We hebben 203 gasten online

CSE Nederland 1945-1973 Deel 1

Gepost in Nederland

Nederland in de jaren 1945-1948

I Orde op zaken stellen en opnieuw aanpakken,

mei 1945-mei 1946

a Een verwoest en verarmd Nederland

Op 4 mei capituleerden de Duitse troepen in Noordwest-Duitsland, Denemar­ken en Midden- en West-Nederland. Twee dagen later ondertekende de com­mandant van het Duitse leger in Nederland het capitulatiebevel van de geallieer­den in de aula van de Landbouwhogeschool in Wageningen.

Vijf jaren van oorlog en bezetting waren voorbij. De vreugde over de bevrij­ding was groot, maar werd overschaduwd door de gedachte dat ongeveer 230.000 Nederlanders de oorlog niet hadden overleefd en dat ons nog overbleef een verwoest en verarmd Nederland.

—\'Complete installaties van Shell, Philips, Unilever en Aku zijn weggesleept. Zo verdwijnen bijvoorbeeld de plaatwalserij en het fabrieksgebouw van Hoogovens en alle installaties van de raffinaderij-Pernis van de KoninklijkePetroleum Maatschappij te Rotterdam. De veestapel wordt in de oorlogsjaren gedecimeerd. De rundvee-, pluimvee- en varkensstapel daalt tijdens de oor­logsjaren met resp. 27,92%  en 72%. De binnenscheepvaart incasseert zware ver­liezen: de gehele Rijnvloot gaat verloren. De helft van de koopvaardijvloot is in de grond geboord, het grootste deel van het rollend materieel van tram- en spoorwegen naar Duitsland vervoerd, de haveninstallaties van Rotterdam en Amsterdam alsmede vele bruggen hebben de Duitsers in de lucht laten vliegen [...J Walcheren en de Wieringermeerpolder zijn geheel geïnundeerd. De dagproduktie van de Limburgse steenkolenmijnen bedraagt tijdens de bevrijding 10.000 ton, vergeleken met die van voor de oorlog van 45.000 ton veel te wei­nig voor de energievoorziening. Van elke 100 woningen die Nederland in 1939 telt zijn er in mei 1945 vier totaal vernield, twee zwaar en 14 licht beschadigd; de absolute cijfers voor deze categorieën woningen zijn resp. 92.000, 40.000 en 300.000.\'

Nederland moest weer leefbaar gemaakt worden en dat was een enorme taak. De voedselvoorziening moest weer op gang gebracht worden. De spoorwegen moesten weer gaan rijden, bruggen en wegen moesten hersteld worden, havens moesten weer geschikt gemaakt worden om schepen te laden en te lossen. Onder water gelopen gebieden moesten weer drooggelegd worden. De energievoorziening (gas, elektriciteit) moest weer op peil gebracht worden. De ontstellende woningnood moest energiek aangepakt worden.

Dat alles kon alleen onder leiding van de regering en door samenwerking tussen regering, werkgevers en werknemers. Wij noemen dat ook wel het harmoniemodel, dat wil zeggen samenwerking van de sociale partners gericht op één doel, nl. het herstel van de economie en daardoor ook van de welvaart.

Met dat doel werd de door het verzet opgerichte Stichting van de Arbeid er­kend, waarin werkgevers en werknemers zich bezighielden met kwesties als hoogte van de lonen en arbeidsvoorwaarden. Zij gaf weer adviezen aan de regering.

Stakingen waren uit den boze omdat ze schadelijk waren voor een snel econo­misch herstel. Het wachtwoord was (samen)werken. Het herstel kostte veel geld. Daarom moesten de produktiekosten laag gehouden worden en dat kon door via loonmaatregelen de lonen van de werknemers laag te houden. Daarte­genover stond dat de regering door prijsmaatregelen ook de prijzen van consumptie-artikelen in het binnenland zo laag mogelijk probeerde te houden. Het probleem was echter, dat er teveel geld in omloop was (dat wil zeggen te­veel in verhouding tot het aantal goederen). In zo\'n geval hebben de prijzen de neiging om te stijgen, omdat de waarde van het geld laag is. Ook was het voor handelaren aantrekkelijk om goederen aan de winkels te onttrekken en op de `zwarte markt\' te gaan verkopen tegen veel hogere prijzen. En omdat er al een grote schaarste was aan goederen in de winkels, zou de gewone man, die de ho­ge prijzen op de `zwarte markt\' niet kon betalen, daar de dupe van worden. Daarom was een geldsanering (saneren = gezondmaken, zuiveren, op orde stel­len) nodig. Eind september 1945 werd door de minister van Financiën, Lief­tinck, alle geld dat op rekeningen stond geblokkeerd. Het papieren geld moest ingeleverd worden en werd eveneens op rekeningen gezet. Iedere Nederlander kreeg voor één week een nieuw biljet van tien gulden. Daarna werden de tegoe­den weer geleidelijk gedeblokkeerd en kon men er nieuw geld voor terugkrij­gen. Maar wel moest men een vermogensbelasting en een vermogensaanwasbe­lasting betalen. Dat wil dus zeggen een belasting over het vermogen dat men had en over het deel waarmee dat vermogen was toegenomen tijdens de oorlog. In werkelijkheid betekende dat, dat het teveel aan geld in beslag genomen werd: De zwarthandelaren die tijdens en ook na de oorlog grote winsten had­den gemaakt, werden zo in één klap beroofd van het grootste deel van hun winst,

b Vernieuwing en herstel

Het begrip herstel werd in die dagen ook gebruikt in de betekenis van: herstel van de oude vooroorlogse partijen, die tijdens de Duitse bezetting verboden waren geweest. Een groep intellectuelen meende echter dat er een nieuwe tijd was aangebroken waarin geen plaats meer was voor deze partijen. Gestreefd moest worden naar de oprichting van één grote nationale volkspartij. We noe­men dit de doorbraakgedachte.

Direct na de bevrijding ontstond de Nederlandse Volks Beweging (NVB). De NVB vond dat de tijd van de antithese, dat wil zeggen van de tegenstelling tus­sen christenen en niet-christenen, voorbij was. Doel moest zijn de oprichting van een brede volkspartij waarin christenen en humanisten met elkaar zouden samenwerken en elkaar zouden respecteren. De basis van die samenwerking moest het personalistisch socialisme zijn. De personalisten gingen er van uit, dat de waardigheid van de mens het hoogste goed in het leven was. Maar de mens kon zich alleen ontplooien wanneer hij werkte in dienst van de gemeen­schap. Het begrip socialisme slaat dan op het feit, dat die gemeenschap een rechtvaardige gemeenschap moest zijn. Hierin was geen plaats voor uitbuiting en klassenstrijd. Overheid, werkgevers en werknemers moesten samenwerken. De overheid moest leiding geven aan de economie en moest zorgen voor socia­le wetten.

Koningin Wilhelmina had grote belangstelling voor de doorbraakgedachte. Zij benoemde kort na de bevrijding een kabinet o.l.v. Schermerhorn, die een dui­delijk voorstander was van de grote nationale volkspartij. Bijna een jaar lang kregen de vernieuwers de kans om hun ideeën in praktijk te brengen, maar zon­der veel succes. De vooroorlogse politieke leiders die na de bevrijding weer op­doken, hadden er weinig moeite mee om de oude confessionele (protestants-christelijke en katholieke) en niet-confessionele partijen weer op te richten (soms onder een andere naam), omdat er weinig belangstelling bestond voor de opvattingen van de vernieuwers.

Zo keerden weer terug de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de Christelijk Historische Unie (CHU) en Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP), als protestants-christelijke partijen. Daarbij voegde zich in 1948 nog het Gerefor­meerd Politiek Verbond (GPV), dat zich na godsdienstige ruzies afscheidde van de ARP.

De katholieken richtten de Katholieke Volkspartij (KVP) op (vóór de oorlog de Rooms Katholieke Staatspartij).

Daarnaast verrezen weer de niet-confessionele partijen, zoals de Communisti­sche Partij Nederland (CPN) en de liberale Partij van de Vrijheid (PvdV) (vóór de oorlog de Liberale Staatspartij), sinds 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Alleen de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en twee kleinere partijen waren bereid om te praten over een grote volkspartij. Zo ontstond begin 1946 de Partij van de Arbeid (PvdA), die de doorbraakge­dachte overnam. Maar in de ogen van de andere partijen was de PvdA niet meer dan de oude SDAP in een nieuw jasje gestoken.

In het voorjaar van 1946 stonden de politieke partijen weer aangetreden om deel te gaan nemen aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer, die in mei ge­houden werden.

En toen de stemmen geteld waren bleek, dat:

• de nieuwe doorbraakpartij twee zetels minder had behaald dan de SDAP en de twee andere partijen die daarin waren opgegaan, samen hadden behaald in 1937;

• de confessionele partijen en de liberalen zich wisten te handhaven; • de CPN een grote winst had behaald en van 3 naar 10 zetels ging.

 

1937

1946

CPN

3%

11%

PvdA (SDAP + VDB + CDU)

31%

28%

KVP (RKSP)

31%

31%

ARP

17%

13%

CHU

8%

8%

PvdV (Lib. St. Partij)

4%

6%

 

 

 

 

c Verzuiling

De terugkeer van de oude vooroorlogse politieke partijen was niet een op zichzelf staand feit. Het hing samen met de terugkeer van het hele vooroorlogse zuilenstelsel. Onder een zuil kunnen we dan verstaan een bepaalde bevolkings­groep die zich verenigt op grond van een bepaalde levensbeschouwing. Te on­derscheiden waren de twee christelijke zuilen, namelijk de protestants-christelijke en de katholieke zuil, waarvan de leden kwamen uit alle lagen van de bevolking. Verder de twee niet-christelijke zuilen, nl. de socialistische zuil, waarvan de leden vooral kwamen uit de lagere inkomensgroepen (werknemers) en de neutrale (of liberale) zuil, waartoe mensen uit de hogere inkomensgroe­pen behoorden (ondernemers, middenstanders).

Enkele kenmerken van de zuilen waren:

1 Sterke organisatie van de leden. Iedere zuil had zijn eigen politieke partij, krant, omroepvereniging, ontspanningsverenigingen, enz.

2 Een sterk gevoel van verbondenheid tussen de leden.

3 Wantrouwen en zelfs openlijke vijandschap ten opzichte van andere zuilen.

4 Het bestaan van een kleine groep leiders, waaraan de leden trouw waren. Men zou verwachten, dat, omdat de zuilen vijandig tegenover elkaar stonden, er veel conflicten waren. Opmerkelijk genoeg was dat nauwelijks het geval, om­dat de leiders van de verschillende zuilen voortdurend met elkaar overlegden en strijdpunten regelden en oplosten. En als het belang van het land dit eiste was men bereid om samen te werken, zoals bijvoorbeeld katholieken en socialisten vanaf 1946 in het belang van de wederopbouw.

d Zuivering en berechting

Een kwestie die de mensen direct na de bevrijding ook bezighield, was de zuive­ring en berechting van degenen die tijdens de bezetting met de Duitsers hadden samengewerkt (de collaborateurs). Zuiveren wil dan zeggen: het verwijderen van collaborateurs uit hun functies door zuiveringscommissies.

Zuiveringscommissies ontstonden voor radio en pers en voor ambtenaren, kunstenaars, enz. Zij kregen de bevoegdheid om mensen uit hun beroep of functie te ontslaan op grond van `foute\' collaboratie. Dat de commissies soms emotioneel te werk gingen lag voor de hand. Veel \'gezuiverden\' voelden zich dan ook onrechtvaardig behandeld. Maar omgekeerd was er ook ontevreden­heid onder de `goeden\', omdat zij vonden dat veel topfiguren buiten schot bleven.

Voor de berechting werden speciale rechtbanken in het leven geroepen, ni. de Bijzondere Gerechtshoven en de Tribunalen.

De Bijzondere Gerechtshoven veroordeelden degenen die zich hadden schuldig gemaakt aan misdaden, zoals moord. De Tribunalen deden uitspraken wan­neer men zich in het algemeen had gedragen in strijd met het belang van het volk. De Bijzondere Gerechtshoven konden straffen opleggen zoals doodstraf en gevangenisstraf. De Tribunalen konden tuchtmaatregelen nemen zoals het ontnemen van kiesrecht, internering en verbeurdverklaring van goederen.

De moeilijkheid was dat de Nederlandse rechtspraak geen ervaring had met het veroordelen van collaborateurs en dat het Nederlandse recht daar ook niet op aangepast was. Daarbij kwam nog de moeilijkheid dat het ging om ongeveer 130000 gevangenen en daardoor duurde het dikwijls lang voordat iemand voor een rechter verscheen.

—`In januari 1946 verbleven in 106 kampen nog rond 93.000 gevangenen, on­der wie 20.000 vrouwen; vier maanden later waren deze getallen gedaald tot 74.000 en 14.000. Op 15 september 1947 waren er nog 37 kampen in gebruik: zij herbergden toen nog altijd ruim 14.000 niet-veroordeelde gedetineerden.\'

De `lichtere gevallen\' werden na een kort proces vrijgelaten omdat de straf die zij kregen gelijk was aan de tijd die zij in de gevangenis of het kamp hadden doorgebracht. Het duurde nog tot 1951 voordat ook de `zwaardere gevallen\' veroordeeld waren.

De toestanden in de kampen liet veel te wensen over. Sommige bewakers deins­den er niet voor terug om gevangenen nodeloos te treiteren en te mishandelen.

II Op weg naar de nieuwe welvaart onder de rooms-rode vlag

a Een rooms-rode samenwerking

Vóór de oorlog waren de kabinetten meestal gebaseerd op de samenwerking van de confessionele partijen, soms aangevuld met liberalen. Twee punten vroegen in het binnenland de aandacht:

1 de wederopbouw en het economisch herstel;

2 het terugdringen van de invloed van de communisten.

Daarvoor was nodig een brede basiskabinet, dus een kabinet dat het vertrou­wen had van een zo groot mogelijke meerderheid in de Tweede Kamer. Daarom konden de socialisten niet uitgesloten worden van de regering, ondanks het feit dat de confessionelen, en met name de katholieken, weinig sympathie konden opbrengen voor de socialisten.

De katholieke bisschoppen hadden voor de oorlog regelmatig met afkeer gesproken over het socialisme en zij hadden geloofsgenoten verboden om lid te worden van socialistische organisaties op straffe van uitstoting uit de kerk. Slechts in `uiterste noodzaak\' waren de katholieken bereid om met de socia­listen in één kabinet samen te werken.

Maar na 1937 waren de verhoudingen wat minder gespannen geworden. De socialisten hadden de klassenstrijd-gedachte overboord gezet en waren meer gaan spreken over samenwerking en overleg tussen werkgevers en werknemers (harmoniemodel). Omgekeerd hadden de katholieken de gedachte overgeno­men, dat in een crisissituatie de regering een actieve rol moest spelen in de economie en dat de economie meer planmatig moest worden aangepakt (wat de socialisten ook wilden).

In 1946 kwam het kabinet Beel, waarin KVP en PvdA samenwerkten. Dit was nog een kabinet op een smalle basis. Maar de KVP ijverde er voor dat ook de ARP, CHU en VVD aan de regering zouden deelnemen. Dat was niet alleen van belang vanwege de grote problemen die opgelost moesten worden, maar ook om de invloed van de PvdA in het kabinet zo beperkt mogelijk te houden. In 1948 vond een kamerontbinding plaats en werden nieuwe verkiezingen uitge­schreven, omdat de Grondwet veranderd moest worden (i.v.m. een Unie te vor­men tussen Nederland en Indonesië). Bij de kabinetsformatie daarna slaagde de KVP er in om ook de CHU en VVD over te halen om in het kabinet Drees (1948-1952) zitting te nemen. Met recht kon toen gesproken worden over een brede basiskabinet. De VVD stapte in 1952 wel weer uit het kabinet, maar daar stond tegenover het toetreden van de ARP in het nieuwe kabinet Drees (1952-1956). Toen echter werden ook barsten zichtbaar in de rooms-rode samenwerking.

 Vanaf 1948 kreeg de `rooms-rode coalitie\' een bredere basis: toen namen ook de liberale VVD of de protestantse partijen ARP en CHU aan de regering deel. Zo ontstond er politieke stabiliteit, een belang­rijke voorwaarde voor de wederopbouw van ons land en het herstel van de economie.

Ook op economisch gebied werkte men samen. De overheid, het bedrijfsleven en de vakbonden spanden zich gezamenlijk in om de wederopbouw te laten slagen. De vakbonden gedroegen zich in de jaren vijftig niet langer als strijdorgani­saties. Ze kozen voor arbeidsvrede. Waarom? Om volledige werkgelegenheid en de opbouw van een stelsel van sociale voorzieningen te bereiken. Deze samenwerking tussen arbeid en kapitaal, met een sturend beleid van de overheid, werd een doorslaand succes.

`Nederland industrialiseert!

De overheid zei waar het in grote lijnen naar toe moest. In 1949 kwam minister Van den Brink van Economische Zaken met de `Nota inzake de industrialisatie van Nederland\'. In deze nota pleitte de minister voor een ingrijpende verandering van de structuur van de economie. In vergelijking met de omringende landen was in Nederland de industrialisatie beperkter gebleven; handel, landbouw en dienstensector waren in de eerste helft van deze eeuw naar verhouding belangrijker. Dit wilde de regering gaan veranderen. Het aan­deel van de industrie in de Nederlandse economie moest flink groeien.

Er waren drie motieven voor dit industrialisatiebe­leid.

Ten eerste was men bang voor een terugkeer van de eco­nomische crisis van de jaren dertig. Vooral de angst voor langdurige massawerkloosheid zat er diep in. Het gevaar van herhaling leek groter omdat na de oorlog de bevolking verder groeide, zodat steeds meer mensen een baan zochten. In de landbouw, handel en dienstensector konden weinig extra mensen aan de slag. Daarom kon nieuwe werkgelegenheid alleen in de industrie gevonden worden.

Ten tweede diende de Nederlandse export toe te nemen. In de eerste jaren na de oorlog was de invoer van goederen veel groter dan de uitvoer. Voor het herstel van de economie moesten er in het buiten­land veel goederen en grondstoffen gekocht worden. Ons land beschikte echter over te weinig deviezen om die te betalen.

In 1947 leidde dit tot een ernstige situatie: de wederopbouw dreigde te stokken. Net op tijd brachten de Verenigde Staten uitkomst. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marshall kwam in dat jaar met een groots herstelprogram voor het door de oorlog geteisterde Europa. Van de in totaal vijftien miljard dollar kreeg Nederland er tussen 1948 en 1952 bijna een miljard. Daar knapte de zieke Nederlandse economie behoorlijk van op. Maar daarnaast moest de ver­houding tussen import en export structureel beter worden. Een blijvende oplossing voor de tekorten op de betalingsba­lans kon alleen gevonden worden in een toenemende uitvoer van industriële produkten.

Ten derde was er grote bezorgd­heid over de mogelijke financiële gevolgen van het verlies van Nederlands-Indië. In 1945 hadden Soekarno en Hatta de onafhankelijke republiek Indonesië uitgeroepen. Daar wilde Nederland niks van weten. De regering stuurde een sterke (en dure) legermacht. Maar oorlog voeren loste niets op. Vooral de Verenigde Staten zetten de regering in Den Haag onder zware druk om Indonesië te erkennen. In december 1949 gebeurde dat. (Alleen Nieuw-Guinea bleef nog tot 1963 in Nederlands bezit.) Veel mensen in ons land vreesden dat het verlies van de grote en rijke kolonie rampzalige gevolgen voor onze economie zou hebben: `Indië verloren, rampspoed geboren.\' De regering hoopte door uitbreiding en modernise­ring van de industrie de gevolgen van dit verlies op te vangen. De Industrialisatienota was om twee redenen belangrijk. Nederlanders leerden op een andere manier naar hun land te kijken: niet meer alleen als een handelsland of een agrarisch land. Nee, we konden en moesten een industrieland zijn. De Nederlander werd `industrierijp\' gemaakt. Op de tweede plaats stonden er een aantal concrete maatregelen voor de toe­komst in. Het bijzondere was dat deze maatregelen niet dwin­gend werden opgelegd. Het was de bedoeling dat de onderne­mers door zelfstandige beslissingen de plannen van de overheid zouden verwezenlijken. Het particulier initiatief zou vrij zijn en vrij blijven. De overheid beperkte zich tot het scheppen van gunstige voorwaarden.

Een belangrijke maatregel was de invoering van de geleide loonpolitiek. De regering zei hoeveel de lonen mochten stij­gen. Vakbonden en werkgevers mochten in hun CAO\'s hier niet bovenuit. Tot 1954 bepaalde de regering dat de lonen niet meer mochten stijgen dan de prijzen. Ook daarna, tot 1963, werden de lonen nog laag gehouden, zeker in vergelijking met het buitenland. Het lage-lonenbeleid zorgde ervoor dat de ondernemers hun prijzen laag konden houden; dit bevorderde de export, vergrootte de winsten en leidde tot nieuwe investe­ringen in de industrie. Bovendien vestigden buitenlandse bedrijven zich graag in ons land.

Maar de regering bemoeide zich ook met de prijzen. Door relatief lage prijzen voor landbouwprodukten, lage pachtprij­zen van landbouwgrond en lage huren vast te stellen, hield de overheid de kosten van levensonderhoud beperkt. Ook dit had een gunstig effect op de export en investeringen. Behalve door deze loon- en prijspolitiek moedigde de overheid de industrialisatie ook aan door het geven van belastingvoorde­len bij investeringen en door hulp bij het financieren van bepaalde investeringen. Verder stimuleerde de overheid wetenschappelijk onderzoek waar de industrie wat aan had. De infrastructuur werd verbeterd, en ook het onderwijs. Via het spreidingsbeleid probeerde de regering de industrialisa­tie te bevorderen in streken met een hoge werkloosheid. Zo brachten met name multinationals als Philips en AKU veel werkgelegenheid in Oost-Friesland, Oost-Groningen en Zuidoost-Drenthe. Maar echte overheidsdeelname in bedrij­ven, zoals bij Staatsmijnen (DSM) of bij Hoogovens in IJmuiden, bleef een uitzondering.

Successen in de jaren vijftig

Het economische beleid in de tweede helft van de jaren veer­tig en in de jaren vijftig was een groot succes. Begunstigd door de politieke stabiliteit en de harmonie tussen bedrijfsleven en vakbonden, beleefde ons land een ongekende economische groei. Rond 1950 was de wederopbouw voltooid: de schade was hersteld, het vooroorlogse productieniveau was weer bereikt. De groei die toen volgde stond bekend als het `Hollandse wonder\'. De geleide loonpolitiek en de andere sti­muleringsmaatregelen wierpen hun vruchten af. Meer export, meer winsten, meer investeringen, meer vestigingen van bui­tenlandse bedrijven (vooral Amerikaanse multinationals). Het structurele tekort op de betalingsbalans werd weggewerkt. Nederland werd een industriële natie. En werk was er volop; er was zelfs in veel bedrijfstakken een gebrek aan arbeids­krachten. Al bleven de lonen en inkomens nog laag, er kwam toch steeds meer welvaart voor veel mensen. Ook met de opbouw van het stelsel van sociale voorzieningen werd een begin gemaakt.

 Bron www.luxetveritas.nl

Natuurlijk had Nederland dit niet geheel op eigen houtje kun­nen bereiken. Ons land profiteerde, net als alle andere landen in de westerse wereld, van de op gang gekomen hoogcon­junctuur. Deze was het gevolg van de sterke internationale economische groei na de Tweede Wereldoorlog. Belangrijk voor Nederland was ook dat het nauw ging samenwerken met andere Europese landen. In 1948 in de Benelux, in 1952 in de EGKS en in 1957 in de EEG. Het wegvallen van allerlei han­delsbelemmeringen was gunstig voor de vaderlandse export. In 1953 was de uitvoer naar de Europese partnerlanden 36% van het totaal, in 1958 42%, in 1965 56% en in 1969 60,1%.

Welvaart in de jaren zestig

In de jaren zestig veranderde er veel. Het was een tijd van maatschappelijke onrust, protest en vernieuwing. Ook in de politiek veranderde er het nodige. Toenemend wantrouwen tussen de KVP en de PvdA leidde in 1958 tot het einde van de rooms-rode coalitie. De PvdA ging in de oppositie. Het tijd­perk van `vader Drees\' was voorbij. De KVP ging nu coalities aan met de ARP, CHU en VVD. Van 1946 tot 1958 was ons land geregeerd door centrum-linkse kabinetten. Van 1958 tot 1973 - met uitzondering van de jaren 1965-1966 — zouden er centrumrechtse kabinetten zijn.

Deze kabinetten voerden een ander economisch beleid. Ze wilden minder overheidsingrijpen in de economie. Zo werd in 1963 de geleide loonpolitiek opgegeven. Loonexplosies waren het gevolg. Omdat de prijzen minder stegen dan de lonen, groeide het reële inkomen van de Nederlander flink. De binnenlandse consumptie nam sterk toe, hetgeen de pro­duktie weer verder stimuleerde. De welvaart steeg met spron­gen. Veel Nederlanders konden zich een koelkast, een was­machine, een platenspeler, een televisie, een auto gaan veroorloven. Terwijl in de jaren vijftig bijna de helft van de bevolking niet op vakantie ging, trokken nu steeds meer men­sen erop uit — ook naar het buitenland.

De economische groei hield in de jaren zestig aan. De chemi­sche industrie, de aardolieraffinaderijen en de metaalindustrie waren de snelst groeiende bedrijfstakken. Andere bedrijven hadden een lager groeitempo. In enkele bedrijfstakken, zoals de textiel- en schoeiselindustrie en de scheepsbouw, begon­nen zich zelfs problemen af te tekenen. Over het geheel echter profiteerde ons land van de aanhoudende hoogconjunctuur. De omvang en de waarde van de uitvoer, vooral naar EEG-landen, bleef stijgen. De van jaar tot jaar toenemende binnen­landse consumptie bevorderde eveneens de economische groei. Het nationale inkomen nam ieder jaar gemiddeld met ruim vijf procent toe. Maar gaandeweg werd ook de schaduw­zijde van deze ontwikkeling zichtbaar. De loonstijgingen leid­den tot prijsstijgingen, waardoor ondernemers met hun pro­dukten op de internationale markt minder goed konden concurreren. Om toch winst te blijven maken, gingen ze daar­om investeren in machines die mensen vervingen. Geleidelijk aan ontstond het probleem van de werkloosheid. Ook wakker­den de loon-en prijsstijgingen de inflatie aan. 

Verschuivingen in de werkgelegenheid

Wat voor werk hadden Nederlanders? De verdeling in soorten werk veranderde nogal tussen 1950 en 1970. Het meest opval­lend was het verlies aan banen in de akkerbouw en de vee­teelt. Voor een groeiend aantal boerenzoons was er geen toe­komst meer in deze sector. De landbouw ontwikkelde zich tot het \'agro-industrieel complex\'. De bedrijven werden groter, de mechanisatie nam sterk toe. Door de toenemende concur­rentie van de grote bedrijven konden de kleine bedrijven het vaak niet langer bolwerken. En er waren te weinig grote bedrijven om iedereen werk te bieden. De komst van tractoren en andere landbouwmachines verminderde het aantal banen nog verder. Ook werd er veel landbouwgrond onteigend ten behoeve van de industrialisatie en de stadsuitbreiding. De boerenzoons stonden voor de keuze: of gaan werken in de industrie, in de dienstensector of bij de overheid; of emigratie.In de jaren vijftig verlieten 340.000 Nederlanders (waaronder ook vele niet-landbouwers) hun vaderland om in landen als Canada, Australië, Nieuw-Zeeland of Zuid-Afrika een nieuw bestaan op te bouwen. In de jaren zestig vermin­derde deze stroom.

Ook in de industrie traden er verschuivingen in de werkgele­genheid op. Al in de jaren vijftig verdwenen de laatste resten van de huisindustrie, de vorm van industrie waarbij de arbei­der thuis het werk voor de ondernemer verrichtte. Ook vele kleine bedrijfjes gingen in deze jaren over de kop. Werk werd in toenemende mate gevonden in grootschalige bedrijven. Door fusies kwamen er daar steeds meer van. Er waren ook steeds meer banen in de handel, het vervoer, het bank- en ver­zekeringswezen, en andere dienstverlenende instellingen te verdelen. Spectaculair was de sluiting van de Limburgse kolenmijnen. Door de gestegen loonkosten was de mijnbouw in ons land zeer verliesgevend geworden. Bovendien was in 1959 bij Slochteren het grootste aardgasveld ter wereld aan­geboord. In 1965 besloot minister van Economische Zaken Den Uyl (PvdA) daarom de mijnen te sluiten. Om de overbo­dig geworden mijnwerkers weer aan werk te helpen, werd een omvangrijk industrialisatieprogramma voor Limburg uitge­voerd. Bovendien verhuisden enkele overheidsinstellingen naar die provincie. In de textielindustrie, geconcentreerd in Twente en Brabant, liep het aantal banen sterk terug. De oorzaak lag in het verlies van de traditionele afzetmarkt in Indonesië, en in de toenemende concurrentie van lagelonen­landen in Oost-Europa en de Derde Wereld. Al met al nam de werkgelegenheid in de industrie na 1965 af. Maar de nadelige gevolgen hiervan bleven voorlopig onzichtbaar. Dat was te danken aan de groei van de dienstensector.

Opvallende veranderingen deden zich ook voor in de samen­stelling van de beroepsbevolking. Het aantal mensen met middelbare en hogere beroepen groeide. Dat had natuurlijk veel te maken met de uitbreiding en vernieuwing van het onderwijs. Voor het ongeschoolde, zware, slecht betaalde werk werd sinds 1960 een toenemend aantal gastarbeiders uit het Middellandse-Zeegebied aangetrokken. Verder was er in de jaren zestig een langzame stijging van het aantal getrouwde vrouwen, dat buitenshuis werkte. Alle politieke partijen in de jaren vijftig beschouwden het gezin als de pijler van de samenleving. En de gehuwde vrouw had uitsluitend haar taak in het gezin, als echtgenote en moeder, te vervullen. Buitenshuis werken mochten alleen meisjes en ongetrouwde vrouwen. Met name de katholieken en protestanten hielden hier strikt aan vast, zelfs toen er een groot tekort aan arbeids­krachten ontstond. Pas in de jaren zestig lieten ze de economi­sche belangen het zwaarste wegen, en stonden ze — met tegen­zin — het buitenshuis werken van gehuwde vrouwen toe. Het aantal werkende vrouwen in Nederland bleef echter gering in vergelijking met de meeste andere landen in Europa.

Politieke onrust en economische problemen rond 1970

De tweede helft van de jaren zestig was ook in politiek opzicht een roerige tijd. Nieuwe politieke partijen werden opgericht, in de gevestigde partijen heerste onrust. De op Koninginnedag 1966 door Hans van Mierlo en anderen opge­richte partij Democraten 66 wilde een vernieuwing van het politieke stelsel. De gewone burger had volgens D66 te wei­nig te vertellen in de politiek. Er moest meer openheid komen en meer democratie. D66 pleitte onder andere voor de invoe­ring van het districtenstelsel, waardoor de band tussen kiezer en afgevaardigde in de Tweede Kamer groter zou worden, en voor de directe verkiezing van de minister-president. Eind 1966 bracht KVP-fractieleider Schmelzer het kabinet-Cals ten val, het eerste rooms-rode kabinet sinds 1958. Deze `nacht van Schmelzer\' leidde tot woede bij veel burgers en bij de vakbeweging: daar had je nu weer zo\'n voorbeeld van arro­gante machtspolitiek! De gevolgen bleven niet uit. Bij de ver­kiezingen van 1967 verloor de KVP acht zetels; D66 kwam voor het eerst in de Kamer met zeven zetels. Progressieve KVP-ers en ARP-ers richtten een eigen partij op: de Politieke Partij Radikalen (PPR). De PvdA verruilde haar gematigde opvattingen uit de tijd van Drees voor radicale ideeën. De jongeren, onder de naam Nieuw Links, kregen het in de partij voor het zeggen. Ze kozen voor polarisatie, het scherp afzet­ten van het eigen standpunt tegen dat van de tegenstander. In 1973 trad, na een lange, door de polarisatie bemoeilijkte for­matie, het kabinet-Den Uyl aan. Dit meest linkse kabinet uit de Nederlandse geschiedenis bestond uit tien ministers van de PvdA, PPR en D66, en zes uit de KVP en ARP. Het wilde de maatschappijhervormende idealen van de jaren zestig in beleid omzetten. `Spreiding van kennis, inkomen en macht\' stonden centraal. Van het ambitieuze programma kon echter door de economische malaise maar een deel worden uitge­voerd.

Aan het eind van de jaren zestig werden de economische pro­blemen zichtbaar. Doordat de lonen en prijzen alsmaar bleven stijgen, was Nederland van een goedkoopte-eiland een duurte-eiland geworden. De ondernemers konden hun produkten minder winstgevend verkopen. Ondanks de dalende winsten bleven ze aanvankelijk echter meer investeren en meer expor­teren. Het gevolg was overcapaciteit, dat wil zeggen dat in bedrijven machines, gebouwen en installaties maar voor een deel gebruikt werden. De inflatiegolf die in de jaren 1968-1973 de wereldeconomie teisterde, werd ook in ons land goed gevolgd. De loon- en prijsstijging versterkten deze infla­tie nog. Nadelig was verder dat het systeem van vaste wissel­koersen in 1971 werd opgegeven. De waarde van de dollar, de belangrijkste munteenheid in de wereldeconomie, ging nu erg schommelen. Het gevolg van dit alles was dat na 1970 de winsten verder daalden, de investeringen afnamen en de werkloosheid groeide. Bovendien lagen de werkgevers en de vakbonden nu geregeld met elkaar overhoop. Net als in de politiek had bij de sociale partners de harmonie plaats gemaakt voor de polarisatie. Na1973werd de neergang van de Nederlandse economie nog versterkt door deoliecrisisen de wereldwijde depressie die daarop volgde. Als reactie op de vierde Arabisch-Israëlische oorlog in 1973 verhoogden de olie-exporterende landen de olieprijzen met 130%. De wereldhandel nam hierop af, terwijl de inflatie doorholde. Nederland werd voor zijn pro-Israëlische houding door de Arabische landen nog eens extra gestraft met een olieboycot.

3 Naar een welvaartsstaat en een consumptiemaatschappij

Verschuivingen in de lonen en inkomens

De geleide loonpolitiek, die de overheid van 1948 tot 1963 voerde, had tot doel de lonen laag te houden. Met weinig loonkosten konden de ondernemers de prijzen van hun goede­ren en diensten natuurlijk laag houden. zodat ze die beter op de binnen- en buitenlandse markt konden verkopen. En meer winst betekende meer investeringen, ook meer industrialisa­tie. Deze loonpolitiek, met de bijbehorende prijsregulering (huren, landbouwprodukten en pacht van landbouwgrond), werd algemeen aanvaard. Dat de werkgeversorganisaties ach­ter dit beleid stonden, was logisch. Maar ook de vakbonden waren akkoord. Zij werkten sinds 1945 met de werkgeversor­ganisaties samen in de Stichting van de Arbeid. Dit belangrijke overlegorgaan van werkgevers en werknemers gaf advies aan de regering over de gewenste hoogte van de lonen. Op basis van dit advies stelde de minister van Sociale Zaken de toegestane loonsverhoging vast. Aan de hand van deze richtlijn sloten de werkgevers en werknemers in de bedrijfs­takken dan nieuwe CAO\'s af.

De vakbonden kozen om twee redenen voor deze samenwer­king met het bedrijfsleven en de overheid. Enerzijds accep­teerden ze het lage-lonenbeleid omdat het de werkgelegen­heid bevorderde. Het schrikbeeld van de jaren dertig met zijn hoge en hardnekkige werkloosheid stond hun nog helder voor ogen. Anderzijds was de rooms-rode coalitie bereid een omvangrijk stelsel van sociale voorzieningen op te bouwen. In 1947 kwam de `Noodwet-Drees\' tot stand, die veel mensen ouder dan 65 jaar een (lage) uitkering garandeerde. `Van Drees trekken\', noemde men dit al snel. Tien jaar later werd deze wet omgezet in de Algemene Ouderdoms Wet (AOW). Er kwam een ziekenfondswet, een kinderbijslagwet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). De wet Wachtgeld en Werkloosheidsuitkering (WW) zorgde ervoor dat een werkloze niet meer van de bedeling moest leven. In 1965 werd het stelsel van sociale verzekeringen afgerond met de Bijstandswet. In tijden van nood was men dankzij deze wetten niet langer op de kerkelijke of particuliere armenzorg aangewezen. De verzorgingsstaat maakte de afhankelijkheid van liefdadigheid overbodig.

In de ontwikkeling van de geleide loonpolitiek kunnen we drie fases onderscheiden. Tot 1954 werden de lonen gekop­peld aan de kosten van levensonderhoud. Alleen in 1951 werd van dit principe afgeweken. Het kabinet-Drees kwam in dat jaar met een `bestedingsbeperking\'. De lonen mochten toen minder stijgen dan de prijzen. Tegen deze feitelijke loonsver­laging rees veel verzet, en het volgende jaar werd de beste­dingsbeperking weer opgeheven. De tweede fase liep van 1954 tot 1959. Omdat de economie goed groeide, stond het kabinet vanaf 1954 \'welvaartrondes\' toe. Niet alleen de geste­gen kosten van levensonderhoud mochten nu in de lonen wor­den doorberekend, maar ook de arbeidsproduktiviteit. Als er hard gewerkt werd en meer geproduceerd, werd er extra ver­diend. Tot 1959 ging het kabinet bij de loonsverhoging uit van de gemiddelde toename van de arbeidsproduktiviteit. Voor iedereen was die verhoging dus even groot. Van 1959 tot 1963, in de derde fase, veranderde dit. De loonsverhoging werd nu afhankelijk gemaakt van de groei van de produktivi­teit in iedere bedrijfstak afzonderlijk, in plaats van die in de economie als geheel. Een metaalarbeider bijvoorbeeld kon zo meer loonsverhoging krijgen dan een arbeider in de textielin­dustrie.

  Bron: www.luxetveritas.nl

De economie groeide in de jaren vijftig zo snel, dat er een tekort aan arbeidskrachten ontstond. Toen rond 1955 bleek dat dit tekort structureel was, begonnen werkgevers de afspra­ken van de geleide loonpolitiek te ontduiken. Steeds meer gingen ze zwart hogere lonen uitbetalen. Vooral in de metaal­industrie en de bouw kwam dit vaak voor. Een ander gevolg van het tekort was dat het taboe op het buitenshuis werken van getrouwde vrouwen ter discussie werd gesteld. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat meteen honderdduizenden huis­vrouwen zich op de arbeidsmarkt stortten. Dus zocht men naar een andere uitweg. Een snelle en gemakkelijke oplossing bleek het aantrekken van gastarbeiders te zijn. De eerste jaren kwamen deze vooral uit Portugal, Spanje, Italië, Joegoslavië en Griekenland; na 1965 merendeels uit Turkije en Marokko. Uiteindelijk werd de druk op de geleide loonpolitiek zo groot, dat het kabinet in 1963 besloot haar op te geven. Voortaan werden de loonsverhogingen buiten de overheid om vastge­steld. In de onderhandelingen tussen werkgevers en werkne­mers over een nieuwe CAO werd per bedrijfstak de hoogte van de lonen bepaald.

Het vrijlaten van de lonen in 1963 leidde direct tot een ware loonexplosie. De lonen bleven daarna stijgen, soms met wel 10% per jaar. En omdat de loonstijging groter was dan de pro­duktiestijging, verhoogden de ondernemers de prijzen van hun produkten. Zo ontstond er een loon- en prijsspiraal. Na 1967 probeerde het kabinet deze spiraal te doorbreken. De regering was bang dat deze ontwikkeling tot blijvende tekor­ten op de betalingsbalans en grote werkloosheid zou leiden. Maar het kabinet bleek veel strenger voor de lonen dan de prijzen te zijn. En dat viel slecht bij de vakbonden. Onder druk van hun achterban en soms met behulp van stakingen bleven ze loonsverhogingen afdwingen. Maar na 1969 kwam er toch een kentering in de inkomensontwikkeling. In dat jaar werd een nieuwe omzetbelasting ingevoerd: de BTW. Dit leidde voor het eerst sinds vele jaren tot een lichte terugval in het besteedbaar inkomen. En de verslechterende economische situatie dwong de regering in het begin van de jaren zeventig nog tot verdergaande maatregelen. De gestegen prijzen wer­den nu niet meer volledig gecompenseerd door de stijging van de lonen. Hiermee kwam er een einde aan een langdurige stij­ging van het reële loon.

Laten we de inkomensontwikkeling in de agrarische sector wat nader bekijken. In het midden van de jaren vijftig raakten veel boeren in grote problemen. De prijzen van landbouwproducten, met name zuivelproducten, op de wereldmarkt daal­den, terwijl de boeren meer kosten moesten maken. Sanering moest een structurele oplossing bieden voor deze problemen. Bijna de helft van alle landbouwbedrijven zou tussen 1950 en 1973 verdwijnen; de overgebleven bedrijven werden groter. De gemiddelde bedrijfsomvang in de akkerbouw en veeteelt nam in deze periode toe van 11 tot ruim 17 hectare. En het gemiddeld aantal koeien per rundveehouder steeg van 7,3 naar 24. Ruilverkavelingen maakten het vergroten van bedrij­ven gemakkelijker. Verbeterde produktiemethodes en steeds verdergaande mechanisatie (tractoren, melkmachines, combi­nes en dergelijke) droegen eveneens bij aan de sanering. Toch dreigden de inkomens van de boeren achter te blijven bij die van mensen werkzaam in andere sectoren van de economie. Subsidies brachten hier uitkomst. De overheid garandeerde bepaalde minimumprijzen. Ook al lagen de prijzen van akker­bouw- en veeteeltprodukten op de wereldmarkt lager, de boe­ren ontvingen dankzij de overheid steeds de vastgestelde garantieprijs. Vanaf 1964 nam de EEG de taak van de natio­nale overheid over en subsidieerde de landbouw via dit sys­teem van gegarandeerde minimumprijzen. De situatie in de tuinbouw stak gunstig af bij die in de akkerbouw en de vee­teelt. De (glas)tuinbouw maakte een spectaculaire groei door. Een behoorlijke inkomensverbetering voor de tuinbouwers was het gevolg.

Veranderingen in het bestedingspatroon en het consumptiegedrag

Door de geleide loonpolitiek hadden veel Nederlandse gezin­nen in de jaren vijftig maar weinig geld te besteden. Daarom werd er in deze periode grote nadruk gelegd op het economisch omgaan met het gezinsloon. De overheid en instellin­gen gericht op huisvrouwen hamerden op het belang van het `doelmatig verteren\'. Ook meisjes werd in het huishoudon­derwijs geleerd hoe later als goede huisvrouw efficiënt met het gezinsbudget om te gaan. In het verlengde van deze cam­pagne voor het doelmatig verteren lag een pleidooi van de overheid om te sparen. Wie immers doelmatig verteerde, hield misschien nog geld over, dat gespaard kon worden. En de spaargelden die de mensen bij de banken in bewaring gaven; konden door ondernemers die wilden investeren wor­den geleend. Als er dus meer gespaard werd, was er meer geld beschikbaar voor investeringen, en dat was gunstig voor de industrialisatie. Voor de meeste Nederlanders in de jaren vijftig was zuinigheid troef.

In de jaren zestig veranderde dit beeld. Dankzij de stijgende inkomens gingen de mensen meer consumeren. Tussen 1955 en 1965 stegen de consumptieve uitgaven van de Nederlandse huishoudens met 42%. Er werd steeds meer giraal betaald in plaats van contant. Het kopen op afbetaling en het aangaan van een persoonlijke lening om iets te kunnen aanschaffen, werden langzamerhand normaal. Naar verhouding werd een minder groot deel van de consumptieve uitgaven besteed aan de eerste levensbehoeften. Zo werd procentueel steeds minder uitgegeven aan voedsel en huisvesting, en steeds meer aan kleding, comfort en inrichting van het huis. In veel huishou­dens gingen de oude meubelen de deur uit om plaats te maken voor een bankstel. Ook voor genot en ontspanning was in toe­nemende mate geld beschikbaar. Vanaf de jaren vijftig steeg het bierverbruik per hoofd van de bevolking zeer snel, nadat het sinds 1900 voortdurend was gedaald. Aan roken besteed­de de Nederlander ook meer geld. Een televisietoestel en een auto kwamen binnen het bereik van velen. En terwijl in de jaren vijftig 43% van de Nederlanders niet op vakantie ging, werd vakantie-houden nu algemeen. Steeds vaker werd daar­bij, met de pas verworven auto, het buitenland opgezocht. De Nederlanders bleken een reislustig volk. Ook wie in het bin­nenland ontspanning en vertier zocht — aan de stranden, in de steden, op de camping — trof meer en meer medetoeristen. Het massatoerisme nam in de jaren zestig een grote vlucht.

Huishouden doen werd een stuk makkelijker door de komst van elektrische apparaten. De aanschaf van een elektrische koffiemolen bespaarde de gezinsleden het moeizame malen van de bonen met de hand. Andere apparaten, zoals de stofzuiger, de volautomatische wasmachine, het elektrische strijk­ijzer en de koelkast, waren nu niet langer voorbehouden aan het meer welgestelde bevolkingsdeel. In 1960 had minder dan één op de drie gezinnen telefoon; in de daaropvolgende jaren zou het aantal aansluitingen snel toenemen. Het werd heel normaal dat er thuis een grammofoon en een fotocamera was. De aanschaf van andere luxe consumptiegoederen nam ook sterk toe. Er ontstond een massaconsumptie. Deze enorme toename van de consumptie vormde een belangrijk onderdeel van de uit de Verenigde Staten geïmporteerde massacultuur. De `amerikanisering\' van het dagelijks leven was in geheel West-Europa kenmerkend voor de naoorlogse periode.

De symbolen bij uitstek van de modernisering en amerikani­sering waren in de jaren zestig de auto en de televisie. Een auto voor de arbeider — beter kon de nieuwe welvaart niet worden getypeerd. Verstrekkende gevolgen had de komst van de tv in de vaderlandse huiskamers. In 1951 was met de uit­zendingen begonnen; in 1957 beschikten 100 000 huishou­dens over een toestel, in 1962 al een miljoen. Aanvankelijk was er één net, in 1965 kwam Nederland 2 erbij. Er werd heel veel gekeken in deze beginjaren; ademloos zat het hele gezin voor het toestel en bewonderde de programma\'s op het scherm. Populair waren naast het journaal, gezelschapsspelie­tjes, shows en sport vooral ook toneelstukken en cabaret. Maar behalve amusement en cultuur kwamen via de televisie in de jaren zestig ook allerlei kritische en vernieuwende ideeën de Nederlandse huiskamers binnen. Dat leidde somstot grote opwinding bij de kijkers. Het tij bleek echter niet te keren. De televisie zou een belangrijke rol spelen bij het ondermijnen van het vertrouwen in het gezag en bij het afkal­ven van de bestaande maatschappelijke verhoudingen.

Net als in de industrie en de landbouw deed zich ook in de detailhandel schaalvergroting voor. Grootwinkelbedrijven verdrongen meer en meer de buurtwinkels en de kleine zelf­standigen. In de jaren vijftig kwamen de bakker, de kruidenier en andere middenstanders nog met hun waren aan de deur. Na 1960 verdween dit systeem van thuisbezorging snel. En het winkeltje-om-de-hoek moest het veld ruimen voor de super­markt. Persoonlijke bediening maakte plaats voor zelfbedie­ning. Naast de winkelketens werden ook de postorderbedrij­ven geduchte concurrenten van de kleine winkeliers. Verder werden de openingstijden van de winkels afgestemd op de veranderingen in het consumptiegedrag. Zo werd de koop­avond ingevoerd, om ook mensen die overdag werkten in de gelegenheid te stellen om te winkelen. Winkelen werd name­lijk meer dan het doen van de noodzakelijke boodschappen; het kreeg een recreatieve functie. Je winkelde voor je plezier. Nauw verbonden met al deze veranderingen was de toepas­sing van grootscheepse reclame. Daarbij richtten reclamema­kers hun uitgekiende campagnes in toenemende mate op ver­schillende `doelgroepen\'. Iedere doelgroep werd op een eigen manier benaderd. Een steeds interessantere doelgroep vormde de jeugd. De jongeren deelden in de algehele welvaart en had­den steeds meer te besteden. Jong-zijn raakte `in\'. De jeugd werd niet langer gezien als een levensfase die op weg naar de volwassenheid het liefst zo snel mogelijk moest worden door­lopen. De positieve kanten van het jong-zijn werden nu steeds meer benadrukt. De reclame stimuleerde deze verandering van opvatting. Door speciaal op hen afgestemde reclame, aan­sprekend door taalgebruik en stijl, speelden de reclamemakers op deze gevoelens bij de jonge consumenten in, en probeer­den ze hun kooplust op te wekken.

Op de toegenomen grootschaligheid kwam omstreeks 1970 een reactie. Altijd te moeten winkelen in van die grote een­vormige winkels kon ook vervelend worden. Er ontstond weer behoefte aan méér keuze en aan exclusieve spullen. Het winkelcentrum, met zijn vele kleine, vaak meer exclusieve winkels, kwam aan deze behoefte tegemoet. Het kleinschalig winkelen keerde in een nieuwe vorm weer terug.

Rond 1960 deden kunststoffen hun intrede in het dagelijks leven. Aanvankelijke bezwaren tegen de vervanging van natuurlijke stoffen verstomden snel toen bleek welke voorde­len met name plastics boden. Gebruiksvoorwerpen en verpak­kingsmateriaal van plastic waren lichter in gewicht dan hun voorgangers van hout, aardewerk en metaal, en goedkoper en makkelijk in het gebruik. Het leek wel of je alles met kunst­stoffen en plastics kon maken, of het uit een onuitputtelijke voorraad kwam. Dit gevoel en de toenemende welvaart maak­ten dat men zorgelozer omsprong met het materiaal. Had het zijn functie vervuld, dan werd het eenvoudig weggegooid. Zo ontstond in de jaren zestig de wegwerpcultuur. De keerzijde van deze ontwikkeling werd toen nog door weinig mensen gezien. De hoeveelheid huishoudelijk afval nam sterk toe. Met name kunststoffen zouden in het milieu moeilijk afbreek­baar blijken, terwijl bij verbranding ervan allerlei giftige stof­fen in de lucht bleken te komen.

Veranderingen in voedings- en bereidingsgewoontes

Ook in de voedingsgewoontes en de maaltijdbereiding kwa­men in de jaren vijftig en zestig veranderingen. Door de mas­saproduktie van voedsel gingen de mensen anders koken. Het voedsel in blik, al voor de oorlog bekend, werd na 1945 steeds populairder. Met de conserven ging het klaarmaken van het eten een stuk sneller en gemakkelijker. Dat kon vader zelfs! Vanaf 1970 kwamen diep„ riesprodukten op de markt. Het wecken van groente en fruit raakte uit de tijd. Diepvriesvoedsel en andere kant-en-klaar produkten maakten koken kinderspel. Ook de opkomst van huishoudelijke appa­raten als gasfornuizen. snelkookpannen en mixers droeg hier­toe bij. Nu het koken zo gemakkelijk was geworden en er bovendien steeds meer ingrediënten te koop waren, konden de eisen die aan maaltijden gesteld werden stijgen. Kwaliteit en afwisseling werden belangrijker.

In de voedingsgewoontes van de Nederlanders traden ook wijzigingen op. Zo gingen de tijden waarop gegeten werd meer uiteenlopen. In sommige huishoudens werd de warme avondmaaltijd vervroegd, zodat men klaar was als de televi­sieuitzending begon. In andere vond men het geriefelijker om, net als in het buitenland. war later te eten. Verder raakten snelle consumpties in zwang. De ook al weer van de Verenigde Staten afgekeken snackbar voorzag duidelijk in een behoefte. En naast de traditionele \'Hollandse kost\' kwa­men er meer buitenlandse gerechten op tafel. Dit had twee oorzaken. Enerzijds was dit een gevolg van de steeds talrijke­re reizen naar het buitenland. Vakantiegangers leerden in Frankrijk, Italië, Spanje en andere landen gerechten kennen, die ze ook thuis wilden uitproberen. Anderzijds brachten de gastarbeiders en de mensen uit de voormalige kolonies hun eetcultuur mee naar ons land. Vooral de komst tussen 1945 en 1952 van 200.000 `Indische Nederlanders uit Indonesië had in dit verband grote gevolgen. Hun komst, samen met de terugkeer van 160.000 Nederlandse militairen die tijdens de politionele acties (in de oorlog met Nederlands-Indië) met de oosterse keuken in contact waren gekomen, leidde tot een groeiende vraag naar oriëntaals voedsel. Het was de kleine groep in Nederland wonende Chinezen, die deze kans greep. Deze Chinezen vormden de rest van een kolonie zeelieden en handelaren, die voor de oorlog in Amsterdam en Rotterdam was ontstaan. Het aantal Chinese restaurants nam nu snel toe. Al gauw waren het er enkele honderden. Er kwam een tekort aan personeel, dat werd aangevuld met nieuwe immigranten uit China. In de jaren zestig werd het Chinese eethuis in geheel Nederland een vertrouwd verschijnsel. De Nederlander raakte eraan gewend in uitheemse restaurants te eten. Hiervan profiteerden andere buitenlanders. Italianen, Grieken en Joegoslaven begonnen ook steeds vaker restaurants. Hun aan­tal was in 1973 echter nog veel kleiner dan het duizendtal van de Chinezen. Deze verbreding van de vaderlandse eetcultuur kon je heel goed merken in de winkels. Ingrediënten van de oosterse keuken waren al snel overal te koop. Bami en nasi gingen steeds meer deel uitmaken van de Hollandse maaltijd. Ook produkten uit andere uitheemse eetculturen waren voor de Nederlandse consument in steeds grotere aantallen in de winkel te koop. Tenslotte traden veranderingen in de voe­dingsgewoontes ook op door de na 1970 opkomende gezond­heids- en vermageringscultus. Gezond en calorie-arm eten werd het nieuwe ideaal; een ideaal, dat er door de reclame werd ingehamerd. Nieuwe `slanke\' en `gezonde\' (en duurde­re) produkten konden zo op de markt worden gebracht.

4 Sociaal beleid en de verhoudingen in de Nederlandse samenleving

`Gezinsherstel brengt volksherstel\'

Het beeld van de jaren vijftig is er een van economische groei en industrialisatie, van arbeidsvrede en politieke stabiliteit, en van stabiliteit in de persoonlijke levenssfeer. Vandaag de dag vinden veel mensen knusse huiselijkheid, ordelijk gezinsleven en fatsoen dé kenmerken van die periode. Opvallend is nu dat rond 1950 veel mensen zich grote zorgen maakten over de `uitholling van het gezin\' en de `zedelijke verwildering\', met name bij de jeugd. Het om zich heen grijpend moreel verval zou leiden tot ontwrichting van de samenleving.

Waar kwam die bezorgdheid vandaan?

In de oorlogsjaren was alles begonnen. Tijdens de Duitse bezetting had de bevolking geleerd om zich van het politieke en maatschappelijke gezag zo weinig mogelijk aan te trekken. Aan liegen en bedriegen, lijntrekken en ook aan het gebruik van geweld was men gewend geraakt. De bevrijdingsroes in de zomer van 1945 zorgde voor nieuwe problemen. De zwarte handel bloeide, het aantal echtscheidingen nam sterk toe, geslachtsziekten verspreidden zich snel, en het aantal ongehuwde moeders en buitenechtelijke kinderen steeg in 1946 explosief. Vanaf het najaar van 1945 begonnen overheid, zielzorgers en opvoeders deze zedenverwildering te bestrijden.

En niet zonder succes. Tucht en orde keerden terug. Alleen op sommige groepen jongeren kreeg men maar moeilijk vat. Vooral over de groeiende groep meisjes en jongens die in de industrie werkte, maakte men zich zorgen. De eentonige fabrieksarbeid, het saaie werk aan de lopende band zou de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige arbeider of arbeid­ster geen goed doen. Bovendien zouden zij zich als tegen­wicht tegen de geestdodende arbeid in hun vrije tijd aan aller­lei `zedelijk verwerpelijk vermaak\' overgeven. Men dacht dan aan het bezoeken van dancings, cafés en bioscopen.

Wat door de oorlog en de bevrijding al aan moreel verval de kop had opgestoken, dreigde door de industrialisatie een levensgroot monster te worden, zo geloofden velen. Deze beangstigende gedachte spoorde de overheid aan tot verdere activiteit. Talrijke onderzoeksinstituten en commissies kregen opdracht dit vraagstuk te onderzoeken. In hun rapporten en verslagen legden de deskundigen grote nadruk op het belang van het gezin. Waarom? Ongetrouwde werkende jongeren woonden in die tijd bijna altijd thuis. En waar konden de oude vertrouwde morele waarden en normen nu beter worden bewaard en aan de nieuwe generatie doorgegeven worden dan in het gezin?

Het probleem echter was dat ook het Nederlandse gezin niet ongeschonden door de oorlog gekomen was. De algemene gezagsondermijning en de dwangarbeid van honderdduizenden vaders in Duitsland hadden de gezinsautoriteit aangetast. (Het grote aantal echtscheidingen na de bevrijding hing hier ook mee samen.) Men was bang dat het gezin zijn opvoed­kundige functie niet goed meer zou kunnen vervullen, juist nu het zo hard nodig was. Omdat bovendien alle politieke partij­en het gezin als de hoeksteen van de samenleving beschouw­den en in de onderzoeksrapporten de uitholling van het gezin altijd gelijkgesteld werd aan de ontwrichting van de maat­schappij, kwam er een actieve gezinspolitiek.

Samen met particuliere organisaties, kerken en vakbonden startte de overheid de actie `Gezinsherstel brengt Volksherstel\'. Met haar politiek hoopte ze enerzijds de oudegezinsverhoudingen te herstellen, anderzijds de jeugd en de mannen rijp te maken voor het industrialisatieproces. Zo werd de kinderbijslag verhoogd en het jeugdloon relatief verlaagd; werkende jongeren werden financieel afhankelijker van hun ouders. Zonder geld konden ze niet naar de kroeg of de bio­scoop. Thuisblijven, daar zouden ze niet slechter van worden. Met pa en ma Mens-erger-je-niet spelen en naar een mooie lezing op de radio luisteren, dat was geestelijk verrijkend, dacht men in leidende kring.

Onder druk van de KVP werd in 1952 het Ministerie van Maatschappelijk Werk in het leven geroepen. Het was er vooral op gericht het maatschappelijk werk van de kerken en particuliere instellingen (gezinsverzorging, huishoud- en gezinsvoorlichting, bureaus voor levens- en gezinsmoeilijkhe­den en dergelijke) te bevorderen. Tevens stimuleerde het departement de initiatieven van verschillende steden om `onmaatschappelijke gezinnen\' in aparte buurten of wijken her op te voeden. Zelfs stichtte het voor zulke a-sociale of probleemgezinnen speciale gezinsoorden op de Drentse hei en in Overijssel. Met name de confessionelen zagen in dit ministerie een belangrijk middel om de `gezinsgemeenschap\' in een tijd van versnelde industrialisatie in stand te houden, te herstellen en te versterken.

Deze gezinspolitiek verbond de overheid met een specifieke seksepolitiek. Het beleid richtte zich vooral op de vrouw. Zij moest door een goede huiselijke sfeer ervoor zorgen dat man en kinderen in hun vrije tijd zoveel mogelijk thuis bleven. Zij moest zó voor ze zorgen dat ze gezond bleven en in staat waren hun werk goed te doen. En zij was degene die door `doelmatig verteren\' de nadelige consequenties van de loon­politiek het hoofd moest bieden. Haar taak was het aan de ene kant de jeugd volgens de juiste zedelijke normen op te voe­den, aan de andere kant de negatieve gevolgen van het industrialisatieproces op te vangen. Vandaar ook dat de getrouwde vrouw van de overheid niet buitenshuis mocht werken. Haar functie in het gezin was te belangrijk.

De hier genoemde processen van gezinsontbinding en aanpas­sing van het gezin aan de moderne tijd, en de rol die het maat­schappelijk opbouwwerk bij deze aanpassing kon spelen, dat was het terrein waarop sociologen goed en belangrijk werk konden verrichten. Confessionele en niet-confessionele socio­logen kregen speciaal opdracht deze sociale en culturele ver­anderingen niet alleen te onderzoeken maar ook te begelei­den.

Verzuiling

Een typisch kenmerk van de Nederlandse samenleving in de jaren vijftig en begin jaren zestig was de sterke verzuiling. Veel sterker dan in onze buurlanden was de samenleving hier opgedeeld in zelfstandige blokken, met als scheidslijn het geloof, de levensbeschouwing. Er bestond een katholieke, een protestantse, een socialistische en een liberale of `neutrale\' zuil. Zo\'n zuil was in feite een verzameling van verenigingen, organisaties, scholen, vakbonden, omroepen enzovoort, die met elkaar gemeen hadden dat ze van hetzelfde geloof of dezelfde levensovertuiging uitgingen. De leiding over de zuil had de betreffende kerk en/of politieke partij. De verzuiling leverde een maatschappij op met vier gescheiden culturen. Bijna iedere Nederlander leefde in een vrijwel complete afzondering van andersdenkenden. Zo ging een katholieke jongen naar een katholieke school, werd lid van een katholie­ke sport- of jeugdvereniging, luisterde zoveel mogelijk naar radioprogramma\'s van de KRO, werd lid van een katholieke vakbond of werkgeversorganisatie, las uitsluitend katholieke kranten, trouwde een katholieke vrouw en stemde op de KVP. Evenzo leefden de protestanten ingekapseld in hun eigen wereld. Hetzelfde gold voor de socialisten, al maakten die ook, net als de liberalen, gebruik van verschillende `neutrale\' organisaties (zoals openbare scholen, openbare bibliotheken). Tot de neutrale of liberale zuil behoorden die mensen, die niet tot een van de drie andere wilden behoren. Deze zuil-tegen­wil-en-dank was de minst hechte van de vier.

 

Het proces van verzuiling, in de tweede helft van de negen­tiende eeuw begonnen, was tussen de twee wereldoorlogen helemaal uitgekristalliseerd. In de jaren 1940-1945 werden de verzuilde structuren door de Duitse bezetters echter belangrijk aangetast. De vooroorlogse politieke partijen, vakbonden en omroepen werden verboden. Na de bevrijding stonden de Nederlanders voor de vraag: herstellen we de vooroorlogse verhoudingen, of moeten er nieuwe partijen en samenlevings­verbanden komen? Een aantal socialistische en vooruitstre­vende confessionele en liberale voormannen wilden de oude verzuiling doorbreken. Ze richtten een `doorbraak\'-partij op: de Partij van de Arbeid. Het bleek, dat ze zich in hun achter­ban hadden vergist. De meeste mensen verlangden toch naar het herstel van de vertrouwde verzuilde organisaties. De oude confessionele en liberale partijen keerden, soms onder een nieuwe naam, terug. Ook de vooroorlogse omroepen, vakbon­den en andere verzuilde organisaties verschenen weer. En met succes. Zo bleef de PvdA feitelijk de opvolger van de oude SDAP. De `doorbraak\' was mislukt.

Binnen de zuilen veranderde er in de jaren vijftig wel het een en ander. De wetenschap rukte op. De verzuilde instellingen namen steeds meer inzichten en methoden van de sociale wetenschappen over. Professionele krachten zoals maatschappelijk werkers vervingen meer en meer de geestelijke leids­mannen. Het oude overwicht van predikanten en priesters maakte plaats voor gezag op basis van deskundigheid. Een zelfde proces deed zich ook in de socialistische zuil voor. Op den duur zouden deze professionalisering en verwetenschap­pelijking de grondslagen van de verzuiling aantasten.

De verzuilde samenleving ondermijnd

De herzuiling na de oorlog was een succes, maar uiteindelijk konden maatschappelijke veranderingen toch niet worden tegengehouden. In de tweede helft van de jaren vijftig begon­nen, weinig zichtbaar nog, de zuilen aan de basis af te brokke­len. De mensen werden mondiger. De gehoorzaamheid aan het gezag in de zuil nam geleidelijk af. De sociale controle binnen de zuil werd langzaam geringer; `afwijkend\' gedrag werd door leiders of andere mensen in de zuil niet meer zo snel gecorrigeerd. De hokjesgeest verminderde en het contact met andersdenkenden werd niet meer zo geschuwd. Dit pro­ces van ontzuiling ging in de jaren zestig in versneld tempo door. Het viel samen met een groeiende onkerkelijkheid: vele protestanten en nog meer katholieken keerden hun kerk de rug toe. Aan het begin van de jaren zeventig waren van het eens allesbeheersende zuilensysteem nog slechts brokstukken over. Welke factoren hebben deze ontzuiling bevorderd?

De internationalisering tastte in belangrijke mate de traditio­nele normen en waarden aan. De invloed van de vooral uit de Verenigde Staten komende modernisering en massacultuur was niet tegen te houden. Ook de toename van de communi­catiemiddelen speelde een grote rol. Met name de komst van de televisie had grote gevolgen. Enerzijds kwamen nu beel­denuit de hele wereld de Nederlandse huiskamer binnen.

De kerken kregen het zwaar te verduren.

Anderzijds werd er veel naar programma\'s van de `vijandige\' omroepen gekeken. Men raakte vertrouwd met hun opvattin­gen, en constateerde dat die minder gevaarlijk waren dan altijd was gezegd. Anders dan de pers en de radio, bleek de televisie niet goed in de dwangbuis van de verzuiling te stop­pen. Verder droeg de uitbreiding van de vervoersmogelijkhe­den, met name de enorme groei van het aantal auto\'s, aan de ontzuiling bij. De Nederlanders werden veel mobieler. Ze kwamen gemakkelijker met andere leefpatronen en opvattin­gen in contact. Ook de uitbreiding van vooral het middelbaar onderwijs had belangrijke gevolgen. Deze uitbreiding, nauw verbonden met de industrialisatie, maakte dat steeds meer jonge Nederlanders een hoger opleidingsniveau kregen. Ze werden kritischer ten opzichte van de opvattingen van hun ouders en de leiders in de zuil. Voorts verminderde de al genoemde professionalisering en verwetenschappelijking van de samenleving de autoriteit van de leidsmannen in de zuilen. Tenslotte bevorderde ook de komst van de verzorgingsstaat het proces van ontzuiling. Door de verzorgingsstaat konden sociale problemen en dreigende armoede worden opgevan­gen. Iedereen in Nederland kreeg recht op financiële bijstand in geval van nood. Dat geld kwam van de overheid, niet van kerken of (verzuilde) charitatieve instellingen. Logisch dat de mensen zich hierdoor minder afhankelijk van hun zuil gingen voelen. De taak van kerken of vakbonden bij het bestrijden van sociale nood werd alsmaar kleiner. Al met al verdwenen de scheidsmuren in de Nederlandse samenleving grotendeels. Ervoor in de plaats kwam een voor alle bevolkingsgroepen meer of minder bereikbare en aanvaardbare welvaartscultuur. De `doorbraak\' was alsnog bereikt, en deze ging nu veel ver­der dan men in 1945 voor mogelijk had gehouden.

Een nieuwe middenklasse

De toenemende industrialisatie en de opbouw van de verzor­gingsstaat bevorderden ook de opkomst van een nieuwe mid­denklasse. Vooral in de groeiende onderwijs- en administra­tieve sector, en de gezondheidszorg vonden steeds meer mensen werk. Er ontstond een omvangrijk middenkader en een professionele elite van hooggeschoolde en gespecialiseer­de krachten. De grote vraag naar deze mensen leidde ertoe dat er minder dan tot dan toe gebruikelijk gelet werd op de afkomst en op het milieu waarin men was opgegroeid. Mede dankzij het studiebeurssysteem werden kinderen uit de arbei­dersklasse en de middengroepen in staat gesteld een hogere opleiding te volgen. Zo kregen zij meer kans op een `goede baan\'. Omdat een groot aantal mensen deel ging uitmaken van deze nieuwe middenklasse, ontstond er een tekort aan ongeschoolde arbeiders. Dit tekort werd opgevuld door het aantrekken van gastarbeiders. Deze gingen nu de nieuwe onderlaag van de Nederlandse samenleving vormen. Hoewel een stijging op de sociale ladder nu een veel reëlere mogelijk­heid was geworden, bleek toch dat dit nog niet voor iedereen was weggelegd. Onderzoek wees uit dat er voor arbeiderskin­deren en voor kinderen uit etnische minderheidsgroepen vaak zoveel hindernissen bleven bestaan, dat zij toch niet naar hogere vormen van onderwijs en hogere beroepen door­stroomden.

Van arbeidsrust naar arbeidsonrust

De jaren vijftig worden meestal als een periode van arbeids­vrede gekenmerkt. En inderdaad_ de politieke elites in de zui­len hadden de macht nog stevig in handen en de vakbondslei­ders steunden hun beleid- Het waren de jaren van het harmoniemodel: op politiek gebied werkten de `roomse\' en de `rode\' elites samen: op so ia l-economisch gebied de werkgevers- en de werknemersorganisaties. Politici en vak­bondsleiders spraken graag over her -einde van de klassen­strijd\'. De arbeiders en arbeidsters accepteerden de eerste jaren massaal het door de -ak-eenn-ale- gesloten compromis van arbeidsrust en afzien van looneisen, in ruil voor volledige werkgelegenheid en sociale zekerheid. De angst voor terug­keer van een massawerkloosheid als in de jaren dertig was groot. Het daarmee samenhangende belang van de opbouw van een goed stelsel van sociale verzekeringen werd eveneens erkend.

Toch is dit beeld van rust in de jaren vijftig voor een deel schijn. Het aantal door de vakbonden georganiseerde stakin­gen was weliswaar gering, maar vilde stakingen kwamen herhaaldelijk voor. Zeker niet alle arbeiders bleken het met het beleid van de vakbonden eens te zijn. Niet iedereen had de klassenstrijd afgezworen. In de loop van de jaren vijftig groeide de onvrede bij de werknemers over het lage-lonenbe­leid van de regering. De ondernemers maakten forse winsten; zij profiteerden meer van het beleid dan de werknemers. `Wij de zenuwen en de baas de centen\'. zeiden de arbeiders. Ze wilden langzamerhand ook wel eens delen in de snel groeien­de welvaart. De vakbonden bleven de geleide loonpolitiek echter steunen. Het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) deed dat nog met overtuiging, de Katholieke Arbeiders Bond (KAB, en het protestantse Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV meer met tegenzin. In 1957 kondigde de regering, net als in 1951. een bestedings­beperking af. Dit betekende een reële loonsverlaging. die vooral in gezinnen met kinderen hard aankwam. De drie vak­centrales, die de regering van te voren hadden gewaarschuwd niet te ver te gaan, deden uiteindelijk niets. Tienduizenden vakbondsleden zegden daarop hun lidmaatschap op. Met name het NVV kreeg zware klappen. De bestuurders van de bond bleken het contact met hun leden volledig te hebben ver­loren.

In de jaren zestig werd geleidelijk de eenheid tussen de vak­bondsleden en hun bestuurders hersteld. De vakcentrales gin­gen zich strijdbaarder opstellen. De goede verstandhouding tussen vakbondsbestuurders en ondernemers maakte plaats voor een sfeer van confrontatie. In 1960 bleek het begin van een veranderende houding, toen de drie bonden de eerste grootschalige staking van na de oorlog steunden. Twee weken lang legden 40 000 bouwvakkers het werk stil om de aanne­mers te dwingen een loonsverhoging te accepteren, die van de regering niet in de bouwprijzen mocht worden doorberekend. De bouwvakkers en hun bonden wonnen. Toch bleef de vak­beweging in het begin van de jaren zestig nog zo bang het `algemeen belang\' te schaden, dat ze het loonbeleid van de regering maar zoveel mogelijk volgde. Het gevolg was: steeds meer zwarte lonen en steeds meer bedrijven die de looneisen van hun arbeiders inwilligden, looneisen waar de vakbond niets mee te maken had gehad. Het aantal spontane acties en wilde stakingen nam eveneens toe. Ook groeide de kritiek van de leden op de leiding van hun bonden, die meer en meer bestond uit hoog opgeleide professionals. De afstand tussen top en basis werd daardoor verder vergroot. Pas in de tweede helft van de jaren zestig werd een radicale koerswijziging zichtbaar. Opgejaagd door een ontevreden achterban gingen het NVV en het Nederlands Katholiek Vakverbond (zoals de KAB sinds 1963 heette) steeds hogere looneisen stellen. Daarnaast werd meer medezeggenschap in de bedrijven een belangrijk strijdpunt. Bovendien werd onder invloed van jonge arbeiders en studenten de ongelijke verdeling van inko­men en welvaart een thema. De vakbonden werden organisa­ties die zich sterk maakten voor allerlei maatschappelijke her­vormingen. En de confrontatie met de regering en de werkgevers werd niet langer geschuwd. Het harmoniemodel maakte plaats voor het conflictmodel. Acties en stakingen waren daarbij veelvuldig ingezette wapens. De arbeidsrust van de jaren vijftig was in de jaren zestig en begin jaren zeventig vervangen door arbeidsonrust.

Verandering in de verhouding tussen de seksen

Ook in de verhouding tussen mannen en vrouwen en tussen ouders en kinderen deden zich opmerkelijke veranderingen voor. Sociologen spreken in dit verband van de overgang van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishou­ding. Ze bedoelen daarmee dat in het gezin enerzijds de vrouw gelijkwaardig werd aan de man, en anderzijds de ouders meer op voet van gelijkheid met hun kinderen omgin­gen. In het traditionele gezin was eenvoudig de wil van de ouders wet. In het nieuwe gezin bepaalden onderlinge afspra­ken, overleg en gesprek de verhouding tussen ouders en kin--deren. Het was niet langer automatisch zo dat wat vader of moeder zei, gebeurde. De kinderen mochten ook hun zegje doen. In gezamenlijk overleg werden beslissingen genomen. De relatie tussen ouders en kinderen werd nu meer bepaald door liefde en genegenheid dan door autoriteit en ongelijk­heid.

De onderhandelingshuishouding betekende tevens een veran­dering in de verhouding tussen man en vrouw. De sekse- en gezinspolitiek van de overheid in de jaren veertig en vijftig was gebaseerd op het idee van de harmonieuze ongelijkheid. In dit ideaalbeeld gaf de man de leiding en was de vrouw ondergeschikt. De taken waren duidelijk verdeeld: de man verschafte het inkomen, de vrouw deed het huishouden en zorgde voor de kinderen. Omdat dit ideaalbeeld — zo geloofde men — door God of de natuur gegeven was, was er ondanks de ongelijkheid toch van harmonie sprake. De harmonieuze ongelijkheid werd vastgelegd in de vele wetten en instellingen die in het kader van de verzorgingsstaat in het leven werden geroepen. Vanaf 1955 begonnen de nieuwe inzichten heel geleidelijk door te breken. Langzaam werd de harmonieuze ongelijkheid vervangen door het ideaal van de gelijkheid tus­sen de seksen. In 1955 werd besloten dat ambtenaressen die gingen trouwen niet langer automatisch werden ontslagen. De opvattingen over het buitenshuis werken van getrouwde vrou­wen begonnen zich, ook bij de confessionelen, te wijzigen. En in 1956 werd de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw opgeheven; ze kon voortaan zelfstandig optreden in juridische en financiële kwesties. Toch liet de `macht van de vanzelfsprekendheid\' zich in de verhouding tussen de seksen maar moeilijk doorbreken. Traditionele rolpatronen verande­ren niet zo gemakkelijk. Vrouwen hielden lang ongelijke kan­sen op werk, en voor gelijkwaardig werk werden ze nog lang minder beloond dan mannen. Ook was het voor een vrouw moeilijker in de politiek een vooraanstaande functie te bekle­den. Pas in 1970 verdween de sinds 1838 in het Burgerlijk Wetboek opgenomen zin: `De man is het hoofd der echtver­eniging.\'

In de jaren zestig ontstonden er nieuwe opvattingen omtrent seksualiteit en geboortenregeling. Over seksualiteit kon nu openlijk worden gesproken, en de introductie van de anticon­ceptiepil in 1964 maakte geboortenbeperking eenvoudiger. Door de veranderende houding in (een deel van) de kerken ten aanzien van deze kwesties vonden de nieuwe opvattingen gemakkelijker ingang. Met name `de pil\' bracht de vrouw nieuwe vrijheid: ze was nu voor het voorkomen van zwangerschap niet meer afhankelijk van de man. Voor het eerst was vrijen mogelijk zonder de angst in verwachting te raken. Vrouwen begonnen nu het recht te eisen over hun eigen leven en lichaam te beschikken. Ze maakten steeds meer bezwaren tegen de heersende seksuele verhoudingen. Na 1968 keerde de tweede feministische golf zich tegen de nog altijd bestaande ongelijkheid tussen man en vrouw. Joke Kool-Smit en enkele andere feministen richtten in dat jaar de actiegroep Man-Vrouw-Maatschappij op. In 1969 ontstond de meer radi­cale groep Dolle Mina. Elk op eigen wijze pleitten deze orga­nisaties voor doorbreking van de bestaande rolverdeling, het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw (onder andere het recht op abortus), de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid, en arbeidstijdverkorting. Ook vonden ze dat andere samenlevingsvormen dan het gezin bestaansrecht moesten hebben.

Zie verder deel 2 CSE Nederland 1945-1973 Deel 2