We hebben 170 gasten online

CSE De VS 1787-1914 Deel 1

Gepost in V.S.

De VS 1787-1914 een samenleving op de rails

Centrale vraag:

Hebben de ontwikkelingen naar een industriële samenleving en de reacties daarop van verschillende bevolkingsgroepen in de periode tussen 1787 en 1914 de eenheid van de Amerikaanse natie bevorderd?

1) Land van vrije boeren

Europese nederzettingen 1526-1642

De Verenigde Staten van Amerika zijn een jonge natie. Rond 1600, toen de Europese volkeren al een eeuwenlange geschiedenis achter de rug had­den, moesten de Amerikanen nog aan hun geschie­denis beginnen. Noord-Amerika was woest en leeg. Het was een wildernis van bossen, prairies en woestijnen, waar alleen een paar miljoen Indianen woonden. De Europeanen wisten niets van deze onherbergzame streken en vonden dat ze er ook niets te zoeken hadden. Amerika was in 1492 bij toeval ontdekt door Spanjaarden die een westelijke route naar Indië (Zuidoost-Azië) zochten. Toen ze op Cuba landden, dachten ze hun doel bereikt te hebben. Daarom noemden ze Amerika West-Indië en de oorspronkelijke bewoners Indianen. De Spanjaarden vestigden zich in Zuid-Amerika, maar lieten Noord-Amerika links liggen. Pas na 1600 stichtten Engelsen en Nederlanders daar de eerste Europese nederzettingen. Aanvankelijk leden ze er vreselijke ontberingen, maar in de loop van de tijd bouwden ze met handel en landbouw een zekere welvaart op. Het aantal Engelse en Schotse kolonisten groeide veel sneller dan het aantal Nederlandse. Het gevolg was dat de Britten de hele oostkust gingen beheersen. In 1644 dwong een Engelse vloot de Nederlandse bestuurder Peter Stuyvesant de kolonie Nieuw-Nederland af te staan, die daarop werd omgedoopt in New York.

800px-queenanneswarbefore svg

Aan de oostkust ontstonden dertien kolonies, die grotendeels zichzelf bestuurden, maar onder Britse soevereiniteit bleven. In de tweede helft van de achttiende eeuw gingen de Amerikanen het Britse gezag en vooral de Britse belastingen als hinderlijk ervaren. Britse bestuurders en bezittingen werden het doelwit van aanslagen. Om de orde te herstel­len, zette Londen Amerikaanse bestuurders en rechters af en stuurde ordetroepen. In reactie daar­op stelden de kolonies in 1774 een gezamenlijk bestuur in, dat het het Amerikaanse volk opriep zich te bewapenen. Een jaar later liep dit uit op regelrechte oorlog. Op 4 juli 1776 riepen de kolo­nies de Verenigde Staten van Amerika uit. Het voortbestaan van deze VS was toen nog zeer onze­ker. Het professionele Britse leger was namelijk superieur aan de Amerikaanse amateursoldaten.

routes of washington and rochambeau in 1781

 

Toch kon het de Amerikanen niet de beslissende nederlaag toebrengen. De oorlog sleepte zich voort tot Engeland de strijd opgaf. In 1783 werd de vre­de getekend. Londen deed afstand van zijn Noord­amerikaanse kolonies, met uitzondering van Canada, dat de Britten een paar jaar eerder op Frankrijk veroverd hadden. Een nieuwe natie was geboren.

Een kleine natie

De jongste natie op aarde was in vergelijking met de supermacht van vandaag erg klein. Er woonden nog geen vier miljoen mensen. Ter vergelijking: Nederland had twee miljoen inwoners, Engeland negen miljoen en Frankrijk zevenentwintig mil­joen. De Amerikaanse bevolking is sindsdien zestig keer zo groot geworden, de Nederlandse zeven keer, de Engelse zes keer, de Franse niet eens twee keer. De VS bestonden uit dertien deelstaten. Slechts een smalle strook land aan de oostkust, van Maine tot Georgia, was bewoond. Dit gebied viel in drie delen uiteen. New England, bestaande uit de vier noordelijke deelstaten, en de mid-Atlan­tic, gevormd door vier staten in het midden, wer­den beheerst door zelfstandige boeren en waren centra van handel en financiën. De vijf zuidelijke staten waren het domein van de slavenhouders, die op hun plantages rijst en tabak verbouwden.

Hoewel de drie gebieden elk een eigen karakter kenden, hadden ze met elkaar gemeen dat ze sterk agrarisch waren. Zo'n 95 procent van de Amerikaanse bevolking woonde en werkte op het platteland. Grote steden waren er niet. In 1800 hadden maar drie steden meer dan 25 000 inwo­ners. Washington DC, sinds dat jaar de hoofdstad, was een modderig plaatsje met 3000 inwoners. In het westen eindigden de VS eigenlijk al aan de voet van de Appalachen, de lange bergketen van noord naar zuid die de oostelijke kustgebieden scheidt van de uitgestrekte vlakten daarachter. Ook die vlakten, tot aan de rivier de Mississippi, rekenden de VS tot hun grondgebied. Maar de vlakten waren nog zo goed als onbewoond en er waren geen deelstaten.

Een vriendschapsbond

Aan het eind van de achttiende eeuw eeuw leek het verre van zeker dat de VS één natie zouden blijven. De Amerikanen voelden zich vooral verbonden met hun eigen deelstaat en veel minder met de natie als geheel. De Verenigde Staten omschreven zichzelf als een zeer losse statenbond; een confederatie, een `vriendschapsbond' waarin iede­re staat `zijn soevereiniteit behoudt, alsmede alle bevoegdheden voorzover die in de grondwet niet uitdrukkelijk aan de confederatie zijn toegewezen'. Het Congres, waarin iedere deelstaat één stem had, oefende het gemeenschappelijk bestuur uit. Deze nationale regering verhuisde voortdurend van de ene naar de andere ver-gaderplaats en had nauwelijks macht. Het Congres mocht geen belastingen heffen en kon alleen besluiten nemen waar alle deelstaten het mee eens waren. Het verzet van de kleinste minderheid, één deelstaat, kon elke gemeenschappelijke maatregel blokkeren. De deelstaten waren volledig soeverein.

Veel Amerikanen waren wel gelukkig met hun zwakke centrale overheid. Na de vrijheidsstrijd tegen de Britse `tirannie' waren ze bang dat hun eigen nationale overheid net zo tiranniek zou wor­den. Van een sterk centraal gezag moesten ze niets hebben. `De regering die het best regeert is de rege­ring die het minst regeert', vonden ze. Anderen waren bang dat het ontbreken van centraal gezag tot chaos zou leiden. Zij leken al snel gelijk te krij­gen. In 1786 brak een bloedige opstand van arme boeren uit, waartegen het Congres machteloos stond. In reactie hierop besloten de deelstaten afgevaardigden naar Philadelphia te sturen met de opdracht de onderlinge afspraken te herzien. De in totaal 55 afgevaardigden vatten hun taak ruim op. Na vijf maanden vergaderen kwamen de Founding Fathers, zoals ze later werden genoemd, in 1787 met een compleet nieuwe grondwet naar buiten.

we the people

Hun stuk heeft de tand des tijds doorstaan en is met enige aanpassingen nog steeds van kracht. Het is de oudste geschreven grondwet ter wereld. De Founding Fathers hadden de moeilijke taak een grondwet op te stellen voor de eerste moderne staat waarvan de regering berustte op instemming van het volk. Met een dergelijke staat had geen enkel land ervaring en velen betwijfelden of zoiets mogelijk zou zijn. De Founding Fathers moesten een evenwicht vinden tussen de noodzaak van een effectieve centrale regering en de afkeer van een sterke overheid. De regering moest sterk genoeg zijn om alle noodzakelijke maatregelen te nemen, maar niet zo sterk dat zij de rechten van deelstaten en individuele burgers zou kunnen vertrappen. Waar lag het midden? De Founding Fathers beslo­ten de politieke macht tegelijk te centraliseren en te verdelen. Aan de ene kant versterkten ze de macht van de nationale regering. Deze kwam onder leiding van een president, die tevens het staatshoofd werd, en ging zetelen in een vaste hoofdstad, tot 1800 Philadelphia, daarna Washington DC. De regering mocht belastingen heffen en alle wetten uitvaardigen die noodzakelijk waren voor de uitoefening van haar taak. Beslui­ten hoefden niet langer te worden goedgekeurd door alle deelstaten. De wetten van de deelstaten zouden slechts gelden voor zover ze niet in strijd waren met de nationale wetten.

Checks and balances

Tegelijk werd de nationale overheid beteugeld, en wel met een systeem van checks and balances. De nationale regering werd gecontroleerd en in even­wicht gehouden door andere machten. Dat waren vooral de deelstaten, die ondanks hun machtsverlies voor een belangrijk deel in hun waarde gelaten werden. Zij behielden bijvoorbeeld een eigen regering, een eigen rechtspraak en een eigen politie. Zij bleven soeverein op hun grondgebied, al deelden ze de soevereiniteit voortaan met de nationale overheid. De grondwet maakte niet dui­delijk waar precies de macht van de nationale regering ophield en die van de deelstaten begon. Mocht de nationale overheid zich bijvoorbeeld be­moeien met de aanleg van wegen in de deelstaten? Over dat soort vragen zou later voortdurend strijd geleverd worden. De nationale overheid werd ook aan banden gelegd doordat de macht verdeeld werd over een uitvoerende, een wetgevende en een rechterlijke macht. Tot 1787 had het Congres zowel de uitvoerende als de wetgevende macht, terwijl er op nationaal niveau geen rechterlijke macht was. De nieuwe grondwet legde de uitvoe­rende macht, de regeringsmacht, in handen van de president en zijn ministers. Het Congres hield de wetgevende macht: wetten zouden pas geldig zijn na goedkeuring door een meerderheid in het Con­gres. Het Congres kreeg in feite dus de taak om de regering te controleren. Het Congres zelf werd onderverdeeld in twee kamers: het Huis van Afge­vaardigden en de Senaat. In de Senaat kregen alle deelstaten twee vertegenwoordigers, het aantal vertegenwoordigers in het Huis van Afgevaar­digden werd evenredig aan hun inwonertal. Zo werd het Congres voor de deelstaten het belang­rijkste middel om de nationale regering in toom te houden. Verder werd de regering nog gecontro­leerd door een rechterlijke macht. Voor het leven benoemde opperrechters gingen erop toezien dat de regering niet in strijd met de grondwet hande­lde.

Compromissen

De Founding Fathers hadden goed begrepen dat de VS geen ideale eenheid waren. Ze beseften dat de belangen van de deelstaten sterk uiteenliepen. De VS konden alleen overleven als de deelstaten compromissen sloten. Hun belangen moesten niet te veel geschaad worden, anders kon de verleiding zich af te scheiden te groot worden. De grondwet was dan ook het resultaat van compromissen en belangenbehartiging. Een goed voorbeeld hiervan waren de passages over de slavernij. De VS waren ontstaan uit het verzet tegen onvrijheid en dwang. De Onafhankelijkheidsverklaring was gebaseerd op de principes van vrijheid en gelijkheid. `Wij be­schouwen', zo stond hierin, `de volgende waarhe­den als vanzelfsprekend — dat alle mensen als gelij­ken geschapen zijn; dat hun door hun Schepper bepaalde onvervreemdbare rechten geschonken zijn; dat hiertoe behoren het leven, de vrijheid en het streven naar geluk.' Dat was allemaal moeilijk verenigbaar met de slavernij. De noordelijke deel­staten schaften de slavernij dan ook één voor één af. Maar de zuidelijke deelstaten peinsden daar niet over. In het Zuiden hadden de rijke planters het voor het zeggen, en die waren afhankelijk van slavenarbeid. Geen enkele vrije man zou het zware werk op hun plantages willen verrichten. De zuidelijke staten konden daarom de grondwet alleen aanvaarden als de slavernij ongemoeid werd gelaten. En dat gebeurde dus ook. De enige beper­king die de grondwet oplegde, was dat de import van slaven uit het buitenland over twintig jaar verboden zou worden. De grondwet beschermde de slavernij zelfs.

Volgens de Fugitive Slave clausu­le moesten weggelopen slaven teruggebracht wor­den naar hun eigenaren. En via de 3/5 clausule kregen de zuidelijke slavenstaten genoeg invloed in het Huis van Afgevaardigden om ook later maatregelen tegen de slavernij tegen te houden. Deze 3/5 clausule hield in dat de slaven voor zestig procent werden meegeteld bij het vaststellen van het aantal vertegenwoordigers van een staat. De zuidelijke staten hadden de slaven het liefst voor de volle honderd procent meegeteld, maar de noordelijke hadden zich daartegen verzet. Zij had­den het liefst de slaven helemaal niet meegeteld. Slaven waren immers geen mondige mensen, maar bezit. `Als de slaven meegeteld worden', merkte een noordelijke afgevaardigde op, `kan ik mijn paarden ook wel meetellen'.

De Founding Fathers beseften dat in de toekomst nieuwe compromissen nodig zouden zijn. Zij bepaalden daarom dat de grondwet via amende­menten gewijzigd of aangevuld zou kunnen wor­den. Al in 1791 werden tien amendementen toege­voegd, die samen bekend zijn geworden als de Bill of Rights. De Bill of Rights garandeerde democratische burgerrechten als de vrijheid van meningsui­ting, de vrijheid van vergadering, de vrijheid van godsdienst en de persvrijheid. Ondanks de Bill of Rights waren de VS nog geen volledige demo­cratie. Daarvoor was het stemrecht nog te beperkt. In de meeste staten hadden alleen blanke mannen die aan bepaalde bezitseisen voldeden stemrecht. Slechts in New Jersey konden vrouwen stemmen. Bovendien ondersteunde de grondwet de discri­minatie van de zwarten en andere minderheids­groepen. Toch maakte dezelfde grondwet de emancipatie van achtergestelde groepen mogelijk. Zij werden door de mogelijkheid van amende­menten op de grondwet aangemoedigd hun positie langs legale weg te verbeteren.

Emancipatie kon ook totstandkomen doordat de Amerikaanse natie mede gebaseerd was op de idealen van vrijheid en gelijkheid. Volgens de Onafhankelijkheidsverklaring had God alle men­sen als gelijken geschapen. Waarom hadden som­migen dan niet de rechten die anderen wel had­den? Achtergestelde groepen als zwarten en vrouwen konden zich beroepen op de nationale idealen om gelijkberechtiging te eisen.

Uitverkoren volk

Sinds de onafhankelijkheidsstrijd aanvaardden de Amerikanen het gezag van de overheid veel minder als vanzelfsprekend dan de Europese volkeren. Dat had gevolgen voor de eenheid van de natie. In Europa was die gebaseerd op geloof en groot­grondbezit. De adel oefende er het bestuur uit, en die meende zijn gezag van God te hebben ontvan­gen. Amerika had geen adel en zijn regering werd gekozen door het volk; niet het hele volk, maar wel een groot deel ervan.

In de Amerikaanse politiek ontwikkelden zich twee visies op de eenheid van de natie. In de visie van Thomas Jefferson, de schrijver van de Onafhankelijkheidsverklaring en president van 1801 tot 1808, was Amerika een land van kleine zelfstandige boeren, yeoman farmer. Jefferson geloofde dat de natie het best af was als elke blan­ke burger een eigen stukje grond had. Hij had een idyllisch beeld van het platteland: `zij die het land bewerken zijn het uitverkoren volk van God... zedenbederf onder de landbouwende bevolking is een verschijnsel waarvan geen enkel tijdperk noch enig volk een voorbeeld oplevert'. Jefferson meen­de dat het bestuur zoveel mogelijk gedecentrali­seerd moest zijn. De mensen konden het plaatselijk bestuur overzien en het plaatselijke bestuur had goed zicht op de behoeften van de mensen. De centrale regering stond te ver van de burgers af, en de burgers te ver van het centrale bestuur. Wat op zo'n afstand gebeurde, konden ze onvoldoende overzien. Dat gebrek aan controle werkte corrup­tie, verspilling en machtsmisbruik in de hand. In de visie van Alexander Hamilton kwam de klei­ne man er heel wat minder goed vanaf. Hamilton steunde vooral op de machtige handelslieden in het Noordoosten. In het gewone volk hadden Hamilton en de zijnen weinig vertrouwen. De natie moest volgens hen geleid worden door een goed opgeleide en rijke elite. Alleen een sterke regering van `de besten' kon het domme en egoïsti­sche volk leiding geven en voorkomen dat de natie door belangentegenstellingen uiteen zou vallen. Dat sterke gezag was ook nodig voor de bloei van de economie. Hamilton had mercantilistische opvattingen: de overheid moest de economie be­schermen tegen concurrentie uit het buitenland en in het binnenland handel en nijverheid zoveel mogelijk bevorderen.

De Amerikaanse politiek werd vele tientallen jaren beheerst door de tegenstelling tussen deze twee opvattingen. Tot 1800 had Hamilton de overhand als de sterke man in drie achtereenvolgende rege­ringen. Daarna werd Jefferson president en kon hij acht jaar lang zijn meer democratische opvattingen in praktijk brengen. Intussen was de Amerikaanse samenleving snel aan het veranderen.

Sociaal-economische ontwikkelingen

Amerika veranderde tussen 1787 en 1830 van een kleine plattelandssamenleving in een middelgrote natie, die nog steeds grotendeels agrarisch was, maar toch een sterke ontwikkeling doormaakte. De veranderingen in deze jaren waren het gevolg van vier sociaal-economische ontwikkelingen:

1 Een enorme toename van het in cultuur gebrachte gebied door de trek naar het Westen.

2 Een grote vooruitgang van de techniek door nieuwe uitvindingen.

3 Een verbetering van het vervoerssysteem door de bouw van wegen en kanalen en het gebruik van stoomschepen

4 Een sterke commercialisering van de landbouw en een nog voorzichtige opkomst van de industrie.

Zoals je gelezen hebt, waren de VS lange tijd slechts bewoond tot aan de Appalachen. Pas in 1767 trok de eerste Amerikaanse pionier deze ber­gen over. Engeland verbood verdere expansie om­dat het de Indianen te vriend wilde houden. Dit ergerde de Amerikanen. Hoe groot de drang naar het Westen was, bleek tijdens de Onafhankelijk­heidsoorlog. De opstand tegen Engeland was nauwelijks begonnen, of de Amerikanen stroom­den met duizenden tegelijk de Appalachen over. Tot 1790 steeg de blanke bevolking achter de ber­gen tot ver boven de 100.000. De pioniers werden gesteund door het Congres, dat alle land tot aan de Mississippi-rivier opeiste. Het deelde de nog zeer dun bevolkte gebieden op in territoria en regelde het bestuur daarover in speciale veror­deningen.

w20land20cessions20 1782-1802

De belangrijkste van deze verordeningen was de derde Northwest Ordinance, die gold in het reusachtige gebied tussen de Mississippi, de Ohio en de Grote Meren. Hierin werd bepaald:

1 dat de blanke bewoners van dit Noordwest Territorium burgerrechten, zoals vrijheid van godsdienst kregen

2 dat de slavernij er verboden zou zijn

3 dat uit het territorium op den duur vijf nieuwe deelstaten gevormd zouden worden.

Voorlopig zou het complete territorium bestuurd worden door de nationale overheid. Maar zodra in een gebied 60 000 mensen woonden, kon het een volwaardige deelstaat worden. Hiermee werd een belangrijk principe vastgelegd: het principe dat het `lege' Westen geen bezit was van al bestaande deelstaten, maar zich op basis van gelijkheid bij de VS zou aansluiten. Tot die tijd hadden enkele deel­staten woeste gronden in het Westen voor zichzelf opgeist. Als ze hun zin hadden gekregen, dan waren ze op den duur te machtig geworden en waren ze een bedreiging voor de andere deelstaten gaan vormen. De nieuwe regeling voorkwam dit.

Zo werd een grote uitbreiding mogelijk, zonder dat de spanningen tussen de deelstaten uit de hand liepen. De VS konden groeien en tegelijk hun een­heid bewaren.

Louisiana Purchase

1818-1898 u s__territorial_acquisitions

En de VS groeiden. In 1803 wist Jefferson het Amerikaanse grondgebied in één klap te verdubbe­len door de Louisiana Purchase. Louisiana, het gebied tussen de Mississippi en de Rocky Mountains, was tot 1802 eigendom van Spanje. De Amerikanen vonden dat best. Zij hadden nog ruimte genoeg en Spanje was geen bedreiging. Maar in 1802 kocht Napoleon Louisiana omdat hij er een sterk Frans imperium wilde stichten. Jefferson schrok en stuurde gezanten naar Parijs. Toen die daar arriveerden bleek dat Napoleon zijn belangstelling voor Louisiana al weer verloren had. De Franse dictator deed het enorme gebied, een derde deel van de huidige VS, voor 15 miljoen dollar van de hand.

De aankoop van Louisiana betekende niet dat de blanke Amerikanen zich zomaar overal konden vestigen. Ze hadden namelijk niet alleen met de Europese grootmachten te maken, maar ook met de Indianen. Die waren natuurlijk lang niet altijd bereid plaats te maken voor de blanke indringers. In de jaren 1780 slaagden de VS er nog in de Indianen zonder oorlog terug te dringen. Indianen­stammen werden geprest grond te verkopen of ver­dragen te sluiten waarbij land vrijkwam voor blanke kolonisten. Zo verkregen de VS gebied in het westen van Pennsylvania, het zogenoemde upstate New York, en ten zuiden van de Ohio‑rivier. Die successen leidden tot groot optimisme. De blanken gingen geloven dat niets hun verdere opmars kon verhinderen. Met ontembare gretig­heid, zonder respect voor Indiaanse rechten, stort­ten ze zich op het Noordwest Territorium. De Indianen daar lieten dit echter niet over hun kant gaan. Zij vermoordden pioniers die zich te ver waagden. Toen de Amerikanen met hulp van het leger een stad in het territorium wilden stichtten, kwam het zelfs tot complete veldslagen. In één van die veldslagen brachten de Indianen het Ameri­kaanse leger de grootste nederlaag toe die het ooit op het eigen continent leed: zeshonderd militairen sneuvelden. Pas toen het leger drie jaar later terug­sloeg, konden de VS de stamhoofden tot verdragen dwingen. De Indianen stonden het grootste deel van het Noordwest Territorium af, maar bleven zich in de daaropvolgende jaren verzetten. Pas in 1813 kon het Amerikaanse leger het verzet in het Noordwesten neerslaan.

Technische vooruitgang

Het Amerikaanse leger was tegen de Indianen in het voordeel door zijn technische superioriteit. De Indianen hadden geen vuurwapens, terwijl de Amerikanen beschikten over het modernste wapentuig. Zo had de uitvinder Eli Whitney een simpele maar doeltreffende techniek ontwikkeld om in korte tijd grote aantallen wapens te maken. Tot dan toe moesten onderdelen met de hand pas­send worden gemaakt. Whitney bedacht het prin­cipe van de verwisselbare onderdelen, waarmee machinaal in korte tijd duizenden precies dezelfde exemplaren vervaardigd konden worden. Hij stond hiermee aan de wieg van de industriële massaproduktie. Een andere uitvinding van Whitney was de cotton gin uit 1793. De Britse tex­tielindustrie had aan het eind van de achttiende eeuw grote behoefte aan katoen. Er waren machi­nes ontwikkeld waarop katoenvezels konden wor­den gesponnen en geweven. Maar katoen was moeilijk te krijgen. Het klimaat en de bodem in het zuiden van de VS waren geschikt voor katoen­teelt, maar het was een lastig karwei de spinbare vezels te scheiden van de kleverige zaden. De cot­ton gin loste dit probleem in één keer op. Mét dit apparaat kon één man per dag evenveel vezels schoonmaken als vijftig man zonder. De katoen-produktie werd hierdoor vele malen goedkoper.

 

Whitney was beslist niet de enige uitvinder. In de jaren 1790-1800 werden in de VS bijna 300 uit­vindingen geregistreerd. Sommige uitvinders waren beroemdheden, zoals Oliver Evans. Evans maakte een volledig automatische meelmolen en ontwikkelde daarna een hoge-drukstoommachine, die model zou staan voor de stoomlocomotief. De ideeën van de uitvinders bevorderden de sociaal-economische ontwikkeling maar waren vaak toch heel simpel. Technische vooruitgang was nog niet het werk van hoog-gespecialiseerde wetenschappe­lijke teams, maar van individuele amateurs. Evans woonde bij zijn ouders op de boerderij toen hij zijn meelmolen ontwikkelde. Met zulke uitvinders kon de gewone Amerikaan zich identificeren. Het werden volkshelden, aan wie velen een voorbeeld namen. De uitvindingen gaven de Amerikanen het optimistische gevoel dat zij hun natuurlijke omge­ving steeds beter zouden beheersen.

Een terrein waarop uitvindingen grote gevolgen hadden, was dat van het vervoer. Rond 1815 zorgde het stoomschip voor een ware revolutie. De eerste stoomboten waren aan het eind van de acht­tiende eeuw gebouwd. Maar de stoomboot werd pas commercieel aantrekkelijk toen de ingenieur Robert Fulton in 1807 met een schip met schep­raderen in 32 uur een afstand van 250 kilometer aflegde. Dat was een enorme verbetering ten opzichte van de tot dan toe bereikte resultaten. De stoomboten gingen het vervoer over grote afstan­den beheersen. In 1825 kwam het 600 kilometer lange Ene-kanaal gereed, dat New York met de Grote Meren verbond. Dankzij dit druk bevaren kanaal werd New York de grootste Amerikaanse havenstad. Het succes van het Ene-kanaal leidde tot de aanleg van duizenden kilometers kanaal elders in de VS.

Van ruilhandel naar markt­economie

De ontwikkeling van techniek en vervoer bevor­derde de commercialisering van de landbouw. Tot ongeveer 1800 werkten de boeren nog net zo als hun voorouders. Ze produceerden voor hun eigen levensonderhoud. Het weinige dat ze overhielden probeerden ze te slijten in de general store, een soort buurtwinkel waar je spek, maïs, kaas of wat je maar kwijt wilde, kon verruilen voor braad­pannen, strijkijzers, spijkers en whisky. Het was voornamelijk ruilhandel. Geld kwam er bijna niet aan te pas. De semi-autarkische dorpen en regio's hadden nauwelijks contact met de buitenwereld. De nieuwe kanalen brachten hier verandering in. Nu het transport eenvoudiger werd, gingen meer boeren voor de markt produceren. Landbouwbe­drijven specialiseerden zich. Die in het Westen begonnen met grootschalige graanverbouw, die in het Noordoosten gingen over op veeteelt en tuin­bouw, en die in het Zuiden richtten zich op ka­toenteelt.

De commerciële landbouw droeg bij aan drie ontwikkelingen:

1 Het ontstaan van industrieën, die landbouwpro­dukten als grondstof gebruikten, zoals de schoen­en de textielindustrie.

2 De groei van middengroepen als handwerkslie­den en handelaren.

3 Een groeiend contact tussen de regio's.

De belangrijkste industriële sector in de eerste helft van de negentiende eeuw werd de textielindustrie. Tot 1800 droegen de Amerikanen bijna uitsluitend door huisnijverheid gemaakte kleren. Alleen de rij­ken bestelden hun kleding bij kleer- en schoenma­kers. Na 1800 maakten de huisnijverheid en de ambachtelijke nijverheid van zelfstandige meesters en hun knechts geleidelijk plaats voor loonarbeid. In New England en de mid-Atlantic schoten de textiel- en schoenfabriekjes als paddestoelen uit de grond. Tegen 1820 werkte ruim een kwart van de arbeiders in deze kleine fabrieken en niet langer in de huisnijverheid. In de fabriekjes lieten de onder­nemers een of meer deelbewerkingen, zoals spin­nen en weven, machinaal uitvoeren. De rest van het produktieproces besteedden ze uit aan huisar­beidsters. Maar na 1810 verrezen ook de eerste grote textielfabrieken, die zelf ruwe katoen ver­werkten tot volledig afgewerkte kleding. De fa­briekscomplexen in Waltham en Lowell (in de noordelijke deelstaat Massachusetts) waren de eer­ste ter wereld die het hele produktieproces van ruwe vezel tot kant-en-klare confectiekleding bin­nen de eigen muren afwerkten. Door de textiel­industrie en de commerciële landbouw werd het isolement van de voorheen vrijwel volledig gescheiden regio's doorbroken. De verschillende streken van de VS werden steeds meer van elkaar afhankelijk. Het Zuiden leverde katoen voor de textielindustrie in het Noordoosten, het Westen verkocht voedsel en het Noordoosten voorzag de rest van het land van industriële produkten. Deze toenemende economische integratie stimuleerde de groei van middengroepen. Handelaren uit het Noorden zorgden ervoor dat de produkten van de westelijke boeren en de zuidelijke plantagehouders bij de afnemers terechtkwamen. Handwerkslieden kregen een klantenkring in de opkomende steden.

Commerciële boeren

Welke gevolgen hadden de sociaal-economische ontwikkelingen voor de verschillende bevolkings­groepen? En hoe reageerden die groepen erop?

In dit hoofdstuk kijken we speciaal naar de boeren en de zwarten.

De meeste boeren ervoeren de commercialisering als positief. De Amerikaanse boeren wilden hun produkten graag verhandelen, maar specialisatie leverde grote risico's op. De markt was door de geringe geldomloop en de slechte wegen nog erg primitief; zoals je gelezen hebt kwamen de meeste boeren dan ook niet veel verder dan wat ruil­handel. Toen de mogelijkheden beter werden, gre­pen velen die aan. Maar je moet je geen overdre­ven voorstelling maken van de snelheid waarmee de landbouw veranderde. In 1820 was nog twee derde van de agrarische produktie in de VS bestemd voor eigen gebruik.

De ondernemingszin van de blanke bevolking leid­de wel tot enorme mobiliteit. Sinds de Onafhan­kelijkheidsoorlog verhuisde jaarlijks zo'n vijf à tien procent. De helft daarvan ging naar een ande­re deelstaat. Veel boeren verkochten hun grond in het Oosten aan nieuwkomers en trokken zelf ver­der naar het Westen. Aan het eind van de acht­tiende eeuw waren vooral upstate New York en de latere deelstaten Kentucky en Tennessee, vlak ach­ter de Appalachen, populaire bestemmingen. Een generatie later waren deze streken van bestem-minmg geworden tot vertrekpunt voor nieuwe gol­ven kolonisten, die nog verder naar het Westen trokken. Zo schoof de frontier snel op. Je moet je de frontier dan ook niet voorstellen als een vaste grens. Hij leek eerder op de vloedlijn van de zee. Het was de schuimrand die de uiterste lijn aangaf tot waar de golven der menselijke branding waren gekomen. Daar ontstond een eerst nog dun be­volkte samenleving van pioniers. De voorhoede van de vloedgolf die het continent overspoelde, werd gevormd door pelsjagers. Deze ruige gelukzoekers schuimden met een geweer en een karig gevulde rugzak als eersten de wildernis af. In hun voetspoor volgde het leger, dat vooruitge­schoven forten bouwde van waaruit de omgeving verdedigd werd tegen de Indianen. Al snel arri­veerden de eerste boeren. Met paard en wagen, op vlotten of lopend legden zij honderden kilometers af, koeien, varkens, schapen, kippen, ploegen, bij­len en hooivorken met zich meevoerend. Vooral de eerste weken op de nieuwe grond waren zwaar. Er moesten bomen gekapt worden, een blokhut ge­bouwd en op de opengemaakte plek moesten een moestuin, een akker en een lap grond voor het vee gereedgemaakt worden.

Het leven aan de frontier

De frontier-samenleving zat, net als de Amerikaanse samenleving als geheel, vol tegen­strijdigheden.

Ten eerste stimuleerde zij zowel individualisme als gemeenschapszin. De pelsjagers en boeren waren grotendeels op zichzelf aange­wezen. Zij waren er trots op dat zij met eigen han­den uit het niets een bestaan opbouwden en leid­den, teruggetrokken in afgelegen hutten en boerderijen, een geïsoleerd bestaan. Toch waren ze wel degelijk ook op elkaar aangewezen. Niemand kon zich helemaal op eigen houtje staande hou­den. De pioniers hielpen elkaar bij de verdediging tegen de Indianen, de bouw van boerderijen en schuren en het binnenhalen van de oogst.

In de tweede plaats bood de frontier gelijke kan­sen, maar werd het gelijkheidsideaal er ook onder­graven. Onder de pioniers heerste gelijkheid, door­dat allen zelfstandig waren en met eigen handen een nieuw bestaan opbouwden. Bij die zware arbeid kon niemand worden gemist. Vrouwen werkten net zo hard mee als mannen. Maar aan de frontier heerste ook het recht van de sterkste. Er was nauwelijks een overheidsapparaat dat de menselijke hartstochten in bedwang hield en de zwakken beschermde tegen willekeur en over­macht. De frontier was het jachtterrein van grondspeculanten, die in lege gebieden grote stuk­ken land kochten — alle woeste grond moest eerst worden gekocht van de overheid — en tegen woekerprijzen doorverkochten.

In de derde plaats bracht de frontier economische ontwikkeling, maar ook grootscheepse verspilling van natuurlijke hulpbronnen. Het land was zo groot dat de boeren en jagers het gevoel hadden dat het niet op kon. Ze deden dan ook niets om de grond voor uitputting te behoeden. Als de grond uitgeput was, trokken ze wel weer verder, treurige kale vlaktes achterlatend waar een paar jaar tevo­ren wouden en prairies hadden gelegen.

Slaven

Het vrije leven van de blanken stond in schril con­trast met het geketende bestaan van de zwarten. Slechts tien procent van de zwarten was vrij. De rest was slaaf. Na de Onafhankelijkheidsoorlog leek de slavernij ten dode opgeschreven, ook in het Zuiden. De teelt van tabak en rijst, waarvoor sla­ven gebruikt werden, was zelden nog winstgevend en veel eigenaren lieten hun slaven gaan. Maar de cotton gin maakte hieraan een eind. De katoen-produktie groeide gigantisch: van 3000 balen in 1790, tot 100 000 in 1800 en 400 000 in 1820. Toch bleef de katoenprijs stijgen, want de vraag nam nog sterker toe. De zuidelijke economie werd op de katoenteelt gericht. En hierdoor werd het Zuiden weer afhankelijk van de slavernij. Voor het zware werk op de katoenplantages werden name­lijk massaal slaven ingezet. Daarvoor waren geen blanken te vinden. Al in 1800 werkten verreweg de meeste slaven in de katoen, een minderheid was huishoudelijke hulp of arbeider op een suiker- of rietplantage. Tot 1808 importeerden plantagehou­ders massaal slaven uit Afrika om het verlies aan arbeidskrachten uit de voorgaande jaren goed te maken. Daarna was de import verboden en moes­ten ze hun slaven kopen op de binnenlandse markt. Toch bleef het aantal slaven snel stijgen doordat slaven bewust `gefokt' werden. Vruchtba­re jonge slavinnen waren gewilde handelswaar. Een planter vertelde aan een buitenlandse bezoe­ker dat `bij ons evenveel aandacht wordt besteed aan het fokken en grootbrengen van zwarten als aan dat van paarden en muilezels. We fokken zo­wel voor eigen gebruik als voor de markt. Planters bevelen hun meisjes en vrouwen (getrouwd of ongetrouwd) kinderen te krijgen; ik heb heel wat negermeisjes gekend die verkocht werden, omdat ze geen kinderen hadden. Een vruchtbare vrouw is een zesde tot een vierde meer waard dan een die geen kinderen krijgt'.

Een dergelijke uitspraak laat zien dat slaven niet werden beschouwd als mensen maar als bezit. In de zuidelijke deelstaten werd dit ook vastgelegd in de wet. Slaven waren rechteloos. Ze mochten niet reizen zonder toestemming van hun meester, niet trouwen voor de wet en konden niet voor de rechtbank tegen een blanke getuigen. Ook vrije zwarten werden gediscrimineerd. Zij mochten in veel deelstaten net zo min als slaven bezit hebben, wapens dragen, onderwijs volgen of tegen blanken getuigen. In het Noorden was de wetgeving soepe­ler, maar ook daar werden ze gediscrimineerd. Ze werden geweerd uit `blanke' schouwburgen, par­ken, kerken en woonwijken en kwamen hotels en restaurants alleen in als bediende.

spread of slaverny 1808-1860

Het leven van de meeste slaven bestond uit wer­ken, werken en nog eens werken, 'from sun to sun'. Vóór de dageraad werden ze gewekt, om zodra de zon opkwam aan de slag te gaan en pas na zonsondergang te stoppen. Als ze zich niet genoeg inspanden, konden ze tot bloedens toe worden geranseld. Een normaal gezinsleven was vaak onmogelijk. Het was de gewoonste zaak van de wereld dat mannen, vrouwen en kinderen van elkaar werden gescheiden doordat een aantal van hen werd verkocht of verhuurd aan een andere sla­venhouder, die vaak honderden kilometers verder­op woonde. De handel was een van de meest weer‑zinwekkende aspecten aan de slavernij. Wie door het Zuiden reisde had goede kans een slaventrans­port tegen te komen. Groepjes aan elkaar geketen­de mannen, vrouwen en kinderen werden in de brandende zon blootvoets en met onbedekt hoofd naar de marktplaatsen gedreven. Daar werden ze in cellen gezet, waar ze gedwongen werden te zin­gen en te dansen om gezond en opgewekt te lijken. Op de dag van de verkoop werden ze opgedoft en tentoongesteld, zodat kopers hen konden onder­vragen en betasten.

Aanpassing en verzet

Ondanks hun vreselijke lot kwamen maar weinig slaven openlijk in opstand. Gewelddadig verzet was kansloos. De zwarten waren een minderheid, zelfs in het Zuiden, hadden geen wapens en kon­den zich moeilijk organiseren doordat ze geïso­leerd op de plantages leefden. Bovendien werd opstandig gedrag gruwelijk bestraft. Rebellen wer­den opgehangen, gebrandmerkt of kregen in het gunstigste geval met de zweep. Dat er weinig openlijk verzet was, betekende niet dat de zwarten tevreden waren. Hun houding werd gekenmerkt door inschikkelijkheid, wantrouwen en verhulde opstandigheid. Als een meester vriendelijk was of zijn slaven beloonde, viel dat lang niet altijd in goede aarde. Slaven dachten al gauw dat hun eige­naar alleen de bedoeling had hen harder te laten werken. Op de plantages waren lijdzaam verzet en sabotage aan de orde van de dag. Slaven maakten `per ongeluk' werktuigen kapot, veinsden ziekte, deden alsof ze instructies niet begrepen en lieten hun werktempo zakken zodra ze even niet op de vingers gekeken werden. Sommige wanhopigen pleegden zelfmoord, anderen vluchtten. Toch gedroegen de zwarten zich niet volledig passief. Om hun zelfrespect te behouden, hielden ze een eigen cultuur in stand. Een van de belangrijkste onderdelen daarvan was het geloof. Ze namen het christendom van hun meesters over, maar gaven er een andere inhoud aan. Blanke dominees vertelden dat God wilde dat ze hun juk lijdzaam droegen en hun meesters gehoorzaamden. Maar voor de zwar­ten werd het geloof een bron van steun en verzet. Ze geloofden dat ze later in de hemel vrij zouden zijn en hun eigenaars zouden branden in de hel. Ze baden om bevrijding. Hun God was een rechtvaar­dig God. Voor die God waren, zoals in de bijbel stond, alle mensen gelijk. Hij zou de zwarten `uit het diensthuis leiden', zoals hij vroeger het volk Israëls uit de slavernij in Egypte geleid had. Met hartstochtelijk meegezongen spirituals als Go down Moses gaven zwarten uiting aan dit geloof. Hun kerkdiensten waren een en al gejubel. Behalve in de religie vonden ze ook steun in hun Afri­kaanse cultuur. Met kleurige kleding, dreadlocks en voor blanken onnavolgbare muziek en dans hielden ze hun groepsbesef in stand. Ze richtten ook eigen organisaties op, zoals de African Methodist Episcopal kerken. De eerste van deze kerken werden gesticht door vrije zwarten die in blanke kerken geen volwaardige plaats kregen en er soms gewoon uit verwijderd werden. Vanuit de kerken ontstonden weer andere zwarte organisa­ties, zoals scholen en culturele instellingen. De meeste slaven konden de zwarte kerken niet bezoe­ken. Toch werden ook op plantages netwerken opgezet voor onderlinge steun. Al met al waren de eigen cultuur en de onderlinge hulporganisaties een wezenlijk onderdeel van de zwarte overle­vingsstrategie.

En de blanken? Hoe stonden zij tegenover de sla­vernij?

Lang niet alle blanken in het Zuiden profi­teerden ervan. Driekwart bezat geen slaven, ruim een kwart had niet eens eigen grond. Sommige blanken waren in materieel opzicht slechter af dan de slaven, die in elk geval van hun meesters te eten en te drinken kregen. Toch ontstond er geen coali­tie van arme blanken en slaven. Daarvoor waren de rassentegenstellingen te sterk. Slavenhouders rechtvaardigden zich door te ontkennen dat zwar­ten volwaardige mensen waren. Zij noemden de zwarten van nature lui en geestelijk minderwaar­dig. De Onafhankelijkheidsverklaring, volgens welke alle mensen als gelijken geschapen zijn, was in hun ogen niet op de zwarten van toepassing. Dit racisme werd het cement dat rijke en arme blan­ken in het Zuiden bond. Er waren wel spanningen, maar die kwamen niet tot uitbarsting, omdat de gemeenschappelijke angst en afkeer voor de zwar­ten sterker was.

Eén of verdeeld?

Tot slot van dit hoofdstuk stellen we de vraag of de VS rond 1800 één of verdeeld waren. Het ant­woord hierop is een kwestie van interpretatie. De Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 en de grondwet van 1787 gaven het land een zekere politieke eenheid. Maar die eenheid werd onder­graven door nieuwe ontwikkelingen. Met name de economische dynamiek leidde tot verdeeldheid. De samenleving werd in gevaar gebracht door indivi­dualisme, landhonger en winstbejag. Die onder­groeven gemeenschappelijke opvattingen over goed en kwaad en leidden tot politieke conflicten en ruzies over de verdeling van de grond. Rijke handelaren en speculanten kwamen tegenover arme boeren te staan, zuidelijke slavenstaten tegenover noordelijke slavenvrije staten. Conflic­ten waren er niet alleen tussen blanken onderling. De blanken als groep stonden lijnrecht tegenover de zwarten en Indianen. Die twee groepen werden in feite helemaal buiten de natie gehouden. De burgerrechten golden niet voor `roodhuiden' en zwarten. Zeker, de blanke boeren kenden, in het Noorden althans, een grote mate van gelijkheid. Maar het ideaal van de yeoman farmer verhulde tevens de grote ongelijkheid die in toenemende mate óók kenmerkend was voor de Amerikaanse maatschappij. Uiteindelijk zou het meest grove systeem van ongelijkheid, de slavernij, de natie helemaal splijten.

 Zie verder deel 2