We hebben 184 gasten online

Hfst 6 CSE Dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam Havo Feniks

Gepost in V.S.

Hoofdstuk 6 : Oorlog aan het thuisfront

vietnam veteraan postzegel vietnam monument vietnamoorlog helicopter

Deelvraag 6: Welke invoed had de oorlog op de Amerikaanse samenleving, en in welke mate beïnvloedde de Amerikaanse publieke opinie het verdere verloop van de oorlog?

Inleiding

De littekens van de verschrikkele oorlog in Vietnam zijn nog steeds zichtbaar voor zowel de Vietnamezen als voor de Amerikanen. Doordat de Amerikanen de gruwelijke gebeurtenissen live op de televisie konden volgen, was de betrokkenheid groot. De protesten tegen de oorlog leidden tot een haast onoverbrugbare kloof tussen voor- en tegenstanders. Het Congres realiseerde zich pas in de loop van de oorlog welke speelruimte zij de president en zijn medewerkers in 1964 hadden gegund. de functie van lastige horzel werd echter in toenemende mate wél vervuld door de media en door protesterende jongeren.

Het belang van dit onderwerp

In de Vietnamoorlog hadden journalisten grote vrijheid in het verslaan van de gebeurtenissen. Dat had enorme gevolgen, want de krantenlezers en de televisiekijkers kregen de oorlog ongesmukt thuis voor ogen.

De Amerikaanse regering leerde van Vietnam. Het begrip embedded journalism deed zijn intrede. Journalisten werden voortaan vergezeld door militaire voorlichters die bepaalden wat wel en wat niet vastgelegd mocht worden. Een totale ban rustte er op het fotograferen of filmen van bodybags die op een band in de buik van een vliegtuig verdwenen.

6.1 De rol van de media

De Vietnamoorlog werd de eerste huiskameroorlog in de Amerikaanse geschiedenis. Vrijwel dagelijks toonden t.v.- journaals beelden van de oorlog. Daarnaast hadden elke krant en weekblad eigen journalisten in Vietnam. De reportages toonden het oorlogsgeweld vaak onverbloemd. Journalisten riskeerden daarbij hun eigen leven en niet minder dan 250 van hen kwamen ook om het leven.

Naarmate de strijd voortduurde , werden de fotoreportages steeds indringender. Beelden van Amerikaanse gewonden en doden - evenals die van bodybags op de militaire vleigvelden - hadden een deprimerend effect op de publieke opinie.

1965

Redacties van bladen en televisieprogramma's waren vaak voorzichtig en geneigd tot enige zelfcensuur. Zij wilden de lezers en kijkers beschermen, maar ook angst voor problemen met de overheid speelde daarbij een rol. Amerika was een patriottisch land. De jongens vochten ver van huis voor de iedealen van het land en verdienden daarom de steun van het thuisfront. Aan de media werd herhaaldelijk gevraagd een al te kritische toon te vermijden. Aanvankelijk hielden die daar rekening mee. De oorlog was het waard om gesteund te worden.

Tot 1968 overheerste het optimisme. In Amerika bestond de overtuiging dat de Zuid-Vietnamese bevolking de Amerikanen dankbaar was en dat de Vietcong een vijand was met wie snel moest worden afgerekend. Die onkritische houding was vanuit democratisch standpunt niet langer vol te houden. In de loop van 1967 en 1968 kozen steeds meer verslaggevers voor onafhankelijke berichtgeving. Daar waren een aantal oorzaken voor aan te geven:

1) Het gerucht ging dat de minister van defensie Mc Namara zelf, steeds meer ging twijfelen of de koers wel de juiste was;

2) Er klonken signalen dat Washington een deel van de toedracht van de oorlog had achtergehouden;

3) Het Tonkinincident van 1964 kwam in een nieuw licht te staan;

4) Amerikaanse televiesieploegen filmden hoe dorpjes totaal werden verwoest terwijl er van enige tegestand geen sprake was.

5) De dagelijkse televieseuitzendingen toonden een ander beeld dan wat de officiële woordvoerders op hun persconferenties beweerden.

6) Kritische oorlogsverslaggevers stelden het Amerikaanse ingrijpen steeds meer ter discussie.

De verhoudingen werden daardoor steeds meer gepolariseerd. De Amerikaanse journalsit Peter Arnett was er in 1970 getuige van wangedrag van Amerikaanse militiaren in Cambodja en maakte daar een verslag van. Zijn hoofdredacteur weigerde echter dat te publiceren.

De meest gezaghebbende t.v.-journalist, de onlangs overleden Walter Cronkite vermeldde aan de kijkers tijdens het Tetoffensief van 1968 dat hij niet langer geloofde in de overwinning. Waarop president Johnson zou hebben gegd: 'Als ik Walter kwijt ben, dan is het gebeurd'.

walter cronkite

De pers vervulde de rol die eigenlijk het parlement had moeten spelen. Het weekblad Life drukte in juli 1969 de portretfoto's af van alle Amerikanen die in de voorbije week in Vietnam waren gesneuveld. In totaal 242. Weinig weekbladafleveringen hebben zo'n demoraliserende invloed gehad als dit ene numer. Datzelfde effect hadden de reportages over het bloedbad van My Lai.

vietnam My Lay

6.2 De rol van het protest

Juist in de jaren zestig werd in Amerika en West-Europa de babyboomgeneratie volwassen. In de jaren vijftig doorliepen deze babyboomers de lagere en middelbare school in betrekkelijke vrede en luxe, met een groeiend aantal consumptieartikelen binnen bereik, met eigen muziek en bovendien met het medium dat in Amerika al gemeengoed was geworden: televisie. In de jaren zestig ging een recordaantal studenten naar de universiteit. Veel jongeren beschouwden de retoriek van de Koude Oorlog als hol en hoorden daarin typisch de stem van de oudere generatie.

Rond 1960 beheerste het vraagstuk van de rassenintegratie de samenleving. Veel zwarten sloten zich aan bij de civil rights movement, de beweging van de burgerrechten onder leiding van Martin Luther King. Deze probeerden door vreedzame acties hun doel te bereiken.

De babyboomers ontwikkelden een subcultuur, waaqrin eigen kleding, popmuziek en lang haar garant stonden voor een duidelijk onderscheid met de smaak van het establishment, de gevestigde orde. Ze werden later de protestgeneratie genoemd.

In 1965 werd de dienstplicht drastisch uitgebreid. Miljoenen jongeren zagen hun toekomst op het spel gezet omdat zij moesten vechten in een oorlog voor een onduidelijk doel, duizenden kilometers van huis. In de praktijk waren het echter de werkende jongeren en niet de studenten die het eerst voor militiare dienst in aanmerking kwamen. Steeds meer jongeren weigerden als gewetensbezwaarde. Velen wachtten de ontwikkelingen niet af en weken uit naar Canada. Tijdens demonstraties verbrandden dienstplichtingen hun oproepkaarten. Op universiteiten hield men teach-inns waarop gediscussieerd werd over de oorlog in Vietnam. In 1967 protesteerden vijfhonderduizend mensen in New York en scandeerden: "Hey, LBJ, how many kids did you kill today'.

anti-oorlog demonstratie 1965

Ook opinepijlers uit politiek, wetenschap en media keerden zich tegen de oorlog. In de rest van de wereld kwam het onder invloed van de media eveneens tot protesten. In Nederland verboden de autoriteiten de slogan 'Johnson Moordenaar'. Belediging van een bevriend staatshoofd was niet toegestaan en konden zelfs een gevangenisstraf krijgen,

Het jaar 1968

De protestbeweging tegen de oorlog groeide: alleen al in het voorjaar van 1968 vonden meer dan tweehonderd demonstraties plaats. De onrust in Amerika bereikte een hoogtepunt tijdens de Democratische Conventie in Chicago. De burgemeester van Chicago gaf de politie opdracht geweld te gebruiken. De televisie registreerde hoe tientallen demonstranten en passanten grof het ziekenhuis werden ingeslagen. Dat leidde tot grote woede bij televiesiekijkers.

Een mijlpaal voor de jongerencultuur vormde het popfestival van Woodstck, gelegen in het noordoosten van de VS, in de zomer van 1969. Hier werd op cynische wijze de gevoelens van veel jongeren over de Vietnamoorlog vertolkt.

Inmiddels was de reactie ingezet. De gemiddelde Amerikaan voelde zich aangesproken door Nixon die 'law and order' beloofde te herstellen en verklaarde op te komen voor de 'zwijgende meerderheid'. Volgens deze gemiddelde hardwerkende Amerikaan zou Hanoi alleen maar vorodeel trekken uit de protesten in de Verenigde Staten. Naarmate Nixon in het kader van de Vietnamisering meer militiaren uit Vietnam terugriep, zakte het protest tegen de oorlog in. Ook het feit dat vanaf 1969 geen dienstplichtingen meer naar Vietnam werden gestuurd, droeg daartoe bij.

anti-vietnam poster

Honderduizenden veteranen, al of niet invalide of getraumatiseerd, namen deel aan de marsen tegen de oorlog. De kerstbombardementen van 1972 brachten voor de laatste maal de vredesactivisten op de been.

6.3 De rol van de politiek

Met de beslissingen van de regering in de Vietnamoorlog waren de levens van vele duizenden gemoeid. Toch zijn deze tot 1970 slechts zelden onderwerp geweest van een parlementair debat. Oorzaak daarvan lag in de in 1964 aangenomen Tonkinresolutie, aangenomen met slechts twee tegenstemmen, die president Johnson volmacht verleende om eigenmachtig beslissingen te nemen. Het Congres had daarmee Johnson een 'mandaat' gegeven en daarmee de presidentiële macht verder vergroot. Het Congres ging daarmee stilzwijgend akkoord met elke maatregel die Johnson nam in de oorlog in Vietnam.

Het Vietnambeleid werd uitgestippeld in het Witte Huis, het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Pentagon. Johnson wilde voorkomen dat de oorlog in Vietnam ten koste zou gaan van de Great Society. Toen de militaire situatie in Zuid-Vietnam verslechterde, liet hij het aan zijn militaire staf over om het in diepste geheim een plan op te stellen voor eventuele actie..

Een overgrote meerderheid stemde evenwel jaar in jaar uit zonder discussie in vóór de ingediende wetsontwerpen. Voor deze onkritische houding zijn verschillende verklaringen te geven.

- De Democratische Partij beschikte over een comfortabele meerderheid in beide huizen van het Congres;

- De Republikeinse Partij was doorgaans nog sterker gekant tegen het communisme. Uit die groep viel dan ook geen oppositie te verwachten tegen Jonhson kruistocht tegen de Vietnamese communsten;

- Geen van de afvaardigden in beide huizen van het Congres wilde ervan te worden verdacht 'soft on communism' te zijn. Bij velen leefde nog de panische angst voor het communisme stammend uit de jaren vijftig;

- Parlementariërs die zich in het openbaar te veel distancieerden van de jongens die in Vietnam vochten konden worden beticht van gebrek aan vaderlandsliefde. Dat zou politieke zelfmoord betekenen;

- Het aantal Zuidoost-Aziëdeskundigen in het Congres was klein. De weinigen die zich zo mochten noemen, stonden kritisch tegenover de oorlog, maar toonden zich niet strijdbaar genoeg om tegen de president in te gaan.

Senator Fulbright

Door het uitblijven van de overwinning en onder druk van de hevige protesten in binnen- en buitenland nam de twijfel onder de Congresleden over het Vietnambeleid toe. In de loop van 1965-1968 ontstonden er in de Senaat twee kampen: de Haviken die voorstanders waren van een verdergaand militiar optreden, en de Duiven, die voorstanders waren van een poltieke oplossing. Daartussenin stond een meerderheid die zich meestal op de vlakte hield. de democratische senator J. William Fulbright was hoofd van de senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken. Ook hij had in 1964 voor de Tonkinresolutie gestemd. Maar in 1966 vroeg hij zich openlijk af of de oorlog de belangen van de VS wel diende, aangezien de binnenlandse - en buitenlandse verhoudingen steeds meer onder druk kwamen te staan.

Johnson zag dat als een messteek in de rug. Maar het aantal dissidente democratische senatoren groeide. Fulbright vroeg Johnson, samen met veertien andere senatoren om een pauze in te lassen in de bombardementen. Johnson wees dat verzoek af. Naar aanleidng daarvan begon Fulbright een reeks hoorzittingen over het Vietnambeleid voor zijn Senaatscommissie. Deze hoorzittingen werden op de televisie uitgezonden. Voor het eerst drongen bezwaren tegen het Vietnambeleid de huiskamers binnen. Hoewel minister van defensie McNamara het beleid nog twee jaar bleef uitvoeren, begon ook hij al in 1965 te twijfelen. Voor de hoorzitteingen keurde bij een opiniepeiling 63 procent van de ondervraagden Johnson beleid goed. Een jaar later nog maar 34 procent.

deelname en slachtoffers vs

De kosten van de oorlog

Johnson zette het beleid gewoon voort. Het gevolg was een groeiende kloof tussen wat de overheid deed en wat de samenleving wenste te verdragen. De oorlog werd steeds meer 'Johnson's war'. Elke dissidente stem beschouwde hij als verraad. Robert Kennedy en Martin Luther King keerden zich tegen de oorlog in Vietnam.

Vanaf 1966 kon Johnson er niet langer onmheen: de oorlog was een kostbare zaak geworden. Jaar na jaar was het gat in de begroting groter geworden, zonder dat de regering zich duidelijk verantwoordde in het Congres. De overheidsuitgaven werden gefinancierd uit leningen en dat veroorzaakte inflatie en een economische recessie dreigde. Voor belasingverhoging durfde Johnson niet aan te kloppen bij het Congres.

Het Vietnambeleid stortte in het verkieizingsjaar 1968 in elkaar. De Republikein Richard M. Nixon won de presidentsverkiezingen. Hij beloofde een 'eervolle vrede' in Vietnam. In de loop van 1969 kwam hij met zijn plan: terugtrekking van der Amerikaanse militairen en Vietnamisering van de oorlog.

Saigon end of the road

Tijdens de regeerperiode van Johnson en Nixon heeft het Congres het Vietnambeleid niet beslissend kunnen wijzigen. De duiven waren steeds in de minderheid. Senator Fulbright beschouwde de Senaat niet primair als een instrument om krachtig tegenspel te bieden aan het eigenmachtig optreden van de regering, maar eerder als een podium om poltieke menigsverschillen ter sprake te brengen. Mede daardoor heeft het Congres zijn wetgevende instrumenten ongebruikt gelaten. Een andere verklaring voor het falen van de duiven was het ontbreken van een alternatief. Alle duiven waren tegen de oorlog, maar de een bepleitte onmiddelijke terugtrekking, de ander een meer geleidelijke. Pas in Nixon nadagen (1972-1974) kwam daar verandering in.

Zie voor Hoofdstuk 7 Hfst 7 CSE Dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam Havo Feniks