We hebben 96 gasten online

CSE Koning-Kabinet-Kamers

Gepost in Nederland

Inleiding

democratie

Nederland is een constitutionele parlementaire monarchie. Dat zijn dan om te beginnen flink wat vaktermen op een rij.

Daarmee wordt bedoeld dat Nederland een monarchie is, d.w.z. we hebben in ons land een staatsvorm waarbij een vorst aan het hoofd staat. Nu mag deze vorst maar niet doen en laten wat hij wil. Integendeel, de rechten en plichten van vorst en volk zijn vastgesteld door middel van een staatsregeling (een constitutie). Deze staatsregeling is terug te vinden in de grondwet en bepaalde andere wetten.

Nederland is dus een constitutionele monarchie. Blijft nog over de term parlementair. Nederland is niet alleen een monarchie, maar ook een democratie. Niet alleen de vorst, maar ook het volk heeft wat te vertellen. Omdat we met te veel Nederlanders zijn om zelf allemaal mee te praten, kiezen we een aantal mensen die dit namens ons doen. We noemen de vergadering van deze vertegenwoordigers het parlement.

Nederland is dus een constitutionele parlementaire monarchie. In dit boekje willen we nagaan hoe het er in deze monarchie aan toegaat. Wat de rechten en plichten zijn van vorst, onderdanen en parlement. Belangrijke kennis, want de macht van de staat, de bemoeienis van de staat met ons leven is steeds groter geworden.

Vroeger was dit wel anders. De liberalen, de belangrijkste politieke stroming, wilden de staat slechts een bescheiden rol laten spelen. De staat moest een nachtwaker zijn, die zorgde voor de vrijheid van de burgers. De staat had in hun ogen slechts een passieve rol: bescherming van eigendom, zorgen voor veiligheid, voor naleving van de wetten enz. In die opvatting is - ook bij liberalen - verandering gekomen. Toen duidelijk werd dat onbeperkte economische vrijheid naast groeiende rijkdom voor sommigen, ook groeiende armoede voor velen meebracht begon men te sleutelen aan de staatstaak. Er kwamen sociale wetten (kinderarbeid, vrouwenarbeid enz.) en in de loop van de twintigste eeuw kreeg de staat er steeds meer taken bij. De nachtwakersstaat is een verzorgingsstaat geworden. Iedereen verwacht van de staat dat deze werkloosheid bestrijdt, voor goed onderwijs (en verplicht onderwijs) zorgt, aan woningbouw doet, aan loon- en prijsbeleid, aan subsidieregelingen en ga zo maar door. Iedereen - socialisten, confessionelen en liberalen. Alleen verschillen die wel van mening over de vraag hoever die bemoeienis moet gaan en op welke wijze de staat moet ingrijpen.

Met de verzorgingsstaat hebben we heel wat onrechtvaardigheid uit onze samenleving verwijderd. Maar we hebben tevens een aantal problemen in huis gehaald:

a) de macht van de overheid is enorm toegenomen. Er zijn zoveel voorschriften en regelingen dat de individuele burger vaak geen idee heeft van zijn rechten, plichten en mogelijkheden. Hij kan het gevoel krijgen dat hij overgeleverd is aan ambtelijke willekeur, aan een groeiende anonieme bureaucratie;

b) we raken zo gewend aan sociale voorzieningen dat we er vanzelfsprekend van profiteren. Dat de mentaliteit van ´de regering zorgt er wel voor´lijkt te groeien. We hebben het hier niet over het misbruik van sociale voorzieningen, maar over de toegenomen neiging een graantje mee te pikken;

c) de financiering van de sociale wetgeving. Bij een voortdurende uitbreiding van de voorzieningen is de vraag: ´brengen we dat wel op´? Of beter: ´willen we dat nog wel opbrengen´? 

Een stukje geschiedenis

1813

In 1813 kwam er een einde aan de Franse overheersing van ons land. Napoleon was verslagen bij Leipzig en leek veilig opgeborgen op het eilandje Elba. Ons land werd weer een zelfstandig land, de Oranjes keerden uit hun ballingschap terug. Willem Frederik, de zoon van de vroegere stadhouder Willem V, zou als souverein (oppermachtig) vorst ons land gaan regeren.

De macht van de souvereine vorst was groot, ondanks het feit dat ons land in 1814 voor het eerst een grondwet kreeg. In de grondwet is een aantal grondrechten van burgers geregeld, zoals vrijheid van godsdienst, vrije meningsuiting enz. Ze bevat verder de voornaamste regels volgens welke een land wordt geregeerd.

De ministers hadden weinig te vertellen; ze waren slechts de dienaren van de souvereine vorst. Ook de volksvertegenwoordiging, de Staten-Generaal (= letterlijk: algemene standen, oorspronkelijk vertegenwoordigers van adel, geestelijkheid en burgerij, sinds 1814 van het hele volk) had weinig of geen invloed. Algemeen kiesrecht bestond niet. De Staten-Generaal bestond uit één kamer van 55 leden, die werden gekozen. 

1815

In 1815  ontsnapte Napoleon tot schrik en woede van bijna iedereen van Elba. Opnieuw werd hij verslagen, nu bij Waterloo, maar de schrik zat er wel in. De grote mogendheden, in vergadering bijeen in Wenen, bekrachtigden door een besluit dat ze al in 1814 genomen hadden; dat er aan de noordgrens van Frankrijk een sterk land moest komen. Om dit te bereiken werden Noord- en Zuid-Nederland (Nederland en België) bij elkaar gevoegd.

Een nieuwe grondwet was nodig; die kwam er in 1815. Veel nieuws bracht de grondwet niet. Willem I kreeg de titel van koning in plaats van souverein vorst, maar zijn macht bleef even groot. De Staten-Generaal werd uitgebreid. De Tweede Kamer kreeg in plaats van 55 nu 110 leden. Naast deze Tweede Kamer kwam er een Eerste Kamer. De leden van deze Eerste Kamer werden benoemd door de koning. Vooral met het oog op de Belgische adel was besloten tot de oprichting van deze Eerste Kamer. De Belgische adel had nogal moeite om een Oranje als koning te accepteren. Enkele Belgische adellijke geslachten voelden zich niet de minderen, maar de gelijken van de Oranjes. Door nu vertegenwoordigers van deze families tot leden van de Eerste Kamer te benoemen, hoopte Willem 1 ze tot een toegeeflijker houding over te halen.

Dit alles betekende niet dat de Staten-Generaal meer invloed kreeg. Integendeel, Willem I probeerde zoveel mogelijk zaken buiten de Staten-Generaal om te regelen. Om dit te kunnen doen maakte hij veelvuldig gebruik van Koninklijke Besluiten.

1840

Erg enthousiast waren de Belgen niet over de samenvoeging met het noorden. Na een negen jaar durende opstand (1830-1839) bereikten ze hun doel, België werd onafhankelijk. Opnieuw was grondwetswijziging noodzakelijk. Ook deze wijziging (1840) veranderde weinig aan de bestaande machtsverhoudingen. In 1840 werd de, strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ministers ingevoerd. Dit betekende dat een minister niet opzettelijk in strijd met de grondwet en andere wetten mocht handelen. Deed een minister naar het oordeel van tenminste 5 leden van de Tweede Kamer dit wel, dan kon hierover het oordeel worden gevraagd van de Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege). Intussen nam net als in de meeste Westeuropese landen ook in Nederland de kritiek op de grote macht van de koning en de geringe invloed van de volksvertegenwoordiging toe.

thorbecke

In 1839 publiceerde de liberaal Thorbecke zijn Aanteekening op de Grondwet. Dit geschrift handelde over de grondwet van 1815 en met name over de positie van de koning.

Thorbecke bepleitte in deze en latere publikaties een belangrijke wijziging in de positie van de koning. De koning moest onschendbaar worden d.w.z. hij was niet langer meer verantwoordelijk voor regeringsdaden. Deze verantwoordelijkheid moest gelegd worden bij de ministers. Dit betekende dat het regeringsbeleid niet meer vastgesteld zou worden door de koning, maar door de verantwoordelijke ministers. Er is weinig fantasie voor nodig om te begrijpen dat de koning (Willem II) niet veel voelde voor deze voorstellen.

Een echte democraat was Thorbecke niet. Hij was geen voorstander van algemeen kiesrecht. Zoals zovelen in zijn tijd vond ook Thorbecke dat het kiesrecht alleen moest worden toegekend aan die burgers die een zekere welstand bezaten. Arme mensen waren te afhankelijk en daardoor ook in zijn ogen niet geschikt voor het kiesrecht. Alleen diegenen die een bepaalde som aan belasting betaalden, mochten stemmen (censuskiesrecht). Bovendien, wie niet bijdroeg aan de schatkist in de vorm van belasting, die had ook niet het recht om mee te praten over de besteding.

1848

In 1848 ging koning Willem II plotseling door de knieën. 1848 was een revolutiejaar in Europa en Willem II was bang dat ook Nederland niet gespaard zou blijven.

Een commissie met o.a. Thorbecke als lid kreeg de opdracht een nieuwe grondwet te ontwerpen. Na veel geharrewar werd de nieuwe grondwet, die heel sterk het stempel droeg van Thorbecke, aanvaard. De belangrijkste vernieuwingen waren:

1) Invoering van de koninklijke onschendbaarheid.

2) Invoering van de (ministeriële) politieke verantwoordelijkheid, naast de al langer bestaande (ministeriële) strafrechtelijke en (ministeriële) financiële verantwoordelijkheid. Dit betekende dat de ministers voor hun politieke daden verantwoording moesten afleggen aan de Staten-Generaal.

3) Invoering van rechtstreekse verkiezingen voorde Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraden.

4) De Eerste Kamer werd voortaan niet meer benoemd door de koning, maar gekozen door de Provinciale Staten.

5) Invoering van éénjaarlijkse begrotingen.

6) De Tweedeen de Eerste Kamer kregen meer rechten. De Tweede Kamer bezat reeds het recht van initiatief. Ze kreeg daarnaast het recht van enquête, interpellatie en amendement. De Eerste Kamer kreeg het recht van interpellatie en enquête. 

7) Het aantal grondrechten werd uitgebreid. Belangrijke grondrechten zijn: — vrijheid van godsdienst (al genoemd in de grondwet van 1814); — vrijheid van drukpers (al genoemd in de grondwet van 1815); — recht van vereniging en vergadering;- onschendbaarheid van het briefgeheim, enz.

Met deze nieuwe grondwet was de macht van de volksvertegenwoordiging aanzienlijk versterkt, maar democratisch was onze staatsorganisatie nog niet. Door het vasthouden aan het censuskiesrecht voor mannen vanaf 23 jaar, waren er slechts ruim 70 000 kiezers op de 3 miljoen inwoners.

Fragment uit de Handelingen van 29 april 1861. De heer Dirks spreekt over het wetsontwerp ´tot vaststelling van het briefport en regeling van de aangelegenheden der brievenposterij´.

De heer Dirk: Ik begin met dezelfde opmerking als de ge­achte spreker die mij voorafging. Het doet mij ook leed dat door den nieuw opgetreden Minister van Finantien het wets-ontwerp tot herziening van het tarief ingetrokken is, maar daarentegen verheugt het mij, in tegenspraak met mijnen voorganger, dat het wets-ontwerp betreffende de brievenposterij van den vorigen Minister van Finantien overgenomen is. En nu hier reeds onder­scheidene speciale punten zijn ter sprake gebragt, zoo veroorloof ook ik mij op nog een paar punten de aandacht te vestigen.

In de laatste plaats wensch ik mijn genoegen te betuigen over de laatste wijziging, die door den tegenwoordigen Minister van Finantien in dit wets-ontwerp gebragt is. Daardoor is het voor­uitzigt geopend dat men ook gedrukte stukken, met een postzegel voorzien, op ´de post zal kunnen doen. De Regering heeft zich de wijze van uitvoering van die zaak voorbehouden. Bij eene vorige gelegenheid, eenige jaren geleden, heb ik daarover reeds gesproken en toen een eenvoudig hulpmiddeL, ofschoon ik beken niet in allen opzigte voldoende, aan de hand gedaan. Men zou bijv. een ge­woon postzegel van vijf cent overdwars mogen doorknippen om dan, met dat half postzegel althans één vel druks te kunnen frankeren.

1866-1868

Nederland had een nieuwe grondwet waaraan iedereen, ook de koning, nog moest wennen. Dit leidde in de jaren 1866-1868 tot een conflict tussen koning Willem III en de Tweede Kamer.

In 1866 werd Mijer, de minister van koloniën in het ministerie Heemskerk, benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. De Tweede Kamer maakte bezwaar tegen deze benoeming en sprak haar afkeuring uit door het aannemen van de motie Keuchenius. Dit was niet naar de zin van de regering. Koning Willem III en het ministerie Heemskerk vonden dat een dergelijke benoeming een zaak was van de koning en de regering. Op advies van het kabinet (dat zijn de gezamenlijke ministers) ontbond Willem III de Kamer.

Ook de nieuwe gekozen Kamer kwam in conflict met de regering. Toen de Tweede Kamer de begroting van Buitenlandse Zaken verwierp, ontbond Willem III voor de tweede keer de Kamer. Opnieuw verkiezingen, ons verhaal dreigt wat eentonig te worden. De nieuwgekozen Kamer veroordeelde de ontbinding van de vorige Kamer en verwierp opnieuw de begroting van Buitenlandse Zaken. Tot een derde Kamerontbinding besloot de koning toch maar niet. Het kabinet bood zijn ontslag aan, dat Willem III accepteerde. Het parlement had gewonnen. Sinds die tijd heeft de koning niet meer geprobeerd zijn wil door te drijven tegen de overtuiging van de volksvertegenwoordiging in.

memo hfst 5 afb 1

1887

In 1887 werd het kiesrecht belangrijk uitgebreid. In de grondwet werd het zogenaamde caout-chouc (rubber) - artikel opgenomen. Zoals de naam al suggereert, was dit een zeer rekbaar artikel. Het bepaalde dat voor het kiesrecht voldaan zou moeten worden aan bepaalde - in de kieswet teregelen - kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand. In deze kieswet werd het kiesrecht toegekend aan de volgende groepen mannelijke inwoners:

a) belastingkiezers;

b) woningkiezers (op grond van een bepaald huurbedrag);

c) loonkiezers (tenminste een bepaald loon verdienen);

d) spaarkiezers (tenminste een klein spaarbedrag bezitten);

e) examenkiezers (een of ander diploma of getuigschrift bezitten). Een ideale situatie was dit niet, omdat nog steeds bepaalde groepen werden uitgesloten en omdat er met de toepassing van deze bepalingen werd geknoeid. (Voor alle duidelijkheid, vrouwen kregen in 1887 dus nog geen kiesrecht.)

1917

In 1917 werd de grondwet aanzienlijk gewijzigd. Er kwam algemeen actief en passief kiesrecht voor mannen (het recht om te kiezen én het recht om gekozen te worden) en passief kiesrecht voor vrouwen. Zo deed in 1918 de eerste vrouw haar intrede in de Tweede Kamer, Suze Groeneweg, lid van de S.D.A.P.

In 1917 werd ook het districtenstelsel afgeschaft en vervangen door het systeem van de evenredige vertegenwoordiging. Bovendien werd in 1917 de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs een feit.

1919

De vrouwen kregen het actieve kiesrecht in 1919 door het initiatief­ontwerp van Marchant. Na 1917 zijn er nog enige wijzigingen aangebracht, maar ze betroffen meestal minder belangrijke punten. Het zelfstandig worden van Indonesië en Suriname moest in de grondwet worden vastgelegd. In 1972 is het kiesrecht nog verruimd: sindsdien mag men vanaf zijn achttiende jaar naar de stembus. De opkomstplicht die in 1917 was ingevoerd is in 1970 door een wijziging van de kieswet afgeschaft. (De opkomstplicht betekende dat je niet hoefde te stemmen, maar dat je wel naar het stembureau moest komen om je oproepkaart in te leveren.) In 1956 werd het aantal leden van de Staten-Generaal uitgebreid. De Tweede Kamer kreeg 150 in plaats van 100 leden, de Eerste Kamer 75 in plaats van 50 leden.

In 1966 heeft de minister van binnenlandse zaken een ´Proeve van een nieuwe grondwet´gepubliceerd. Met als bedoeling de discussie over een aanpassing van de grondwet op gang te brengen. Deze proeve is in 1971 gevolgd door ontwerp van een staatscommissie (Cals-Donner).

De koning

Nederland is een monarchie en is dat na eeuwenlange ontwikkeling geworden. De Oranjes hebben een belangrijke rol gespeeld bij de wording van de Nederlandse natie. Ze waren toen geen koning, slechts stadhouder in dienst van de gewestelijke staten. Maar een koninklijk recht als gratie bezaten de stadhouders wel. Maurits weigerde er gebruik van te maken bij de ter dood veroordeling van Oldenbarnevelt. De stadhouders gingen meer en meer huwen met personen uit regerende vorstenhuizen. Bovendien werd het stadhouderschap erfelijk en was er na 1747 één stadhouder in alle gewesten.

Toen na 1813 het ´Napoleon-tijdperk´werd gevolgd door een periode van herstel van de oude vorstenhuizen en er weer een zelfstandig Nederland ontstond, kregen we een koning: Willem I.

Erfopvolging

Typerend voor de monarchie is de erfopvolging. De regels daarvoor zijn in de grondwet opgenomen. Als een koning zoons heeft volgt de oudste hem op. Als de oudste zoon overleden is dan volgen zijn kinderen op, waarbij de oudste opnieuw de eerste rechten heeft en zoons voorrang hebben boven dochters. Dit is de zogenaamde Castiliaanse successie (erfopvolging). Hiertegenover staat de Salische successie, waarbij de vrouwen volledig zijn uitgesloten. Op dit moment ligt er een voorstel om de grondwet op dit punt te wijzigen in die zin, dat het voor de erfopvolging er niet meer toe doet of het om een zoon of dochter gaat.

Alleen de nakomelingen van Willem II komen in aanmerking voor opvolging. Verder is bij een huwelijk toestemming van de Staten-Generaal nodig als een Oranje zijn of haar rechten op de troon wil handhaven. Prinses Irene zag van het vragen van die toestemming af in 1964 toen ze trouwde met Charles Hugues van Bourbon-Parma. Zij verspeelde daarmee voor zichzelf en haar kinderen het recht van troonopvolging.

Als een koning nog geen 18 jaar is - een koning wordt op achttienjarige leeftijd meerderjarig - moet er een regent worden benoemd. Deze regent wordt aangewezen bij een wet, die door de Staten-Generaal in een verenigde vergadering moet worden aanvaard. In de periode waarin nog geen regent is benoemd, wordt het koninklijk gezag waargenomen door de Raad van State.

Als een koning overlijdt of, zoals koningin Juliana, afstand doet van de troon (abdicatie), gaat de koninklijke waardigheid onmiddellijk over op zijn opvolger of opvolgster. Daarna wordt de nieuwe vorst plechtig beëdigd en ingehuldigd in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal in Amsterdam. In deze vergadering legt de koning(in) de eed op de grondwet af.

Problemen

De kwestie monarchie of republiek speelt in de Nederlandse politiek na 1945 geen enkele rol meer. Toch waait er rond Soestdijk soms wat stof op wanneer leden van het Koninklijk Huis hun boekje te buiten gaan. Voor sommige orthodox-protestanten ging prinses Irene haar boekje te buiten door rooms-katholiek te worden. Die affaire maakte weer eens duidelijk dat het privé-leven van een vorstelijk persoon niet al te vrij is. Deze vrijheid is toch al een problematische zaak, omdat ook de daden van de leden van het Koninklijk Huis onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen.

Prins Bernhard heeft ook voor de nodige opschudding gezorgd. In 1971 sprak hij enigszins schamper over het functioneren van het parlement. Daarvoor werd hij door de minister-president op de vingers getikt. In 1976 werd zijn naam genoemd in verband met steekpenningen van de Amerikaanse vliegtuigfabriek Lockheed. De regering stelde toen een speciale commissie van onderzoek in. Het rapport van deze commissie (de ´Commissie van Drie´) was weinig vleiend voor de prins. De commissie kwam tot de conclusie dat´Z.K.H., in de overtuiging dat zijn positie onaantastbaar en zijn oordeel niet te beïnvloeden was, zich aanvankelijk veel te lichtvaardig heeft begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten. Vervolgens heeft hij zich toegankelijk getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen. Tenslotte heeft hij zich laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren en die hemzelf en het Nederlandse aanschaffingsbeleid bij Lockheed - en, zo moet er thans aan worden toegevoegd, ook bij anderen - in een bedenkelijk daglicht moesten stellen.´ Naar: Rapport van de Commissie van Drie, Staatsuitgeverij,´s-Gravenhage 1976.

De regering sloot zich aan bij de conclusie van de commissie. Prins Bernhard moest een aantal openbare functies neerleggen. De regering ging niet over tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Met de affaire­Lockheed werd de vraag weer actueel in hoeverre de handelingen van leden van het Koninklijk Huis gecontroleerd kunnen en moeten worden. Wanneer een lid van het Koninklijk Huis iets doet dat het belang van de staat raakt, dan valt dit onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Maar waar liggen de grenzen van toelaatbaar en ontoelaatbaar optreden?

Het contact tussen de koningin en de ministers loopt in overwegende mate over de minister-president. De koningin spreekt de minister-president eenmaal per week en de overige ministers niet meer dan eenmaal per twee à drie maanden. Elke maandag ontmoeten de koningin en de minister-president elkaar op Huis ten Bosch aan de Bezuidenhoutseweg in Den Haag. In die regelmatige vorm bestaat het contact nog maar tien jaar. Het is onder het kabinet De Jong een vast contact geworden, als resultaat van een scherpere grensafbakening van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het handelen van de koningin. De bedoeling is communicatiestoornissen tussen ´Soestdijk´ en ´Den Haag´, die onder de kabinetten Marijnen en Cals tot officiële verlegenheid en politieke moeilijkheden hebben geleid, te voorkomen en een vloeiend contact tussen het staatshoofd en het kabinet te waarborgen.

De wekelijkse bespreking op Huis ten Bosch wordt niet aan de hand van een agenda gevoerd. De gesprekken gaan vooral over lopende zaken, maar ook over de dingen van de dag. Uit het tijdstip van het contact, op de eerste dag van de week, valt af te leiden dat het de koningin de gelegenheid biedt, zich te laten inlichten over het wekelijkse kabinetsberaad van de voorgaande vrijdag, waarvan zij bok de notulen ontvangt.

De plaats van de bijeenkomst - in Den Haag en niet op paleis Soestdijk - accentueert het zakelijke karakter van het contact tussen de koningin en de minister-president, en de franjeloze rol van koningin Juliana in het kroonverkeer. De koningin ontvangt de minister-president niet op Soestdijk in audiëntie, maar zij zoekt hem op in Den Haag. Zij heeft die plaats zelf voorgesteld om daarmee haar respect voor het kabinet tot uitdrukking te brengen en, volgens een bron in de buurt van de koningin, om de werkelijkheid van de constitutionele verhoudingen zo zuiver mogelijk weer te geven. De wekelijkse gesprekken met de minister-president zijn gesprekken onder vier ogen. Secretarissen en notulisten zijn daar niet bij aanwezig. De minister-president brengt van zijn wekelijkse bespreking op Huis ten Bosch geen verslag uit in de ministerraad.

Dr. De Quay heeft enkele jaren geleden voor de televisie zijn ervaring als premier nog algemener samengevat. De koningin, zo zei hij, is over het algemeen zeer goed van allerlei regeringszaken op de hoogte en zij ´aarzelt niet daarover haar eigen oordeel te geven´. Als de koningin bedenkingen oppert, een andere oplossing suggereert, dan zal elke minister daaraan ernstig aandacht schenken, aldus dr. Drees. Tijdens de regering van koningin Wilhelmina waren ministers meer gevoelig voor koninklijke bedenkingen dan ministers uit deze tijd. Tegen het einde van de jaren dertig, toen de papieren van koningin Wilhelmina in de publieke opinie sterk gestegen waren, was de zeggenschap van de koningin in de vorming van het regeringsbeleid groter dan zij voordien en nadien - ´Londe´buiten beschouwing gelaten - is geweest. Uit wat Marchant daarover heeft meegedeeld krijgt men de indruk dat koningin Wilhelmina voor de oorlog de ministers nogal op de vingers keek en voortdurend over hun schouder meelas. ´De minister, die zijn maatregelen en zijn voordrachten voorbereidt, denkt daarbij aan zijn verantwoordelijkheid tegenover de Staten-Generaal maar hij denkt ook wel degelijk aan de macht, die hem benoemd heeft en naar welgevallen kan ontslaan´.

Die beduchtheid voor wat-de-koningin-ervan-zal-zeggen is kenmerkend voor de vooroorlogse verhoudingen binnen de Kroon, waarin de koningin een zeker psychologisch overwicht had. In moderne constitutionele verhoudingen, waarin het zwaartepunt van de zeggenschap in overwegende mate van het staatshoofd naar het kabinet is verplaatst, zal geen minister meer toegeven aan beduchtheid, omdat hij niet verantwoordelijk is tegenover ´de macht die hem heeft benoemd´, maar tegenover het parlement.Naar: H. A. van Wijnen, Van de macht des Konings, Amsterdam, 1975. (Contact)

De volksvertegenwoordiging

De Nederlandse volksvertegenwoordiging bestaat uit de Eerste Kamer ende Tweede Kamer (samen Staten-Generaal geheten). Van deze is de Tweede Kamer de belangrijkste; ze telt 150 leden, die rechtstreeks door de bevolking gekozen worden. De Eerste Kamer telt 75 leden, die gekozen worden door de Provinciale Staten, die op hun beurt gekozen zijn door de bevolking. Wie mogen kiezen? In principe heeft iedere Nederlander (die in Nederland woont) vanaf zijn 1 8e jaar het actief kiesrecht. Wie mogen gekozen worden? Iedere Nederlander heeft vanaf zijn 25e jaar het passief kiesrecht. In bepaalde gevallen, zoals krankzinnigheid, is men van het kiesrecht uitgesloten.Voor de verkiezing van de Tweede Kamer is ons land verdeeld in18 kieskringen. De politieke partijen kunnen in alle of in een beperkt aantal kieskringen kandidaten stellen. Politieke partijen die nog geen vertegenwoordiger in de Tweede Kamer hebben, moeten in elke kieskring waar ze mee willen doen een waarborgsom van f 1000,- betalen. Dit geld krijgen ze terug als ze drievierde van de kiesdeler halen.  De grote partijen stellen kandidaten in alle kieskringen. Meestal zijn de namen bovenaan de lijsten dezelfde. Lager op de lijsten staan de namen van kandidaten uit de betreffende kieskring.

Districtenstelsel en evenredige vertegenwoordiging.

Sinds 1917 heeft Nederland het kiesstelsel van de evenredige vertegenwoordiging. Daarvóór kenden we het districtenstelsel. De evenredige vertegenwoordiging werkt als volgt: men telt het aantal geldig uitgebrachte stemmen in alle 18 kieskringen bij elkaar op en deelt dat door het aantal kamerzetels. De uitkomst van de deelsom heet kiesdeler en elke partij krijgt zoveel zetels als de keren dat ze de kiesdeler heeft gehaald.

Wanneer er bv. 6.000.000 geldige stemmen zijn uitgebracht, dan is de kiesdeler: 6.000.000 gedeeld door 150 = 40.000 

In Nederland is de laatste jaren ook gepleit voor een herinvoering van een vorm van het districtenstelsel. Dat stelsel heeft z´n voordelen:

a) de band kiezer-gekozene wordt sterker, want de kiezer kent de kandidaten. Ze dingen immers in het district van de kiezer naar diens gunsten en ze zullen opkomen voor de belangen van hun district. De politiek zal daardoor meer in de belangstelling komen, meer gaan léven voor de mensen en dat is van het grootste belang voor een democratie;b.het aantal politieke partijen zal verminderen, want kleinere partijen hebben met dit systeem geen kans. Daardoor wordt de politiek minder ondoorzichtig voor de kiezer, die al die partijen toch niet uit elkaar kan houden.De tegenstanders van het districtenstelsel zeggen:a. het districtenstelsel kan een onjuist beeld geven van wat de kiezers willen. De minderheid kan immers winnen van de meerderheid;

b) kleine partijen hebben bestaansrecht. Wanneer er voldoende mensen zijn die zo´n partij een zetel bezorgen, dan is het democratisch om de wens van die kiezers te respecteren;

c) door het districtenstelsel wordt de kans groter dat afgevaardigden de belangen van hun district boven het landsbelang stellen. Het gaat hen immers vooral om de belangen van hun kiezers. Als de volksvertegenwoordigers niet voldoende opkomen voor hun district, dan worden ze wellicht de volgende keer niet gekozen;

d) met de indeling van de districten kan gemanipuleerd worden ten voordele of ten nadele van bepaalde partijen.Het is uiteraard ook mogelijk om tot een combinatie van districtenstelsel en evenredige vertegenwoordiging te komen.

Kamerlid in plaats van kandidaat

Als de uitslag van de verkiezingen bekend is, vraagt het Centraal Stembureau of een kandidaat zijn verkiezing tot kamerlid accepteert. Lid van de Tweede Kamer ben je dan nog niet. Een commissie van de Tweede Kamer, de Commissie voor de geloofsbrieven, moet dan eerst nog de geloofsbrieven van de kandidaat onderzoeken. Deze geloofsbrieven bestaan uit:a.een mededeling van het Centraal Stembureau dat iemand is gekozen;b.een brief van de gekozene dat hij zijn verkiezing aanvaardt.De commissie onderzoekt ook nog een aantal andere zaken, met name of de gekozene geen functie heeft die onverenigbaar is met het kamerlidmaatschap. Dit lidmaatschap is bv. onverenigbaar met het lidmaatschap van de Raad van State (het hoogste adviesorgaan van de regering), de Hoge Raad (het hoogste orgaan van rechterlijke macht) of de Rekenkamer (die de regeringsuitgaven controleert).

Is dit allemaal in orde dan moet het nieuwe lid nog een eed afleggen of een belofte doen. De tekst hiervan luidt: ´Ik zweer (of verklaar), dat ik, om tot lid der Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, enige giften of gaven beloofd of gegeven heb´. ´Ik zweer (of beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten van niemand hoegenaamd enige belofte of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk´.´Ik zweer (of beloof) getrouwheid aan de Grondwet.´´Ik zweer (of beloof) trouw aan de Koningin en aan de Statuut voor het Koninkrijk.´ Na de beëdiging is het kamerlidmaatschap een feit.

Werkwijze

De Tweede Kamer vergadert meestal drie dagen in de week, en wel op dinsdag, woensdag en donderdag. De Eerste Kamer slechts een keer in de week, op dinsdag. Als de kamerleden op het Binnenhof arriveren, tekenen ze eerst de presentielijst. Alleen op deze manier kan bv. de voorzitter van de Tweede Kamer controleren of er voldoende kamerleden aanwezig zijn. De Grondwet bepaalt nl. dat een vergadering alleen maar door kan gaan als de helft plus een van het totaal aantal kamerleden aanwezig is. Dit minimum wordt ook wel het quorum genoemd. Als de voorzitter heeft geconstateerd dat een voldoend aantal leden aanwezig is, kan hij de vergadering openen. Wat mag en niet mag in de Kamer, bepalen de kamerleden zelf..In het Reglement van Orde, van tijd tot tijd weer bijgewerkt en aangepast, staan de belangrijkste spelregels.

De kamerleden vergaderen met z´n allen (een plenaire vergadering) of in groepjes (commissie).

Ook kent de Tweede Kamer vaste commissies. Voor elk departement bestaat er zo´n vaste commissie die zich bezighoudt met de voorstellen en ontwerpen en met het beleid van het ministerie. Komt de minister van verkeer en waterstaat met een nieuw wetsontwerp, dan wordt dat eerst in de vaste commissie van verkeer en waterstaat besproken. Dit systeem van vaste commissies heeft voordelen. Tussen regering en Kamer is zo al vroegtijdig een goed overleg mogelijk en kunnen scherpe kantjes van voorstellen worden afgeslepen voordat de Kamer zich over de kwestie buigt. Bovendien kan men al te specialistische zaken in de commissievergadering afhandelen, zodat men bij de behandeling in de Kamer zich wat meer met de grote lijnen kan bezighouden. Ook de betrokkenheid van de kiezer kan worden vergroot, omdat commissies soms belangstellenden en deskundigen uitnodigen om hun opvattingen kenbaar te maken. Een commissie houdt dan een hoorzitting. In het algemeen zijn de commissie­vergaderingen, net als de plenaire zittingen, openbaar.

Twee belangrijke mensen in de kamer zijn de voorzitter en de griffier. De voorzitter wordt meestal gekozen uit de grootste fractie in de Tweede Kamer. (Officieel wordt hij benoemd door de koningin.) De griffier is geen lid van de Kamer, maar een ambtenaar. Hij is een belangrijk adviseur van de voorzitter en geeft leiding aan de ambtenaren die voor de kamer werken.

Sterk op de voorgrond treden ook de fractievoorzitters van de grote politieke partijen. De kamerleden die lid zijn van dezelfde politieke partij vormen een fractie. In deze fracties wordt overleg gepleegd over de standpunten die men bij het werk in het parlement zal innemen. Weliswaar heeft elke partij een partij- en verkiezingsprogramma, waarin vrij uitvoerig staat omschreven wat de partij wil, maar in de praktische politiek komen steeds weer nieuwe kwesties naar voren. Bovendien dwingt ook de samenwerking met andere partijen vaak tot een afwijking van het partijprogramma, tot het sluiten van een compromis.

Functies van het parlement

De twee belangrijke taken waarvoor de volksvertegenwoordiging zich gesteld ziet zijn a) een wetgevende en b) een controlerende. Samen met koningin en kabinet (= de Kroon) werkt het parlement aan de totstandkoming van wetten mee. En elke minister is voor zijn beleid verantwoording verschuldigd aan de Eerste en Tweede Kamer.

Welke rechten heeft een kamerlid nu om zijn wetgevende en controlerende taak uit te oefenen?

Voor een lid van de Tweede Kamer zijn dat de rechten van initiatief, amendement, interpellatie, begroting en enquête. Een lid van de Eerste Kamer mist de rechten van initiatief en amendement.

Recht van initiatief

Een kamerlid kan zelf een wetsvoorstel indienen. Al gebeurt dat niet vaak, het is van belang dat de Tweede Kamer niet hoeft af te wachten tot een minister met een wet op de proppen komt. Het komt niet vaak voor omdat het voorbereiden van een wetsvoorstel een specialistische en tijdrovende zaak is, waarbij een kamerlid niet de hulp kan inroepen van een groot aantal deskundige ambtenaren. Maar soms nemen kamerleden het initiatief voor een wet, zoals Van Houten deed met zijn kinderwet van 1874. Daarin werd een verbod op kinderarbeid vastgelegd.

Recht van amendement

Door middel van dit recht kunnen leden van de Tweede Kamer wijzigingen aanbrengen in wetsvoorstellen. Van dit recht wordt veel gebruik gemaakt. Op de zogenaamde mammoetwet die onderwijsminister Cals in 1963 indiende, reageerde de Tweede Kamer met 117 amendementen. Het indienen van een amendement betekent overigens niet dat het betreffende wetsvoorstel gewijzigd wordt. De Kamer beslist of een amendement al dan niet gewenst is en daarbij speelt een belangrijke rol wat de betrokken minister van het voorstel vindt.

Recht van interpellatie

Elke parlementariër kan een minister of zelfs het hele kabinet ter verantwoording roepen. Wel moet een aanvraag voor interpellatie door de Kamer worden goedgekeurd, maar dat gebeurt in principe altijd. De betrokken minister(s) is (zijn) verplicht de interpellant antwoord te geven op diens vragen. Door dit recht van interpellatie kan elke minister dus op korte termijn door de volksvertegenwoordiging aan de tand gevoeld worden.

Recht van begroting of budgetrecht

Jaarlijks worden direct na de opening van de Staten-Generaal op de derde dinsdag in september (Prinsjesdag) door de ministers voorstellen ingediend om hen te machtigen een bepaald bedrag uit te geven. Deze zgn. begrotingen moeten bij wet worden vastgesteld, zodat het parlement ze moet goedkeuren. Dit recht van het parlement heet het recht van begroting of budgetrecht. De minister van financiën stelt het totaalbedrag van de begroting vast. In de toelichting op zijn voorstel, de zgn. miljoenennota, staat naast een raming van de rijksuitgaven ook een raming van de staatsinkomsten en vooral ook een overzicht van het gehele te voeren beleid. Deze minister geeft de andere ministers aan hoeveel zij mogen begroten. Bij onenigheid hierover beslist de ministerraad.

De controle op de uitgaven gebeurt door de Algemene Rekenkamer, een onafhankelijk lichaam.

Recht van enquête

Wanneer het parlement het nodig vindt om een onderzoek te verrichten in een bepaalde kwestie dan kan dat via een enquêtecommissie. Deze krijgt speciale bevoegdheden: zij kan mensen voor een verhoor oproepen en dezen zijn verplicht te verschijnen en onder ede hun verklaring af te leggen. Ministers kunnen zich met een beroep op het landsbelang onttrekken aan het geven van antwoorden. Zij hoeven ook niet voor de commissie te verschijnen. Maar het is duidelijk dat een minister niet gauw zal weigeren om de vragen van een enquêtecommissie te beantwoorden. Zijn politieke image is niet gebaat bij het zich onttrekken aan een onderzoek. Temeer omdat er alleen in speciale gevallen een officiële enquête wordt ingesteld. Na de tweede wereldoorlog is een parlementaire enquête gehouden naar het beleid van de Nederlandse regering in Londen tijdens de oorlogsjaren en naar de gebeurtenissen in verband met de Duitse bezetting.

De leden van het Nederlandse parlement hebben nog andere rechten en mogelijkheden om hun functie uitte oefenen. In plaats van het recht op interpellatie komt nogal eens het vragenrecht. Zonder toestemming van de Kamer stelt dan een volksvertegenwoordiger vragen aan een minister. Daarvoor is een apart vragenuurtje ingesteld op één middag in de week. De minister hoeft niet te antwoorden, maar zal dat bijna altijd wel doen. Ook worden (veel) schriftelijke vragen gesteld. Op deze schriftelijke vragen moet de minister binnen drie weken antwoorden.

Verder kan de Kamer haar oordeel over het beleid van een minister of het kabinet laten blijken door een motie. In een motie legt de Kamer vast wat zij verkeerd vindt of wat zij wenselijk acht. De meeste moties worden ingediend door de oppositiepartijen en meestal niet door een meerderheid in de Kamer gesteund. Belangrijk is de opstelling van een minister tegenover een motie. Wanneer hij bv. wordt uitgenodigd te bezuinigen dan kan hij politiek hoog spel spelen door te zeggen dat hij uit de aanvaarding van de motie de ´consequenties zal trekken´. Dat betekent dat hij gaat aftreden en vaak houdt dat een kabinetscrisis in. De Kamer moet dan afwegen of de gewenste bezuiniging een val van het kabinet waard is. Ook kan de minister zeggen dat hij de motie naast zich neer zal leggen. Dan is het opnieuw aan de Kamer om te beslissen of het beleid van de minister moet worden afgekeurd. Gebeurt dat, dan treedt de minister volgens goed gebruik af.

Onschendbaarheid

Voor alle leden van het parlement geldt dat zij niet vervolgd kunnen worden voor wat zij in de Kamer zeggen of schriftelijk óverleggen. Deze garantie om vrijuit je mening te verkondigen is in de grondwet vastgelegd. De parlementaire onschendbaarheid betekent niet dat kamerleden zich alles kunnen permitteren tijdens een zitting. De voorzitter van de Kamer kan ingrijpen als een lid zich naar zijn smaak onparlementair gedraagt door hem het woord te ontnemen of hem te schorsen.

De Eerste Kamer ter discussie

Het kan nogal lang duren voordat een wetsontwerp van kracht is. Een van de oorzaken hiervoor is ook de behandeling in tweede instantie door de Eerste Kamer. Eerst heeft de Tweede Kamer langdurig gespit in en rond een wetsontwerp en vervolgens begint het hele verhaal (zij het wat bekort) opnieuw in de Eerste Kamer. Daar de Eerste Kamer ongeveer dezelfde politieke samenstelling heeft als de Tweede Kamer lijkt de Eerste Kamer een overbodig instituut. Wel zet zij een enkele keer iets recht dat de Tweede Kamer fout zou hebben gedaan, maar het is de vraag of het nadeel van de vertraging niet groter is dan het voordeel van het waken tegen overhaasting. Al lang wordt het nut van de Eerste Kamer betwijfeld. Groen van Prinsterer noemde haar een mislukte kopie van een Engels model en Troelstra had al in 1918 de afschaffing van de Eerste Kamer in het wensenpakket opgenomen.

Als voordeel van de Eerste Kamer kan gelden dat hiervoor deskundige mensen kunnen worden aangetrokken, die hun baan er niet voor op hoeven te geven. Zij blijven meer ´normale burgers´ in plaats van ´beroepspolitici´ en staan daarom vaak wat vrijer tegenover hun politieke partijen. Ook noemt men het wel een voordeel dat wetten nog eens ´herzien´worden, waarbij de Eerste Kamer, omdat zij het recht van amendement mist, meer geneigd zou zijn de algemene gezichtspunten te beschouwen. Ook in rechtszaken komt er vaak een tweede instantie aan te pas en daar gaat het slechts zelden om zulke voor iedere burger van belang zijnde zaken.

Macht en onmacht van het parlement

Wie het voorafgaande gelezen heeft, krijgt wellicht de indruk dat in Nederland het parlement de democratische dienst uitmaakt. Het parlement immers bepaalt wat er wel of niet in de wet komt, wat er wel of niet wordt uitgegeven, controleert de regering en kan ieder moment een kabinet naar huis sturen. Kortom het lijkt erop alsof de Eerste en Tweede Kamer de hoogste macht bezitten. En dat zou dan ook erg democratisch zijn, want beide worden door het volk gekozen en dus heeft het volk uiteindelijk de hoogste macht. De praktijk leert echter anders, en het lijkt er sterk op dat het parlement allerminst de politieke gang van zaken beheerst. Toen in de grondwet van 1848 werd vastgelegd dat de ministers verantwoording voor hun beleid verschuldigd waren aan de volksvertegenwoordiging, was dat de eerste grote stap op weg naar een parlementaire democratie. En toen in de jaren 1866-1868 de Tweede Kamer in conflict raakte met een kabinet dat niet wilde aftreden en in die houding door koning Willem III gesteund werd, kwam de parlementaire democratie opnieuw een stap dichterbij. De Kamer won de slag: koning en kabinet weken voor de wil van de parlementariërs.

Met de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 begon een bloeitijd voor het parlementaire stelsel. Het centrum van de politieke macht lag in de jaren daarna inderdaad bij de Staten-Generaal. Al was het niet zo dat het parlement volstrekt overheerste.

Waarom wordt er dan tegenwoordig zo getwijfeld aan macht en invloed van de volksvertegenwoordiging?

Er zijn diverse oorzaken. Laten we eerst de wetgevend é macht van het parlement onder de loep nemen. Als een wetsontwerp naar de Kamer wordt gestuurd hebben ambtenaren op het departement daaraan lang gesleuteld. Ze zijn in het algemeen veel meer ingewerkt in het wetsontwerp dan de parlementsleden en ze beschikken over veel meer tijd die ze er aan kunnen besteden en over veel meer mankracht. Onze maatschappij wordt steeds ingewikkelder en ga je als kamerlid maar eens verdiepen in één bepaalde kwestie. Of het nu over abortus gaat, het visserijbeleid, kernenergie of woningbouw, je vindt altijd een ministerie ´tegenover´ je datje in kennis van zaken verre overtreft. Dat geldt trouwens ook voor ministers ten opzichte van hun ambtenaren.

En dan hebben we het alleen nog maar over wetten die met behulp van de Staten-Generaal worden gemaakt en niet over de wetgeving buiten de kamers om. Wat is namelijk het geval? Wanneer de grondwet een regeling van de een of andere kwestie eist door middel van een wet, dan moet dat echt gebeuren door de wetgevende macht. Veel wetten geven echter voor een groot deel alleen maar de hoofdlijnen aan, het kader waarbinnen nadere regelingen moeten worden getroffen. Deze regelingen moeten dan door de uitvoerende macht, de betrokken ministers, worden gemaakt. Dit kan ook moeilijk anders, want het is onmogelijk om bij elke gewenste verandering een nieuwe wette maken.

Het gevaar bestaat nu dat de minister wetten door de Kamers probeert te krijgen die ´vaag´ zijn en die hem het recht geven het verder zelf te regelen bij zgn. Algemene Maatregel van Bestuur (A.M.v.B.). Een A.M.v.B. is een Koninklijk Besluit en wel een algemeen werkend K.B. Een minister kan overigens niet zomaar een A.M.v.B. nemen. Hij is verplicht over elke A.M.v.B. advies te vragen aan de Raad van State. Het parlement zal moeten oppassen dat een minister zo niet te veel macht naar zich toetrekt, wat door de doorgaans zeer ingewikkelde materie vaak gebeurt.

In sommige minder belangrijke gevallen kan een minister zelfs zo´n A.M.v.B. maken zonder dat een formele wet daartoe de bevoegdheid heeft gegeven. De Kamers kunnen natuurlijk de betrokken minister wel achteraf ter verantwoording roepen, maar het is duidelijk dat ze op het gebied van deze toch algemene (voor elke burger geldende) regelingen, die de kracht van een wet hebben, niet de eerste viool spelen.

Verder is er nog de rechterlijke macht. Wanneer namelijk een burger denkt dat hij geschaad wordt door een A.M.v.B. die in strijd is met een formele wet, zal de rechter de A.M.v.B. niet van toepassing kunnen verklaren. Er is namelijk een volgorde van wetgeving. Wanneer een lagere regeling in strijd is met een hogere, dan is de lagere regeling ongeldig.. De hoogste regeling ishet verdrag, daarna komt de grondwet, de wet in formele zin, daarna de A.M.v.B. en daarna de op een wet berustende regelingen van bijvoorbeeld provincies, gemeenten e.d. Een uitzondering van dit toetsen van de rechter van een lagere regeling aan een hogere is dat als de formele wet in strijd is met de grondwet, toch de wet geldt. In de grondwet staat namelijk dat de wetten onschendbaar zijn, anders zou de rechter ook te veel op de stoel van de koning en de Staten-Generaal kunnen gaan zitten (zie de paragraaf over Grondwet en wet).

Met de controlerende taak van een parlementslid is het al niet veel beter gesteld. Want even aangenomen dat een parlementariër alle noodzakelijke informatie krijgt, dan nóg is hij niet in staat die te verwerken.

Parlementsleden worden bedolven onder de paperassen.

Controleer een minister maar eventjes als hij je in dikke nota´s voorrekent hoeveel een afsluitende dam in de Oosterschelde kost en op hoeveel een doorlaatbare dam komt. Ga maar eens na waarom het ene gevechtsvliegtuig dat de luchtmacht wil aanschaffen beter is dan het andere. Wel maken kamerleden gebruik van wetenschappelijke instituten- zo hebben bv. de P.v.d.A. en de V.V.D. eigen instituten, de Wiardi Beckmanstichting en de Teldersstichting - maar die kunnen bij lange na niet tegen ministeries op. Er wordt dan ook wel voor gepleit om elke kamerfractie te voorzien van een staf van deskundigen. Dan zou de wetgevende en controlerende taak van het parlement beter kunnen functioneren. Er is meer waardoor de invloed van het parlement verkleind wordt. Trouwens ook die van de regering. Want hoe sterk is de greep van regering en volksvertegenwoordigers op het bedrijfsleven? Wat doe je eraan wanneer je bepaalde maatregelen (belasting op winsten, medezeggenschap van werknemers) door wilt voeren en het bedrijfsleven pikt dat niet en gaat in het buitenland investeren? Wat doe je eraan wanneer de vakbonden weigeren om hun looneisen te matigen en met acties dreigen? Nu rennen in Nederland de grote ondernemers niet bij bosjes weg en gooien de arbeiders niet gauw het werk er bij neer, maar met beider belangen dient een parlement rekening tehouden. Het lijkt erop alsof die buitenparlementaire machten en acties steeds sterker worden. Meer dan ooit is het Binnenhof het toneel van demonstraties. Meer dan ooit zegt een groep: als regering en parlement niet doen wat wij willen, dan gaan wij tot daden over. Waarmee we ook willen aanstippen dat publiciteitsmedia grote invloed kunnen hebben op de besluitvorming. Wie zou zich om iets druk maken, als televisie, radio en kranten de zaak doodzwegen? Conclusie: de macht van het parlement (en nogmaals dit geldt gedeeltelijk ook voor de regering) is in de praktijk veel geringer dan op papier. Al moet men die macht ook weer niet -onderschatten.

Het kabinet

De uitvoerende macht berust volgens de grondwet bij de koning, maar in werkelijkheid bij het kabinet. Volgens art. 55 van de grondwet is de koning immers onschendbaar en zijn de ministers verantwoordelijk.

Hoe komt een kabinet tot stand? Wanneer er een nieuw kabinet moet komen, dan raadpleegt de koningin de vice-voorzitter van de Raad van State, de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer en de fractieleiders uit de Tweede Kamer. Ziet het ernaar uit dat het erg moeilijk is om een regeringsteam bijeen te krijgen dan benoemt de koningin soms een informateur. Deze polst partijen en personen en als hij slaagt, kan de koningin een formateur benoemen die (bijna altijd) ook minister-president wordt. Over dat formeren van een kabinet is de laatste jaren nogal wat te doen. Het is duidelijk dat de koningin nogal wat invloed heeft. Hoeveel en op welke manier onttrekt zich voor een deel aan de waarneming. In de Nederlandse politiek sprak men tot voor kort dan ook wel over ´het geheim van Soestdijk´. Dit lijkt, nu de adviezen van de verschillende fractievoorzitters openbaar zijn, wat overdreven.

Sommige partijen willen de invloed van de vorst verder terugdringen. Zo zijn er voorstellen om het parlement direct na de verkiezingen de formateur te laten aanwijzen of om de koningin door het parlement een lijstje voor te laten leggen van gewenste formateurs. Ook zou men de kiezer de formateur direct kunnen laten aanwijzen, al doet hij dat min of meer toch al bij het uitbrengen van zijn stem.

Soorten kabinetten

In Nederland kan een kabinet alleen maar regeren als de Staten-Generaal zijn vertrouwen geeft aan een kabinet. Met andere woorden, ieder kabinet moet ´gedoogd worden.

Bij een parlementair kabinet zijn afspraken gemaakt met de meerderheid in de Kamer. Deze afspraken zijn vastgelegd in een regeerakkoord. We spreken van een extra-parlementair kabinet als de kamermeerderheid geen regeerakkoord kan of wil afsluiten, maar het kabinet in principe wel wil steunen. Deze toezegging heeft het kabinet, maar verder wordt het ´op zijn daden beoordeeld´.

Een minderheidskabinet heeft een uiterst zwakke positie. Zo´n kabinet kan rekenen op de steun van een minderheid in de Kamer. Bij elke belangrijke stemming moet een minderheidskabinet proberen voldoende steun te krijgen om zo´n stemming te overleven. Dit betekent in de praktijk dan de steun van die partij, dan weer van een andere partij. Steeds dreigt echter het gevaar dat dit zoeken van een meerderheid mislukt.

Als een kabinet aftreedt of ten val wordt gebracht, krijgt het van de koningin het verzoek aan te blijven om de lopende zaken te regelen. Een kabinet dat de lopende zaken regelt tussen zijn aftreden en de installatie van een nieuw kabinet, noemen we een demissionair kabinet.

Aftreden van een kabinet

Een kabinet vraagt ontslag bij a) verkiezingen (dus elke vier jaar), b) interne verdeeldheid en c) een conflict met de Staten-Generaal. Het ontslag wordt pas officieel aanvaard als er een nieuwe ministerraad is. Tot die tijd behandelt het oude kabinet de lopende zaken. (Het kabinet is demissionair.) De gemiddelde kabinetsduur na 1945 is in Nederland ruim twee jaar. Dat wijst er wel op dat nogal eens een kabinet ten val komt. Zo is het kabinet Biesheuvel afgetreden na onderling gekrakeel, het kabinet Cals moest in 1966 naar huis omdat de Tweede Kamer zijn afkeuring had laten blijken over het financiële beleid en het kabinet Den Uyl bezweek in 1977 aan onderlinge verdeeldheid.

De macht van het kabinet

De macht en invloed van een ministerraad zijn zeer groot. Het kabinet is de plaats waar nieuwe wetsontwerpen op tafel komen, waar het beleid wordt uitgestippeld. De ministers beschikken over een groot en deskundig ambtenarenapparaat waartegen het parlement niet op kan. Een minister kan ook via een A.M.v.B. buiten de volksvertegenwoordiging om, wettelijke maatregelen nemen. En ook al dreigt een Tweede Kamer wel eens, zo gauw stuurt men een kabinet nu ook weer niet naar huis. Meestal heeft een minister meer succes als hij met zijn portefeuille rammelt. De Kamer slikt nogal eens wat en gaat door de knieën uit vrees voor een kabinetscrisis. Maar ook al moet een ministersploeg weg, dan nog heeft het volgende team dezelfde middelen om het parlement te overheersen. Al heeft een minister macht, evenals zijn staatssecretaris, de bewindslieden zijn sterk afhankelijk van hun ambtenarenkorps. Men spreekt wel van de vierde macht, daarmee de ambtenaren bedoelende. Een minister ontvangt per jaar zo´n 200.000 geschriften. Die kan hij onmogelijk allemaal zelf lezen. Dat doen zijn ambtenaren voor hem zoals ze hem ook steeds van advies dienen en kwesties voor hem uitdiepen. Uiteraard neemt de minister de eindbeslissing in belangrijke zaken, maar hij zal daarbij dikwijls afgaan op wat zijn assistenten hem hebben geadviseerd.

Een enkel cijfer ter illustrering van de groei van het ambtelijk apparaat: in 1900 was onderwijs geen apart ministerie. Op binnenlandse zaken waren 12 mensen belast met onderwijszaken. In 1970 had het ministerie van onderwijs en wetenschappen 23.734 werknemers. Verkeer en waterstaat was in 1.900 toevertrouwd aan 9 ambtenaren, in 1970 waren dat er 14.127. En dan hebben we het hier alleen nog maar gehad over de invloed van de departementale ambtenaren. Op lager bestuursniveau zien we dezelfde ontwikkeling van een vierde macht.

Andere´ ministers

Behalve de ministers die leiding geven aan een departement kent ons land nog enkele ´andere´ministers.

Het meest bekend zijn de staatssecretarissen. Populair geformuleerd zou je een staatssecretaris kunnen omschrijven als een onderminister. Intern (binnen een departement) is hij ondergeschikt aan de minister. Extern (naar buiten toe) is hij wel verantwoordelijk t.a.v. de volksvertegenwoordiging. Minder bekend, maar na 1945 toch een aantal keren voorgekomen, is de minister zonder portefeuille. Deze minister staat niet aan het hoofd van een departement, maar maakt wel deel uit van de ministerraad. Zo´n minister wordt soms benoemd om een bepaald politiek evenwicht in het kabinet tebereiken of omdat een departement te zwaar is voor één man en men het departement toch niet wil splitsen.

De gevolmachtigd minister is de vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen. Hij neemt deel aan de beraadslagingen van het kabinet als er zaken behandeld worden die én de Antillen én Nederland aangaan.

Ten slotte kennen we in Nederland nog de titel van minister van staat. Dit is een eretitel die slechts zelden wordt verleend. Dr. W. Drees, vele jaren minister-president van ons land, is minister van staat.

De politieke partijen

Vele van de huidige politieke partijen zijn ontstaan in de negentiende eeuw. We kunnen drie hoofdstromingen onderscheiden.

bond vrije liberalen

De liberalen waren in de negentiende eeuw de voorvechters van de persoonlijke vrijheid. Zij telden vele aanhangers onder de (gegoede) burgerij en streefden naar zoveel mogelijke vrijheid op particulier en economisch terrein. Daarmee waren de liberalen vooruitstrevend en werden ze bouwers van een parlementair systeem, van een grondwet en grondrechten. Tegen het einde van de negentiende eeuw liep de macht van de liberalen achteruit. De uitbreiding van het kiesrecht, de opkomst van de confessionele en socialistische partijen, de uitwassen van het kapitalistische systeem en onderlinge verdeeldheid waren daar debet aan. Na de tweede wereldoorlog is de invloed van de liberalen na een aarzelend begin aanzienlijk gegroeid. De V.V.D. kreeg onder de jonge lijsttrekker Wiegel de wind in de zeilen. Een teken wellicht dat individuele vrijheid de kiezer aanspreekt.

De confessionelen hebben hun politieke geboorte te danken aan de schoolstrijd. De kleine luyden van Abraham Kuyper en de achtergestelde rooms-katholieken van Schaepman werden zich van hun eigen opvattingen ook politiek bewust. Tegen de liberale opvatting van volkssoevereiniteit werd krachtig stelling genomen door het onderstrepen van de Godssoevereiniteit. Niet bij het volk, maar bij God berust uiteindelijk de hoogste macht. De eigen godsdienstige kring werd zeer belangrijk en de verzuiling van het Nederlandse leven werd daarmee een feit. Al trad ook bij niet-confessionele partijen een soort verzuiling op. Op economisch gebied waren (en zijn) er in confessionele kring vele voorstanders van het corporatieve denken, van de samenwerking tussen werkgevers en werknemers. Door de afbrokkeling van de invloed van de kerken en daarmee van de zuilen komt er tegenwoordig een sterke drang naar voren om als confessionele partijen samen te werken. Ook al in de hand gewerkt door oecumenisch denken is er door K.V.P., A.R.P. en C.H.U. gesmeed aan een samenwerkingsverband: het C.D.A. (Christen Democratisch Appèl). Het C.D.A. nam voor het eerst in 1977 deel aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer.

sdap

De derde groep wordt gevormd door de socialisten. Onder Troelstra is de S,D A.P. een sterke partij geworden die streefde naar een afbraak van het kapitalisme en èen opbouw van een socialistische maatschappij. Tot 1939 zijn de socialisten buiten de regering gebleven - verdacht als ze waren bij de andere partijen. Door hun anti-kapitalisme en mede ook door hun anti-Oranjegezindheid. Maar na de oorlog gooide de P.v.d.A. het over een gematigder boeg. De hoop op een ´doorbraak´ in het verzuilde Nederland bleek aanvankelijk vergeefs. Lang zou de K.V.P. de grootste partij blijven. Pas in de jaren zeventig kon de P.v.d.A. zich in de grootste kiezersgunst verheugen. Vaak is de P.v.d.A. na 1945 regeringspartij geweest wat leidde tot compromissen die door een deel van de aanhang met moeite werden geslikt.

memo hfst 5 afb 11

De in het midden van de jaren zestig snel doorzettende ontzuiling heeft belangrijke gevolgen gehad. De confessionele partijen (vooral de grootste, de K.V.P.) kregen zware klappen. De katholieke vakbond ging zich ook al onafhankelijker van de K.V.P. opstellen en zou later gaan fuseren met het socialistische N.V.V., samen tegenwoordig F.N.V. geheten. Op politiek terrein verloren de confessionelen hun overheersende positie. Steeds was de K.V.P. lid van de regering geweest en bijna altijd de A.R.P. en de C.H.U. Door hun grote zetelaantal hadden ze ook grote invloed op het kabinetsbeleid. Nog steeds is er geen regering mogelijk zonder confessionele inbreng. Maar K.V.P. en A.R.P. moesten in het kabinet Den Uyl genoegen nemen met de rol van ´gedoger´. Met de samenwerking van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. in het C.D.A. hebben de confessionelen hun positie weer versterkt.

In het kabinet Van Agt, steunend op C.D.A. en V.V.D., heeft het C.D.A. een duidelijke meerderheid. De confessionelen hebben hun positie versterkt, maar de interne spanningen in het C.D.A. zijn groot. Deze spanningen worden vooral veroorzaakt door de A.R.P., die een meer principiële en minder pragmatische politiek wil van het C.D.A.

Polarisatie

memo hfst 5 afb 14

De polarisatie wordt in de hand gewerkt door de roep om meer duidelijkheid, de afbrokkeling van het confessionele blok en de achterdocht vooral bij de P.v.d.A. ten opzichte van de K.V.P. sinds de ´nacht van Schmelzer´ in 1966. De ene pool wordt gevormd door de P.v.d.A., de andere door de V.V.D. Met name de P.v.d.A. vindt dat je van tevoren aan de kiezer duidelijk moet maken wat je wilt en met wie je wel en niet wilt regeren. Bij de verkiezingen van 1972 kwam de P.v.d.A. met een regeerprogramma samen met D´66 en P.P.R. Maar omdat deze drie partijen niet over voldoende zetels in de Kamer beschikten, moest er water in de wijn worden gedaan en zijn K.V.P. en A.R.P. alsnog in de regeerploeg gehaald. Waarmee duidelijk werd dat het gemakkelijker is een stembusakkoord te sluiten dan zich er aan te houden. Tegenover het P.v.d.A.-blok staat de V.V.D. Deze partij stelt zich meestal vierkant tegenover de P.v.d.A. op en heeft daarmee succes bij de kiezers.

Maar de V.V.D. waste klein om zonder steun van anderen te regeren. Men moest met de confessionelen in zee, wilde de V.V.D. deel gaan uitmaken van een kabinet dat voldoende steun in het parlement zou vinden.

Kiezer - gekozene

Politieke partijen zijn belangrijk om drie redenen:

a) ze vertegenwoordigen de publieke opinie

b) ze komen op voor groepsbelangen

c) ze vormen een reservoir van politieke functionarissen.

Maar daar staat tegenover dat hooguit 10% van de Nederlandse kiezers lid is van een politieke partij. En daarvan is maar een klein gedeelte actief bij het partijgebeuren betrokken. Deze kleine kern die zich wel voor zijn partij wil inzetten, behoeft natuurlijk geen goede afspiegeling te vormen van de gemiddelde kiezer, zal wellicht wat radicaler zijn, maar heeft wel zeer veel invloed. Men spreekt in dit verband wel van de \\\\\\\'onttroonde kiezer\\\\\\\' Dit gebrek aan algemene politieke interesse bij de doorsnee kiezer doet het functioneren van onze democratie geen goed.

Links en rechts

De termen links en rechts zijn in Nederland wat minder gemakkelijk te gebruiken als in sommige andere Westeuropese landen. H 

In Nederland werd aanvankelijk onder rechts verstaan: confessioneel en onder links: niet-confessioneel. Later is dat veranderd en werd rechts synoniem voor behoudend én links voor vooruitstrevend. De indeling in links en rechts wordt nog altijd gehanteerd, maar duidelijkheid verschaft die niet. Want wat is dan wel vooruitstrevend en wat behoudend? Dé grote geschilpunten tussen links en rechts in Nederland liggen vooral op sociaal-economisch terrein. Links is voor een verdere regelende functie van de overheid, voor de uitbouw van sociale wetten, voor een democratisering van het bedrijfsleven. Rechts legt de nadruk meer op de particuliere besteding, vindt dat de overheid al genoeg regelt en acht de uitbouw van sociale voorzieningen een onhaalbare zaak. Democratisering van het bedrijfsleven is in ogen van rechtse mensen een idealistisch streven dat ver van de haalbare praktijk af ligt.

Een complicerende factor hierbij is dat de scheidingslijn tussen links en rechts vaak dwars door de partijen heen loopt. Ook in zogenaamde rechtse partijen vind je voorstanders van een democratisering van het bedrijfsleven. Tussen rechts en links vindt men vaak verschil van inzicht in kwesties als defensie en ontwikkelingshulp.

Links wil beknibbelen op defensie en ontwikkelingshulp uitbreiden, rechts wenst de defensie op tenminste hetzelfde niveau te handhaven en staat sceptisch tegenover een uitbreiding van de ontwikkelingshulp. Voor bovengenoemde punten kan men partijen invullen. Grootste exponent van links is de P.v.d.A. van rechts de V.V.D. De confessionele partijen staan daartussenin met K.V.P. en A.R.P. vooral wat meer ter linkerzijde en de C.H.U. meer aan de rechterkant. Soms vinden, ondanks alle tegenstellingen, links en rechts elkaar zoals bleek bij de wetgeving rond de abortus waar P.v.d.A. en V.V.D. samenwerkten.

Deze samenwerking beperkte zich echter tot de Tweede Kamer. In de Eerste Kamer stemde de V.V.D. tegen de initiatiefwet ter regeling van de abortus. (Dit wetsontwerp was een gemeenschappelijk initiatief van V.V.D. en P.v.d.A.)

Grondwet en wet

Het is al een heel oude vraag of de mens van nature rechten bezit die boven het officiële recht (= positief recht) gaan. Aanhangers van de leer van het natuurrecht vond men al in het oude Griekenland. Daar ging de wil der goden boven de door de mensen gemaakte wetten. In de middeleeuwen stelde de christelijke kerk de goddelijke wetten boven de aardse wetten al vloeiden die twee vaak in elkaar over. Ook zonder godsdienstige motivering bleef de opvatting van het natuurrecht bestaan. Locke is de man geweest die natuurrechtelijke vrijheden van de mens onderstreepte. Veel invloed hebben zijn opvattingen gehad op de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. Ook in de Verklaring van de rechten van de mens en burger en de grondwet die tijdens de Franse revolutie tot stand kwamen, vinden we die vrijheid terug. Daarmee is natuurrecht positief recht geworden.

In de negentiende eeuw duiken in Europa overal grondwetten op. Daarin verkreeg de burger waarborgen tegen willekeur. De vrijheden die iemand als Locke zo sterk naar voren had gebracht moesten worden beschermd. Een mens had recht op bescherming van zijn eigendom, op vrije meningsuiting, op vrijheid van geloof enz. Zo ontstond de liberale rechtsstaat met de zgn. klassieke grondrechten.

Vandaag de dag is het volgens velen niet voldoende dat de staat deze grondrechten garandeert. Wat heb je aan onschendbaarheid van de woning als je in een krot moet leven? Hoe belangrijk is het ontbreken van preventieve censuur wanneer je werkloos bent? Bij de Tweede Kamer ligt een wetsontwerp waarin wordt gevraagd om naast de klassieke grondrechten ook sociale grondrechten vast te leggen. Zoals: bevordering van de werkgelegenheid, bevordering volksgezondheid, garanties voor bestaanszekerheid en spreiding van de welvaart enz. In de verzorgingsstaat die wij kennen zijn dit soort zaken al een voortdurende zorg van de regering. Moet je ze dan ook nog officieel vastleggen? Je zou ook kunnen zeggen dat diverse klassieke grondrechten al in de praktijk functioneerden voordat ze waren vastgelegd. De vraag is wel of je geen voortdurend geharrewar rond de grondwet in het leven roept.

Want wat is nu precies spreiding van welvaart? En moet het recht op abortus er ook niet in? Zal er zo geen voortdurend gesleutel aan de grondwet zijn zodat de autoriteit van de grondwet wordt aangetast? En is de verzorgingsstaat wel de staatsvorm die we eigenlijk wensen? Maar wat belangrijker is: het opnemen van grondrechten in de grondwet geeft geen garantie dat men die rechten ook heeft. Zo hebben de meeste landen ongeveer dezelfde grondrechten in hun constitutie opgenomen, maar voor vele (totalitaire) landen is het niet meer dan een mooie fapade. De grondrechten worden dan ook door andere wetten zo beperkt dat er haast niets van overblijft. Ook in Nederland worden de grondrechten door de wetten beperkt. Zo wordt het recht op persoonlijke vrijheid beperkt door de strafwetten (gevangenisstraf, opheffing briefgeheim). Deze beperkingen gaan echter niet verder dan nodig is.

Toch geldt ook hier dat de grondrechten in de grondwet niet van veel belang zijn. Dit komt omdat er in de grondwet staat dat de wetten onschendbaar zijn. Dat betekent dat wanneer iemand een wet in strijd acht met een in de grondwet genoemd grondrecht, de rechter de wet niet ongeldig kan verklaren. Dit mag hij wel als het een lagere regeling dan een wet van koning en Staten-Generaal betreft, zoals eer i gemeentelijke regeling, of een A.M.v.B. Wel mag de rechter zo´n onschendbare wet (wet in formele zin) vergelijken met een door het parlement goedgekeurd verdrag. Daarom is het zeer belangrijk dat Nederland het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft goedgekeurd. Daarin staan ongeveer dezelfde grondrechten als in onze grondwet, maar hier kan onze rechter niet´omheen´. Ook kan een Nederlander zich rechtstreeks wenden tot de ´Europese Commissie voor de Rechten van de Mens´, die dan weer een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan inroepen.

Gang van een wetsontwerp

- Het is er een lange weg welke een wetsontwerp moet gaan voordat de wet van kracht wordt. Voor een grondwetswijziging is die weg nog langer. Eerst gaat de wijziging zoals bij een gewone wet. Dan worden de beide Kamers ontbonden en komen er nieuwe verkiezingen. De nieuw verkozen Kamers moeten vervolgens met twee/derde meerderheid akkoord gaan met de voorgestelde wijziging.

- Als een minister een nieuwe wet wil maken overlegt hij eerst met zijn collega´s (Ministerraad) Als de ministers het eens zijn, wordt het wetsontwerp, nadat de koningin er kennis van heeft genomen, doorgestuurd naar de Raad van State.De Raad van State is het hoogste adviesorgaan van de regering. Volgens de grondwet moet de regering over alle wetsontwerpen advies vragen aan de Raad van State.

- Het advies van deze raad aan de regering blijft meestal geheim.— Daarna gaat het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer, vergezeld door een kort briefje van de koningin (Koninklijke Boodschap) en de Memorie van Toelichting.In deze memorie vertelt de minister waarom er een nieuwe wet moet komen en waarom dit voorstel zo is geformuleerd.

— De voorzitter van de Tweede Kamer geeft het wetsvoorstel door aan de betrokken kamercommissie. De Tweede Kamer is verdeeld in een aantal vaste commissies, bv. voor volksgezondheid, defensie, buitenlandse zaken, enz. Deze commissies doen het voorbereidende werk, in een later stadium moet de hele Kamer zich buigen over het wetsontwerp. In een Voorlopig Verslag vertelt de commissie wat ze van het wetsontwerp vindt.

— De minister leest dit Voorlopig Verslagen reageert daarop met een Memorie van Antwoord.— Opnieuw bestudeert de betrokken Kamercommissie de stukken. Misschien is de commissie tevreden, misschien niet, maar de commissie rondt de voorbereidende werkzaamheden nu af door het opstellen van een Eindverslag.

— Nu is het woord aan de hele Kamer, die het wetsvoorstel mondeling en niet meer schriftelijk behandelt.Bij deze behandeling kan de Tweede Kamer gebruik maken van het recht van amendement.— Als de Tweede Kamer het wetsontwerp al dan niet met veranderingen accepteert, gaat het naar de Eerste Kamer.

—  dat de behandeling inde Eerste Kamer vindt op dezelfde manier plaats als in de Tweede Kamer. Er is echter een belangrijk verschil. De Eerste Kamer kan alleen maar ja of nee zeggen, heeft niet het recht van amendement.— Een lange weg heeft het wetsontwerp afgelegd voor het door de beide Kamers van ons parlement is goedgekeurd. Na deze goedkeuring moet het wetsontwerp worden ondertekend door de betrokken minister(s) en de koningin (Recht van sanctie).

— Na deze ondertekening wordt het wetsontwerp afgekondigd in het Staatsblad.Het Staatsblad is de officiële krant van de regering. Tenzij de wet zelf een andere datum noemt, treedt het wetsontwerp op de twintigste dag na afkondiging in het Staatsblad in werking. Pas dan heeft Nederland weer een nieuwe wet.In het Staatsblad worden dus wetten, Algemene Maatregelen van Bestuur, enz. gepubliceerd.

Daarnaast kennen we de dagelijks verschijnende Staatscourant. Hierin worden opgenomen departementale regelingen, aankondigingen van faillissementen, echtscheidingen, e.d.Met haar uitgavenbeleid bestrijkt de overheid bijna het gehele maatschappelijke leven. De nachtwakersstaat is immers een verzorgingsstaat geworden. En of het nu om het kleuteronderwijs gaat of over de bouw van sporthallen, over het openbaar vervoer of over het schouwburgkaartje, over woningbouw of over de drooglegging van polders, de overheid betaalt of betaalt mee. En betaalt voor steeds meer zaken. In 1900 bedroegen de rijksuitgaven 146 miljoen, in 1976 was dat bedrag opgelopen tot 78 miljard. Ook al telt de inflatie bij die stijging sterk mee, toch is duidelijk dat de overheidsuitgaven in de lift zitten. De overheid is ook verreweg de grootste werkgever geworden. Eén op elke acht Nederlanders is in dienst van het rijk.

Inkomsten van de overheid

a) Belastingen. De fiscus haalt elk jaar zo´n 85% van de rijksinkomsten binnen. We kunnen de belastingen verdelen in directe en indirecte. Onder de directe belastingen vallen bv. loonbelasting, inkomstenbelasting, vermogensbelasting en vennootschapsbelasting. Tot de indirecte kunnen we rekenen: omzetbelasting (btw), motorrijtuigenbelasting, invoerrechten en accijnzen (sigaretten, sterke drank enz.)

b) Tarieven voor verleende diensten en goederen (schoolgeld, paspoorten)

c) Winsten van staatsbedrijven en staatsdeelneming (D.S.M., aardgas, olie)d.Opbrengst van gerechtelijke boetese.Opbrengst van de staatsloterijf.Leningen.Hoogte van de belastingdrukHoe hoog kun je de belastingdruk opschroeven? Dat is al sinds tijden een probleem. Onze voorouders klaagden steen en been over de belastingdruk. Vergeleken met wat er vandaag de dag door de fiscus wordt geëist maakten diezelfde voorouders zich naar ons oordeel druk om niets.

Problemen bij de belastingdruk zijn: hoe verdeel je de belastingheffing - directe of indirecte belastingen en hoe voorkom je dat men belastingontduiking normaal gaat vinden? Als je het accent legt op de directe belastingen, dan is dat sociaal bekeken aanvaardbaarder. Leg je de nadruk op de indirecte belastingen, dan zijn er veel minder moeilijkheden met de inning, maar sociaal gezien is indirecte belastingheffing minder aantrekkelijk. Daarmee komen we op het vraagstuk van de verdeling van belastinglast. Hierbij spelen mee het draagkrachtbeginsel(wie veel verdient kan veel bijdragen) en het profijtbeginsel (wie profiteert van iets dient daarvoor te betalen, bv. collegegeld). Het kabinet Biesheuvel heeft het profijtbeginsel (nogal) beklemtoond.Belasting als instrumentDe staat heft niet alleen belastingen om zijn uitgaven te financieren. De belasting is een belangrijk instrument voor de beheersing van de conjunctuur.

De belasting kan ook dienen om inkomensverschillen te verkleinen. De progressie in de belastingen is bepaald geen ´uitvinding´ van het kabinet Den Uyl. Hoe meer een regering streeft naar verkleining van inkomensverschillen, hoe groter de progressie zal zijn.Maar ook hier moeten we de vraag stellen of er aan die progressie geen grenzen moeten worden gesteld. Jaag je geen bedrijven en mensen naar het buitenland, als daar de belastingdruk duidelijk lager is? Iedereen kent bovendien de uitdrukking ´zwart geld´. We verstaan hieronder geld, verdiensten, die niet aan de belasting worden opgegeven.Dit wordt langzamerhand in Nederland een groot probleem. Ons nationaal inkomen is veel groter dan we officieel weten, omdat een onbekend maar belangrijk gedeelte van wat de mensen verdienen niet op het aangiftebiljet voor de belasting terechtkomt. Volgens deskundigen is het langzamerhand zo, dat de echte zwakken in de samenleving die mensen zijn, die niets ´zwart´ kunnen doen en aangewezen zijn op een vast en nogal matig inkomen. (Bijstand, pensioenen, enz.)Hoeveel geld mag de overheid uitgeven?Dat is een kwestie van politiek, financieel en economisch inzicht. Wie vindt dat de staat zich met te veel zaken bemoeit, zal de overheidsuitgaven willen terugdringen. En omgekeerd.

Financieel gezien wordt vrijwel algemeen de zgn. Zijlstranorm gehanteerd. Die houdt in:

a) De particuliere besparingen moeten toereikend zijn voor de particuliere investeringen. De Nederlander ´mag´dus gemiddeld niet meer uitgeven dan hij verdient.

b) Als er meer gespaard wordt dan uitgegeven, dan mag de overheid dit overschot gebruiken. Met andere woorden, dan mag de regering lenen.c.Al vele jaren overtreffen de particuliere besparingen de particuliere investeringen en dus kan de regering voortdurend lenen en zich een begrotingstekort veroorloven.

Het lenen door de overheid wordt verder in de hand gewerkt door de aanhoudende inflatie.