond- reizen en de bevolking toespreken. De Japanners gebruikten de nationalistische leiders om de bevolking te organiseren.

In 1942 werd een nieuwe beweging door de Japanners ge­organiseerd, de AAA-beweging. Deze beweging propa­geerde: Japan is het licht, de beschermer en de leider van Azië. De nationalisten konden de sterke beklemtoning van de Japanse superioriteit niet zo waarderen.

In 1943 werd de Poetera opgericht (Centrum van volks­kracht ten behoeve van de oorlog). Via deze beweging hoopten de nationalisten meer invloed te krijgen, maar de Japanners hadden geen enkel belang bij de politieke be­wustwording van de massa. Zij wilden de massa alleen maar gebruiken voor hun oorlogsdoeleinden.

Arbeidskrachten werden op grote schaal geronseld en als romoesja\'s aan het werk gezet aan de fronten, vliegvel­den, havens en spoorlijnen, niet alleen op Java maar ook ver daarbuiten. Naarmate de bezetting vorderde bleek dat de Groot‑Aziatische welvaartssfeer in werkelijkheid alleen voor de Japanners was bedoeld. De aanvankelijke vreugde die het verdwijnen van de Nederlanders had gebracht maakte plaats voor het besef dat men van de regen in de drup was gekomen. Alle economische activiteiten die niet van belang waren voor de Japanse oorlogvoering werden ver­waarloosd. De prijzen stegen, er kwam groot gebrek aan rijst en tegelijkertijd was er geen aanbod van consumptie­goederen, die voor de oorlog wel beschikbaar waren. Het westerse bedrijfsleven was verdwenen met alle werkgele­genheid die dat geboden had.

Toch was er nauwelijks sprake van verzet. Een kleine groep studenten rond Sjahrir bleek duidelijk afkerig van de bezetter; zij verweten Soekarno zijn medewerking aan het ronselen van de romoesja\'s.

Toen de oorlog voor Japan slechter ging en de oorspron­kelijke gedachteom Oost-Indië bij Japan in te lijven niet meer zo reëel was, gingen de Japanners iets toegeven aan de nationalisten. Op 7 september 1944 kwam de belofte dat Indonesië onafhankelijk zou worden. Over een datum werd nog niet gesproken. Kort daarvoor was de Barisan Pelopor opgericht. Dit was de eerste half-militaire organi­satie met een duidelijk nationalistische doelstelling. Deze organisatie kwam alleen op Java tot stand; uiteraard met goedvinden van de Japanners.

Intussen was de toestand van de Nederlanders die in kam­pen zaten opgeslotenslecht geworden. In deze kampen tra­den de Japanners bijzonder wreed op. In Japanse ogen moest een soldaat zich doodvechten. Capitulatie werd ge­zien als een daad van lafheid. De Nederlandse vrouwen en kinderen waren opgenomen in beschermde wijken. Dat waren stadsdelen die als kampwerden aangewezen. Tot 1944 was de toestand in de vrouwenkampen, die onder ci­viel bestuur stonden, niet heel erg slecht, maar toen daarna de militairen het bestuur overnamen, werd ook hier de si­tuatie ondraaglijk. Er moest hard gewerkt worden en er was weinig voedsel.

In totaal werden 170 000 Europeanen in kampen onderge­bracht. Hiervan kwamen ongeveer 27 000 om. Men schat dat ten gevolge van de Japanse bezetting twee en een half miljoen inwoners van Nederlands-Indië zijn omgekomen. De Indische Nederlanders bleven buiten de kampen, al­thans op Java. In de buitengewesten werden ook zij geïn­terneerd.

De nationalisten in 1945

Toen de militaire positie van de Japanners duidelijk ver­zwakt was na verschillende nederlagen, waren ze bereid te­gemoet te komen aan een aantal eisen van de nationalisten. Soekarno en Hatta werden uitgenodigd voor een gesprek over de toekomstige onafhankelijkheid. De atoombom op Hirosjima en Nagasaki brachten de za­ken in een stroomversnelling. De Japanse capitulatie vond plaats op 15 augustus. De geruchten over deze capitulatie hadden nationalistische groeperingen al bijeen gebracht om te overleggen over de vraag wat er nu moest gebeuren. Soekarno en Hatta waren voorzichtig in hun optreden, maar de jongeren, de pemoeda\'s, wilden het heft in eigen hand nemen. Ze wilden de onafhankelijkheid niet uit Ja­panse handen ontvangen. Soekarno en Hatta werden ont­voerd en daarna gedwongen de Indonesische Republiek uit te roepen op 17 augustus 1945. De Japanners verleenden hun stilzwijgende steun.

memo hfst 6 afb 13

Er was natuurlijk veel overleg geweest over het hoe en wat van de onafhankelijkheid. Een man als Sjahrir vond het tijdstip van de onafhankelijkheid niet gelukkig. Verder was er verschil van mening over de vraag wat voor een staat men nu wilde. Over de plaats van de islam was men het niet eens, maar Soekarno wist te bereiken dat men het eens werd over de grondslag van de pantja sila, dat wil zeggen de vijf zuilen die nu nog de grondslagen van de In­donesische staat zijn. Deze grondslag omvat vijf begrip­pen: nationalisme, internationalisme, democratie, welvaart en het geloof in één God.

De grondwet van 1945 gaf grote macht aan de president. Deze grondwet werd reeds herzien en aangepast in de herfst van 1945 omdat meer radicale groepen zoals de pe­moeda\'s en de groep rond Sjahrir het niet eens waren met de grote invloed van Soekarno. Hij werd door velen be­schouwd als iemand die te veel toegegeven had aan de Ja­panners. Men wilde meer invloed voor de regering en het parlement.

Het uitroepen van de revolutie werd gevolgd door de ver­spreiding van de nationalistischegedachte in de gehele ar­chipel. Op allerlei plaatsen begonnen nationalistische activiteiten. Overal werd getracht de positie en vooral de wapens van de Japanners over te nemen.

Eind september was de toestand zeer verward. Er werden aanvallen gedaan op de gevangenkampen waar de Euro­peanen zaten. Hierbij werden veel Nederlanders gedood of gewond. In zekere zin kan men zeggen dat de Nederlanders in de ge­vangenkampen fungeerden als gijzelaars van de Re­publiek.

De Nederlanders in 1945

Voor de Nederlanders in de gevangenkampen was het be­richt van de Japanse capitulatie aanleiding tot een feeste­lijke stemming. Men verwachtte een spoedige terugkomst van het Nederlandse gezag. Men besefte dat er iets veran­derd was, maar daarover zou gepraat kunnen worden. Na­tuurlijk niet met collaborateurs zoals Soekarno.

De Nederlandse regering had zich ook beziggehouden met de vraag wat er na de oorlog met Indië moest gebeuren. In een redevoering van december 1942 had de koningin ge­zegd dat er na de oorlog nieuwe mogelijkheden zouden ko­men wat betreft het bestuur van de koloniën. Voor de nationalisten was deze mededeling moeilijk te rijmen met de situatie van een onafhankelijke republiek Indonesië.

De Nederlanders rekenden erop zo spoedig mogelijk met een strijdmacht in Indië terug te komen om de Japanners te ontwapenen en om orde op zaken te stellen. Daarna zou er gepraat kunnen worden.

Het was de bedoeling geweest dat de Amerikanen Indië zouden bevrijden, maar door een verandering in de plan­nen was Indië terechtgekomen in de commandosfeer van de Engelsen. Zij waren ongeveer zes weken na de Japanse capitulatie op Java geland om de Japanners te ontwapenen en tijdelijk het gezag voor de Nederlanders waar te nemen. De Engelsen waren hier niet op voorbereid en misten de mankracht om onmiddellijk na de capitulatie van Japan de hele Indische archipel onder controle te krijgen. Overi­gens wilden ze zich ook niet bemoeien met de politieke si­tuatie. Dat werd aan de Nederlanders overgelaten.

Verwarring en onrust

De Nederlanders beschikten niet over voldoende schepen om een eigen leger naar Indië over te brengen. Men was af­hankelijk van de Engelsen die eigenlijk de Nederlanders maar beperkte steun wilden geven.

memo hfst 6 afb 15

Íntussen was er op Java een uiterst verwarde toestand ont­staan; er was een revolutie aan de gang, de Nederlandse geïnterneerden werden door fanatieke jeugdige nationa­listen belegerd en het was onduidelijk wie het eigenlijk voor het zeggen had. De Engelsen kwamen in Soerabaja in conflict met revolutionaire republikeinse jongeren waarbij een Engelse generaal werd gedood.

De Engelsen probeerden de Nederlanders aan de onder­handelingstafel te krijgen. Maar de Nederlanders hadden geen goed idee over de omvang en de kracht van de natio­nalistische beweging. Men begreep weliswaar dat een her­stel van de oude koloniale verhoudingen niet mogelijk was, maar de Nederlandse bezittingen kon men niet zo­maar opgeven en bovendien bevonden zich nog tiendui­zenden Nederlanders in interneringskampen. Verder achtte men het ook nodig om op te komen voor minder­heidsgroepen die het niet met de Republiek eens waren. Zij bleven volhouden dat ze met Soekarno niet wilden praten. Voordat onderhandelingen mogelijk waren moesten eerst de orde en de rust hersteld zijn.

De Nederlanders misten de machtsmiddelen om dit te rea­liseren. Pas in maart 1946 landden de eerste Nederlandse troepen op Java. Intussen was de invloed van de republikeinen vooral op Java sterk toegenomen. De Republiek ging ervan uit dat het gehele grondgebied van Nederlands-Indië door hen was overgenomen op 17 augustus 1945.

4 Ontwikkelingen na 1945

Onderhandelingen

In 1946 kwamen de onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek goed op gang. Er kwam een Indonesische de­legatie naar Nederland, maar de besprekingen op de Hoge Veluwe in april 1946mislukten. Dit kwam omdat de Ne­derlandse regering niet ver genoeg wilde gaan in het erken­nen van de zelfstandigheid van de Republiek. Vooral de fractieleider van de KVP, Romme, verzette zich fel tegen concessies aan de Republiek. Hij sprak in een artikel in De Volkskrant over de Week der schande.

Bij het mislukken van de besprekingen speelden tegenstel­lingen aan beide kanten een rol. Wat voor de roomse part­ners `schandelijk\' was, was voor de rode partner een `haalbare kaart\'. In deze impasse begon Van Mook, de plaatsvervangende gouverneur-generaal, overleg met ge­bieden buiten Java. Hij kwam met de gedachte dat Indo­nesië zou worden verdeeld in vier grote gebieden waarvan de Republiek dan deel zou uitmaken. Er viel op dat mo­ment nauwelijks met de Republiek te praten. Men had bo­vendien geen militaire of andere machtsmiddelen.

In Malino op Zuid-Celebes vond een conferentie plaats waar gesproken werd over het stichten van een aantal deelstaten. Een bekende deelstaat was Oost-Indonesië. Ook op Java zou een deelstaat komen. Deze gedachte sloeg aan, maar werd door de nationalisten die vasthielden aan de eenheid van Indonesië afgewezen. Aan Indonesische kant bleek ook dat wat voor de een een goede samenwerkingspolitiek was, voor de ander verraad aan de eigen zaak betekende. Ook hier heerste dus ver­deeldheid.

Eind 1946 vonden er in Linggadjati (Cheribon op Noord-Java) opnieuw besprekingen plaats met de Republiek. De bereikte overeenkomst hield in dat de Republiek erkend werd als gezagsdrager over Java en Sumatra. Men ging ak­koord met de vorming van de Verenigde Staten van Indo­nesië, waarin de Republiek één van de te vormen deelstaten zou zijn. Nederland en de Verenigde Staten van Indonesië zouden samenwerken in een federatie met de koningin  als hoofd. Er zou een gezamenlijke regeling komen voor de buitenlandse betrekkingen, defensie en financiën. Aan beide kanten was het thuisfront niet tevreden. In het Nederlandse parlement bracht men wijzigingen aan in de overeenkomst, de `aankleding\' zoals dat genoemd werd. In de Republiek was er ook verzet van de kant van het par­lement.

In de praktijk bleek dat het wapenstilstandsakkoord door de Republiek niet werd nageleefd. Men had het vertrou­wen in het akkoord verloren door de wijzigingen die het Nederlandse parlement had aangebracht.Op Zuid-Celebes werd de republikeinse terreur tegen fede­ralisten, dat wil zeggen aanhangers van de deelstatenpoli­tiek, met een Nederlandse contraterreur door onder meer kapitein Westerling in korte tijd bedwongen.

Er werden pogingen ondernomen om tot een vorm van sa­menwerking te komen, maar dit mislukte deels door het ei­gengereide optreden van de Republiek waarbij men duidelijk liet zien niet in staat of niet bereid te zijn de over­eenkomst van Linggadjati na te leven. De Republiek breidde in strijd met de overeenkomst haar diplomatieke betrekkingen met andere landen uit. Dat ge­beurde met grote deskundigheid.

Nederland had geld nodig om het grote leger in Indië op de been te houden. De producten die dit geld zou moeten verschaffen lagen op vroegere Nederlandse ondernemin­gen en nu dus republikeins terrein. De Republiek weigerde deze uit te leveren. Toen het duidelijk werd dat een uitwerking van het ak­koord van Linggadjati uiterst moeizaam verliep besloot Nederland uiteindelijk op 20 juli 1947 een gewapende actie onder leiding van de legercommandant Spoor tegen de Re­publiek te gaan ondernemen.

Internationale interventie

De actie was militair gezien een succes. Men ontmoette weinig tegenstand, maar er ontstond grote internationale oppositie. De zaak kwam op verzoek van Australië en In­dia voor de Veiligheidsraad. Minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens verdedigde de Nederlandse zaak en probeerde aan te tonen dat het hier een binnenlandse aan­gelegenheid betrof.

Een oproep tot een staakt het vuren beëindigde voorlopig de strijd. Er kwam een Commissie van Goede Diensten die de bedoeling had beide partijen te helpen tot een overeen­komst te komen. Het aantal bestandsschendingen na het staakt het vuren was groot.

Deze eerste politiële actie gaf de stoot tot het effectiever worden van het Indonesische guerrillaleger.

Onder de begeleiding van de Commissie van Goede Diensten kwam in 1948 de Renville -overeenkomst tot stand, waarbij min of meer de overeenkomst van Linggad­jati werd gevolgd. Nederland was echter vrij om deelstaten in zijn gebied te vestigen. Dit moest uiteindelijk leiden tot een verzwakking van de Republiek, die steeds meer in grondgebied zou worden teruggedrongen. Dit gaf voor­standers van een federale regeringsvorm meer ruimte tot optreden. Veel deelstaten zijn dan ook juist in deze tijd gevormd.

Ook de Reveilleovereenkomst liep uiteindelijk stuk op de tegengestelde visies van de Nederlanders en de Republiek. De Republiek had zich van het begin af aan onafhankelijk beschouwd en wenste deze positie niet meer op te geven. Guerrilla-acties namen bovendien in deze tijd sterk toe. Nederland probeerde van zijn kant de Republiek zoveel mogelijk in te dammen.

Dit had uiteindelijk een tweede actie in december 1948 tot gevolg, waarbij de Nederlandse troepen de hoofdstad van de Republiek Djokja bezetten en de leiders ervan gevangen namen. De reactie zowel van de kant van de federalisten in Indonesië als internationaal was zodanig, dat Nederland op verzoek van de Veiligheidsraad zijn actieopnieuw beëindigde. De goodwill die Nederland bij de federalisten had, was daarna verspeeld. Deze zochten overeenstem- ming met de Republiek en het gesprek met Nederland kwam weer op gang.

Dit leidde tot de Van Roijen/Roem-overeenkomst, die een terugkeer van Soekarno en Hatta naar Djokja mogelijk maakte en een Rondetafelconferentie voorstelde waarop de soevereiniteit aan de VSI zou worden overgedragen.

Rondetafelconferentie

Deze Rondetafelconferentie werd uiteindelijk van au­gustus tot december 1949 in Den Haag gehouden onder voorzitterschap van de toenmalige minister-president Drees.

Zonder overgangsperiode zou de VSI onafhankelijkheid verkrijgen aan het einde van 1949. Nederland en Indonesië zouden samen met Suriname en de Nederlandse Antillen een unie aangaan. De nieuwe staat was een federatie van deelstaten, de Republiek Djokja was één van de vele. Nieuw-Guinea werd op aandrang van Nederland buiten de overdracht gehouden. Binnen een jaar zou daarover moe­ten worden onderhandeld. Indonesië erkende de oude Nederlands-Indische schulden grotendeels. De Nederland­se bezittingen werden gegarandeerd en de ondernemingen mochten hun werk voortzetten.

De reden dat Nieuw-Guinea buiten de overdracht werd ge­houden was dat anders geen twee derde meerderheid in het parlement te vinden zou zijn geweest voor de grondwets­wijziging ten behoeve van de soevereiniteitsoverdracht. Dit kwam door de tegenstand van VVD en CHU.

De unie bevatte niet meer de bepalingen over een gemeen­schappelijke defensie en buitenlandse politiek. Nederland had gedurende het conflict, evenals de Repu­bliek, herhaaldelijk een beroep gedaan op andere mogend­heden en eveneens getracht de internationale opinie te beïnvloeden. De Verenigde Staten trachtten tussen beide landen een zekere mate van neutraliteit te handhaven. Ze steunden een oplossing door middel van onderhandelingen en namen deel aan de Commissie van Goede Diensten. De Amerikaanse twijfels over de effectiviteit van het bestuur van de Republiek werden weggenomen nadat het republi­keinse leger een communistische opstand in Madioen in september 1948 had neergeslagen. Amerika streefde er­naar de gematigde partij in de Republiek in het zadel te houden. Het gevolg hiervan was een grotere druk op Ne­derland om tot een overeenstemming te komen.

De Indonesische kwestie en de Nederlandse politiek

memo hfst 6 afb 16

De Indonesische kwestie heeft de Nederlandse politiek ja­renlang beheerst. Het bleek dat velen in Den Haag niet in staat bleken de ontwikkelingen die overzee plaatsvonden in een voldoende snel tempo te volgen. Het was alsof men steeds achter de feiten aanholde. Eerst wilde men niet pra­ten met Soekarno; men werd er door de loop der gebeurte­nissen toe gedwongen. Toen wilde men de Republiek niet erkennen maar ook op dit punt moest men uiteindelijk wa­ter bij de wijn doen. Steeds was er sprake van compromis­sen die altijd net iets te laat kwamen.

De Indonesische kwestie werd voortdurend twistpunt tus­sen de verschillende partijen. Met name de KVP mani­festeerde zich met VVD en CHU als de meer behoudende groepering. Zowel bij de Hoge Veluwe-conferentie als la­ter, toen Van Mook vervangen werd door de KVP\'er Beel, speelde de wens een zo groot mogelijke invloed in Indië te handhaven. Men verzette zich voortdurend tegen het \'af­glijden\' van de Nederlandse vertegenwoordigers in Indo­nesië, die al te tegemoetkomend of niet krachtig genoeg gevonden werden.

Bij de kabinetsformatie van 1948 werd besloten Beel als opvolger van Van Mook in de nieuwe functie van hoge vertegenwoordiger van de kroon naar Indië te zenden. Dit besluit was mede tot stand gekomen door toedoen van de KVP-minister Sassen, die als man van de harde lijn op Overzeese Gebiedsdelen was geplaatst.

Beel voelde zich al spoedig na zijn aankomst in Indië door de grote republikeinse guerrilla-activiteit gedwongen de Nederlandse regering om een tweede militaire actie te ver­zoeken. Tegen beide militaire acties had de PvdA grote be­zwaren gehad, maar men wilde zich om allerlei redenen niet aan de regeringsverantwoordelijkheid onttrekken. Bij Dress speelde als minister-president in 1948 sterk dat hij zich door de bestandsschendingen van de Republikeinen zwaar teleurgesteld voelde.

Het einde

De Unie van Nederland en Indonesië heeft niet lang stand gehouden. In 1950 werden de deelstaten ingelijfd bij de Republiek Djokja. Op 17 augustus 1950 werd de een­heidsstaat Indonesië uitgeroepen en hielden de Verenigde Staten van Indonesië op te bestaan. De Unie bleef nog tot 1956 bestaan maar werd steeds meer een dode letter door het conflict over Nieuw-Guinea. Zo werd de politieke de­kolonisatie van Indonesië een feit. Maar daarmee waren de problemen niet van de baan.

Het probleem Nieuw-Guinea werd in het voordeel van Soekarno opgelost: Nederland moest het gebied afstaan. Een conflict met Maleisië over het noorden van Borneo liep minder goed af voor de Indonesiërs. Soekarno kreeg het begeerde deel van Borneo niet.

Economisch ging het niet zo goed: er was een grote infla­tie, de produktie was onvoldoende en de bevolking nam sterk toe.

De regeringsvorm veranderde in de loop van de jaren van parlementair democratisch via `geleide democratie\' in een militaire dictatuur.

De communistische oppositie kreeg het hard te verduren: duizenden werden veroordeeld en terechtgesteld. Soekarno is inmiddels allang van het toneel verdwenen. Soeharto de generaal regeert en de Javaanse boer: hij ploegt voort .. .