We hebben 110 gasten online

CSE VS 1933-1974

Gepost in V.S.

CSE De VS 1933-1974

I De staatsrechtelijke verhoudingen

a De grondwet en de machten

vlag vs

De staatsrechtelijke verhoudingen in een democratisch land zijn neergelegd in een grondwet of constitutie. De constitutie van de Verenigde Staten is de oudste van de wereld. Ze kwam tot stand in 1787 en functioneert nog steeds. In de loop van de jaren is er wel een aantal artikelen aan toegevoegd.

De samenstellers van de grondwet gingen uit van de opvattingen van Engelse denkers als John Locke en van Franse filosofen als Rousseau en Montesquieu, die elke vorm van vorstelijk absolutisme afwezen.

Om de overheersing door één macht te voorkomen moest er een strenge schei­ding bestaan tussen de wetgevende, de uitvoerende of bestuurlijke macht en de rechterlijke macht.

De wetgevende macht kwam in handen van de volksvertegenwoordiging, die in de Verenigde Staten Congres wordt genoemd. Hoe moest dit Congres echter ge­kozen worden?

zicht op het capitool

De Verenigde Staten, de naam zegt het, bestaan uit vele staten, waarvan som­mige veel inwoners hadden en andere maar weinig. De meeste kiezers kwamen uit de grote staten en de kans bestond dat deze grote staten de kleine zouden kunnen overheersen. De opstellers van de grondwet vonden een even eenvoudi­ge als doeltreffende oplossing. Het Congres zou bestaan uit twee lichamen, de Senaat en het Huis van Afgevaardigden. De kiezers van iedere staat kiezen voor hun staat twee afgevaardigden (senatoren) voor de Senaat. Op het ogenblik be­staat de Senaat uit 100 leden (van 50 staten). Zij wordt voor zes jaar gekozen, maar om de twee jaar treedt eenderde van hen af. De vice-president is voorzitter. De Senaat heeft grote invloed op de buitenlandse politiek. Hij moet alle verdra­gen en vredes met buitenlandse staten goedkeuren (daar is een tweederde meer­derheid voor nodig). Zijn macht komt verder tot uitdrukking in het recht be­noemingen goed te keuren: alle belangrijke benoemingen (ook die van ministers en leden van het Hooggerechtshof) door de president moeten daarna door de Senaat goedgekeurd worden.

Het Huis van Afgevaardigden bestaat sinds 1929 uit 435 afgevaardigden. Iedere staat heeft tenminste één afgevaardigde. De verdeling van de overige zetels over de staten vindt plaats naar inwonertal. 

De belangrijkste bevoegdheden van het Huis van Afgevaardigden liggen op het binnenlands terrein. Het Huis heeft onder meer het budgetrecht, d.w.z. het recht begrotingen goed te keuren, te wijzigen of af te keuren. Het heeft ook het recht belastingwetten voor te stellen. Verder hebben zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden het initiatiefrecht, d.w.z. het recht om wetten voor te stellen.

Het Congres vergadert in het Kapitool te Washington. Het koepelvormige dak wordt gekroond door een vrijheidsbeeld.

De uitvoerende macht berust bij de president, die voor vier jaar wordt gekozen. In 1961 is in de grondwet opgenomen dat hij niet meer dan één keer kan worden herkozen.

De president wordt niet rechtstreeks gekozen maar door kiesmannen, 538 in ge­tal. In elke staat worden evenveel kiesmannen gekozen als het totaal aan leden van de staat in Senaat en Huis van Afgevaardigden. De aantallen verschillen dus per staat heel sterk. Drie kiesmannen worden daarnaast gekozen door de hoofdstad Washington, gelegen in het `District of Columbia´. De partij die in de staat de meerderheid haalt beschikt daarna over de stemmen van alle kiesmannen (bij bijvoorbeeld 23 Republikeinse en 14 Democratische kiesman­nen vallen alle 37 stemmen van de staat toe aan de Republikeinse partij). De verkiezing van kiesmannen wordt in de VS presidentsverkiezing genoemd, om­dat na afloop al vaststaat wie president zal worden. Pas enkele maanden later wordt de president officieel door de kiesmannen gekozen.

Bij zijn ambtsaanvaarding legt hij de volgende eed af in handen van de opper­rechter, d.w.z. voorzitter van het Hooggerechtshof: `Ik, (volgt de naam), zweer plechtig dat ik getrouw het ambt van de president van de Verenigde Staten zal vervullen en met heel mijn vermogen de grondwet der Verenigde Staten zal be­waren, beschermen en verdedigen´. 

De bevoegdheden van de president zijn erg groot. Hij is staatshoofd en tegelijk regeringsleider. Bovendien is hij de leider van de politieke partij waartoe hij behoort.

presidentiele zegel

Kort samengevat bestaat zijn macht uit:

• uitvoering van wetten, die voor het hele land gelden;

• vetorecht tegenover de wetten die door het Congres zijn aangenomen. Wan­neer het Congres dezelfde wet opnieuw aanneemt, maar nu met een tweederde meerderheid, moet de president de wet ondertekenen. We noemen dit het op­schortend vetorecht van de president;

• opperbevelhebber van de strijdkrachten;

• hoofd van de internationale betrekkingen (dus leider van de buitenlandse politiek);

• benoemingsrecht voor alle belangrijke regeringsambten. De Senaat moet de­ze benoemingen later goedkeuren;

• partijleider.

De president woont in het Witte Huis in Washington. Dit gebouw is tegelijk het centrum van de uitvoerende macht.

De beperkingen van de president zijn:

• hij moet gekozen of herkozen worden en is dus afhankelijk van de steun van de kiezers;

• zijn benoemingen moeten door de Senaat worden goedgekeurd;

• het Congres kan zijn voorstellen afwijzen;

• hij kan in geval van `verraad, omkoperij of andere ernstige misdrijven en wanbedrijven in staat van beschuldiging worden gesteld en zelfs afgezet.

De ministers (staatssecretarissen genoemd) worden door de president benoemd en ontslagen. Zij zijn aan hem verantwoordelijk en niet aan het Congres (er bestaat dus geen ministeriële verantwoordelijkheid). Verder worden de meeste presidenten bijgestaan door adviseurs, die dikwijls grote politieke invloed hebben.

Het Congres vormt het sterkste tegenwicht tegen de macht van de president, maar de meeste presidenten zagen wel kans het Congres naar hun hand te zet­ten. Zij deden ijverig aan lobbyen (de lobby is de wandelgang van een parle­mentsgebouw). Voordat belangrijke beslissingen worden genomen, vinden al­lerlei vertrouwelijke gesprekken plaats met parlementsleden om hen tot het ei­gen standpunt over te halen. De presidenten waren daar telefonisch vanuit het Witte Huis vaak heel bedreven in. Belangrijke zaken waren dikwijls al beslist voordat er in het Kapitool over werd gestemd.

De derde macht na de wetgevende en de uitvoerende is de rechterlijke macht. Boven de federale rechtbanken en boven die van de afzonderlijke staten, staat het Hooggerechtshof, dat uit negen leden bestaat. Deze leden worden door de president voor het leven benoemd en nemen daardoor tegenover de andere machten een onafhankelijke functie in. De voorzitter wordt opperrechter genoemd.

Politiek is het Hooggerechtshof belangrijk door het toetsingsrecht dat het be­zit. Alle wetten, zowel de federale als die van de afzonderlijke staten, kunnen door het Hooggerechtshof worden getoetst aan de grondwet. Wanneer het hof vindt dat zij daarmee in strijd zijn, worden ze nietig verklaard.

In de Amerikaanse grondwet is consequent de machtenscheiding volgens de leer van Montesquieu doorgevoerd. De wetgevende, de uitvoerende en de rechterlij‑

ke macht zijn onafhankelijk van elkaar en oefenen toch toezicht op elkaar uit. Dit is het ingewikkelde systeem van ´checks and balances´, het elkaar controle­ren en in evenwicht houden van de machten.

b Politieke partijen

De politieke geschiedenis van de VS wordt bepaald door twee grote partijen, de Republikeinse Partij en de Democratische Partij. Partijnamen zeggen niet veel want beide partijen zijn zowel republikeins als democratisch. Er is ook meer overeenkomst dan verschil tussen beide partijen. Ze hebben ook geen vaste pro­gramma´s die het vergelijken gemakkelijk maken. Daar komt nog bij dat beide partijen een rechter- en een linkervleugel hebben. Zo zijn de Democraten in het zuiden vrij conservatief en tegen de burgerrechten voor negers.

—´Sociaal indelende, ziet men over het algemeen wel de hogere klassen in het Republikeinse kamp vertoeven, terwijl men ook mag zeggen dat de Republikei­nen domineren op het platteland (behalve in het zuiden). De arbeiders daaren­tegen zijn meest Democratisch en de grote vakbonden steunen meestal officieel de kandidaten van de Democratische Partij. Ook onder de steeds belangrijker wordende stemgroep van de negers zijn de Democraten favoriet [...1 Men moet eveneens de aanwezigheid van de meeste intellectuelen in het Democratische kamp toeschrijven aan het optreden van Roosevelt, die zich zo sterk liet advise­ren door mensen van de universiteiten. In het zakenleven daarentegen zijn de Republikeinen weer het belangrijkst. Behalve een maatschappelijke indeling kan men er ook één maken naar religieuze of etnische factoren. De oude groe­pen protestanten zijn gemiddeld veelal Republikeins, maar onder de kleinere sekten en onder de katholieken (dus weer groepen waar men de kleine mensen vindt) overheersen de Democraten´. 

Kort samengevat:

Democraten

Republikeinen

• veel in het zuiden

• veel in het noorden

• voor rechten afzonderlijke staten

• voor sterk centraal gezag

• steun van vakbonden, arbeiders,

• steun van hogere klassen en za‑

negers en intellectuelen

kenmensen

• aanhang veelal in steden

• aanhang vooral op het platte‑

 

land (behalve in het zuiden)

• veel katholieken en godsdienstige

• veel protestanten

minderheidsgroepen

 

• veel jonge immigranten

• oudere groepen immigranten

• meer internationaal gericht

• neiging tot isolationisme

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonder levendig zijn de voorbereidingen van de partijen voor een presidents­verkiezing. Iedere partij wijst daarvoor haar kandidaat aan, maar daar gaat een heel proces aan vooraf. Eerst worden er in ongeveer 25 staten voorverkiezingen of´primaries´gehouden. Daar wordt de voorkeur voor een bepaalde kandidaat uitgesproken en worden de afgevaardigden gekozen voor de landelijke partij­conventie. Op deze partijconventie moet uiteindelijk dé kandidaat van de partij voor het hele land worden gekozen. Elke staat beschikt overeenkomstig haar inwonertal over een bepaald aantal stemmen. Er heerst op zo´n partijconventie een kermisachtige drukte: ieder staat op eigen wijze propaganda te maken voor de eigen kandidaat. Daar hoort muziek en zang bij, dans en toneel en allerlei andere showelementen: toeters, fluiten, mutsen, enz.

Door de ´primaries´ is al ongeveer bekend welke kandidaat de beste kansen heeft. Sommige staten geven hun afgevaardigden een bindend mandaat mee, d.w.z. zij zijn gebonden aan de uitspraak van de kiezers. Dit mandaat geldt echter alleen voor de eerste stemming.

 De hele procedure van de presidentsverkiezingenduurt , vanaf de eerste voorverkiezingen tot de inauguratie (de ambtsaanvaarding), een vol jaar. In dat jaar is de zittende president nauwelijks in staat belangrijke zaken op touw te zetten. De Amerikaanse politiek is zozeer met de verkiezingen be­zig dat ze gemakkelijk vergeet wat er verder in de wereld gebeurt.

c De verhouding tussen de federale regering en die van de deelstaten

Bij het ontstaan van de Verenigde Staten gingen dertien zelfstandige staten een samenwerkingsverband aan. Iedere staat had zijn eigen volksvertegenwoordi­ging en eigen bestuur met aan het hoofd een gouverneur. Vanaf het begin was er strijd tussen hen, die voorstanders waren van een grote macht van de cen­trale of federale regering (d.w.z. de regering over het hele land) en de anti­federalisten, die voorstanders waren van een zo groot mogelijke macht van de afzonderlijke staten. Nauwkeurig werd vastgesteld hoe de bevoegdheden ver­deeld zouden worden. De federale regering heeft onder meer tot taak:

• het regelen van de buitenlandse betrekkingen, het sluiten van verbonden;

• het verklaren van oorlog en het sluiten van vrede;

• alle zaken van leger en vloot;

• het heffen van belastingen en het sluiten van leningen, het slaan van mun­ten en het regelen van het postverkeer;

• —´Op grond van hun eigen soevereine rechten oefenen de staten toezicht uit op de plaatselijke bestuursorganen, de politie, het onderwijs, de dienst voor de volksgezondheid, het welzijn en de veiligheid van de bevolking, het juridisch apparaat en het uitvaardigen van wetten, zowel op civiel als op straf­rechtelijk gebied en hebben zij zeggenschap over de arbeidswetgeving en het verlenen van rechtspersoonlijkheid aan ondernemingen´ (3)

Een afzonderlijke staat mag echter geen wetten maken die in strijd zijn met de wetten die voor het hele land gelden.

De officiële naam van het land is ´United States of America´ (USA) en daarin komt tot uitdrukking dat er `staten´(meervoud) zijn. Toch heeft de grondwet het land tot een bondsstaat gevormd en niet tot een statenbond.

De kenmerken van een bondsstaat zijn:

a een aantal staten gaat op verschillende terreinen een nauwe samenwerking aan die voor onbepaalde tijd geldt;

b zij vormen daardoor een hechte eenheid;

c naast de regeringen van de afzonderlijke staten is er een centrale regering met grote bevoegdheden die de gemeenschappelijke belangen behartigt;

d deze gemeenschappelijke belangen bestaan niet uitsluitend uit externe za­ken, zoals buitenlandse verhoudingen, oorlog en vrede, handel en verkeer, en­zovoort, maar ook uit interne zaken, d.w.z. zaken die het binnenlands bestuur betreffen.

Een statenbond daarentegen bezit geen sterke eenheid met een krachtig cen­traal bestuur. De afzonderlijke staten blijven veel meer zelfstandig dan bij een bondsstaat het geval is. Op het gebied van de buitenlandse politiek werkt men als een eenheid samen

II Roosevelt tegenover crisis en oorlogsgevaar

 a Roosevelts New Deal-politiek

In 1932, op het dieptepunt van de economische crisis, werd de Democraat Roosevelt tot president gekozen. Men koos hem, omdat men geloofde dat hij in staat was het volk uit het diepe dal te trekken. Franklin Delano Roosevelt was al op jonge leeftijd senator en onder president Wilson was hij ondermi­nister van marinezaken. In 1921 werd hij getroffen door kinderverlamming, waardoor hij gedeeltelijk verlamd bleef. Zijn grote wilskracht bracht hem er weer bovenop, hoewel hij nooit meer alleen zou kunnen staan of lopen. Toch ging hij weer in de politiek en in 1928 werd hij gekozen tot gouverneur van de staat New York.

Wat de mensen in Roosevelt aantrok was zijn warme menselijkheid. Als presi­dent hield hij later zijn `praatjes bij de haard´voor de radio, ongedwongen alsof hij bij de mensen in de huiskamer zat.

In de verkiezingsstrijd van 1932 bood Roosevelt geen kant en klare oplossing voor de moeilijkheden. Wel sprak hij de beroemd geworden zin: `Ik wijd u en mijzelf aan een nieuwe aanpak (New Deal) voor het Amerikaanse volk´.  Hoe deze aanpak er uitzag wist hij nog niet. Bij zijn ambtsaanvaarding in 1933 zei hij onder meer:

´Wat het volk nodig heeft - en wanneer ik zijn stemming goed beoordeel, zelfs eist - is moedig en volhardend experimenteren. Het getuigt van een ge­zond mensenverstand nieuwe methoden te proberen. Als een methode mislukt, moet men dat openlijk toegeven en een andere proberen. Men mag echter niet werkloos toekijke´. 

Deze uitspraak is typerend voor Roosevelt. Ze stemt overeen met een andere bij zijn ambtsaanvaarding:

— ´Het enige, dat we hebben te vrezen, is de vrees zelf. [...] Het volk vraagt om daden, om daden nu. Onze eerste taak is de mensen weer aan het werk te krijgen. [...] We moeten handelen, we moeten vlug handele´. 

In 1933 kon Roosevelt met zijn ´New Deal´ beginnen. Als de belangrijkste ta­ken zag hij: bestrijding van de werkloosheid en herstel van de koopkracht. Om de koopkracht te vergroten zouden de mensen over meer geld moeten be­schikken. Roosevelt maakte daarom de geldhoeveelheid groter, d.w.z. hij liet le gelddrukpersen draaien. Daardoor verminderde wel de waarde van het geld. De dollar daalde tot 60% van zijn waarde. Het gevolg was dat alles luurder werd: boeren en ondernemers kregen nu meer geld voor hun produk­en. Het betekent wel dat de regering lonen en prijzen vast in de hand hield. )m de werkloosheid te bestrijden werd veel geld uitgegeven voor openbare verken. Roosevelt stelde onder meer de Tennessee Valley Authority (TVA) in, !en lichaam dat tot taak kreeg het verwaarloosde gebied van de Tennessee-. allei weer tot bloei te brengen. Daartoe werd de rivier de Tennessee gekanali­eerd, de bodem weer in cultuur gebracht en de bedrijven gemoderniseerd. De president vroeg van het Congres steeds meer en grotere bevoegdheden en hij kreeg ze. Zo kon hij `codes´, overeenkomsten, opleggen inzake produktiebeperking, lonen, arbeidsduur, enzovoort.

De New Deal was een vorm van geleide economie, in Amerika onbekend en onbemind, zeker bij de ondernemers. Zij zagen er een vorm van communisme in en spraken daarom over de rode president in het Witte Huis. Een rijmpje luidde:

`The red New Deal, with a soviet seal

Endorsed by a Moscow hand,

The strange result of an alientcult

In a liberty-loving land´.

Toch waren de ideeën van Roosevelt niet nieuw. De Engelse geleerde Keynes had al veel eerder gewezen op de taak van de overheid om in tijden van de­pressie het economisch leven aan te moedigen en te helpen. De overheid moest dan overgaan tot een vorm van geleide economie en dat betekende ingrijpen in de economische bedrijvigheid door o.a. het laten uitvoeren van openbare wer­ken en belastingverlagingen. Keynes was niet zo bang voor begrotingstekor­ten. Hij werd daarom door liberale economen sterk bestreden (hoewel Keynes zelf overtuigd liberaal was). Roosevelt toonde zich echter een goede leerling. Het Hooggerechtshof werd de stem van de ontevredenheid over Roosevelts politiek door de instrumenten ervan, zoals een aantal New Deal-wetten, te ver­werpen of af te zwakken, Het gerechtshof werd de hoop van alle tegenstan­ders van Roosevelt. Roosevelt legde het Congres een wetsvoorstel voor om zes nieuwe leden in het Hooggerechtshof te benoemen als zes oude rechters wei­gerden met pensioen te gaan. Hij zou dan zeker zes rechters benoemen die zijn politiek welgezind waren. Dan zou hij het hof geheel naar zijn hand kunnen zetten. Roosevelts voorstel werd met een overweldigende meerderheid afgewe­zen. Men zag er een aantasting van de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van het Hooggerechtshof in. De tijd werkte echter gunstig voor de president. Binnen 2´h jaar gingen vijf rechters met pensioen en Roosevelt kon nieuwe benoemen. Hij had wel een slag verloren, maar de uiteindelijke strijd gewonnen.

In 1938 meende Roosevelt dat de crisis zozeer bedwongen was dat de regering haar steunmaatregelen kon verminderen. Maar hij vergiste zich, de werkloos­heid steeg onmiddellijk weer. Pas door de Tweede wereldoorlog werd de crisis volledig opgeheven.

b Van isolationisme tot oorlog

De uitwerking van de New Deal was niet het werk van Roosevelt alleen. Hij werd daarin bijgestaan door de zgn. `braintrust´, een aantal specialisten en deskundigen. Zij gaven hem ook advies in buitenlandse aangelegenheden, waarin het isolationisme op de voorgrond stond (met uitzondering van Latijns-Amerika). Er werden zelfs neutraliteitswetten aangenomen door het Congres, waardoor onder meer wapenleveranties aan oorlogvoerende landen werden verboden.

Roosevelt volgde jarenlang een isolationistische en nationalistische koers. Dat wilde niet zeggen dat hij geen oog had voor de gevaren in de wereld. Hij ver­wachtte dat Engeland en Frankrijk samen Duitsland wel konden bedwingen. Hij zag wel in de toekomst gebeuren dat de VS tegen het imperialistische Ja­pan met geweld zouden moeten optreden.

Toen in september 1939 de Tweede wereldoorlog uitbrak, verklaarde Roose­velt nog dat de VS neutraal zouden blijven. Door het verloop van de oorlogs­gebeurtenissen veranderde hij echter snél van houding. Nog in dezelfde maand verzocht hij het Congres de wet op het verbod van wapenverkopen op te hef­fen. De wapens aan oorlogvoerende landen zouden echter niet met Ameri­kaanse schepen mogen worden vervoerd en contant moeten worden betaald. Bepaald somber zag Roosevelt de toestand in de wereld in toen Frankrijk door de Duitse legers onder de voet werd gelopen en Engeland zich maar nau­welijks meer kon handhaven. Op 29 december 1940 verklaarde hij:

— ´Als Groot-Brittannië ineenstort, zullen de As-mogendheden het Europa, het Aziatische, het Afrikaanse en het Australische continent beheersen. Van dat ogenblik af zullen die mogendheden enorme vloten en legers naar ons wereld­deel kunnen zenden. Het is niet overdreven te zeggen dat wij alleen in Ameri­ka voor de muil van een kanon zouden leven. Wij moeten wapens en schepen produceren met alle energie waartoe wij in staat zijn en met alle hulpbronnen waarover wij beschikken. Wij zullen het grote arsenaal der democratie zij´. 

Roosevelt sprak deze woorden niet zonder reden. Engeland verkeerde in grote nood door de grote verliezen aan scheepsruimte door de Duitse duikboten. Churchill vroeg om 50 oude Amerikaanse torpedojagers om de zeeroute over de Atlantische Oceaan te beschermen. Maar een dergelijke transactie zou voor de VS de eerste stap op weg naar de oorlog kunnen zijn. Roosevelt wilde graag Engeland helpen, maar durfde niet te sterk de publieke opinie en het Congres te trotseren. Hij vond echter een slimme oplossing. De VS ruilden de 50 oude schepen tegen een aantal Britse bases tussen New Foundland en de Caribische Zee voor 50 jaar. Daarmee won hij de gunst van het publiek, want de VS konden zich nu beter beschermen.

Engeland raakte zo langzamerhand door zijn geldmiddelen heen en kon de oorlogsleveranties niet meer betalen.

Roosevelt voelde zich sterk. In 1940 was hij voor de tweede keer herkozen tot president en hij waagde daaróm de volgende stap In januari 1941- bracht hik de `Eend Lease Bill´(Leen- en Pachtwet) in het Congres —`waarbii de presi­dent de bevoegdheid kreeg oorlogsgoederen te verkopen, over te dragen, te ruilen; té verpachten of te lenen aan elk land waarvan de verdediging naar het óordeeian~dë president `van levensbelang was voor de veiligheid van de Ver­enigde Staten´ Amerika werd na het aannemen van de Leen- en Pachtwet met recht het arse­naal van de democratie. De Amerikaanse industrie werd, evenals in 1917, weer omgebouwd tot een oorlogsindustrie. Een stroom van goederen werd over de Atlantische Oceaan verscheept, zeker tot een totaal van meer dan 50 miljard dollar. Het was in de eerste plaats oorlogsmateriaal, maar verder leverden de VS ook grondstoffen voor de industrie en voedsel. Daardoor kon Engeland de oorlog volhouden. De Engels-Amerikaanse banden werden steeds nauwer aangehaald.

`In augustus 1941 voerden Roosevelt en Churchill aan boord van de Ameri­kaanse kruiser Aurora voor de kust van New Foundland geheime besprekin­gen. Het resultaat van die besprekingen was het Atlantische Handvest, een verklaring over gemeenschappelijke doelstellingen, onder andere het weerstand bieden aan elke vorm van territoriale uitbreiding, handhaving van het recht van de volken om hun eigen regeringsvorm te bepalen, het bestrijden van angst en armoede, de vrije vaart op zee en de ontwapening van agressieve Vianden tot een permanente vredesorganisatie verzekerd zou zijn´.  Nog dichter bij een oorlog waren de VS in het Verre Oosten. De verstandhou­ding met Japan werd van jaar tot jaar slechter. Japan streefde naar de opperheerschappij in Zuid- en Oost-Azië. Het veroverde Mantsjoerije en de kuststroken van China. Tegelijk bouwde het een grote oorlogsvloot op waar­mee het de Amerikaanse vloot in de Stille Oceaan kon weerstaan.

De Japanners wilden geen oorlog met de VS, maar als deze hen in hun imperi­alistische politiek tegenwerkten, zouden ze een oorlog niet uit de weg gaan. De VS hadden grote handelsbelangen in China en Zuidoost-Azië en duldden geen overwicht van Japan in deze gebieden en nog minder in de Grote Oceaan. In 1938 verboden zij de uitvoer van vliegtuigen en oorlogsmateriaal naar Japan. Daarnaast hoopten zij door onderhandelingen tot een overeenkomst met Ja­pan te komen. Eind november 1941 was echter duidelijk dat een oorlog onver­mijdelijk was. De Amerikaanse minister van oorlog hield zich in zijn dagboek bezig met de vraag:

—´hoe wij hen [de Japanners] in een positie kunnen manoeuvreren, waarin zij het eerste schot zullen moeten lossen, zonder dat wij daarbij veel gevaar lo­pen´.

Inderdaad losten de Japanners het eerste schot, maar de gevaren waren groter dan de minister hoopte. Nog tijdens de onderhandelingen bombardeerden op 7 december 1941 Japanse vliegtuigen, die van vliegkampschepen waren op­gestegen, de ´Pacific Fleet´ die in de marinehaven Pearl Harbor lag. De Ame­rikanen hadden nimmer willen geloven dat de eerste klap op Hawaï zou val­len, daardoor was de droevige verrassing zo groot. Meer dan 2300 militairen kwamen om, het grootste deel van de vloot was uitgeschakeld. Op 8 december verklaarde het Congres Japan de oorlog.

Japan was zowel met Duitsland als Italië verbonden. Toen Japan een beroep op Duitsland deed, waren Hitler en Mussolini zo onverstandig de Verenigde Staten de oorlog te verklaren. De VS moesten nu op twee fronten oorlog voe­ren, daar staat echter tegenover dat Engeland alle steun ontving die het nodig had.

Het Amerikaanse volk moest op zware tijden worden voorbereid. Roosevelt kon dat als geen ander door zijn radiopraatjes bij de open haard.

III De oorlogsjaren 1941-1945

a. De technologische en industriële groei

De noodzaak oorlog te voeren betekende een totale omschakeling van het Ame­rikaanse leven. Wetenschap en techniek moesten zich instellen op de oorlogsin­dustrie en dat betekende een enorme ontwikkeling van natuurkunde en chemie, met name van elektrotechniek en kernenergie.

De staat gaf op elk gebied leiding. Alles werd van bovenaf gepland: lonen en prijzen, de omvang van de produktie en het gebruik ervan.

De landbouwprijzen werden verhoogd en de produktie werd vergroot. De in‑

dustrie nam tijdens de oorlog met 250% toe. Het is duidelijk dat vooral de oor­logsproduktie werd opgevoerd. Tussen 1941 en 1944 werd de handelsvloot ver­vijfvoudigd. Er werden bovendien ± 750 oorlogsschepen en 24000 landings­vaartuigen gebouwd. De produktie van vliegtuigen werd op 12000 per jaar ge­bracht, er werden honderdduizenden pantservoertuigen en vrachtwagens ge­bouwd en meer dan 2´z miljoen machinegeweren gefabriceerd.

Heel nieuw was de produktie van kunststoffen, bijv. van synthetische rubber, noodzakelijk door het uitvallen van de rubberinvoer uit Malakka en Nederlands-Indië.

Het grootste en meest spectaculaire project was de ontwikkeling van de atoom­bom onder leiding van J. Robert Oppenheimer. Er werden daarvoor enorme plutoniumreactoren gebouwd, die het plutonium moesten leveren voor de nieu­we bom. De eerste proefexplosie vond plaats in juli 1945 in een woestijn in Nieuw-Mexico. Op grond daarvan verklaarden enkele geleerden dat een derge­lijk wapen nooit tegen mensen mocht worden gebruikt. Anderen hadden er geen bezwaar tegen als het wapen zou worden ingezet tegen Japan, als de oor­log daardoor zou worden bekort.

De strijdkrachten werden van 1941 tot 1945 van 2 tot 12 miljoen mensen uitge­breid. De totale oorlogslasten bedroegen 270 miljard dollar, tienmaal zoveel als van de Eerste wereldoorlog. Wel moet worden gezegd dat de uitrusting van de Amerikaanse strijdkrachten uitstekend was, waardoor de verliezen verhou­dingsgewijs beperkt bleven (322000 doden, 10% van de Duitse verliezen aan mensenlevens).

b De werkloosheid verdwijnt en de emancipatie groeit

Tijdens de oorlog verdween geleidelijk de werkloosheid. Er ontstond tenslotte zelfs een tekort aan werkkrachten. Het gevolg was dat steeds meer vrouwen in het arbeidsproces werden ingeschakeld. Hun aantal steeg van 12 tot 16 miljoen. Dat proces bevorderde de emancipatie van de vrouw. Wie mannenwerk ver­richt, wil ook mannenloon ontvangen. In 1942 werd wettelijk vastgesteld dat vrouwen en mannen bij gelijke arbeid gelijk loon mochten ontvangen. Dat be­tekende dat er in de praktijk weinig van terecht kwam.

Ook de negers kon men niet missen. Zij konden overal werk vinden en in het leger stonden ook hogere rangen voor hen open. De zwarte bevolking werd zich 13 daardoor bewust van zijn belangrijkheid en wenste daarom ook gelijk behandeld te worden als de blanken.

Zowel onder zwart als blank liepen de spanningen soms hoog op. In 1945 wa­ren er bijna 3 miljoen gezinnen waar de vader afwezig was. Het aantal echt­scheidingen steeg snel. De jeugdcriminaliteit nam ernstige vormen aan.

c Naar het einde van de oorlog

In november 1944 werd Roosevelt voor de vierde keer gekozen als president, een unicum in de Amerikaanse geschiedenis. Roosevelt had eerst de crisis en daarna fascistische staten bestreden, hij zou nu ook nog de vrede moeten win­nen. De Amerikaanse president zou het einde van de oorlog echter niet meer meemaken. In april 194werd hij getroffen door een hersenbloeding, waaraan hij stierf. De verslagenheid was groot, niet alleen in Amerika, maar ook in Eu­ropa. Niet dat het verlies van Roosevelt onherstelbaar was, want de eindzege was vlakbij.

— ´Roosevelt was een zeer controversiële figuur; hij was tegelijk zeer geliefd en zeer gehaat. Zijn tegenstanders verweten hem oppervlakkigheid, onbekwaam­heid, sluwheid en dictatoriale neigingen. Zijn bewonderaars beschouwden hem als de redder van de nationale economie en de verdediger van de democratie, niet alleen in de VS, maar in de hele wereld´.

Roosevelt werd opgevolgd door de zestigjarige vice-president Truman, die vol­komen onvoorbereid een zeer zware taak moest overnemen. Hij moest onmid­dellijk grote beslissingen nemen, o.a. over het gebruik van de atoombom. —´Misschien zullen latere geslachten een nieuw tijdperk laten beginnen met de verschrikkelijke val van de atoombom op twee Japanse steden. De nieuwe pre­sident die de zware verantwoordelijkheid op zich moest nemen voor deze beslis­sing was Harry S. Truman, een senator uit Missouri, pas sinds 1944 vice-president en nu plotseling op de hoogste post terechtgekomen. Velen meenden dat hij daarvoor te klein zou zijn en de verwachtingen waren beslist niet hoog gespannen. Men noemde de onopvallende man een gemiddelde Amerikaan, men zag een burgerman en meer niet in hem. Maar Truman maakte allen be­schaamd, de kracht en ijver waarmee hij regeerde waren voorbeeldig. De beslis­singen waarvoor hij gesteld werd waren vrijwel onmenselijk van omvang. De oorlog tegen Japan moest gewonnen worden met het wreedste wapen, de vrede in de wereld moest veroverd worden terwijl een groeiend wantrouwen de bond­genoten ging verdelen´. 

d De verhoudingen tussen de geallieerden

Roosevelt zag de oorlog in de eerste plaats als een strijd voor vrede en demo­cratie, maar zagen de andere oorlogsleiders dat ook zo? Stalin en Churchill be­moeiden zich veel meer met militaire zaken dan Roosevelt. Hun eerste zorg was Europa te bevrijden van de Hitler-terreur.

Roosevelt had allerlei redenen om voorzichtig met de Sowjet-Unie om te gaan. In 1939 had de Sovjet-Unie een non/agressiepact met Hitler gesloten. Voorkomen moest worden dat de Sovjet-Unie een afzondelijk verdrag met Duitsland zou gaan sluiten. Bovendien hoopte Roosevelt Stalin over te halen deel te nemen aan de oorlog tegen Japan. In Churchill zag Roosevelt nog altijd iets van de Britse imperialist, maar ´uncle Joe´(Jozef Stalin) was volgens zijn mening een anti-imperialist. Hij geloofde zelfs dat Stalin dezelfde opvatting had over democratie als hijzelf. Het waren allemaal redenen die hem er toe brachten tegemoetkomend te zijn tegenover Stalin. Dat bleek duidelijk op de Conferentie van Teheran in december 1943, waar Roosevelt, Stalin en Churchill bijeen kwamen. Op de meest belangrijke punten kreeg Stalin zijn zin. Zo mocht de Sowjet-Unie oostelijk Polen en een deel van Oost-Pruisen behouden. Ter ondersteuning van de Sowjet-Unie werd besloten in mei 1944 een invasie in Normandië te ondernemen. Men werd het er ook over eens dat er een organisatie van vrije volken moest komen, die de oor­log voorgoed zou uitbannen.

In februari 1945 ontmoetten de drie regeringsleiders elkaar opnieuw in de Conferentie van Jalta (op de Krim in de Sowjet-Unie). Daar werd de organisatie van de Verenigde Naties verder geregeld door de aankondiging van een confe­rentie hierover, die in San Francisco zou worden gehouden.

Duitsland zou na de oorlog in vier bezettingszones worden verdeeld, een Ame­rikaanse, een Russische, een Engelse en een Franse zone. De grenzen van deze zones werden al vastgesteld. Ook Berlijn, dat in de Russische zone zou komen te liggen, zou door de vier geallieerden worden bezet, ieder met een eigen zone. Stalin zegde toe dat drie maanden na de Duitse capitulatie zijn land aan Japan de oorlog zou verklaren. Over een regering in Polen kon men het niet eens wor­den. Met name Churchill was niet gerust over de Russische plannen in Oost-Europa. Het wantrouwen groeide.

In Europa kwam een einde aan de oorlog. In maart en april 1945 werden de Duitsers ver in eigen land teruggedreven. Begin mei stortte de laatste tegenstand ineen en viel Berlijn. Op 7 mei 1945 tekende het Duitse opperbevel de onvoor­waardelijke overgave.

In juli/augustus 1945 werd er door de geallieerde leiders Attlee (die Churchill als premier was opgevolgd)Stalin- en Truman te Potsdam (in de Russische zo­ne van-Duitsland) opnieuw vergaderd. Het ging daarbij voornamelijk over de toekomst van Duitsland. De vier zones zouden vrijwel zelfstandige eenheden worden, bijeengehouden door een Geallieerde Controleraad in Berlijn. Tegen Japan ging de oorlog door. In augustus 1945 gingen ook de Russen aan deze strijd deelnemen. De Japanners waren wel uit talrijke gebieden verdreven, maar de strijd om Japan zelf moest nog plaatsvinden. En deze zou nog wel eens heel lang kunnen duren. De Amerikanen rekenden op meer dan een jaar.In deze situatie grepen zij naar het verschrikkelijkste wapen dat zij bezaten, de atoombom. Begin augustus 1945 werden de Japanse steden Hiroshima eerst en Nagasaki daarna door een atoombom verwoest. De gevolgen waren zo verschrikkelijk dat de Japanse regering bereid was tot overgave (14 augustus 1945).

De Tweede wereldoorlog was nu geëindigd.

e De Verenigde Naties

In het Atlantisch Handvest werd al gesproken over de instelling van `een omvangrijk en permanent systeem voor de algemene veiligheid´ na het sluiten van de vrede. Op volgende bijeenkomsten van de geallieerde leiders werd meer dan eens gesproken over een internationale organisatie, waarvan alle vredelievende landen lid konden worden, ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

Spijkers met koppen werden geslagen op de Conferentie van Dumbarton Oaks Verenigde Naties (in de buurt van Washington), waar in grote lijnen de organisatie van de Vere­nigde Naties werd vastgesteld.

San Francisco Van eind april tot eind juni 1945 kwam een groot aantal staten bijeen te San Francisco. Het Handvest (charter of statuten van de VN) werd getekend door 51 leden. Van het begin af berustte de leiding bij de grote geallieerde overwinnaars, die daarbij sterk door eigenbelangen werden geleid.

Men was het er over eens dat de Volkenbond had gefaald. De organisatie zou over meer machtsmiddelen moeten beschikken, zou `tanden´ moeten hebben. Toch leek de VN veel op de Volkenbond. Alle leden zouden bijeenkomen in de Algemene Vergadering. Met uitzondering van speciale gevallen, zou deze jaar­lijks bijeenkomen. De besluiten van deze vergadering zouden voornamelijk ad­viserend zijn. Anders dan in de Volkenbond konden de leden niet door gebruik te maken van hun vetorecht een besluit tegenhouden. Het uitvoerend orgaan werd de Veiligheidsraad, die het hele jaar door bijeen kon komen als dat nodig was. Evenals in de Volkenbond zou ze bestaan uit permanente leden (met een vaste zetel) en niet-permanente leden (met een tijdelijke zetel). De overwinnaars in de oorlog, de Grote Vijf, de Verenigde Staten, de Sowjet-Unie, Engeland en China en Frankrijk (die na de oorlog ook mee mochten doen) hadden alle het vetorecht. De Veiligheidsraad kreeg de bevoegdheid maatregelen te nemen te­gen landen die de vrede bedreigden. De belangrijkste functionaris werd de secretaris-generaal, belast met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden. De Verenigde Naties werd gevestigd te New York.

Ondanks de hoge verwachtingen heeft ook de VN niet aan haar hoge doel beantwoord. De tegenstellingen tussen de twee belangrijkste leden, de Verenig­de Staten en de Sowjet-Unie, kwamen al heel snel aan het licht. Beide partijen hadden hun aanhang, aanvankelijk was die van de VS het grootst. Het veto­recht van de permanente leden in de Veiligheidsraad bleek een grote hinderpaal om tot belangrijke besluiten te komen.

IV De Verenigde Staten onder Truman, Eisenhower en Kennedy

a Een maatschappij van overvloed

De Tweede wereldoorlog had de ontwikkeling van wetenschap en techniek hoog opgevoerd. Na de oorlog bleef deze in eenzelfde tempo voortgaan. De techno­logische ontwikkeling was het sterkst merkbaar in de elektronische industrie. In de jaren vijftig deed de transistor zijn intrede, in de jaren zestig gevolgd door de computer. Dat leidde tot geautomatiseerde produktieprocessen.

Naast de radio werd de televisie een belangrijk middel tot massacommunicatie. Er ontstond een net van particuliere tv-stations over het hele land, die de popu­lariteit van het vroegere filmcentrum Hollywood overnamen. De tv kreeg grote invloed op de vorming van de openbare mening en werd daardoor een geliefd  instrument van politici.

De toepassing van technologie op alle terreinen, in fabrieken, op kantoren en thuis, in arbeidsproces en in vrije tijd, veranderde de Amerikaanse samenle­ving. Deze werd meer materialistisch dan ooit tevoren. Het leven werd beheerst door zuiver materiële zaken als: meer luxe in voeding en kleding, huizen en au­to´s, meer vrije tijd en vooral meer amusement.

De moderne productie, geleid door computers, leidde tot massaproduktie. Er ontstond volgens de beroede merikaanse econoom Galbraith `The affluent society´ dë maatschappij van overvloed. Een symbool van deze overvloed was te zie in de supermarkten, die in de jaren vijftig in de VS verschenen. Toch was deze periode van hoogconjunctuur meer schijn dan werkelijkheid. De automatisering kose arbeidsplaatsen, waardoor de werkloosheid steeg. De koorkracht van een groot deel van de bevolking liep terug. In de iaren vijftig waren er tussen_ 20 en 50 miljoen armen, vooral in steden minderheidsgroepen zoals de negers.

b Trumans strijd tegen het Congres

memo hfst 3 afb 15

In 1946 hadden de Republikeinen bij de verkiezingen de meerderheid in het Congres gekregen. Voor de Democratische president Truman brak een moeilij­ke tijd aan. Desondanks stelde zijn partij hem kandidaat voor het president­schap. De opiniepeilingen gaven hem echter geen enkele kans, temeer omdat Truman de kwestie van de burgerrechten voor negers tot een belangrijk verkie­zingspunt maakte. Tot verbazing van vriend en vijand won echter in 1948 `de grote, kleine man´ de verkiezingen en nog wel met een meerderheid van 24 mil­joen stemmen. Truman had deze overwinning te danken aan de steun van boe­ren en arbeiders en vooral aan zijn taai volhouden. Ook het Congres kreeg weer een Democratische meerderheid. Het was voor Truman echter jammer dat de Democratische Partij in deze jaren ernstig ver­deeld was in een progressieve vleugel en een zuidelijke, conservatieve vleugel. Dat merkte hij al spoedig toen hij zijn hervormingsgezinde plannen bij het Congres indiende. Wel werden de Marshall-hulp en het lidmaatschap van de Koude oorlogmentaliteit NAVO aanvaard, maar dat was duidelijk een gevolg van de Koude Oorlogsmentaliteit.

memo hfst 9 afb 10

De binnenlandse politieke plannen van Truman vond men echter op veel pun­ten te progressief. Truman wilde de New Deal van Roosevelt voortzetten en Fair Deal uitbreiden. Hij noemde zijn politiek de Fair Deal, d.w.z. elke Amerikaan, dus ook de neger, moest in de samenleving een `faire kans krijgen. In het politie­ke programma van Truman waren onder meer opgenomen maatregelen op het gebied van de gezondheidszorg, subsidies voor de boeren, betere woningbouw en burgerrechten voor de negers, die een eind moesten maken aan de rassendiscriminatie.

In het Congres keerde zich een coalitie van Republikeinen en conservatieve, zuidelijke Democraten tegen hem. Veel belangrijke punten werden afgewezen. Er kwamen daardoor geen belangrijke sociale hervormingen tot stand; het ras­senprobleem kwam niet dichter bij een oplossing. Op het belangwekkende `Point Four´, dat uitbreiding van de ontwikkelingshulp voor de arme landen in de wereld voorstelde, werd sterk bezuinigd.

c McCarthy´s heksenjacht

Vanaf het aan de macht komen van het communisme in Rusland bestond in de VS de angst voor het `rode gevaar´. De `Commissie voor on-Amerikaanse acti­viteiten´ hield in de jaren dertig communistische groeperingen en personen nauwlettend in de gaten. Tijdens het bondgenootschap tussen de VS en de Sowjet-Unie bleef aan beide zijden het wantrouwen bestaan.

In de Koude oorlog die na 1947 in alle hevigheid woedde stond de tegenstelling commumunisme/kapitalisme centraal , In de VS groeide het anti-communisme. Er vonden arrestaties en veroordelingen plaats van echte of vermeende commu­nisten. Onbehagen en onzekerheid in Amerika groeiden toen het communisme in de wereld successen boekte. China ging in 1949 aan de communisten verloren en de Sowjet-Unie bracht een atoombom tot ontploffing.

Klaus Fuchs, een Engelse geleerde die aan de ontwikkeling van de atoombom in Amerika had gewerkt, bleek atoomgeheimen aan de Russen te hebben verra­den. In deze sfeer van angst voor spionnen kreeg e senator McCarthy in 1950 zijn kans om ambtenaren van het ministerie van buitenlandse zaken te beschul­digen. Volgens McCarthy waren er minstens 81 `verdachte elementen´in het de­partement, onder wie 57 communisten, die lid van de partij waren. De beschuldigingen werden niet bewezen, maar wel geloofd. De invloed van McCarthy groeide toen de Koreaanse oorlog uitbrak, waarin 54.000 Amerikanen sneuvelden. Ook dat was volgens McCarthy niet nodig geweest. Het onder­zoek naar de aanwezigheid van communisten werd verscherpt. Ambtenaren konden zonder opgaaf van redenen worden geschorst. Verdacht zijn betekende schuldig zijn. Deze heksenjacht van McCarthy heeft duizenden hun baan en hun inkomen gekost.

In zijn ijver ging McCarthy echter te ver. Hij beschuldigde in zijn `blinde wreedheid´ hoog en laag en ontzag zich niet ook Truman en hoge militairen te beschuldigen. In 1954 maakte de senaat een einde aan zijn activiteiten. De oor­log in Korea was ook voorbij en de gemoederen werden weer rustiger.

d De positie van de zwarte bevolking tot 1963

Na de opheffing van de slavernij in 1863 hadden de negers gelijke burgerrech­18 ten en kiesrecht gekregen. In de praktijk was daar weinig van terechtgekomen, zeker niet in de zuidelijke staten, waar de meeste negers woonden. Zij werden als tweederangs burgers beschouwd. Hun woonsituatie was, vooral in de ste­den, erbarmelijk slecht, zij waren het minst geschoold, verrichtten vrijwel uit­sluitend lagere arbeid tegen weinig loon en waren vaak werkloos.

Op allerlei terrein werd de rassenscheiding doorgevoerd: in het onderwijs en het openbaar vervoer, in restaurants en kerken. Op alle mogelijke wijzen werd het e negers moeilijk gemaakt als kiezer te worden ingeschreven. Al deze voorbeelden maken duidelijk hoe groot de rassendiscriminatie was.

In 1896 bepaalde het Hooggerechtshof dat in het onderwijs het rincipe `sepa­raate, but equal´moest worden doorgevoerd. Er was wel sprake van gescheiden­heid  van het onderwijs in scholen voor blanken en voor zwarten, maar van ge­lijkheid was geen sprake. Het onderwijs aan negerkinderen was zo inferieur dat het hen niet mogelijk was in de maatschappij vooruit te komen. Ook hun toe­komst zou bepaald worden door armoede en werkloosheid. Een bekend gezeg­de was: `De meeste armen zijn geen zwarten, maar de meeste zwarten zijn wel arm´. Een president als Roosevelt was wel bereid hun armoede te bestrijden, maar niet zich in te zetten voor hun emancipatie.

De Tweede wereldoorlog en de oorlog in Korea versterkten het zelfbewustzijn van de negers. De grote minderheidsgroep van 13 miljoen mensen, d.w.z. 10% van de bevolking, begon te ontwaken. De oorlogen hadden hen nodig gehad. De werkloosheid was verdwenen, de lonen stegen en in het leger stonden ook hogere rangen voor negersoldaten open. Toen deze na de oorlog terugkeerden waren zij niet bereid zich langer te laten discrimineren.

In de fel woedende Koude oorlog zeiden de VS te strijden voor de democratie en voor de vrijheid van de volken. De gekleurde volken in de wereld achtten de Ámerikanen slechts geloofwaardig als zij bereid bleken hun eigen rassenproblemen op te lossen.

Truman begon daarmee. Hij benoemde negers op hoge posten en wilde in een wet op de burgerrechten een einde maken aan de rassenscheiding op de gebie­den van onderwijs, arbeid, huren van huizen en wilde daarnaast het kiesrecht (onder de negers uitbreiden. Maar het Congres wees zijn voorstellen af.

 Toen greep het Hooggerechtshof in. In 1954 verklaarde het dat gescheiden onderwijs op grond van rassenverschillen in strijd was met de grondwet. Deze uitspraak hield in dat blanke scholen voor zwarte leerlingen moesten worden opengesteld. In de zuidelijke staten was men daartoe echter niet bereid. De ver­houdingen verscherpten zich. Iedereen die voor gelijkberechtiging was werd voor communist uitgemaakt. Ook de Ku-Klux-Klan werd weer actief. Bij rassenrellen vielen doden. Gouverneur Faubus van Arkansas gebruikte in d Little Rock zijn nationale garde om zwarte kinderen te beletten blanke scholen te bezoeken. President Eisenhower zag zich genoodzaakt federale troepen naar deze stad te sturen om de negerkinderen te beschermen en de scholen voor hen te openen. De integratie in het onderwijs verliep ook daarna nog weinig succes­vol. De tegenwerking bleef doorgaan.

In deze jaren van welvaart voor de blanke bevolking verlieten velen van hen de stadscentra om luxueus in de voorsteden (suburbs) te gaan wonen. Onder de negers ontstond een trek van het zuiden naar het noorden. Zij kwamen voorna­melijk terecht in de oude stadscentra, waaruit toen ook de laatste blanken vertrokken. Daardoor ontstonden ware negergetto´s, waarin door verkrotting van de huizen en verpaupering van de mensen onhoudbare toestanden ontstonden. In 1955 organiseerde de jonge baptistische predikant Martin Luther King.zijn eerste geweldloze verf Hij was daarin een navolger van Gandhi die hij erg bewonderde. Door zijn grote organisatorische gaven en zijn aantrekkingskracht werd hij de populaire leider van de negers en veel blanken (vooral jongeren). Het verzet begon met de boycot van autobussen met escheiden vervoer. Na een jaar leven de busondernemingen deze scheiding op, omdat ze anders fail­liet gingen. Dezelfde boycot voerde men ook tegen winkels en bedrijven die ne­gers ongunstig gezind waren. In de jaren 60 hield men ´sit-ins´ in restaurants, `kneel-ins´in kerken en `wade-ins´in zwembaden. Spectaculair waren de ´Free-dom Rides´ bustochten tot diep in het zuiden om te pleiten voor opheffing van de rassendiscriminatie.

In 1957 organiseerde King de eerste grote mars naar Washington om bij de regering en volksvertegenwoordiging te pleiten voor kiesrecht voor negers. Toen successen op korte termijn uitbleven, wendden veel radicale jonge negers zich af van King, omdat zij geen heil verwachtten van geweldloos verzet.

e De periode Eisenhower, 1953-1961

Het presidentschap van Dwight David Eisenhower betekende een periode van rust en welvaart in de VS. Deze voormalige generaal had een schitterende mili­taire carrière achter de rug. Hij was opperbevelhebber geweest van de troepen die in Afrika de Duitsers en Italianen hadden verslagen, opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten die na de invasie in Normandië in West-Europa de Duitse legers versloegen, korte tijd president van een universiteit en daarna de eerste opperbevelhebber van de NAVO-strijdkrachten. Hij was een weinig uit­gesproken politieke figuur. De Democraten hadden hem al eens willen voordra­gen voor het presidentschap, maar hij werd tenslotte de kandidaat van de Re­publikeinse Partij. Eisenhower was in de VS grenzeloos populair en daarvan konden de Republikeinen veel stemmenwinst verwachten. `I like Ike´was de leuze waarmee zijn aanhang de verkiezingen won. Het Amerikaanse volk wenste rust en Eisenhower zou deze brengen. Zijn verkiezingsoverwinning was een politieke ´landslide´ — een aardverschuiving. De Democraten werden weggevaagd.

Eisenhower beloofde een dynamisch conservatieve politiek te voeren. In werke­lijkheid was ze wel conservatief, maar niet dynamisch. In tegenstelling tot zijn beide de voorgangers streefde hij niet naar vergroting van de  macht van de presi­dent. Hij liet veel, zo niet alles, aan zijn ministers over Alleen bij meningsverschillen greep hij in. Deze ministers waren vrijwel allen vroegere zakenlieden. De aandacht van de regering ging vooral uit naar industrie en handel, die voor de stijging van de welvaart moesten zorgen. Particuliere ondernemingen werden sterk bevoordeeld. Een uitspraak van de minister van defensie, daarvoor direc­teur van General Motors, werd beroemd. Hij zei: `Wat goed is voor het land is ook goed voor General Motors en omgekeerd´. 

Eisenhower voerde een gematigde politiek. De maatregelen van de New Deal en Fair Deal voerde hij verder uit. Tal van sociale voorzieningen werden verbe­terd. De Republikeinen namen hem deze sociaal gerichte politiek kwalijk. Het bleek dat Eisenhower eigenlijk beter met de Democraten kon regeren dan met de Republikeinen.

Reeds eerder is gezegd hoe de welvaart in de jaren vijftig toenam en daarmee ook de materialistische levensinstelling van een groot deel van het volk. De oor­log in Korea was in 1953 geëindigd en er trad een dooiperiode in de Koude oor­log in.

In zijn afscheidstoespraak in 1961 tot het Amerikaanse volk waarschuwde Ei­senhower tegen de enge betrekkingen tussen de industrie en het militaire apparaat, het zogenaamde militair-industrieel complex. In tientallen grote bedrijven namen vroegere hoge militairen een toppositie in. Zij stimuleerden de wapenin­dustrie en wakkerden daardoor de bewapeningswedloop aan.

f De duizend dagen van John F. Kennedy, 1961-1963

De verkiezing van Kennedy betekende een keerpunt in de Amerikaanse geschie­denis. Deze eerste katholieke president van de VS werd zowel in Amerika als daarbuiten gezien als een symbool van vernieuwing. John F. Kennedy was de telg uit een Ierse emigrantenfamilie, die tot grote rijkdom en politieke invloed was gekomen. Kennedy onderscheidde zich in de Tweede wereldoorlog als ma­rineofficier, werd daarna lid van het Huis van Afgevaardigden en vervolgens lid van de Senaat. In 1960 werd hij gekozen tot presidentskandiaat voor de De­mocratische Partij. In een viertal televisiedebatten `deed hij het beter´ dan de kandidaat van de Republikeinse Partij, Nixon, de toenmalige vice-president on­der Eisenhower.

Kennedy had er voor gezorgd dat Martin Luther King uit de gevangenis ontsla­gen werd, waardoor hij kon rekenen op de stemmen van de negerbevolking. Hij won echter slechts met een meerderheid van 112000 stemmen. New Frontier      Kennedy kwam in 1961 met een ambitieus programma en sprak over de New Frontier.

—´De New Frontier waarover ik spreek is niet een reeks van beloften, het is een reeks uitdagingen. Het is geen opsomming van wat ik van plan ben het Amerikaanse volk te bieden, maar wat ik van plan ben van mijn volk te vra­gen. Het houdt de belofte in van grotere offers, in plaats van meer zekerheid [...] Achter die grens liggen de niet in kaart gebrachte gebieden van de weten­schap en de ruimte, de niet opgeloste vraagstukken van oorlog en vrede, de niet veroverde schuilhoeken van onwetendheid en vooroordeel, de niet beant­woorde vraagstukken van armoede en overvloed´

Dit idealistische programma sprak velen in Amerika aan, vooral de jongeren. De uitvoering ervan stagneerde echter door de onwil van het Congres.

— ´Er waren vele invloedrijke Democratische leden van het Congres die in be­paalde kwesties nog conservatiever waren dan rechtse Republikeinen. Een li­berale vooruitstrevende president, die etnische minderheden bepaalde burger­rechten wilde geven, die de sociale wetgeving wilde verbeteren en die garanties wilde verschaffen aan behoeftigen en ouden van dagen, moest daarom reke­nen op sterke tegenstand van Republikeinen zowel als Democraten´. De voorstellen van Kennedy voor meer kiesrecht voor negers, evenals betere huisvesting en afschaffing van alle bepalingen, die hen achterstelde in onder­wijs, arbeid en openbaar vervoer, werden afgewezen of afgezwakt.

De moord op Kennedy op 22 november 1963 in Dallas maakte een einde aan de hoop en verwachting van velen. Kennedy is na zijn dood veel geprezen, hoewel hij in eigen land door tegenwerking weinig had bereikt.

g Het ontstaan van de Koude oorlog

De Verenigde Staten en de Sowjet-Unie waren na de Tweede wereldoorlog de leidende wereldmachten geworden. De VS waren, anders dan na de Eerste we­reldoorlog, ook bereid leiding te geven. Overal in de wereld hadden (of kregen) de VS politieke en economische belangen. Hun troepen waren zowel in Duits­land als in Japan als bezettingsmacht aanwezig.

Met grote zorg werd na de oorlog in de VS de groeiende macht van het commu­nisme (en van de Sowjet-Unie) gadegeslagen. De manier waarop dit land in Polen eerst en in andere Oosteuropese landen daarna `bevriende´regeringen inste de, wekte grote achterdocht. De vrees bestond dat binnen enkele jaren heel Oost-Europa door het communisme zou worden beheerst en dat ook West-Europa bedreigd zou worden.

Winston Churchill gebruikte voor het eerst de woorden `ijzeren gordijn´, toen hij zei: `Een ijzeren gordijn is neergelaten voor hun front. Wij weten niet wat daar achter gebeurt´. Hij waarschuwde het Westen voor de ontwikkelingen die daar plaatsvonden.

President Truman was ervan overtuigd dat de Russen naar de wereldheerschap-pij streefden. Hij was er niet de man naar om maar geduldig af te wachten wat er verder zou gebeuren.

De spanningen tussen beide wereldmachten, die tot de Koude oorlog leidden, kwamen voor een groot deel voort uit de onwil en het onvermogen om begrip te hebben voor elkaars levensbelangen als staat. Over en weer voelde men zich door de ander bedreigd. Het wantrouwen dat daardoor ontstond maakte een eerlijke en openhartige gedachtenwisseling onmogelijk.

Eind 1946 zag Engeland geen kans meer zijn militaire taak in het oostelijk deel van de Middellandse Zee te vervullen en het verzocht de VS een deel ervan over te nemen. In Griekenland woedde een burgeroorlog tussen conservatieven en communisten en Turkije stond bloot aan Russische druk. De Sowjet-Unie ver­langde steunpunten aan de Dardanellen en vrije vaart door de Turkse wateren. In maart 1947 verkondigden de VS de Truman-leer. Deze hield in dat de VS be­reid waren hulp te bieden aan landen die van buitenaf of door gewapende min­derheden van binnenuit werden bedreigd. Deze konden rekenen op Amerikaan­se steun, zowel militaire als financiële.

Maar deze hulp mocht niet de schijn wekken van een vorm van Amerikaans im­perialisme. De uitsluitende bedoeling moest zijn de verdere uitbreiding van het Sowjet-imperialisme te voorkomen. De Trumanleer leidde tot de containment­(indammings)politiek, die de VS tegenover de Sowjet-Unie en later ook tegen de Volksrepubliek China toepaste. De communistische expansie moest worden tegengehouden door onder meer de Sowjet-Unie te omringen met een aantal anti-communistische staten.

De Amerikaanse hulp mocht niet te veel een militair karakter dragen. De meeste Europese staten waren na de oorlog financieel en economisch zo zwak dat zij moeilijk uit eigen kracht op de been konden komen. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken George Marshall ontwikkelde een plan dat hij het `Europese Herstelprogramma´noemde, maar dat al snel naar de ontwerper de naam `Marshall plan´ kreeg. Marshall verklaarde:

´Het is logisch dat de Verenigde Staten moeten doen wat in hun vermogen ligt om de terugkeer van normale economische situaties te helpen bevorderen, om politieke stabiliteit en vrede in de wereld te waarborgen. Onze politiek is niet gericht tegen welk land of welke doctrine ook, maar tegen honger, armoe­de, wanhoop en chaos. Het doel ervan dient te zijn de herleving van een werk­zame economie in de wereld, zodat zich politieke en maatschappelijke voor­waarden kunnen vormen waaronder vrije instellingen kunnen bestaan´. De Sowjet-Unie weigerde alle medewerking aan het plan en verbood de van haar afhankelijke landen Amerikaanse hulp te aanvaarden. Zelfs de arbeiders in de Westeuropese landen werden gemobiliseerd tegen het `imperialisme´ van de Marshall-hulp. De Koude oorlog was nu in volle gang. Van Russische zijde werd het volgende verklaard:

´De slechte ontvangst die de Truman-leer kreeg verklaart de noodzaak van het verschijnen van het Marshall-plan, dat een zorgvuldige versluierde poging is om dezelfde expansie-politiek te voeren. De vage en opzettelijk bedekte termen van het Marshall-plan komen in wezen neer op een plan tot het scheppen van een blok van staten met verplichtingen jegens de VS en tot het verlenen van Amerikaanse kredieten aan Europese landen, als beloning voor het prijsgeven van hun economische en vervolgens hun politieke onafhankelijkheid´. 

De Amerikaanse regering stelde aan de deelnemende landen de eis dat zij zelf in onderlinge samenwerking een lijst opstelden van hun behoeften. Daarvoor werd de OEES (Organisatie voor Europese Economische Samenwerking) opgericht. Hoofddoelen waren: stijging van de industriële en agrarische produktie, herstel van de financiële positie, samenwerking tussen de deelnemende landen en op­heffing van het dollartekort door grotere export naar de VS.

Het Marshall-plan beantwoordde volledig aan zijn doel. Het herstel van de Westeuropese staten verliep wonderbaarlijk snel. Op de grafiek hierboven kun je zien waar de Amerikaanse geldstromen terechtkwamen.

h De oprichting van de NAVO en het Warschaupact

Koude oorlog betekent een oorlog die niet met militaire wapenen wordt ge­voerd. Maar het is wel een oorlog. De partijen bestrijden elkaar op alle moge­lijke manieren: psychologisch, economisch en politiek, maar het wordt nog net geen `echte´ oorlog. Toch balanceren ze af en toe op de grenzen van een mili­tair conflict. Een van de grootste spanningsvelden was Duitsland en speerpunt daarin was Berlijn (Berlijnse kwestie).

De samenwerking van de westelijke geallieerden en de Sowjet-Unie in het bezet­te Duitsland verliep bijzonder stroef. Zo bleek het niet mogelijk tot economi­sche samenwerking te komen. In 1947 maakten Engelsen en Amerikanen hun zones tot een economische eenheid. Zij voerden daar ook een geldzuivering door, want er was een enorme inflatie ontstaan. Toen zij ook in West-Berlijn de markt wilden zuiveren, namen de Russen tegenmaatregelen. Op de conferen­ties van Jalta en Potsdam hadden de geallieerden verzuimd de toegangswegen voor het Westen door de Russische zone naar Berlijn goed vast te stellen. Door het ontbreken van een precieze regeling, meenden de Russen het recht te heb­ben de toegangswegen naar West-Berlijn af te sluiten. Daarmee begon de blok­kade van dit stadsdeel, die ruim een jaar duurde. Doel van de Sowjet-Unie was de westelijke geallieerden uit Berlijn te verdrijven. In Berlijn werd de contain­mentpolitiek op de proef gesteld. Twee miljoen Berlijners zaten zonder voedsel en zonder brandstof. Een militair optreden aan westelijke kant zou tot een grote oorlog kunnen leiden. De Amerikanen stelden de `Air-lift´, de luchtbrug in en gingen met vliegtuigen de stad bevoorraden. De Russen gaven toe en hero­penden in 1949 weer de toegangswegen: een succes voor de Amerikaanse bui­tenlandse politiek. De luchtbrug werd voor het Westen het symbool van verzet tegen Russische agressie.

In 1948 was door een communistische staatsgreep in Tsjecho-Slowakije dit land nog sterker dan tevoren een satellietstaat van de Sowjet-Unie geworden. De ge­beurtenissen in Duitsland en Tsjecho-Slowakije maakten in de VS een diepe in- druk. Ze hebben het totstandkomen van de NA TO (North Atlantic Treaty Organization), in het Nederlands NA VO (Noordatlantische Verdragsorganisatie), sterk bevorderd. De Westeuropese landen drongen er bij de VS op aan zich po­litiek en militair aan de Europese landen te verbinden om als `een schild´over hen te fungeren. De Amerikaanse Senaat discussieerde uitvoerig daarover. Nog eenmaal bleek dat het isolationisme niet volledig verdwenen was. Toch bleek de afkeer van en het wantrouwen tegen het communisme sterker. De VS verklaar­den zich bereid tot een bondgenootschap. Dit werd getekend op 4 april 1949 door 12 staten, waaronder de VS en Canada.

In artikel 5 van het verdrag staat het volgende:

—´De partijen komen overeen dat een gewapende aanval tegen een of meer van hen in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen hen allen zal worden be­schouwd. Elke gewapende aanval van dien aard en alle dientengevolge geno­men maatregelen moeten terstond ter kennis worden gebracht van de Veilig­heidsraad. Deze maatregelen zullen worden opgeheven zodra de Veiligheidsraad de nodige maatregelen zal hebben genomen om de internationale vrede en vei­ligheid te herstellen en te handhaven´. 

In de verdediging van West-Europa achtten de NAVO-staten een sterk West-Duitsland onmisbaar. In 1949 waren de bezette delen van Duitsland omge­vormd tot de BRD (Bundesrepublik Deutschland) in het westen en de DDR (Deutsche Demokratische Republik) in het oosten. In 1954 stonden de westelij­ke bezettingsmogendheden toe dat de BRD zich mocht herbewapenen. In 1955 werd aan de bezetting een einde gemaakt en de BRD werd lid van de NAVO. De Sowjet-Unie die deze ontwikkeling als een militaire bedreiging zag, ging tot tegenactie over. Onder haar leiding werd in 1955 het Warschaupact opgericht, waarvan ook de DDR deel uitmaakte. De oprichting van NAVO en Warschau­pact waren zichtbare uitingen van Koude oorlogmentaliteit.

In 1958 ontstonden opnieuw spanningen rond Berlijn. Chroesjtsjow probeerde langs diplomatieke weg de geallieerden uit West-Berlijn te verdrijven. Hij ver­klaarde dat binnen zes maanden de bezetting door de geallieerden moest wor­den beëindigd. Het Westen hield het hoofd koel: de VS, Engeland en Frankrijk weigerden akkoord te gaan met Chroesjtsjow´s voorstellen en de Russen bon­den in.

Spanning ontstond ook in 1961 toen de Oostduitse autoriteiten tussen Oost- en West-Berlijn onder Russische goedkeuring en met Russische hulp een muur bouwden (de Berlijnse muur). De Oostduitse economie verzwakte steeds meer en doordat veel Oostduitsers naar het Westen vluchtten via West-Berlijn, gren­delde men de beide stadsdelen hermetisch van elkaar af. Het Westen nam geen maatregelen daartegen.

i Dieptepunten in de Koude oorlog

Dieptepunten waren de dreiging van een zeer nabijzijnde derde wereldoorlog of 24 het voeren van een regionale oorlog waarbij de wereldmachten moeilijk afzijdig konden blijven, zoals het geval was in de Koreaanse oorlog. Dit Oostaziatische schiereiland was in 1910 door Japan geannexeerd, maar in 1945 bezette de Sowjet-Unie het noorden en de VS het zuiden van dit land. Noord-Korea groei­de uit tot een communistische en Zuid-Korea tot een kapitalistische staat. Een vereniging van beide delen bleek onmogelijk.

Kort nadat de Amerikaanse en Russische troepen Korea hadden verlaten, vielen Noordkoreaanse troepen het zuiden binnen dat zij in korte tijd vrijwel geheel veroverden. President Truman besloot onmiddellijk tot actie over te gaan. Agressie moest worden gekeerd om een derde wereldoorlog te voorkomen. De Veiligheidsraad van de VN besloot dat zij `zodanige hulp zou bieden aan Zuid-Korea als nodig zou zijn om de gewapende aanval af te slaan´.Dit besluit kon niet door een Russisch veto worden getroffen, omdat in die periode de Russen de Veiligheidsraad boycotten (reden: de Amerikanen verhinderden dat de Volksrepubliek China als lid tot de VN werd toegelaten).

koreaoorlog

Er werd onder leiding van de VS een leger gevormd, voornamelijk uit Amerika­nen bestaande, aangevuld met 15 kleine contingenten van andere (vooral NAVO-)landen. Dit leger wist de Noordkoreanen terug te drijven, maar door de hulp van enkele honderdduizenden Chinese `vrijwilligers´ keerden niet aileen de kansen, maar scheen een derde wereldoorlog dichtbij. De spanningen die daardoor ontstonden in de VS leidden er toe dat Truman de opperbevelhebber McArthur ontsloeg (hij wilde China aanvallen).

Na drie jaar van heen en weer trekken werd in 1953 een wapenstilstand geslo­ten, waarbij de voormalige grenslijn, de 38e breedtegraad, bleef gehandhaafd. De oorlog was in de VS niet populair. Het was een oorlog ver van huis en het was een ´dirty war´. Het land had vier miljoen man troepen op de been en er sneuvelden 33000 Amerikaanse soldaten. Was het nodig dat de VS voor politie­agent van de wereld speelden? Dat vroegen ook velen zich buiten de VS af. De wereld ging langs de afgrond van een allesvernietigende oorlog in de Cuba-crisis in 1962.

In 1961 voerde een kleine groep Cubaanse ballingen een invasie uit in de Var­kensbaai in Zuid-Cuba. Zij leidde tot een volledige mislukking. De steun van de VS aan deze operatie bleek duidelijk. De banden tussen de Sowjet-Unie en Cuba werden nauwer aangehaald.

In 1962 ontdekten Amerikaanse spionagevliegtuigen op Cuba Russische lan­ceerbases voor raketten. De VS konden hiertegen: a. een afwachtende houding aannemen, b. de bases door een bombardement vernietigen of c. Cuba blokke­ren om verdere aanvoer te verhinderen. Kennedy koos voor de laatste oplossing en er werd een blokkade rond Cuba gelegd. Een botsing tussen de SU en de VS dreigde en deze zou zeker tot een kernoorlog leiden. De wereld hield de adem in. In een telefonisch gesprek kwamen Kennedy en Chroesjtsjow tot een oplos­sing. De Sowjet-Unie zou haar raketten van Cuba verwijderen als de VS het­zelfde deden t.a.v. haar raketten in Turkije. De VS beloofden geen inval op Cuba te doen en pogingen van ballingen in deze richting niet te steunen. De wereld kon weer opgelucht ademhalen.

j Verbetering in de betrekkingen

Er ontstond een lichte verbetering in de betrekkingen toen de beide grootmach­ten in 1963 het kernstopverdrag sloten. Zij verklaarden daarin de proeven met atoom- en waterstofbommen te staken. Ondergrondse proeven bleven echter doorgaan. Deze zijn moeilijker te controleren en de SU stond geen inspectie op haar grondgebied toe.

De onderlinge wedijver op allerlei terrein bleef doorgaan. Deze uitte zich vanaf de jaren vijftig ook op het terrein van het verkennen van het heelal. In de ruim­tevaartwedloop, die daarop volgde, schenen aanvankelijk de VS een grote ach­terstand op te lopen. In 1957 lanceerden de Russen hun eerste Spoetnik (lett. medereiziger), die in een baan om de aarde vloog. Nog in hetzelfde jaar brach­ten zij de tweede Spoetnik in de ruimte. Deze woog 500 kg en had het hondje Laika aan boord. In 1958 werden de eerste Amerikaanse satellieten de ruimte ingestuurd. Deze waren veel kleiner dan de Russische, maar ze konden veel meer wetenschappelijke gegevens verzamelen. Aan het einde van 1958 lanceer­den de VS een satelliet van 4000 kg, die een kerstboodschap van president Ei­senhower uitzond.

In de jaren zestig probeerde Kennedy zowel de verhoudingen in eigen land als die van de VS tegenover andere landen te verbeteren. Met de Latijnsameri­kaanse landen sloot hij de ´Alliance for Progress´het verbond van de vooruitgang.

—´Dit bondgenootschap was bedoeld om de economische vooruitgang van de armere Amerikaanse landen te stimuleren, maar het had te kampen met enor­me problemen, ten gevolge van de diepe sociale verschillen en onstabiliteit van de regeringen in vele van de betrokken naties´. 

Geheel in overeenstemming met Kennedy´s politiek van de New Frontier was de instelling van het Vredeskorps, de `National Peace Corps´. .

—´Jonge mensen die daaraan mee wilden doen konden naar andere landen worden gestuurd om daar tussen de gewone mensen in te werken, en eigen technisch kunnen belangeloos ter beschikking stellen. Het Vredeskorps werd een groot succes, het toonde op overtuigende wijze waartoe het Amerikaanse idealisme in staat was´. 

V De periode Johnson en Nixon

a Nogmaals het rassenprobleem

Lyndon B. Johnson was vanaf 1953 leider van de Democratische fractie in de Senaat. Hij had veel politieke ervaring en stond bekend om zijn handigheid in het omgaan met mensen, vooral waar het ging om beïnvloeding en manipulatie. Niemand kon beter lobbyen dan hij. Hij was vice-president onder Kennedy en volgde hem na diens dood in 1963 volgens de grondwet op als president. Mee door zijn persoonlijke gaven, maar ook zeker onder invloed van de moord op Kennedy was het Congres bereid diens wetten binnen één jaar aan te nemen. Daaronder was ook de Wet op de Burgerrechten (Civil Rights). Deze wet voor zag in maatregelen voor de opheffing van de rassenscheiding in scholen en openbare gebouwen, in hotels, restaurants, parken en zwembaden. —`In 1965 volgde de wet op het stemrecht. De negers bezaten dit grondwettige recht sedert 1870. In de zuidelijke staten echter werd de uitvoering ervan op alle mogelijke manieren belemmerd. Berucht was bijv. de zogenaamde ´uitlegbepa­ling´. , waarbij van de in te schrijven kiezer kon worden verlangd, dat hij de grondwet kon interpreteren. Daardoor werd het mogelijk een groot percentage van de negers te beletten het kieslokaal binnen te gaan´. 

Toch had de zwarte bevolking meer verwacht. De meeste maatregelen kwamen twintig jaar te laat, bovendien werden ze veelal slecht uitgevoerd.

Een deel van de zwarte bevolking, vooral onder de jeugd, verliet de weg van de geweldlooshei´De nieuwe radicale stroming vond een leider in Stokely Carmichael, die de negers aanspoorde het recht in eigen hand te nemen irand te stichten, te schieten en zelfs, indien nodig, te doden, om Amerika de overtuiging bij te brengen dat de negers niet langer op hun rechten wilden wachten.´

Er ontstonden verschillende zwarte bewegingen. De Black Powerbeweging propageerde geweld als middel om het doel te bereiken. De Black Panthers huldigden marxistische principes en propageerden de gewapende zelfverdeding.  Vroeger wilden de negers gelijk zijn aan blanken, nu werden de blank naar gezien als vijanden. Hun zwarte huidskleur was geen teken van naar een kleur om trots op te zijn: `Black is beautiful´.  De ´Afro look´ werd mode, ook onder blanken en ook in Europa. Een bijzondere beweging vormden de Black Muslims, die de strijd aanbonden tegen seksuele misstanden alcohol- en druggebruik en daarin onder de zwarte verslaafden grote successen  bereikten.

De´Negro Revolt´, die in 1963 begon, leidde tot een aantal `hete zomers die beheerst werden door rassenrellen in de steden, gepaard gaande met brandstichting en moord. In veel gevallen waren de negeropstanden uitgelokt ´witte racisme´.

Martin Luther King bleef trouw aan zijn leer van de geweldloosheid. Het verwachtingspatroon dat hij voor de zijnen ontworpen had (zijn droom) was te stralend voor de aardse werkelijkheid, waarin hij leefde´. In 1968 bereidde King opnieuw een mars voor naar Washington. De armen van het land, zowel negers, blanken als Indianen wilden bij het Congres demonstreren. In 1968 werd werd in een hotel in de zuidelijke stad Memphis King door een blanke zuiderling vermoord. Opnieuw volgden hevige rassenrellen. De tegenstellingen tussen blanken en zwarten werd in deze jaren nog vergroot doordat de gekleurde bevolking protesteerde tegen het Amerikaans ingrijpen in Vietnam. Voor veel blanken waren negers communisten. Het duurde tot het einde van de jaren zestig voor het rassenprobleem in wat rustiger vaarwater kwam. Toch bleven de toestanden in de negergetto´s, waar de rellen hun oorsprong vonden, slecht. Er leefde een zwarte bevolking in diepe vertwijfeling en zonder hoop op de toekomst. De sociale en hygiënische omstandigheden maakten een menswaardig leven vrijwel onmogelijk.

b Johnsons `Great Society

Johnson begon goed, maar eindigde slecht. In zijn aanvangsperiode had hij het volledige vertrouwen van de meerderheid van het volk. In 1964 versloeg hij bij de presidentsverkiezingen zijn tegenkandidaat, de zeer conservatieve Republi­kein Barry Goldwater met een meerderheid van 27 miljoen stemmen. Johnsons Democratische Partij had de meerderheid in het Congres, dat bereid was hem in zijn hervormingen te steunen.

Ook Johnson kwam, evenals Kennedy, met een breed opgezet sociaal program­ma, de `Great Society´ Het moest welvaart en vrijheid voor iedereen brengen, voornamelijk door de armoede te bestrijden. Het hield in: opruiming van krot­tenwijken en subsidies voor huizenbouw, gratis medische zorg voor bejaarden en betere opleidingen voor arme jongeren, burgerrechten voor de zwarte bevol­king, en steun aan de minder ontwikkelde gebieden.

Van dit ambitieuze programma is niet veel terechtgekomen. Het kwam slechts tot een begin van uitvoering. Het zou miljarden dollars moeten kosten en dat geld was er niet. De oorzaak daarvan lag in de geldverslindende oorlog die de VS in deze jaren in Vietnam voerden.

Naarmate deze oorlog slechter verliep daalde Johnsons populariteit. Men sprak over deze oorlog als `Johnsons war´, een oorlog waar het volk zich steeds meer tegen keerde. De afkeer van de president en zijn oorlog werden nog vergroot door de hele en halve leugens, waarmee Johnson het volk een rad voor de ogen probeerde te draaien. Ook het Congres was niet langer bereid hem te steunen. Johnson trok daaruit de consequentie en stelde zich in 1968 niet meer beschik­baar voor de presidentsverkiezingen.

c Een samenleving in verandering

De jaren zestig worden gekenmerkt door onrust en beweging in de samenleving. Over de veranderingen onder de zwarte bevolking, van geweldloosheid tot ge­welddadige acties, is al eerder gesproken. Maar ook onder de blanke bevolking, voornamelijk onder de jongeren, begon het te gisten.

In de jaren zestig werd de Amerikaanse samenleving gekenmerkt door:

• verdere stijging van de welvaart;

• groei van de industriële concerns en toeneming van hun invloed op de politiek;

• rassenproblemen;

• de oorlog in Vietnam;

• toenemende kritiek op de samenleving, in het bijzonder van studenten.

De trek van de blanken uit de centra van de grote steden naar de suburbs of het platteland bleef doorgaan, evenals de trek van de negers van het zuiden naar het noorden. Het aantal auto´s nam nog steeds toe. Populair werden de vlie­greizen, niet alleen in eigen land, maar vooral buiten Europa.

De economische en politieke belangen van de VS lagen over de hele wereld ver­spreid, meer dan een miljoen Amerikaanse soldaten verbleef buit ,n het eigen land.In deze jaren groeide naast de welvaart ook de kritiek erop. Allereerst tegen de grote macht van de concerns, die naar een monopolie streefden en daardoor de prijzen volledig konden beheersen. In de VS ontstonden de eerste consumentenverenigingen, die voor de kopers en gebruikers opkwamen. Kritiek was er ook complex op de toenemende samenwerking tussen de industrie en het militaire apparaat, het zgn. industrieel-militair complex. Veel kritiek en veel activiteiten gingen uit van studentengroepen en vrouwenverenigingen.

Kritische jongeren protesteerden tegen de maatschappelijke structuur, die zij als kapitalistisch van de hand wezen. Zij werden sterk geïnspireerd door het boek van de uit Duitsland naar de VS geëmigreerde filosoof Herbert Marcuse ´One dimensional man´. Volgens Marcuse had de mens zijn ziel aan de welvaart ver­kocht. Hij was zo in de greep geraakt van de drang naar nog meer consumptie­goederen dat hij zijn vrijheid en menselijkheid had verloren. De mens was een slaaf geworden van zijn behoeften, die hem door de reclame werden aange­praat. Behalve door Marcuse werden de kritische jongeren beïnvloed door de protesten van de negers, door Latijnsamerikaanse leiders als Castro en door de oorlog in Vietnam. Zij wilden deze consumptie-maatschappij radicaal verande­ren en velen van hen vonden daarvoor een gewelddadige revolutie aanvaardbaar.

Op de universiteit van Berkeley (Californië) braken in 1964 hevige studentenrel­len uit, die zowel in als buiten Amerika veel navolging vonden. Bezettingen van de universiteiten door studenten werden heel gewone zaken. Allerlei revolutio­naire opvattingen werden tenslotte gebundeld in de politieke beweging `Nieuw Links´, die radicale maatschappelijke veranderingen nastreefde. Veel jongeren probeerden op hun eigen manier een alternatieve samenleving tot stand te brengen. Zij gingen als `hippies´ leven, predikten ´flower power´en hielden `love ins´. Tegelijkertijd was er de vlucht in `drugs´ of in mystieke oosterse godsdiensten. Ook in haardracht en kleding lieten zij hun alternatieve leefwijze uitkomen. Grote bekendheid kregen de ´protestsongs´, waarin een fel protest tegen de maatschappelijke orde doorklonk. De jaren zestig luidden ook een bloeiperiode in van de popmuziek (pop = afkorting van ´popular´. Van maatschappelijke betekenis waren de popfestivals als uitingen van een nieuwe jeugdcultuur. Op zo´n concert, dat meestal een hele dag duurde, kwamen vaak meer dan 100.000 jongeren bijeen om naar de vele `bands´ te luisteren en om al­ternatief bijeen te zijn. In het algemeen waren ouderen afkerig van deze vor­men van jeugdcultuur, die meewerkten aan een verbreding van de generatiekloof. De anarchistische trekken van deze jeugdcultuur werden gezien als een regelrechte bedreiging van de bestaande (kapitalistische) ordening van de maatschappij. In deze periode van verandering en verwarring werden in 1968 de presidentsver­kiezingen gehouden. Nadat Johnson zich had teruggetrokken, werd Robert Kennedy de kandidaat van de Democratische Partij. Hij werd nog in hetzelfde jaar vermoord. Van deze moord zijn de achtergronden nooit helemaal duidelijk geworden. Met een zeer geringe meerderheid van stemmen werd de Republikein Richard Nixon tot president gekozen. Hij trok veel kiezers door de nadruk te leggen op `law and order´ d.w.z. krachtiger optreden tegen opstandige negers en studen­ten en door zijn belofte snel een einde te maken aan de oorlog in Vietnam. Hij riep `de zwijgende meerderheid´, dat is het volksdeel dat nooit iets van zich liet horen, op zijn politiek te steunen. Dat gebeurde ook inderdaad, want in 1972 werd Nixon met grote meerderheid herkozen. Wel bleek dat bij de ver­kiezingen ongeveer 45% van de kiezers was thuisgebleven.                                                                    d Nixon en de democratie

Nixon werd door velen als een corrupte figuur be­schouwd. Desondanks werd hij onder Eisenhower vice-president. In 1961 werd hij als presidentskandidaat door Kennedy verslagen, maar in 1968 won hij de verkiezingen wel en werd hij Amerika´s 37e president.

Nixon begon met het afremmen van de sociale politiek van zijn voorgangers om tijd en geld vrij te hebben voor de buitenlandse politiek. Op de stijgende economische problemen van zijn land, die tot een crisis leidden, had hij geen antwoord.

Erger dan dit alles was zijn persoonlijk bewind dat op gespannen voet stond met het Amerikaanse regeringssysteem. Hij probeerde zoveel als in zijn vermo­gen lag buiten het Congres om politiek te bedrijven. In feite pleegde hij daar­door een rechtstreekse aanval op de constitutionele democratie. Voor het Ame­rikaanse volk werd de figuur Nixon tenslotte een nachtmerrie en er ging een zucht van verlichting op toen hij in 1973 aftrad (tot aftreden werd gedwongen). Toch heeft Nixon vijf jaar lang zijn hoge ambt kunnen waarnemen en in 1972 werd hij zelfs met een grote meerderheid herkozen. Hij wist zich verzekerd van de steun van de middengroepen in zijn optreden tegen demonstranten en andere actievoerders. Zij juichten hem toe als hij sprak over `arbeidsschuwe elemen­ten´ die parasiteerden op de samenleving en zij steunden hem in zijn vertragingspolitiek inzake de emancipatie van de zwarte bevolking.

Reeds in zijn eerste regeringsperiode traden er machtsverschuivingen op. De president omringde zich met vertrouwelingen, die buiten de ministers om, wets­ontwerpen maakten. Tegenspraak en tegenstand werden daardoor voorkomen. Op vrijwel alle belangrijke posten plaatste hij onbekende aanhangers van hem. De toegang tot het Witte Huis liep via zijn `stafchef´Haldeman, die daardoor een bijna onbeperkte macht kreeg. Nixon vervreemdde niet alleen van het volk, maar ook van zijn eigen partij.

Tegen veel besluiten van het Congres sprak hij zijn veto uit. Wanneer dit zijn kracht had verloren, voerde hij de besluiten niet uit door te verkla­ren dat er geen geldmiddelen voor beschikbaar waren. Nixon begon op een dic­tator te lijken.

e ´Watergate´ het einde van Nixon als president

In 1972 had de Republikeinse Partij alles op alles gezet voor de herverkiezing van Nixon. Er werd 50 miljoen dollar voor uitgegeven en een apart `Comité tot herverkiezing van de president´ingesteld.

In de nacht van 17 juni 1972 betrapte de politie vijf inbrekers in de kantoren van de Democratische Partij in het Watergate-gebouwencomplex in Washing­ton. De `heren´waren bezig afluisterapparatuur aan te brengen om daardoor de campagne van de Democraten te saboteren. Er waren duidelijke bewijzen dat leden van het hierboven genoemde Comité en enkele naaste medewerkers van Nixon bij deze inbraak betrokken waren. Ernstiger werd de situatie toen met medeweten van Nixon getracht werd de zaak in de doofpot te stoppen. Het officiële gerechtelijke onderzoek ging echter verder. Eveneens ging een senaats­commissie alle aspecten van het Watergate-schandaal onderzoeken. Een dag­blad, de `Washington Post´, dat op eigen gelegenheid de zaak onderzocht, kwam tot de conclusie dat Nixon en zijn vertrouwelingen hadden afgesproken om de opheldering van strafbare feiten te verhinderen.

Tijdens de verhoren en rechtzittingen kwamen nog heel wat meer strafbare fei­ten aan het licht. Om zelf buiten schot te blijven liet Nixon zijn naaste mede­werkers één voor één vallen. Intussen weefde hij zichzelf vast in een net van leugens. Het bleek dat hij alle gesprekken op zijn bureau op banden had laten vastleggen. Hij weigerde echter deze banden af te staan voor nader onderzoek. Toen hij deze weigering tenslotte niet meer kon volhouden, bleken tal van ban­den misvormd te zijn en uitgewiste gedeelten te. bevatten.

Onder het volk gingen steeds meer stemmen op, die op afzetting van de presi­dent aandrongen. De senaatscommissie stelde Nixons betrokkenheid bij het Watergate-schandaal vast en verklaarde hem schuldig. In het Congres werd daarop een aanvang gemaakt met de ´impeachment´ de procedure om te ko­men tot het in staat van beschuldiging stellen van een president, waarop afzet­ting kan volgen. 

Nixon werd beschuldigd van: a. het belemmeren van de loop van het recht; b. het misbruik maken van macht en c. het naast zich neerleggen van wettige dagvaardingen.

Toen Nixon begreep dat zijn positie volledig onhoudbaar was geworden, legde hij openlijk een bekentenis af. Uit de reacties merkte hij snel dat hij daarmee te laat kwam. Drie dagen later, op 8 augustus 1974, legde hij zijn ambt neer. Daardoor ontkwam hij aan een vernederende afzetting.

f Aspecten van de Amerikaanse buitenlandse politiek

De buitenlandse politiek van de VS werd nog altijd volledig bepaald door de angst voor het opdringende communisme. Voor de Amerikanen was hét we­reldconflict de strijd tussen communisme en democratie, waren de VS de grote verdedigers van de democratie en was de Sowjet-Unie de grote vijand.

Zowel Kennedy als Johnson handhaafden de containment- of indammingspoli­tiek. Om deze politiek uit te voeren moesten de VS optreden als politieagent van de wereld, d.w.z. ingrijpen daar, waar communistische gevaren dreigden. De politiek leidde tot het Amerikaanse ingrijpen in Korea, de Amerikaanse steun aan Israël (en later ook aan Egypte), het lidmaatschap van de NAVO en het deelnemen in de oorlog in Vietnam.

Achter alle revolutionaire bewegingen waar ook ter wereld zagen de VS de hand van Moskou. Men had in Amerika weinig oog voor nationale en culturele verschillen. Het nationalisme in veel jonge landen werd veelal gezien als een vorm van communisme. Dat gold nog sterker wanneer deze gepaard gingen met een strijd voor meer sociale rechtvaardigheid.

In de praktijk leidde deze Amerikaanse houding tot het steunen van bestaande conservatieve, soms dictatoriale rechtse regiems. De hulp aan de onderontwik­kelde wereld werd gebruikt om het communisme in de arme landen te bestrij­den. Er werd dikwijls meer militaire dan economische hulp geboden. Waartoe deze politiek kon leiden bleek in de Vietnamese oorlog, het grote echec (lett. `schaak´ van de Amerikaanse buitenlandse politiek.

g De Amerikaanse betrokkenheid bij de strijd in Vietnam

indochina en de oorlog

De ontwikkelingen in Oost- en Zuidoost-Azië waren door de VS niet (meer) te controleren. In 1949 ontstond de communistisch geregeerde Volksrepubliek China, in 1954 moest Frankrijk Zuidoost-Azië, d.w.z. Vietnam, Laos en Cam­bodja opgeven. Vietnam werd tijdelijk in tweeën gedeeld: in het noordelijk deel vestigde Ho Tsji Mink een communistisch bestuur, in het zuiden kwam de ´ster­ke man´ Diem met Amerikaanse steun aan de macht. Daarmee namen de VS de rol van Frankrijk in Vietnam over. Diem werd niet erkend door nationalistische en communistische groeperingen, die zich verenigden in het Nationaal Bevrij­dingsfront, veelal Vietcong (Vietnamese communisten) genoemd. De Vietcong werd door Noord-Vietnam gesteund.

De politiek van de VS in Zuidoost-Azië werd bepaald door de ´dominotheorie´ als er een steen valt tegen de andere stenen, vallen alle. Als Zuid-Vietnam door de communisten wordt veroverd, gaan uiteindelijk ook de naastliggende landen Laos, Cambodja en Thailand verloren.

De VS meenden dat door militaire acties het communisme kon worden gekeerd. Zij hadden weinig of geen oog voor oplossingen langs de weg van een beter bestuur en rechtvaardiger sociale verhoudingen in Vietnam. Zij steunden Diem, die een uiterst conservatief en bijna dictatoriaal bewind voerde en alle hervor­mingen tegenhield. Aanvankelijk bestond de Amerikaanse steun uit oorlogsma­teriaal, daarna werden militaire adviseurs gevonden. Toen Diem steeds meer terrein ging verliezen stuurden de VS Amerikaanse legereenheden naar Viet­nam. Dit vond plaats onder verantwoordelijkheid van Kennedy. De VS raakten op deze wijze betrokken in een oorlog, die begonnen was als een burgeroorlog op kleine schaal en zou uitgroeien tot het meest gewelddadige conflict van na de Tweede wereldoorlog.

h De `verheviging´van de Vietnamese oorlog

In deze nooit officieel verklaarde oorlog wisten de Vietcong-troepen steeds meer terreinwinst te behalen. Ze werden gesteund door Noord-Vietnam, dat tenslotte ook met legereenheden aan de strijd ging deelnemen. En achter Noord-Vietnam stond de Sowjet-Unie. Daarmee was de Vietnam-oorlog een onderdeel geworden van de Koude (maar nu hete) oorlog.

  Onder president Johnson vond een escalatie in de oorlogvoering plaats. Esca­latie wil zeggen: een verheviging van de strijd, doordat er over een steeds gro­ter gebied oorlog wordt gevoerd, er steeds meer troepen worden ingezet en steeds afschrikwekkender wapens worden gebruikt. Van de zijde van de VS betekende het overgaan tot luchtbombardementen, eerst alleen in het zuiden, maar later ook op Noord-Vietnam, het gebruik van napalm-bommen en ontbladeringsmiddelen.

De Amerikanen kregen echter geen vat op de guerrilla-tactiek van de tegenstan­der, die overal en nergens was, onzichtbaar en daardoor ook ongrijpbaar. In 1969 waren er 541.000 Amerikaanse soldaten in Vietnam. Tussen 1965 en 1971 werden door Amerikaanse vliegtuigen 6,3 miljoen ton aan bommen afgewor­pen, dat is drie maal zoveel als gedurende de gehele Tweede wereldoorlog op Europa, Azië en Afrika werden gegooid. De bombardementen konden de oor­log niet beslissen. Ondanks de grote verliezen bleven Vietcong en Noord-Vietnam de strijd voortzetten en bleven zij zelfs terrein winnen. Hun aanvoer­route, de zogenaamde Ho Chi Minh-weg liep via slingerpaadjes, die vrijwel on­zichtbaar waren vanuit de lucht. Deze route liep voor een deel over het grond­gebied van Laos en Cambodja, waar ook sterke communistische groeperingen probeerden de macht in handen te krijgen.

Voor het Vietnamese Nieuwjaar, ´Tet´geheten, werd tussen de strijdende par­tijen een wapenstilstand gesloten. Deze werd door de Vietcong en de Noord­vietnamese troepen verbroken door het zogenaamde ´Tet-offensief´, waarbij de Zuidvietnamese hoofdstad Saigon en 40 andere steden werden aangevallen. Pas na hevige strijd werden de aanvallers verdreven. De verliezen aan beide kanten waren erg groot.

In 1968 begonnen de vredesonderhandelingen tussen de strijdende partijen. Daarbij ging het over de terugtrekking van de Amerikaanse troepen en over de positie van Zuid-Vietnam. De onderhandelingen sleepten zich jarenlang voort zonder vorderingen van enig belang.

Van Amerikaanse zijde werd vanaf 1968 overgegaan tot ´vietnamisering´van de oorlog, d.w.z. het initiatief werd overgelaten aan de Zuidvietnamese rege­ring. Het Zuidvietnamese leger werd daartoe door de VS van het nodige oor­logsmateriaal voorzien. De eigen troepen werden geleidelijk teruggetrokken.

i De reacties op de Vietnam-oorlog in de VS en daarbuiten

Al eerder is gezegd dat deze oorlog in de VS niet populair was . Als het over oorlog en oorlogsdreiging gaat zijn er `duiven en haviken´. Deze woorden kregen tijdens de Vietnam-oorlog grote bekendheid. `Duiven´ zijn de vredelievenden en `haviken´zij, die een doortastende politiek in een conflict verdedigen en niet bang zijn voor de toepassing van geweld. De haviken waren aansprakelijk voor wat in Vietnam plaatsvond, het aantal duiven nam echter sterk toe.

In 1965 kreeg Johnson nog bijna onbeperkte volmacht van het Congres, in 1967 begon het Congres al weigerachtig te worden gelden voor deze uitzichtloze oorlog beschikbaar te stellen. Het Amerikaanse volk begon zijn vertrouwen in de president en de legerleiders te verliezen door de vele hele en halve leugens die zij vertelden. Er kwam een stroom van optimistische berichten uit Vietnam, zo werd het Tet-offensief als een grote overwinning uitgelegd.

In 1971 publiceerden enkele Amerikaanse kranten een uittreksel van een gehei­me studie van het ministerie van defensie over de oorlog in Vietnam. Deze stu­die kreeg de naam `Pentagon Papers´(Pentagon heet het vijfhoekige gebouw, waarin het ministerie is gevestigd). Uit deze studie bleek de schuld van de VS aan de oorlog door onder meer: besluiten niet na te leven, regelrecht op een oorlog aan te sturen en daar zelf aan deel te nemen, Noord-Vietnam te bombarderen, hoewel er geen Noordvietnamese troepen in Zuid-Vietnam waren en te weigeren met Noord-Vietnam over een vreedzame regeling te praten. De pu­blikatie schokte in ernstige mate het vertrouwen van het Amerikaanse volk in zijn regering.

Talrijk waren de demonstraties, vooral van oud-soldaten, tegen de oorlog. Meer dan 500000 jongeren weigerden zich te laten registreren voor de dienst­plicht, duizenden van hen vluchtten naar het buitenland. Er zijn ± 20000 solda­ten gedeserteerd en ongeveer 250000 soldaten werden wegens oneervol gedrag uit de dienst ontslagen. Voor de soldaten was het een uitzichtloze en zinloze oorlog. Hun motivatie stond op het nulpunt, duizenden van hen zochten in druggebruik een uitweg (die er ook niet was).

Ook buiten de VS werd onder meer in de Scandinavische landen en ook in de NAVO-landen veel en heftig geprotesteerd tegen de Amerikaanse oorlogvoering in Vietnam. In deze jaren was bijvoorbeeld in Nederland de kreet: `Johnson moordenaar´ die in veel demonstraties werd gehoord en op spandoeken werd meegevoerd, een reden om na te gaan of hierdoor niet een bevriend staatshoofd werd beledigd.

Heftig geprotesteerd werd ook, zowel in als buiten de VS, tegen het uitmoorden van complete dorpen, onder het motief Vietcong-strijders op te sporen. Tegen enkele Amerikaanse `oorlogsmisdadigers´werden in de VS officiële processen gevoerd.

j De lange weg naar ontspanning

Bij zijn ambtsaanvaarding in 1969 verklaarde Nixon dat de periode van onder­handelen was aangebroken. Het werd tijd om tot een betere verstandhouding met de Sowjet-Unie en de Volksrepubliek China te komen.

Nixon begreep ook dat de VS niet overal in de wereld de rol van de vredestich­tende en vrijheid garanderende staat konden blijven spelen. Er moest daarom haast worden gemaakt met de oplossing van een aantal problemen. Nixon werd in deze politiek van `oplossingen zoeken´ bijgestaan door Henry Kissinger, die eerst zijn assistent was voor Nationale Veiligheidszaken en later minister van buitenlandse zaken (1973-1977). In deze functie trad hij op als de grote bemiddelaar in het Midden-Oosten enonderhandelde hij met de Sowjet­Unie en de Volksrepubliek China.

Deze ontspanningspolitiek betekende niet dat in de VS het communisme niet meer gevaarlijk werd geacht. Nadat de marxist Allende in Chili aan de macht was gekomen, stelden de VS acht miljoen dollar beschikbaar om hem ten val te brengen. In 1973 werd Allende bij een volksopstand vermoord. In hetzelfde jaar brak in het Midden-Oosten de Jom Kippoer-oorlog uit. Na de aanvankelij­ke nederlagen van Israël gingen de VS via een luchtbrug het bedreigde Israël van nieuwe wapens voorzien. Toen daarop een grote Israëlische overwinning nabij bleek, dwongen de VS en de SU de strijdende partijen tot een bestand, dat geen verliezer en geen overwinnaar opleverde. Wel gelukte het Kissinger kort daarop Egypte los te weken van de SU en over te brengen naar het Ameri­kaanse kamp.

Tot het oplossen van problemen behoorde ook het beëindigen van de oorlog in Vietnam. Dat was ook een vereiste om tot een betere verstandhouding met de Volksrepubliek China te komen.

De onderhandelingen tussen de partijen die bij de oorlog in Zuidoost-Azië be­trokken waren, sleepten zich jarenlang voort. In 1972 deed Nixon nog een laatste poging om Noord-Vietnam op de knieën te krijgen door heviger bombardementen te laten uitvoeren dan ooit tevoren. Eveneens werden communistische stellingen in Cambodja gebombardeerd, alsook de Ho Chi Minh-weg, die door dit land liep. Deze acties werden zorgvuldig geheim gehouden om de in­druk van verdere escalatie te vermijden. Toen ze toch in de VS bekend werden, weigerde het Congres hiervoor geld beschikbaar te stellen.

In 1973 kwam er een doorbraak in de onderhandelingen. De doeleinden van de partijen: a. de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam en b. een ´peace with honour´ voor de Amerikanen, werd bereikt. Deze voorwaarden waren voldoen­de voor Nixon om de Amerikaanse troepen terug te trekken. Zuid-Vietnam vocht alleen door, maar moest zich in 1975 onvoorwaardelijk aan de Noord-Vietnamezen overgeven. Er ontstond daarop een ongedeelde, communistische staat Vietnam. In 1975 vielen ook Laos en Cambodja in communistische handen.

Noord-Vietnam had in deze oorlog 900.000 soldaten verloren, Zuid-Vietnam 185.000 en de VS 50.000. Het aantal burgerslachtoffers moet ongelooflijk groot zijn geweest. Exacte cijfers hierover ontbreken.

k Een doorbraak in de vastgelopen verhoudingen

De verhouding tussen de Sowjet-Unie en de Volksrepubliek China was in de loop van de jaren volledig verstoord. Die tussen de Volksrepubliek China en de VS was altijd slecht geweest. In 1971 begonnen de Chinezen voorzichtig contact met het Westen te zoeken. Zij nodigden een aantal landen, waaronder de VS, uit voor het spelen van tafeltennis (pingpong)wedstrijden. Deze pingpong­diplomatie wekte terecht grote verwachtingen. Bovendien paste ze precies in de politiek van Nixon. Deze bezocht in 1972 Peking, maar belangrijke resultaten werden niet onmiddellijk geboekt. De Volksrepubliek werd lid van de Verenig­de Naties en kreeg een vaste zetel in de Veiligheidsraad. Pas na lang aarzelen konden de VS hiermee akkoord gaan.

In 1972 kwamen Nixon en Brezjnew in Moskou overeen `de Koude oorlog te begraven, de vrede te bewaren en een kernoorlog te voorkomen.´. In 1973 be­zocht Brezjnew de VS. Er kwamen uit deze ontmoetingen talrijke verdragen voort. Belangrijk was de afspraak het aantal aanvalsraketten te bevriezen (het SALT 1-verdrag). De Sowjet-Unie zou in de toekomst graan uit Amerika mo­gen betrekken en zou als tegenprestatie aardgas aan de VS leveren.

De successen van Nixons buitenlandse politiek waren niet gering. Zijn naam zal op twee manieren de geschiedenis ingaan:

a als de president die wegens wangedrag ternauwernood aan een afzetting wist te ontkomen;

b als de president, die een geslaagde `verzoeningspolitiek´voerde tegenover Amerika´s vrijwel onverzoenlijke tegenstanders.