We hebben 202 gasten online

CSE VS in de jaren 1917-1949

Gepost in V.S.

De Verenigde Staten van Amerika in de jaren 1917-1949

vs 2012 758

Inleiding

Op 4 juli 1776 verklaarden dertien Engelse koloniën op de oostkust van Noord-Amerika zich vrij van het moederland. In de Onafhankelijkheidsverklaring, die door het Congres van de gezamenlijke staten werd aangenomen, werd de volgende verklaring gegeven:

— `Wij achten het een onbetwistbaar feit, dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat zij door hun Schepper met bepaalde, onvervreemdbare rechten begiftigd zijn en dat hiertoe o.a. het recht op het eigen leven, op vrijheid en op het nastreven van geluk behoren; dat om deze rechten te verzekeren regeringen ingesteld zijn wier gezag berust op de wil van hun onderdanen en dat, indien een regering de verwezenlijking van deze doeleinden in de weg staat het volk het recht bezit haar te wijzigen of af te zetten en een nieuwe regering in te stellen die uitgaat van beginselen welke het volk een grotere mate van veiligheid en geluk waarborgen.´

De Congresleden spraken hiermee uit dat de regering er was voor het volk en niet omgekeerd. Zij gingen uit van ideeën van Engelse denkers als John Locke en van Franse filosofen als Rousseau en Montesquieu, die elke vorm van vorstelijk absolutisme afwezen.

Iedere kolonie beschouwde zich na 4 juli 1776 als een zelfstandige staat, met de andere staten verbonden door hun gemeenschappelijke oorlog tegen Engeland. Voor bestuur en wetgeving had iedere staat zijn eigen gouverneur, vroeger door de Engelse koning benoemd en nu gekozen door de inwoners van de staat, die eveneens hun eigen volksvertegenwoordiging kozen, het wetgevende lichaam.

De band tussen de staten was vrij los; berustte op een basis van vrijwilligheid. Wel was men het er over eens dat na 1783, toen Engeland de onafhankelijkheid van de vroegere koloniën erkende, de onderlinge band versterkt moest worden door het vormen van een centrale regering. De staten hadden veel gemeenschappelijke belangen, zoals het vormen van nieuwe staten in het westen van Amerika, de buitenlandse verhoudingen, handel en verkeer, de munt, enzovoort.

De grote vraag was echter hoe groot de invloed van de federale (centrale) regering moest worden en hoe groot die van de afzonderlijke (deel)staten. Belangrijk was, hoe de verhouding tussen de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht zou worden geregeld. Elke vorm van tirannie moest worden voorkomen.

1) De staatsrechtelijke verhoudingen

a) De grondwet en de machten

federale staatsinrichting

Kort na de Onafhankelijkheidsverklaring hadden de meeste staten al een grondwet ingevoerd. In al deze grondwetten stonden de rechten van de burgers centraal. Een overkoepelende grondwet, die voor alle staten zou gelden, ontbrak echter.

In 1787 kwam een conventie (vergadering) bijeen van 55 afgevaardigden uit de dertien staten met als doel een constitutie, een grondwet, op te stellen. Zij werden later de ´Founding Fathers ´ genoemd, omdat deze `vaders ´ met het opstellen van de grondwet eigenlijkde Verenigde Staten hadden gesticht.

Van het begin af bestond er een tegenstelling tussen federalisten, die een grote macht wilden toekennen aan de Federale (centrale) regering, en de anti­federalisten, die voorstanders waren van een grote macht van de afzonderlijke staten. Nauwkeurig werd vastgesteld hoe de bevoegdheden verdeeld zouden worden. De Federale regering heeft onder meer tot taak:

• het regelen van de buitenlandse betrekkingen, het sluiten van verbonden;

• het verklaren van oorlog en het sluiten van vrede;

• alle zaken van leger en vloot;

• het heffen van belastingen en het sluiten van leningen, het slaan van munten en het regelen van het ostverkee

• Op grond van hun eigen soevereine rechten oefenen de staten toezicht uit op de plaatselijke bestuursorganen, de politie, het onderwijs, de dienst voor de volksgezond het welzijn en de veiligheid van de bevolking, het juridisch apparaat en het uitvaardigen van wetten, zowel op civiel als op strafrechtelijk gebied en hebben zij zeggenschap over de arbeidswetgeving en het verlenen van rechtspersoonlijkheid aan ondernemingen.´

Een afzonderlijke staat mag echter geen wetten maken die in strijd zijn met de wetten die voor het hele land gelden.

De officiële naam van het land is ´United States of America´ (USA) en daarin komt tot uitdrukking dat er `staten´ (meervoud) zijn. Toch heeft de grondwet het land tot een bondsstaat gevormd en niet tot een statenbond. De kenmerken van een bondsstaat zijn:

a) een aantal staten gaat op verschillende terreinen een nauwe samenwerking aan die voor onbepaalde tijd geldt;

b) zij vormen daardoor een hechte eenheid;

c) naast de regeringen van de afzonderlijke staten is er een centrale regering met grote bevoegdheden die de gemeenschappelijke belangen behartigt;

d) deze gemeenschappelijke belangen bestaan niet uitsluitend uit externe zaken, zoals buitenlandse verhoudingen, oorlog en vrede, handel en verkeer, enzovoort, maar ook uit interne zaken, d.w.z. zaken die het binnenlands bestuur betreffen.

Een statenbond daarentegen bezit geen sterke eenheid met een krachtig centraal bestuur. De afzonderlijke staten blijven veel meer zelfstandig dan bij een bondsstaat het geval is. Op het gebied van de buitenlandse politiek werkt men als een eenheid samen.

Een groot probleem waar de opstellers van de grondwet mee te maken kregen was de vertegenwoordiging van iedere staat in de volksvertegenwoordiging. Een evenredige vertegenwoordiging zou inhouden dat staten met veel inwoners meer afgevaardigden zouden hebben dan kleine staten met weinig inwoners. De grote staten zouden in dat geval de dienst uitmaken in het land. De grote staten stonden echter op een vertegenwoordiging naar inwonertal. De oplossing die gevonden werd, was even eenvoudig als doeltreffend. Er kwam een volksvertegenwoordiging, Congres genoemd, tot stand, die uit twee lichamen bestaat: de Senaat en het Huis van Afgevaardigden.

De kiezers van iedere staat mogen twee afgevaardigden (senatoren) aanwijzen voor de Senaat. Op het ogenblik bestaat de Senaat uit 100 leden (van 50 staten). Zij worden voor zes jaar gekozen, maar om de twee jaar treedt eenderde van hen af. De vice-president is voorzitter.

De Senaat heeft grote invloed op de buitenlandse politiek. Hij moet alle verdragen en vredes met buitenlandse staten goedkeuren (daar is een tweederde meerderheid voor nodig). Zijn macht komt verder tot uitdrukking in het recht benoemingen goed te keuren: alle belangrijke benoemingen (ook die van ministers en leden van het Hooggerechtshof) door de president moeten daarna door de Senaat goedgekeurd worden.

Het Huis van Afgevaardigden bestaat op het ogenblik uit 435 afgevaardigden, dat betekent één afgevaardigde op 300.000 kiezers. De belangrijkste bevoegdheden van het Huis liggen op binnenlands terrein. Het heeft onder meer het budgetrecht, d.w.z. het recht begrotingen goed te keuren, te wijzigen of af te keuren. Het heeft ook het recht belastingwetten voor te stellen. Verder hebben beide lichamen het initiatiefrecht, d.w.z. het recht om wetten voor te stellen.

Het Congres vergadert in het Kapitool te Washington. Het koepelvormige dak wordt gekroond door een vrijheidsbeeld.

het Congressgebouw

De uitvoerende macht berust bij de president, die voor vier jaar wordt gekozen en herkiesbaar is. De praktijk heeft er toe geleid dat hij niet vaker dan één keer herkozen wordt. F.D. Roosevelt werd drie keer herkozen, maar de twee laatste herverkiezingen vielen in de Tweede wereldoorlog.

De president wordt niet rechtstreeks gekozen, maar door kiesmannen. In elke staat worden evenveel kiesmannen gekozen als het totaal aan leden van de staat in Senaat en Huis van Afgevaardigden. De aantallen verschillen dus per staat heel sterk. De partij die de meerderheid heeft, beschikt daarna over de stemmen van alle kiesmannen van de staat (bij 23 Republikeinse en 14 Democratische kiesmannen vallen alle 37 stemmen aan de Republikeinse partij toe). Deze verkiezing van kiesmannen wordt in de VS presidentsverkiezingen genoemd, omdat na afloop al vaststaat wie president zal worden. Pas enkele maanden later wordt de president officieël door de kiesmannen gekozen. De bevoegdheden van de president zijn erg groot. Hij is staatshoofd en tegelijk regeringsleider. Bovendien is hij de leider van de politieke partij waartoe hij behoort.

Kort samengevat bestaat zijn macht uit:

presidentiele zegel

• uitvoering van wetten, die voor het hele land gelden;

• vetorecht tegenover wetten die door het Congres zijn aangenomen. Wanneer het Congres daarna een dergelijke wet opnieuw aanneemt, maar nu met een tweederde meerderheid, moet de president de wet ondertekenen.   We noemen dit het opschortend vetorecht van de president,

• opperbevelhebber van de strijdkrachten;

• hoofd van de internationale betrekkingen (dus leider van de buitenlandse politiek);

• benoemingsrecht voor alle belangrijke regeringsambten. De Senaat moet de benoemingen later bekrachtigen;

• partijleider.

De ministers (staatssecretarissen genoemd) worden door de president benoemd en ontslagen. Zij zijn aan hem verantwoordelijk en niet aan het Congres (er bestaat dus een ministeriële verantwoordelijkheid). Verder wordt de president terzijde gestaan door enkele adviseurs, die dikwijls grote invloed hebben.

De president woont in het Witte Huis te Washington. Dit gebouw is tegelijk het centrum van de uitvoerende macht.

De beperkingen van de macht van de president zijn:

• hij moet gekozen of herkozen worden en is dus afhankelijk van de steun van de kiezers;

• zijn benoemingen moeten door de Senaat worden goedgekeurd;

• het Congres kan zijn voorstellen afwijzen;

• hij kan in geval van grote overtredingen in staat van beschuldiging worden gesteld en zelfs afgezet worden.

Niet alleen de macht van de Federale regering is de laatste honderd jaar sterk toegenomen, maar ook de macht van de president. Dat was vooral in moeilijke tijden, zoals oorlogen, het geval. Dat krachtige persoonlijkheden, zoals Wilson en Roosevelt (beiden in noodsituaties als oorlog en crisis), daar het beste in slaagden, zal duidelijk zijn.

Het Congres vormde het sterkste tegenwicht tegen de macht van de president, maar de meeste presidenten zagen wel kans het Congres naar hun hand te zetten. Zij deden ijverig aan lobbyen (de lobby is de wandelgang van een parlementsgebouw). Voordat belangrijke beslissingen worden genomen, vinden allerlei vertrouwelijke gesprekken plaats met parlementsleden om hen tot het eigen standpunt over te halen. De presidenten waren daar telefonisch vanuit het Witte Huis vaak heel bedreven in. Belangrijke zaken waren dan al beslist voordat er in het Kapitool over werd gestemd.

De derde macht na de wetgevende en de uitvoerende is de rechterlijke macht. Boven de federale rechtbanken en ook boven die van de afzonderlijke staten, staat het Hooggerechtshof, dat uit negen leden bestaat. Deze leden worden door de president voor hun leven benoemd en nemen daardoor tegenover de andere machten een onafhankelijke functie in. De voorzitter ervan heet opperrechter. De president legt bij zijn ambtsaanvaarding in zijn handen de eed af. Politiek is het Hooggerechtshof belangrijk door het toetsingsrecht, dat de grondwet het toekent. Alle wetten, zowel de federale als die van de afzonderlijke staten, worden door het Hooggerechtshof getoetst aan de grondwet. Wanneer het hof vindt dat zij daarmee in strijd zijn worden zij nietig verklaard.

Ín de Amerikaanse grondwet is consequent de machtenscheiding volgens de leer van Montesquieu doorgevoerd. De wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht zijn onafhankelijk van elkaar en oefenen toch toezicht op elkaar uit. Dit is het ingewikkelde systeem van ´checks and balances ´, het elkaar controleren en in evenwicht houden van de machten, een knappe vondst van de opstellers.

— `Er was afgesproken dat er drie onderscheiden regeringsfuncties zouden komen, ieder gelijkwaardig aan en samenwerkend met de beide andere: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke machten, zodanig ingesteld en onderling verbonden, dat zij in harmonie konden samenwerken, maar terzelfder tijd in evenwicht gehouden dat geen van drieën ooit de alleenheerschappij kon krijgen.´

De grondwet van 1787 functioneert nog steeds, maar is niet ongewijzigd gebleven. In 1787 werd zij opgesteld, in 1789 algemeen ingevoerd en in 1791 reeds van amendementen (wijzigingen) voorzien. In de loop van bijna 200 jaar zijn er in totaal 27 amendementen aan toegevoegd. Ze hebben betrekking op de mensenrechten, de afschaffing van de slavernij, de uitbreiding van het kiesrecht voor de negerbevolking, het verbod van alcoholgebruik, enzovoort.

b) Politieke partijen

Politieke tegenstellingen hebben vanaf het ontstaan van de VS een rol gespeeld, denk maar aan de strijd tussen Federalisten en anti-Federalisten. Meestal zijn er twee grote partijen, die al heel lang Republikeinse Partij en Democratische Partij heetten. Partijnamen zeggen niet veel, want beide partijen zijn zowel republikeins als democratisch. Er is ook meer overeenkomst dan verschil tussen beide partijen. Ze hebben ook geen vaste programma ´s die het vergelijken gemakkelijk maken. Het noemen van verschillen leidt daarom gauw tot overdrijving.

`Sociaal indelende, ziet men over het algemeen wel de hogere klassen in het Republikeinse kamp vertoeven, terwijl men ook mag zeggen dat de Republikeinen domineren op het platteland (behalve in het zuiden). De arbeiders daarentegen zijn meest democratisch en de grote vakbonden steunen meestal officieel de kandidaten van de Democratische Partij. Ook onder de steeds belangrijker wordende stemgroep van de negers zijn de Democraten favoriet [...] Men moet eveneens de aanwezigheid van de meeste intellectuelen in het Democratische kamp toeschrijven aan het optreden van Roosevelt, die zich zo sterk liet adviseren door mensen van de universiteiten. In het zakenleven daarentegen zijn de Republikeinen weer het belangrijkst. Behalve een maatschappelijke indeling kan men er ook één maken naar religieuze of etnische factoren. De oude groepen protestanten zijn gemiddeld veelal Republikeins, maar onder de kleinere sekten en onder de katholieken (dus weer groepen waar men de kleine mensen vindt) overheersen de Democraten.´ Kort samengevat:

Democraten Republikeinen
  veel in het zuiden   veel in het noorden
• voor rechten afzonderlijke staten   voor sterk centraal gezag
• steun van vakbonden, arbeiders,negers en intellectuelen   steun van hogere klassen en zakenmensen
   
• aanhang veelal in steden   aanhang vooral op het platteland (behalve in het zuiden)
 
• veel katholieken en godsdienstige minderheidsgroepen   veel protestanten
 
• veel jonge immigranten   oudere groepen immigranten
• meer internationaal gericht   neiging tot isolationisme

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonder levendig zijn de voorbereidingen van de partijen voor een presidentsverkiezing. Iedere partij wijst daarvoor haar kandidaat aan, maar daar gaat een heel proces aan vooraf. Eerst worden er in ongeveer 25 staten voorverkiezingen of `primaries ´ gehouden. Daar wordt de voorkeur voor een bepaalde kandidaat uitgesproken en worden de afgevaardigden gekozen voor de landelijke partijconventie. Op deze partijconventie moet uiteindelijk dé kandidaat van de partij voor het hele land worden gekozen. Elke staat beschikt overeenkomstig haar inwonertal over een bepaald aantal stemmen. Er heerst op zo´n partijconventie een kermisachtige drukte: ieder staat op eigen wijze propaganda te maken voor de eigen kandidaat. Daar hoort muziek en zang bij, dans en toneel en allerlei andere showelementen: toeters, fluiten, mutsen, enz. Door de `primaries ´ is al ongeveer bekend welke kandidaat de beste kansen heeft. Sommige staten geven hun afgevaardigden een bindend mandaat mee, d.w.z. zij zijn gebonden aan de uitspraak van de kiezers. Dit mandaat geldt echter alleen voor de eerste stemming.

Deze verkiezingen binnen de partij mogen niet worden verward met de officiële verkiezing van kiesmannen, die veel later plaatsvindt. 

2) De voorgeschiedenis

Het jaar 1917 vormt door twee belangrijke gebeurtenissen een keerpunt in de geschiedenis. In dat jaar gingen de VS deelnemen aan de Eerste wereldoorlog,waardoor zij ten nauwste betrokken werden bij de ontwikkelingen in Europa. Zij namen de taak als wereldmacht op zich. In hetzelfde jaar brak in Rusland een revolutie uit, die zou leiden tot het ontstaan van de Sowjet-Unie. En evenals de Verenigde Staten zou de Sowjet-Unie uitgroeien tot een wereldmacht.

Het centrum van de wereldpolitiek zou zich verplaatsen van Europa naar de randzone. Nieuwe centra werden Washington en Moskou. Tegelijk werd in 1917 de kiem gelegd voor de grote tegenstelling tussen de VS en de SU, tussen de leidende kapitalistische en de leidende communistische wereldmacht. De buitenlandse politiek van de VS tot 1917 is te verdelen in twee perioden, namelijk in die van 1783 tot ± 1890 en van ± 1890 tot 1917.

a) De periode van 1783 tot 1890

Binnen een eeuw werden talrijke nieuwe staten gevormd, die zich uitbreidden van oost- tot westkust. Daarbij werden de Indianen vrijwel uitgeroeid, werden spoorwegen aangelegd en oorlogen gevoerd. Mexico deed na een oorlog afstand van Texas, Nieuw-Mexico en Californië. Van Frankrijk werd Louisiana gekocht, van Spanje Florida en van Rusland Alaska. Tienduizenden trokken westwaarts om in ´the far West´ een nieuwe toekomst op te bouwen. Naast grootschalige veeteelt en graanbouw kwam al snel in de steden de industrie op. De VS zogen uit alle delen van de wereld mensen naar zich toe, en naast mensen ook kapitaal. Belangstelling voor wat buiten het eigen werelddeel gebeurde had de Amerikaan nauwelijks.

In de Franse tijd vielen Napoleons troepen Spanje en Portugal binnen. Dat was het sein voor de Spaanse en Portugese koloniën in Latijns-Amerika om de band met het moederland te verbreken en hun zelfstandigheid uit te roepen. Portugal berustte in het verlies van Brazilië, maar Spanje probeerde omstreeks 1820 zijn koloniën te heroveren. De VS aanvaardden niet het ingrijpen van Europese mogendheden op het Amerikaanse continent. De grote leus werd: `Amerika voor de Amerikanen ´. De Amerikanen zeiden: `Wij bemoeien ons niet met Europese zaken en wij staan niet toe dat Europese staten zich met onze zaken bemoeien. ´ De toenmalige president Monroe gaf in 1822 daarover een verklaring uit, die naar hem Monroeleer werd genoemd. De Monroeleer gol alleen tegenover Europa, waarvan de VS zich isoleerden. Van die kant dreigde ook weinig gevaar, want de Engelse vloot beheerste de Atlantische Oceaan en met Engeland waren de VS meestal goed bevriend. Deze politiek van de VS wordt isolationisme genoemd, wat betekent de neiging tot afzonderen erl afkeer van internationale politieke vei lichtingen.

1860 de groei of the vs

Dit isolationisme was echter alleen naar het oosten gericht, niet naar het westen. De Amerikanen veroverden het hele Amerikaanse continent van oost naar west, van de Atlantische Oceaan tot de Grote Oceaan. De laatste oceaan lag toen als een open weg naar Azië vóór hen. In 1853 `brak ´een Amerikaanse vloot Japan open om met dit land handel te kunnen drijven. In-1898 voerd de VS oorlog tegen Spanje en ontnamen het de Filipijnen, Cuba en Portorico. Cuba werd in naam zelfstandig maar de andere eilanden werden Amerikaans bezit. De VS begonnen ook buiten het eigen continent een imperialistische politiek te bedrijven. Daarmee ging gepaard een sterke ontwikkeling van het nationalisme, de zelfbewustheid een sterke en krachtige natie te zijn, die het recht had de zaken naar eigen hand te zetten. De VS waren als `Gods own country geroepen leiding te geven op het westelijk halfrond. In geval van wanorde (en wanbetaling) in een van de Latijnsamerikaanse landen mochten de VS ingrijpen (zogenaamd om Europese bemoeienis te voorkomen). Het hele Amerikaanse continent van Canada tot Argentinië beschouwden de Amerikanen als hun invloedssfeer. ´Omstreeks 1890 had de Amerikaanse economie al zo´n hoge ontwikkeling bereikt, dat uitbreiding van de buitenlandse handel noodzakelijk was (om niet in de eigen overvloed te stikken). Er waren nieuwe afzetmarkten nodig en nieuwe vindplaatsen van grondstoffen die men in eigen land niet bezat. Dat leidde tot een imperialistische politiek. Daarnaast was er in de VS ook een progressieve beweging die gericht was op sociale hervormingen, bestrijding van corruptie en de grote macht van de industriële ondernemingen, en hulp aanzwakke bevolkingsgroepen. Een vertegenwoordiger van deze laatste richting was Thomas Woodrow Wilson, president van 1913 tot 1921.

b) Wilson en de Eerste wereldoorlog

Wilson had rechten gestudeerd, was advocaat geweest, daarna hoogleraar in de politieke wetenschappen, president van een universiteit en gouverneur van de staat New Yersey. Hij was van Schots-Ierse afkomst, streng voor zichzelf en anderen en onbuigzaam van karakter. Hij had hoge idealen over de goedheid van het volk en geloofde in de mogelijkheid dat volken vreedzaam konden samenleven.

Er waren drie principes die tenslotte zijn handelen beheersten,

1) een streng moralisme, geldend voor alle naties,

2) een geloof in de democratie, steeds meer berustend op een mystiek geloof in het volk,

3) de overtuiging dat het de missie van Amerika is om vrede op aarde te brengen, om materiële interessen ondergeschikt te maken aan hogere belangen van eer en plicht. Welke spanningen er ook in Wilson persoonlijk waren, de spanning tussen realiteit en ideaal, die de buitenlandse politiek van zijn land altijd zo onzeker had gemaakt, verdroeg hij niet, totaal stond hij aan de kant van het idealisme.´

In 1914 brak de Eerste wereldoorlog uit, maar Wilson was niet van plan in te grijpen. Daarom werd hij in 1916 ook herkozen als president, want: `he kept us out of war´.

De economische politiek van de VS dreef het land echter toch tot de oorlog. Al in 1913 ging 77% van de Amerikaanse export naar de geallieerden. Tijdens de oorlog leenden de VS enorme kapitalen en grote hoeveelheden goederen aan Engeland en Frankrijk. In 1917 stonden de kansen voor Engeland en Frankrijk aan het front slecht en de Amerikaanse bankiers vreesden hun geleende gelden niet terug te krijgen.

Het Duitse optreden maakte het de VS gemakkelijk openlijk aan de oorlog deel te nemen. In 1917 kondigde Duitsland de onbeperkte duikbootoorlog af, elk schip met een geallieerde bestemming zou zonder aankondiging door de Duitse `U-Boote´ kunnen worden getorpedeerd. Duitsland probeerde bovendien Mexico tot een bondgenootschap over te halen. In ruil daarvoor zou het na een Duitse overwinning het hele zuidelijke deel van de Verenigde Staten terug ontvangen.

Toen Wilson het Congres adviseerde de oorlog aan Duitsland te verklaren — `rolde een daverend applaus door de gehele vergadering. De mensen verhieven zich van hun zetels om juichend hun algemene instemming te betuigen, toen opperrechter White zijn beide handen in de lucht stak. De centrale figuur van dit alles [Wilson] was echter de enige die zich verzette tegen het enthousiasme. Later zei hij met diepe bezorgdheid tegen zijn secretaris: ´Mijn boodschap van vandaag was een tijding des doods voor onze jonge mannen. Men vraagt zich af hoe iemand daarbij kan applaudisseren´Voor de idealistische Wilson was de oorlog noodzakelijk, ´that the world must be safe for democracy´ De oorlog werd gepropageerd als een kruistocht voor de vrede. Volgens Wilson moest er een vrede komen zonder overwinning, zelfbeschikkingsrecht voor de volken en een beter statensysteem.

propaganda vs

De VS moesten nu:

• een leger opbouwen;

• de Amerikaanse industrie op oorlogsproduktie instellen;

• de geallieerden van levensonderhoud voorzien;

• de oorlogsstemming in eigen land aanwakkeren.

Er kwam een strenge planning van de industrie onder leiding van de staat, onder het volk ontstond meer eenheid dan tevoren. De macht van de federale regering werd groter.

In januari 1918 bracht Wilson zijn `Veertien punten´in het Congres. Deze zouden moeten dienen als richtlijnen bij het sluiten van de vrede. Kort samengevat komen ze neer op het volgende:

1) Openbare vredesonderhandelingen;

2) het principe van de vrije zee;

3) gelijke internationale handelsbetrekkingen;

4) algemene ontwapening;

5) onpartijdig oordeel over koloniale vraagstukken;

6) ontruiming van Rusland;

7) ontruiming en herstel van België;

8) ontruiming van Frankrijk, dat Elzas-Lotharingen terugkrijgt;

9) vaststelling van de Italiaanse grenzen als nationale grenzen;

10) autonome ontwikkeling van de volken binnen Oostenrijk-Hongarije;

11) ontruiming en herstel van Roemenië, Servië en Montenegro;

12) autonome ontwikkeling voor de niet-Turkse volken binnen Turkije;

13) instelling van een onafhankelijk Polen;

14) oprichting van een Volkenbond.

De Amerikaanse oorlogsmachine kwam maar langzaam op gang, maar toen ze eenmaal draaide, bracht ze een eindeloze stroom van schepen, goederen en soldaten over de oceaan. Eind 1918 bevond zich een Amerikaans leger van 1,5 miljoen soldaten in Europa. De deelname van de Amerikanen betekende een keerpunt in de oorlog, alleen al door hun aanwezigheid. De Duitse troepen waren uitgeput en zagen het hopeloze van een verdere strijd in. In deze oorlog was wel gebleken dat Duitsland militair opgewassen was tegen Frankrijk en Engeland samen. Steun van de Verenigde Staten was voor de Westeuropese democratieën nodig om politiek en militair te overleven. In de Tweede wereldoorlog bleek dat opnieuw.

c) Wilson en Versailles

Toen Wilson in 1919 naar Europa vertrok was hij de eerste regerende president die Europa bezocht. Hij werd er met grote verwachtingen ontvangen. De verslagen landen hoopten op een eervolle vrede en dachten daarbij aan Wilsons leuze, een vrede zonder overwinnaars, en aan zijn Veertien punten. Hun hoop bleek spoedig ijdel.

Wilson stond bij de vredesonderhandelingen in Versailles minder sterk dan zij dachten. Het Amerikaanse volk had bij de Congresverkiezingen in 1918 in meerderheid Republikeins gestemd, ondanks Wilsons oproep hem te steunen. Men kreeg genoeg van het hooggestemde idealisme en het prekerige gemoraliseer van de president.

Wilson maakte een grote fout door geen enkele senator en geen vooraanstaande Republikein mee te nemen naar Versailles. Hij isoleerde zich daardoor nodeloos van de volksvertegenwoordiging van zijn land.

En in Versailles wachtten Wilson moeilijke onderhandelingen met geallieerde leiders als de Fransman Clemenceau en de Engelsman Lloyd George. Wilson was echter vasthoudend. Op verschillende punten dreef hij zijn zin door, maar in veel gevallen moest hij toegeven. Van openbare vredesonderhandelingen kwam niets terecht, evenmin als van een vrede zonder overwinnaars. Duitsland was het verslagen land en werd als alleen-schuldige aangewezen. Het werd verplicht tot enorme herstelbetalingen (de oorlogskosten en alle schade van de overwinnaars). Het geld zou vooral ten goede komen aan Frankrijk en Engeland, die daarmee hun leningen aan de VS konden terugbetalen.

Ook het zelfbeschikkingsrecht werd niet zo toegepast als Wilson had gewenst. Van de eerste vijf punten van Wilsons Veertien punten kwam niets terecht. Door taaie vasthoudendheid wist de Amerikaanse president toch nog heel wat te bereiken. De punten zes tot en met veertien werden voor een groot deel uitgevoerd.

Wilson stelde al zijn hoop op de totstandkoming van de Volkenbond. Deze internationale organisatie van volken zou later nog heel wat zaken gunstiger kunnen regelen. De vorming van de bond werd daarom ook als onderdeel van het vredesverdrag opgenomen. Maar juist op dit punt liet het Amerikaanse volk Wilson in de steek. Nog in 1919 trok hij door het land om het volk voor zijn ideeën te winnen. Op deze tocht stortte hij volledig ineen, kort daarna kreeg hij zelfs een hersenbloeding.

De Senaat besloot het vredesverdrag niet te ondertekenen, maar de oorlog als geëindigd te eschouwen. De VS werden geen lid van de Volkenbond. De oorlog had veel doden gekost. Met de Europese oorlogen wilde men niets meer te maken hebben. Het land keerde terug tot het isolationisme. Voor Wilson, de schepper van de Volkenbond, was dit alles een grote slag. Toch stelde hij zich in 1920 opnieuw kandidaat voor het presidentschap, maar hij werd vernietigend verslagen door de Republikein Harding, een volstrekt onbelangrijke figuur. Wilson overleefde zijn nederlagen niet lang. Drie jaar later stierf hij als een vereenzaamd man.

d) `Back to normalcy´

Na de oorlog waren de Verenigde Staten de grootste financiële en economische macht van de wereld geworden. De Europeanen leenden van Amerika in plaats van omgekeerd. Het financiële hart van de wereld lag niet meer in Londen, maar in New York, in Wallstreet. De VS verschaften in ruime mate kredieten aan Europese staten, na 1925 vooral aan Duitsland, om hun industrieën weer op te bouwen. Meer dan 3 miljard dollar vloeide in de na-oorlogse jaren naar Europa.

Toch waren de VS zich nauwelijks bewust van hun grote macht, in elk geval waren zij niet van plan politieke invloed uit te oefenen. Er brak een nieuwe periode van isolationisme aan. De VS gingen zich na de oorlog met zichzelf bezighouden. Een senator zei het als volgt: `Wat Amerika nodig heeft is geen duik in het internationalisme, maar vasthouden aan een zegevierend nationalisme.´ Dat bedoelde ook president Harding toen hij sprak over `back to normalcy ´ terug  naar normale verhoudingen. Een van de eerste zaken waar de regering zie mee bezighield was het alcoholvraagstuk. Voornamelijk de plattelandsbevolking, geleid door kerken en vrouwenbewegingen, drong hierop aan. Alcoholgebruik werd in strijd met de vooruitgang geacht en oorzaak van criminele activiteiten. In 1920 werden verkoop en verspreiding van alcoholhoudende dranken verboden. De zgn. drooglegging van Amerika begon. Er zou nu een `tijdperk van zuiver denken en zuiver leven aanbreken´ Het omgekeerde was echter het geval. Clandestiene distilleerderijen en slijterijen verrezen als paddestoelen uit de grond. In nachtclubs en bordelen vloeide de alcohol rijk.

Er brak een gouden tijd aan voor de onderwereld. De gangsters (gang = bende) waren goed georganiseerd en hadden machtige leiders. Het aantal moorden van deze gangsters (ook op elkaar) liep in de duizenden. Bankovervallen kwamen dagelijks voor. De meest beruchte stad was Chicago, één grote brouwerij, beheerst door gangsters.

Volgens veel Amerikanen waren de grote steden poelen van verderf geworden. Eén van de oorzaken was, volgens hen, de enorme aantallen immigranten uit Zuid- en Oost-Europa. In de 19e eeuw waren de meeste immigranten geschoolde boeren en arbeiders die in de VS voor zich en hun kinderen een meuwe toekomst wilden opbouwen. Het waren veelal protestanten, die uit democratisch geregeerde landen kwamen. Na 1880 waren de meesteemigranten ongeschoold ,katholiek en fkomstig uit landen, waar de democratie nauwelijks wortel had geschoten.

Zij konden zich moeilijk aanpassen, vonden niet gemakkelijk werk en kwamen terecht in de onderste lagen van de maatschappij. Nog in 1882 werd de immigratie van Chinezen en Japanners sterk beperkt. In 1919 werd bij de wet vastgesteld dat immigranten moesten kunnen lezen en schrijven. De immigratiewetten van 1921 en 1924 leidden ertoe dat ieder land zóveel emigranten naar de VS mocht zenden gelijk aan 2% van het aantal emigranten uit dat land, dat in 1890 in de VS woonde.

Dee bedoeling was om de immigratie van Zuid- en Oost-Europeanen, Afrikanen en Aziaten af te remmen ten gunste van immigranten uit Noord-West-Europa. In deze wet kwam ook de angst naar voren voor de boze wereld buiten Amerika, het slechte Zuid-Europa, waar de misdadigers vandaan kwamen. Zo gezien is ook deze wet een vorm van isolationisme, een afsluiting van de rest van de wereld.

Vreemdelingenhaat, voortkomend uit een mengsel van angst en ziekelijk nationalisme kwam ook tot uiting in het optreden van de Ku Klux Klan (van het Griekse kuklos = cirkel). De leden van deze geheime genootschappen vermomden zich in wijde witte mantels en witte puntmutsen over hun hoofden. Zij meenden te moeten strijden voor een blijvende blanke en protestantse overheersing van de VS en keerden zich daarom tegen vreemdelingen, negers, joden en katholieken, die bij nacht en ontij werden overvallen, mishandeld en dikwijls wreed vermoord. In deze groepen kwamen allerlei gewelddadige en opgekropte emoties naar voren. Na 1926 verliep de Ku Klux Klan (hoewel ze tot nu toe nooit helemaal is verdwenen).

e) Grote welvaart, maar een schijnwelvaart

memo hfst 3 afb 7

Na een korte hapering in 1921 brak een periode van ongeremde economische bloei aan. Tussen 1920 en 1929 nam de economische bedrijvigheid met 50% toe. Het bedrijfsleven maakte grote winsten. Volgens Harding was `business de enige business ´van de VS. En de regering moest daarin niet ingrijpen. De regering had tot taak zo weinig mogelijk te doen.

Wel nam de regering maatregelen om de eigen industrie te beschermen door hoge invoerrechten te heffen op buitenlandse goederen, een vorm van protectie. De Europese landen kregen in de VS geen voet aan de grond. Amerika had echter nauwelijks concurrentie te vrezen. Door de snel voortschrijdende ontwikkelingen in de metaalnijverheid en de elektrotechniek had het land een grote voorsprong genomen op Europa. Nergens was de massaproduktie zo groot, onder meer door het lopende-band-systeem. De prijzen werden daardoor lager en bij gelijkblijvende of stijgende lonen deelden ook veel arbeiders in de welvaart. Als voorbeeld kan gelden Henry Ford, de eerste die op grote schaal in zijn autofabrieken de lopende band op grote schaal toepaste. Hij wist daardoor de goedkope T-Fords te produceren (prijs $ 225 kleur zwart). In 15 jaar werden er 15 miljoen afgeleverd. Volgens Ford was `consumptie het enige doel van alle economische activiteit´. Hij verhoogde daarom de lonen van zijn arbeiders, opdat ook zij in zijn auto´s konden rijden. De auto (en later ook het vliegtuig) ontsloten het Amerikaanse continent. Door het hele land werden brede wegen aangelegd en in het binnenland verrezen grote steden.

Het was niet alleen de auto die het land een ander aanzien gaf. Ernaast kunnen worden genoemd: het vliegtuig, de radio, de film, de elektrische lift, de voelkast, enzovoort. Al het nieuwe kwam uit Amerika. Het bleek inderdaad het land van de onbegrensde mogelijkheden.

In zakenkringen werden miljoenen dollars verdiend. Door trust- en concernvorming ontstonden machtige bedrijven die de politiek van het land beheersten. Toch was de werkelijkheid minder mooi dan ze leek. Het was een schijn welvaart.

De kreet ´prosperity for ever´welvaart voor altijd, was een lege huls. Allereerst omdat ze niet eeuwigdurend zou blijken, maar ook en vooral omdat het overgrote deel van het volk geen deel had aan de welvaart. De in -komensverdeling was volkomen scheef getrokken. De 36.000 rijkste families van het land inden 42% van het totale inkomen van het volk. Tegenover de grote rif om van een kleine groep stond de schrille armoede van velen.

In ´...een land van groter rijkdom dan het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan, en België samen, een land met een nationaal inkomen van meer dan zestig miljard, een land, dat stoft op democratie en vrijheid, – in zulk een land lijden miljoenen mensen, lijden werkelijk honger, sterven bij gebrek aan benodigdheden des levens, niet in staat naar de dokter te gaan voor medische hulp, niet in staat rust te nemen bij ziekte, niet in staat goede kleren te kopen, wanneer onvoldoende kledij ziekte en dood betekenen, niet in staat brandstof te kopen, om hun woningen te verwarmen, niet in staat hun kinderen behoorlijk te verzorgen opdat zij nuttig werk kunnen doen, niet in staat zichzelf in zo´n lichamelijke conditie te houden, dat zij behoorlijk kunnen arbeiden, niet in staat iets te genieten van de ontspanningen en genoegens des levens.

Het was een Amerikaan die dit in 1926 schreef, op het hoogtepunt van de `prosperity´

f ) De vrolijke jaren twintig

De jaren twintig zijn later in Amerika de ´fabulous, gay en roaring twenties´genoemd. Over het fabelachtige en luidruchtige is al een en ander gezegd. Over het vermaak en de vrolijkheid nog het volgende:

Kort samengevat zijn deze jaren de tijd van de jazz, de blues, de charleston, de cocktails, de seks en de sport. Vooral de jeugd leefde zich uit en bracht dikwijls de ouders tot wanhoop. Vrouwen en meisjes lieten hun haar kort knippen en gingen steeds kortere rokken dragen. Zij rookten, gebruikten make-up en gingen naar cocktailparties en nachtclubs. Dansen werd een rage, een mode, maar nog meer een bevlieging, die uitgroeide tot het waanzinnige. Een rage werd ook het bioscoopbezoek, waar de filmindustrie uit Hollywood haar verleidelijke sterren op het witte doek aanbood. Rages werden ook kruiswoordraadsels, slogans (zoals ´Say it with flowers´), jacht op records, enzovoort.

Bij alle activiteiten, en de Amerikanen waren bijzonder actief, stond het vermaak voorop. Dit alles werd een onderdeel van ´the American way of life´. Daar hoorden ook toe: autorijden en kamperen, een duur huis buiten de stad bewonen met veel gemak van apparaten, en, als men dit alles niet betalen kon, was er nog de rage van kopen op afbetaling. Het afbetalingssysteem ging uit van de slogan: ´Buy now, pay later´

Het geval was echter wel dat de gemiddelde en redelijk goed verdienende Amerikaan ver boven zijn stand leefde. Een terugslag kon niet uitblijven.

3) De jaren 1929 tot 1941

a) Achtergronden van de grote crisis

Van 1921 tot 1933 regeerden in de VS de Republikeinse presidenten Harding, Coolidge en Hoover. Van hen was Hoover verreweg de bekwaamste. Hij stond bekend als een solide liberaal-conservatief en had grote naam als organisator. Zijn twee voorgangers gingen uit van de opvatting dat de staat zo weinig mogelijk moest doen; Hoover was niet bang voor staatsingrijpen. Hij werd echter geconfronteerd met een economische crisis, die zijn weerga in de Amerikaanse geschiedenis niet had. Toen bleek ook dat Hoover niet in staat was oplossingen te vinden. In 1928 verklaarde hij nog optimistisch: — `Wij hebben laten zien dat ons systeem gevoelig genoeg reageert om iedere nieuwe en moeilijke ontwikkeling aan te kunnen. [...] Wij zijn nu dichter bij het ideaal van verbanning van armoede en vrees uit het leven van mannen en vrouwen gekomen als ooit tevoren in eigen land.

Nog geen jaar later begon de crisis. En de wereld van de Amerikaan stortte ineen. Het economisch liberale stelsel, waarop hij zo trots was bleek niet deugdelijk meer. Er zou voor Amerika een nieuwe tijd aanbreken met een verregaande overheidsinvloed in het sociale en economische leven.

Eigenlijk is het woord crisis niet goed gekozen, want `crisis´betekent een plotselinge ineenstorting. wanneer deze een blijvend karakter draagt, spreekt men van een depressie´. Het spraakgebruik ontstond echter om zowel de ineenstorting als de daarop volgende jaren `crisis´ te noemen.

De grote economische crisis ontstond natuurlijk niet van de ene op de andere dag. Er waren al lang voortekenen, die de komst aankondigden. Ook tijdens de hoogconjunctuur waren er nog altijd 2 miljoen werklozen, was het zuiden met zijn grote negerbevolking een verarmd gebied en hadden de boeren in het westen het slecht. Tijdens de Eerste wereldoorlog hadden de boeren veel geld verdiend. Zij hadden er veel land bij gekocht, belast met hoge hypotheken voor tien jaar tegen hoge rente. Na de oorlog had zich de agrarische produktie in Europa hersteld en was er minder graan nodig uit Amerika. De prijzen daalden daardoor snel en tienduizenden boeren kwamen in financiële moeilijkheden. Zij vervielen tot armoede en konden hun hypotheekrente niet meer betalen. Nog altijd was 22% van de Amerikaanse bevolking werkzaam in de agrarische sector Als de boer niets kan kopen lijdt ook de middenstander en samen trekken ze de industrie in het slop.

Maar er waren meer slechte voortekenen. De onevenwichtige inkomensverdeling is al eerder genoemd. In de welvaartsperiode waren de ondernemerswinsten met meer dan 60% gestegen, de lonen van de gemiddelde werknemer met niet meer dan 10%. De koopkracht van de grote massa was daardoor niet meer in overeenstemming met de enorme produktie. Men spreekt daarom wel van `overproduktie en onderconsumptie´De bedrijven kwamen daardoor met grote overschotten van niet-verkochte goederen te zitten. Het gevolg was dat zij arbeiders gingen ontslaan. De werkloosheid werd nog vergroot door verdergaande mechanisering en rationalisatie door betere bedrijfsvoering,samenvoeging van ondernemingen, enzovoort

Veel naamloze vennootschappen werden geleid door `louche promotors, corrupte figuren, zwendelaars, bedriegers en frau eurs.

un doel was winst te maken op de beurs. De speculatiemarkt groeide (speculeren is handelen in aandelen om snel grote winsten te behalen. De risico´s die daarbij worden genomen kunnen echter ook tot grote verliezen leiden). Er waren ondernemingen die niet langer goederen gingen produceren, maar overgingen tot het financieren van speculaties.

Veel bankiers waren – in navolging van het begrip `gangsters´. Íedereen kon een bank be innen en er was geen enkele controle. r estond een onwankelbaar vertrouwen dat iedereen rijk kon worden. Daardoor steeg de speculatiekoorts. Er werd geld geleend om aandelen te kunnen kopen, afbetaling en rente moesten worden betaald na verkoop. Zo ontstond een wankel systeem, dat alleen functioneerde als de aandelenkoersen bleven rijzen. Bij een neergang zou niet alleen de aandelenmarkt in elkaar storten, maar honderdduizenden zouden worden meegesleurd naar de financiële ondergang. En deze ineenstorting kwam.

b De beurskrach en de gevolgen

— `In september 1929 stortte het Britse Hatry-concern met een hatelijke plof in elkaar; de aandelen vielen in een paar dagen van 16 op 2 shilling. Het was onprettig; van dat moment af heerste er enige onrust, alsof iemand in een concertzaal was gaan hoesten en door anderen was gevolgd´. Op donderdag 24 oktober sloeg plotseling met elementaire kracht de wervelstorm neer op de effectenmarkt en na enige steunpogingen zonk de bodem onder alle koersen weg: de catastrofe. In veertien dagen tijd een Niagara van gemiddeld 496 op 320; alleen al op 29 oktober, dag van een omzet van 16V2 miljoen aandelen, was er een val van veertig procent! Had op 1 oktober de totale beurswaarde van de te New York toegelaten fondsen nog 87 miljard bedragen, op 1 november stond ze al op 55, op 1 maart op 19 miljard. Iedereen wou er van af: verkopen, verkopen, verkopen... Tot elke prijs.

De grote beurskrach (krach = ineenstorting) in Wallstreet sleepte particulieren en bedrijven mee. Het eens zo trotse gebouw van de Amerikaanse economie begon ineen te storten. Gedurende 3 jaar bleef de neerdalende lijn zich voortzetten, het dieptepunt vielin 1932/1933. De industriële produktie viel tot de helft terug. Het aantal werklozen steeg van 1,5 miljoen tot 13 miljoen. Sterk getroffen werden de auto-industrie, de ijzer- en staalindustrie de scheepsbouw en de bouw van spoorwegmaterieel. Het allersterkst werd de landbouw getroffen. Het inkomen van de boeren liep met 70% terug.De VS bevonden zich in een vicieuze cirkel. Door bedrijfssluitingen, faillissementen en inkomensdalingen verdween de koopkracht van de burgers. Doordat de koopkracht verdween moesten steeds meer bedrijven sluiten en volgden nieuwe ontslagen en groeide de werkloosheid.

Hoover was aanvankelijk niet van plan maatregelen te nemen om de groeiende werkloosheid te bestrijden. Als liberaal politicus geloofde hij dat de economie uit eigen kracht zich zou herstellen. Na de neergaande lijn zou onvermijdelijk een opgaande volgen. De overheid moest wel zuinig zijn, ze ging daarom overtot een deflatiepolitiek: sterke bezuinigingen in de overheidssector onder meer door de lonen te verlagen. Voor alles moest de begroting sluitend zijn en de dollar waardevast.

Met enige tegenzin nam Hoover tenslotte maatregelen. Om de werkloosheid te bedwingen werden openbare werken uitgevoerd. Daarnaast leende de staat geld aan particulieren die hun hypotheekrente niet meer konden betalen. Het waren druppels op een gloeiende plaat, m.a.w. de situatie veranderde er niet door. Hoover zag geen oplossingen meer. Het volk begon zijn vertrouwen in de president te verliezen. Dat bleek duidelijk bij de presidentsverkiezingen in 1932 toen Hoover kansloos werd verslagen door de Democratische Presidents kandidaat F.D. Roosvelt.

c) Roosevelt en de New Deal

memo hfst 3 afb 8

De carrière van Franklin Delano Roosevelt telde hoogte - en diepetepunten. Al jong was hij senator en onder Wilson onderminister voor marinezaken. Met de val van Wilson verdween hij van het politieke toneel. In 1921 werd hij ook getroffen door kinderverlamming, waardoor hij gedeeltelijk verlamd bleef. Zijn grote wilskracht bracht hem er weer bovenop, hoewel hij nooit meer alleen zou kunnen staan of lopen.

Toch ging hij weer in de politiek en in 1928 werd hij gekozen tot gouverneur van de staat New York. In 1932 werd hij de presidentskandidaat voor de Democratische Partij. Iemand die de energie bezat zijn persoonlijke moeilijkheden te overwinnen, zou ook in staat zijn om de problemen van het land op te lossen. Wat de mensen in Roosevelt aantrok was zijn grote gevoel, zijn warme menselijkheid. Als president hield hij later zijn ´praatjes bij de haard´ voor de radio, ongedwongen alsof hij bij de mensen in de huiskamer zat.

In de verkiezingsstrijd van 1932 bood Roosevelt geen kant en klare oplossing voor de moeilijkheden. Wel sprak hij de beroemd geworden zin: `Ik wijd u en mijzelf aan een nieuwe aanpak (New Deal) voor het Amerikaanse volk Hoe deze er uitzag wist hij nog niet. Bij zijn ambtsaanvaarding in 1933 zei hij onder meer:

 `Wat het volk nodig heeft – en wanneer ik zijn stemming goed beoordeel, zelfs eist – is moedig en volhardend experimenteren. Het getuigt van een gezond mensenverstand nieuwe methoden te proberen. Als een methode mislukt, moet men dat openlijk toegeven en een andere proberen. Men mag echter niet werkloos toekijken.´

Deze uitspraak is typerend voor Roosevelt. Ze stemt overeen met een andere bij zijn ambtsaanvaarding:

— `Het enige, dat we hebben te vrezen, is de vrees zelf. [...] Het volk vraagt om daden, om daden nu. Onze eerste taak is de mensen weer aan het werk te krijgen. [...] We moeten handelen, we moeten vlug handelen.´) In 1933 kon Roosevelt met zijn ´New Deal´beginnen. Als de belangrijkste taken zag hij: bestrijding van de werkloosheid en herstel van de koopkracht. Om de koopkracht te vergroten zouden de mensen over meer geld moeten beschikken. Roosevelt maakte daarom de geldhoeveelheid groter, d.w.z. hij liet de gelddrukpersen draaien. Daardoor verminderde wel de waarde van het geld. De dollar daalde tot 65% van zijn waarde. Het gevolg was dat alles duurder werd: boeren en ondernemers kregen nu meer geld voor hun produkten. Het betekent wel dat de regering lonen en prijzen vast in de hand hield. Om de werkloosheid te bestrijden werd veel geld uitgegeven voor openbare  werken. Roosevelt stelde onder meer de Tennessee Valley Authority (TVA) in, een lichaam dat tot taak kreeg het verwaarloosde gebied van de Tennessee-vallei weer tot bloei te brengen. Daartoe werd de rivier de Tennessee gekanaliseerd de bodem weer in cultuur gebracht en de bedrijven gemoderniseerd.

De president vroeg van het Congres steeds meer en grotere bevoegdheden en hij kreeg ze. Zo kon hij `codes´,overeenkomsten, opleggen inzake produktiebeperking, lonen, arbeidsduur, enzovoort.

De New Deal was een vorm van geleide economie, in Amerika onbekend en onbemind, zeker bij de ondernemers. Zij zagen er een vorm van communisme in en spraken daarom over `de rode president in het Witte Huis. Een rijmpje luidde:

`The red New Deal, with a soviet seal

Endorsed by a Moscow hand,

The strange result of an alientcult

In a liberty-loving land.´

Toch waren de ideeën van Roosevelt niet nieuw. De Engelse geleerde Keynes had al veel eerder gewezen op de taak van de overheid om in tijden van depressie het economisch leven aan te moedigen en te helpen. De overheid moest dan overgaan tot een vorm van geleide economie en dat betekende ingrijpen in de economische bedrijvigheid door o.a. het laten uitvoeren van openbare werken en belastingverlagingen. Keynes was niet zo bang voor begrotingstekorten. Hij werd daarom door liberale economen sterk bestreden (hoewel Keynes zelf overtuigd liberaal was).

Roosevelt toonde zich echter een goede leerling.

Het Hooggerechtshof werd de stem van de ontevredenheid over Roosevelts politiek door de instrumenten ervan, zoals de `codes´, te veroordelen. Roosevelt benoemde daarna meer progressieve rechters, met als gevolg dat de verstandhouding tussen hem en het hof beter werd.

In 1938 meende Roosevelt dat de crisis zozeer bedwongen was dat de regering haar steun kon verminderen. Maar hij vergiste zich, de werkloosheid steeg onmiddellijk weer. Pas door de Tweede wereldoorlog werd de crisis volledig opgeheven.

d Van isolationisme tot oorlog

De uitwerking van de New Deal was niet het werk van Roosevelt alleen. Hij werd daarin bijgestaan door de zgn. `braintrust´, een aantal specialisten en deskundigen.Zij gaven hem ook advies in buitenlandse aangelegenheden, waarin het isolationisme op de voorgrond stond (met uitzondering van Latijns-Amerika). Er werden zelfs neutraliteitswetten aangenomen door het Congres, waardoor onder meer wapenleveranties aan oorlogvoerende landen werden verboden.

Roosevelt volgde jarenlang een isolationistische en nationalistische koers. Dat wilde niet zeggen dat hij geen oog had voor de gevaren in de wereld. Hij verwachtte dat Engeland en Frankrijk samen Duitsland wel konden bedwingen. Hij zag wel in de toekomst gebeuren dat de VS tegen het imperialistische Japan met geweld zouden moeten optreden.

Toen in september 1939 de Tweede wereldoorlog uitbrak, verklaarde Roosevelt nog dat de VS neutraal zouden blijven. Door het verloop van de oorlogsgebeurtenissen veranderde hij echter snel van houding. Nog in dezelfde maand verzocht hij het Congres de wet op het verbod van wapenverkopen op te heffen. De wapens aan oorlogvoerende landen zouden echter niet met Amerikaanse schepen mogen worden vervoerd en contant moeten worden betaald. Bepaald somber zag Roosevelt de toestand in de wereld in toen Frankrijk door de Duitse legers onder de voet werd gelopen en Engeland zich maarnauwelijks meer kon handhaven. Op 29 december 1940 verklaarde hij:

`Als Groot-Brittannië ineenstort, zullen de As-mogendheden het Europese, het Aziatische, het Afrikaanse en het Australische continent beheersen. Van dat ogenblik af zullen die mogendheden enorme vloten en legers naar ons werelddeel kunnen zenden. Het is niet overdreven te zeggen dat wij alleen in Amerika voor de muil van een kanon zouden leven. Wij moeten wapens en schepen produceren met alle energie waartoe wij in staat zijn en met alle hulpbronnen waarover wij beschikken. Wij zullen het grote arsenaal der democratie zijn.´

Roosevelt sprak deze woorden niet zonder reden. Engeland verkeerde in grote nood door de grote verliezen aan scheepsruimte door de Duitse duikboten. Churchill vroeg om 50 oude Amerikaanse torpedojagers om de zeeroute over de Atlantische Oceaan te beschermen. Maar een dergelijke transactie zou voor de VS de eerste stap op weg naar de oorlog kunnen zijn. Roosevelt wilde graag Engeland helpen, maar durfde niet te sterk de publieke opinie en het Congres te trotseren. Hij vond echter een slimme oplossing. De VS ruilden de 50 oude schepen tegen een aantal Britse bases tussen New Foundland en de Caribische voor 50 jaar. Daarmee won hij de gunst van het publiek, want Engeland raakte zo langzamerhand door zijn geldmiddelen heen en kon de oorlogsleveranties niet meer betalen.

Roosevelt voelde zich sterk. In 1940 was hij voor de tweede keer herkozen tot president en hij waagde daarom de volgende stap. In januari 1941 bracht hij de `Lend-Lease Bill´ (Leen- en Pachtwet) in het Congres `waarbij de president de bevoegdheid kreeg oorlogsgoederen te verkopen, over te dragen, te ruilen, te verpachten of te lenen aan elk land waarvan de verdediging naar het oordeel van de president `van levensbelang was voor de veiligheid van de Verenigde Staten´

Amerika werd na het aannemen van de Leen- en Pachtwet met recht het arsenaal van de democratie. De Amerikaanse industrie werd, evenals in 1917, weer omgebouwd tot een oorlogsindustrie. Een stroom van goederen werd over de Atlantische Oceaan verscheept, zeker tot een totaal van meer dan 50 miljard dollar., Het was in de eerste plaats oorlogsmateriaal, maar verder ook grondstoffen voor de industrie en voedsel. Daardoor kon Engeland de oorlog volhouden. De Engels-Amerikaanse banden werden steeds nauwer aangehaald. — `In augustus 1941 voerden Roosevelt en Churchill aan boord van de Amerikaanse kruiser Aurora voor de kust van New Foundland geheime besprekingen. Het resultaat van die besprekingen was het Atlantische Handvest, een verklaring over gemeenschappelijke doelstellingen, onder andere het weerstand bieden aan elke vorm van territoriale uitbreiding, handhaving van het recht van de volken om hun eigen regeringsvorm te bepalen, het bestrijden van angst en armoede, de vrije vaart op zee en de ontwapening van agressieve landen tot een permanente vredesorganisatie verzekerd zou zijn.´) Nog dichter bij een oorlog waren de VS in het Verre Oosten. De verstandhouding met Japan werd van jaar tot jaar slechter. Japan streefde naar de opperheerschappij in Zuid- en Oost-Azië. Het veroverde Mantsjoerije en de kuststroken van China. Tegelijk bouwde het een grote oorlogsvloot op waarmee het de Amerikaanse vloot in de Stille Oceaan kon weerstaan. De Japanners wilden geen oorlog met de VS, maar als deze hen in hun imperialistische politiek tegenwerkten, zouden ze een oorlog niet uit de weg gaan. De VS hadden grote handelsbelangen in China en Zuidoost-Azië en duldden geen overwicht van Japan in deze gebieden en nog minder in de Grote Oceaan. In 1938 verboden zij de uitvoer van vliegtuigen en oorlogsmateriaal naar Japan. Daarnaast hoopten zij door onderhandelingen tot een overeenkomst met Japan te komen. Eind november 1941 was echter duidelijk dat een oorlog onvermijdelijk was. De Amerikaanse minister van oorlog hield zich in zijn dagboek bezig met de vraag:

`hoe wij hen [de Japanners] in een positie kunnen manoeuvreren, waarin zij het eerste schot zullen moeten lossen, zonder dat wij daarbij veel gevaar lopen´.

Inderdaad losten de Japanners het eerste schot, maar de gevaren waren groter dan de minister hoopte. Nog tijdens de onderhandelingen bombardeerden op 7 december 1941 Japanse vliegtuigen, die van vliegkampschepen waren opgestegen, de `Pacific Fleet´die in de marinehaven Pearl Harbor lag. De Amerikanen hadden nimmer willen geloven dat de eerste klap op Hawaï zou vallen, daardoor was de droevige verrassing zo groot. Meer dan 2300 militairen kwamen om, het grootste deel van de vloot was uitgeschakeld. Op 8 december verklaarde het Congres Japan de oorlog.

Japan was zowel met Duitsland als Italië verbonden. Toen Japan een beroep op Duitsland deed, waren Hitler en Mussolini zo onverstandig de Verenigde Staten de oorlog te verklaren. De VS moesten nu op twee fronten oorlog voeren, daar staat echter tegenover dat Engeland alle steun ontving die het nodig had. Het Amerikaanse volk moest op zware tijden worden voorbereid. Roosevelt kon dat als geen ander door zijn radiopraatjes bij de open haard.

4) De oorlogsjaren 1941-1945

a De technologische en industriële groei

De Tweede wereldoorlog heeft de Amerikaanse samenleving sterker veranderd dan dë New Deal. Met Pearl Harbor werd een tijdperk in de geschiedenis afgesloten. De periode van het isolationisme was voorgoed voorbij. De VS gingen wereldpolitiek bedrijven. Maar allereerst moesten zij oorlog voeren en dat betekende een totale omschakeling van het Amerikaanse leven op elk terrein. Wetenschap en techniek leverden in deze jaren van hoogspanningen belangrijke bijdragen op het gebied van de medische wetenschap, de ontwikkeling van de chemie en de natuurkunde, met name de elektrotechniek en de ontwikkeling van kernenergie.

De staat gaf op elk gebied leiding. Alles werd van bovenaf gepland: lonen en prijzen, omvang van de produktie en het gebruik ervan.

De landbouwprijzen werden verhoogd en de produktie vergroot. De industrie nam tijdens_de oorlog met 250% toe. Het is duidelijk dat vooral de oorlogsproduktie werd opgevoerd. Tussen 1941 en 1944 werd de handelsvloot vervijfvoudigd. Er werden bovendien 750 oorlogsschepen en 24.000 landingsvaartuigen gebouwd. De productie van vliegtuigen werd op 12.000 per jaar gebracht, er werden honderdduizenden pantservoertuigen en vrachtwagens gebouwd en meer dan 2½ miljoen machinegeweren.

Heel nieuw was de produktie van kunststoffen, bijv. van synthetische rubber, noodzakelijk door het uitvallen van de rubberinvoer uit Malakka en Nederlands-Indië.

Het grootste en meest spectaculaire project was de ontwikkeling van de atoombom onder leiding van J. Robert Oppenheimer. Er werden daarvoor enorme plutoniumreactoren gebouwd, die het plutonium moesten leveren voor de nieuwe bom. De eerste proefexplosie vond plaats in juli 1945 in een woestijn in Nieuw-Mexico. Op grond daarvan verklaarden enkele geleerden dat een dergelijk wapen nooit tegen mensen mocht worden gebruikt. Anderen hadden er geen bezwaar tegen als het wapen zou worden ingezet tegen Japan, als de oorlog daardoor zou worden bekort.

De strijdkrachten werden van 1941 tot 1945 van 2 tot 12 miljoen mensen uitgebreid. De totale oorlogslasten bedroegen 270 miljard dollar, tienmaal zoveel als van de Eerste wereldoorlog. Wel moet worden gezegd dat de uitrusting van de Amerikaanse strijdkrachten uitstekend was, waardoor de verliezen verhoudingsgewijs beperkt bleven (322.000 doden, 10% van de Duitse verliezen aan mensenlevens).

b) Verdwijnende werkloosheid en groeiende emancipatie

In 1939 waren er nog 10 miljoen werkozen in de VS, een bewijs dat de New Deal niet in staat was de werkloosheid afdoende te bestrijden. Tijdens de oorlog verdween ze echter langzamerhand. Uiteindelijk ontstond er zelfs een tekort aan arbeidskrachten. Dat leidde er toe dat steeds meer vrouwen bij het arbeidsproces werden ingeschakeld. Het aantal vrouwelijke werknemers steeg van 12 miljoen tot meer dan 16 miljoen. Dat proces bevorderde de emancipatie van de vrouw. Wie mannenwerk verricht, wil ook mannenloon ontvangen. In 1942 werd wettelijk vastgesteld dat vrouwen en mannen bij gelijke arbeid gelijk loon mochten ontvangen. In de praktijk kwam er van gelijke beloning nog weinig terecht.

De medewerking van de zwarte bevolking (13 miljoen) kon niet worden gemist. Zij waren altijd als tweederangs burgers behandeld: vonden als laatsten werk en waren de eersten die ontslagen werden. Bovendien werden zij alleen aangenomen voor laag betaald, ongeschoold werk. Vanaf 1940 werden meer negers in het leger opgenomen en stonden ook hogere rangen voor hen open. Overigens ging dit alles niet zonder spanningen. De zwarte bevolking werd zich steeds meer bewust van zijn belangrijkheid en wenste op gelijke wijze behandeld te worden als de blanken. Maar ook onder de blanke bevolking liepen af en toe de spanningen hoog op. In 1945 waren er bijna drie miljoen gezinnen waar de vader afwezig was. Het aantal echtscheidingen steeg snel. De jeugdcriminaliteit nam ernstige vormen aan.

De trek van het platteland naar de stad nam toe er ontstond een enorme verplaatsing van de bevolking in eigen land.Veel negers trokken van het platteland in het zuiden naar de grote steden aan de oostkust. In de industriesteden ontstond het probleem van de overbevolking.

De Amerikaanse samenleving veranderde tijdens en door de oorlog meer van karakter dan tientallen jaren daarvoor het geval was.

c) Naar het einde van de oorlog

In november 1944 was Roosevelt voor de derde keer herkozen als president, een unicum in de Amerikaanse geschiedenis. Het volk wilde zijn leider, die zo voortreffelijk de oorlog leidde om de vrede te winnen, niet laten gaan. In april 1945 nam hij met Churchill en Stalin deel aan de conferentie te Jalta. Een paar weken later werd hij getroffen door een hersenbloeding, waaraan hij stierf. Het is onbegrijpelijk dat deze man met zijn zwakke gezondheid de zware lasten van crisis en oorlog zo lang had kunnen dragen. De verslagenheid was groot, niet alleen in Amerika, maar ook in Europa. Niet dat het verlies van Roosevelt onherstelbaar was, want de eindzege was vlakbij.

`Roosevelt was een zeer controversiële figuur; hij was tegelijk zeer geliefd en zeer gehaat. Zijn tegenstanders verweten hem oppervlakkigheid, onbekwaamheid, sluwheid en dictatoriale neigingen. Zijn bewonderaars beschouwden hem als de redder van de nationale economie en de verdediger van de democratie, niet alleen in de VS, maar in de hele wereld. Tot zijn bewonderaars behoorden ook de Westeuropeanen, die tijdens zijn regering te lijden hadden onder nazidreiging of nazibezetting en voor wie hij de verpersoonlijking was van de zo begeerde democratie. Hij was een humaan en voortreffelijk staatsman. Als politiek leider wist hij als geen ander de steun van het volk te verwerven en te behouden. In zijn administratie wist hij medewerkers van verschillende strekkingen in dienst te houden.´ Roosevelt werd opgevolgd door de zestigjarige vice-president Truman, die volkomen onvoorbereid de zware taak moest overnemen. Hij moest onmiddellijk grote beslissingen nemen, o.a. over het gebruik van de atoombom. — `Misschien zullen latere geslachten een nieuw tijdperk laten beginnen met de verschrikkelijke val van de atoombom op twee Japanse steden. De nieuwe president die de zware verantwoordelijkheid op zich moest nemen voor deze beslissing was Harry S. Truman, een senator uit Missouri, pas sinds 1944 vice-president en nu plotseling op de hoogste post terechtgekomen. Velen meenden dat hij daarvoor te klein zou zijn en de verwachtingen waren beslist niet hoog gespannen. Men noemde de onopvallende man een gemiddelde Amerikaan, men zag een burgerman en meer niet in hem. Maar Truman maakte allen beschaamd, de kracht en ijver waarmee hij regeerde waren voorbeeldig. De beslissingen waarvoor hij gesteld werd waren vrijwel onmenselijk van omvang. De oorlog tegen Japan moest gewonnen worden met het wreedste wapen, de vrede in de wereld moest veroverd worden terwijl een groeiend wantrouwen de bondgenoten ging verdelen.

d) De verhouding tussen de geallieerden

Roosevelt zag de oorlog in de eerste plaats als een strijd voor vrede en democratie, maar zagen de andere oorlogsleiders dat ook zo? Stalin en Churchill bemoeiden zich veel meer met militaire zaken dan Roosevelt. Hun eerste zorg was Europa te bevrijden van de Hitler-terreur.

Roosevelt had allerlei redenen om voorzichtig met de Sowjet-Unie om te gaan. In 1939 had Stalin een non-agressie-pact met Hitler gesloten. Voorkomen moest worden dat de Sowjet-Unie een afzonderlijk vredesverdrag met Duitsland ging sluiten. Bovendien hoopte Roosevelt Stalin over te halen deel te nemen aan de oorlog tegen Japan.

In Churchill zag Roosevelt nog altijd iets van de Britse imperialist, maar `uncle Joe´Josef Stalin) was volgens zijn mening een anti-imperialist. Hij geloofde zelfs dat Stalin dezelfde opvatting had over democratie als hij, Roosevelt. Het waren allemaal redenen die Roosevelt ertoe brachten tegemoetkomend te zijn tegenover Stalin. Dat bleek duidelijk op de Conferentie van Teheran in december 1943, waar Roosevelt, Stalin en Churchill bijeenkwamen. Op de meest belangrijke punten kreeg Stalin zijn zin. Zo mocht de Sowjet-Unie oostelijk Polen en een deel van Oost-Pruisen behouden. Ter ondersteuning van de Sowjet-Unie werd besloten in mei 1944 een invasie in Normandië te ondernemen. Men werd het er over eens dat er een organisatie van vrije volken moest komen, die de oorlog voorgoed zou uitbannen.

In februari 1945 ontmoetten de drie regeringsleiders elkaar opnieuw in de Conferentie van Jalta (op de Krim in de Sowjet-Unie).Daar werd de organisatie van de Verenigde Naties verder geregeld door de aankondiging van een in San Francisco te houden conferentie.

verdeling dtl

 

Duitsland zou na de oorlog in vier bezettingszones worden verdeeld, een Amerikaanse, een Russische, een Engelse en een Franse zone. De grenzen van deze zones werden al vastgesteld. Ook Berlijn, in de Russische zone gelegen, zou door de vier geallieerden worden bezet, ieder met een eigen zone.

Stalin zegde toe dat drie maanden na de Duitse capitulatie zijn land aan Japan de oorlog zou verklaren. Over een regering in Polen kon men het niet eens worden. Met name Churchill was niet gerust over de Russische plannen in Oost-Europa. Het wantrouwen groeide.

Omdat de Amerikanen al waren doorgestoten tot in de Russische zone, adviseerde Churchill Truman zijn troepen niet terug te trekken. Deze ging daar echter niet op in. Truman wilde de Russen niet prikkelen en het onderlinge wantrouwen vergroten. Bovendien dachten de Amerikanen dat hun verblijf in Europa niet lang zou duren.

In juli/augustus 1945 werd er door de geallieerde leiders Attlee (dieChurchill was opgevolgd), Stalin en Truman te Potsdam (in de Russische zone van Duitsland) opnieuw vergaderd. Het ging daarbij voornamelijk over de toekomst van Duitsland. De vier Zones zouden vrijwel zelfstandige eenheden worden, bijeengehouden door een Geallieerde Controleraad in Berlijn.

Inmiddels was de Tweede wereldoorlog al geëindigd. In maart en april 194 werden de Duitsers ver in eigen land teruggedreven. Begin mei stortte de 1 tegenstand ineen en viel Berlijn. Op 7 mei 1945 tekende het Duitse opperb de onvoorwaardelijke overgave.

Tegen Japan ging de oorlog door. In augustus 1945 gingen ook de Russen deze strijd deelnemen. De Japanners waren wel uit talrijke gebieden verdrf maar de strijd om Japan zelf moest nog plaatsvinden. En deze zou nog we eens heel lang kunnen duren. De Amerikanen rekenden op meer dan een j. In deze situatie grepen zij naar het verschrikkelijkste wapen dat zij bezater atoombom. Begin augustus 1945 werden de Japanse steden Hiroshima een Nagasaki daarna door een atoombom verwoest. De gevolgen waren zo verschrikkelijk dat de Japanse regering bereid was tot overgave (14 august 1945). De Tweede wereldoorlog was nu geëindigd.

e) De Verenigde Naties

In het Atlantisch Handvest werd al gesproken over de instelling van `een omvangrijk en permanent systeem voor de algemene veiligheid´ en sluiten van de vrede. Op volgende bijeenkomsten van de geallieerde leiders werd meer dan eens gesproken over een internationale organisatie, waarva vredelievende landen lid konden worden, ter handhaving van de internatio vrede en veiligheid.

Spijkers met koppen werden geslagen op de Conferentie van Dumbarton (in de buurt van Washington), waar in grote lijnen de organisatie van de Verenigde Naties werd vastgesteld.

Van eind april tot eind juni 1945 kwam een groot aantal staten bijeen te San Francisco. Het Handvest (charter of statuten van de VN) werd getekend door 51 leden. Van het begin af berustte de leiding bij de grote geallieerde overwinnaars, die daarbij sterk door eigenbelangen werden geleid. Men was het er over eens dat de Volkenbond had gefaald. De organisatie over meer machtsmiddelen moeten beschikken, zou `tanden´ moeten hebben. Toch leek de VN veel op de Volkenbond. Alle leden zouden bijeenkomen in de Algemene Vergadering. Met uitzondering van speciale gevallen, zou deze jaarlijks bijeenkomen. De besluiten van deze vergadering zouden voornamelijk adviserend zijn. Anders dan in de Volkenbond konden de leden niet door gebruik te maken van hun vetorecht een besluit tegenhouden. Het uitvoerd orgaan werd de Veiligheidsraad, die het hele jaar door bijeen kon komen als dat nodig was. Evenals in de Volkenbond zou ze bestaan uit permanente leden (met een vaste zetel) en niet-permanente leden (met een tijdelijke zetel). De overwinnaars in de oorlog, de Grote Vijf, de Verenigde Staten, de Sowjet­-Unie, Engeland en China en Frankrijk (die na de oorlog ook mee mochten doen hadden alle het vetorecht. De Veiligheidsraad kreeg de bevoegdheid maatregelen te nemen tegen landen die de vrede bedreigden. De belangrijk functionaris werd de secretaris-generaal, belast met de dagelijkse leiding van de werkzaamheden. De Verenigde Naties werd gevestigd te New York. Ondanks de hoge verwachtingen heeft ook de VN niet aan haar hoge doel beantwoord. De tegenstellingen tussen de twee belangrijkste leden, de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie, kwamen al heel snel aan het licht. Beide partijen hadden hun aanhang, aanvankelijk was die van de VS het grootst. Het vetorecht van de permanente leden in de Veiligheidsraad bleek een grote hinderpaal om tot belangrijke besluiten te komen.

5) De eerste vier jaren na de oorlog

a) De sociale en economische situatie vlak na de oorlog

Na de oorlog moesten tien miljoen soldaten weer hun weg terug vinden naar de burgermaatschappij. Er werd een grote werkloosheid verwacht als zij allen weer in het arbeidsproces moesten worden opgenomen. De angst was echter voorbarig. De overgang van een oorlogs- naar een vredessamenleving verliep zonder grote schokken. De werkloosheid kwam in 1946 niet boven de 2 miljoen uit, in 1948 was zij al weer beneden gedaald.

Voor deze rustige overgang zijn onder meer de volgende verklaringen te geven. De overgang van oorlogsindustrie naar de produktie van consumptie-artikelen ging snel in zijn werk. De koopkracht was voldoende om zich allerlei goederen aan te schaffen. Er kwamen bijv. in enkele jaren tien miljoen auto´s bij. Oud-soldaten konden op staatskosten zich laten scholen, omscholen of een universiteit gaan bezoeken.

Twee miljoen vrouwen traden, nu zij niet meer nodig waren, vrijwillig uit het arbeidsproces. Desondanks bleef het percentage werkende vrouwen nog ltijd meer meer dan 30% uitmaken van het totaal aantal werknemers en dat was nog altijd een hoger percentage dan in 1940.

Datzelfde gold ook voor de negerbevolking. Zij moest wel een stap terug op de maatschappelijke en economische ladder, maar zij had meer bestaansmogelijkheid en een beter inkomen dan in 1940. Omdat de welvaart nog steeds toenam had zij grote verwachtingen voor de toekomst. Een depressie bleef dus gelukkig uit, wel ontstond een sterke inflatie. Onder druk van het Congres had Truman voor de meeste artikelen de prijscontrole opgeheven. De ondernemers gingen onmiddellijk tot prijsverhogingen over, waarop de arbeiders hogere lonen eisten. Prijzen en lonen dreven elkaar omhoog. Door dit alles stegen de prijzen van levensonderhoud in de eerste vier jaren na de oorlog met bijna 32%, d.w.z. in feite was de waarde van de dollar met een derde deel gedaald. Om aan deze inflatie paal en perk te stellen werden looneisen niet zonder meer ingewilligd. Het gevolg was dat er in veel bedrijven gestaakt werd, met name in de auto-industrie, de staalindustrie en de mijnbouw.

De VS waren in en door de oorlog rijk geworden en de welvaart bleef. Het land groeide naar een welvaartsmaatschappij, een maatschappij van overvloed. Met de welvaart groeide de bevolking (Baby Boom) van 131 miljoen inwoners in 1940 tot 180 miljoen in 1960. De goed gesitueerde burgers gingen de binnensteden verlaten om te gaan wonen in de voorsteden en buitenwijken (suburbs). De negers bleven van zuid naar noord trekken, waar zij de overhand kregen in de centra van de grote steden.

memo hfst 3 afb 16

Waar negers zich vestigden trokken blanken weg en zo ontstond het `andere Amerika´,  namelijk dat van de slums (sloppen, achterbuurten), van de ellende, de discriminatie (de ongelijke behandeling) en de criminaliteit.

b) De positie van de negerbevolking

De negers vormden ongeveer 10% van de Amerikaanse bevolking, de grootste en meest belangrijke minderheid. Gediscrimineerd waren zij zolang zij in Amerika woonden. Hun vrijwording van de slavernij in 1863 en het daarna verkregen kiesrecht hadden daar weinig verandering in gebracht. De meeste negers waren ongeletterd en ongeschoold, verrichtten de laagstbetaalde arbeid of waren werkloos en genoten de minste verzorging. Kortom, zij behoorden tot de onderste lagen van de maatschappij. Door gebrek aan goede leiding zagen zij ook geen kans enige druk naar boven toe uit te oefenen.

De Eerste wereldoorlog had enige verbetering in hun positie gebracht. Het land had hun hulp in leger en industrie nodig. Maar de terugslag na de oorlog was groot. In de jaren twintig was onder hen de werkloosheid het grootst en hun gemiddeld inkomen was weinig meer dan de helft van dat der blanken. Roosevelt stond niet onsympathiek tegenover het verlangen van de negers. Hij dacht er echter niet over tegemoet te komen aan hun verlangen naar gelijkberechtiging .

De Tweede wereldoorlog verbeterde de positie van de gekleurde bevolking opnieuw, vooral in de industrie en met name in de strijdkrachten. De gekleurde volken in de wereld beoordeelden na 1945 de VS naar de mate waarop zij hun eigen gekleurde inwoners behandelden. Dat versterkte het zelfbewustzijn van de negers. Uit de oorlog teruggekeerde negersoldaten die gelijkberechtiging gewend waren, aanvaardden niet meer de rassenscheiding in bioscopen, restaurants, enz. en in het openbaar vervoer.

De zwarte bevolking verlangde maatschappelijke gelijkwaardigheid en betere opleidingen. Daarom moest allereerst de rassenscheiding in het onderwijs worden opgeheven. Tot nu toe heette het in het onderwijs `separate but equal´ de scheiding bestond wel, maar van de gelijkwaardigheid kwam niets terecht. De negerverlangens werden eisen en Truman bleek bereid daaraan te voldoen.. In zijn ´Fair Deal´nam hij burgerrechten voor de gekleurde bevolking op. 

c) De moeilijke jaren van Truman

memo hfst 3 afb 15

De positie van Truman was er na de oorlog niet eenvoudiger op geworden.Zijn verhouding tot het Congres werd steeds slechter. Een sterke president als Roosevelt had tijdens de oorlog grote bevoegdheden gekregen. In eenuitzonderingstoestand als de oorlog was dat begrijpelijk en noodzakelijk. Na de oorlog probeerde het Congres de macht terug te winnen.

Daar komt nog bij dat de Democraat Truman te maken kreeg met een Republikeinse meerderheid in het Congres. En even ernstig was de verdeeldheid in Trumans eigen partij, waar een progressieve linkervleugel en een conservatieve rechtervleugel elkaar heftig bestreden.

Tientallen keren sprak Truman zijn veto uit tegenover wetsvoorstellen vanuit het Congres. Het Congres dreef echter zijn zin door. Tervergeefs probeerde Truman ook de Taft-Hartley-wet tegen te houden. Senator Taft kwam met een wetsvoorstel om de vakbonden onder controle te stellen, ambtenaren het staken te verbieden en de president de bevoegdheid te geven een staking voor 80 dagen op te schorten. Deze wet was duidelijk afgestemd op de belangen van het bedrijfsleven.

In 1948 stelde Truman zich kandidaat voor het presidentschap, maar niemand gaf hem enige kans. Alle voorspellingen wezen een enorme overwinning voor de Republikeinen aan. De Democratische Partij viel uiteen, de progressieven stelden zelfs een eigen kandidaat, de vroegere vice-president Henry Wallace.

Intussen bombardeerde Truman het Congres met een aantal progressieve wetsvoorstellen ten gunste van sociaal zwakke groepen, zoals negers. Bij de verkiezingen lieten zij hem niet in de steek. Tegen alle verwachtingen iry won Truman, dank zij de steun van negers, arbeiders en boeren, de presidentsverkiezingen.

Door dit succes aangemoedigd durfde Truman een uitgebreid programma aar het Congres voor te stellen, dat de lijn van Roosevelts New Deal moest doortrekken. Hij noemde het daarom Fair Deal, iedere Amerikaan moest een faire kans krijgen in de maatschappij.

´Hij  vraagt herroeping van de Taft-Hartley-wet, regeringssteun aan onderwijs en gezondheidszorg, uitbreiding van de sociale voorzieningen, vaststellen van een minimum-loon voor de arbeiders, federale actie voor krotopruiming en betere woningbouw, steun aan de boeren door garanties or de prijzen der landbouw-produkten, terwijl hij in de buitenlandse politiek de internationale bindingen wil verstevigen en de Russische expansie een halt toeroepen door militaire en economische ondersteuning van de vrije wereld. Van dat grote geheel komt maar een gedeelte tot stand door de tegenwerking van een coalitie van Republikeinen en zuidelijke Democraten. In het bijzonder het landbouw-programma wordt aanvaard als ook de woningbouw, het minimumloon voor arbeiders wordt van 40 op 75 cent per uur gebracht en de sociale voorzieningen worden aanzienlijk uitgebreid. Maar de Taft-Hartley-wet, wordt niet herroepen en een wet op de burgerrechten [ten gunste van de negers] strandt op een filibuster [uitstel door eindeloze redevoeringen] van de Zuiderlingen in de Senaat. Truman´s beroemde Point Four, voor de buitenlandse politiek, behelzende uitgebreide steun aan de onderontwikkelde landen wordt bovendien grotendeels verworpen´

d)  Groeiende tegenstelling Oost-West

Door de Tweede wereldoorlog groeiden de VS uit van grote mogendheid tot wereldmacht. Zij waren zich van deze positie, anders dan na de Eerste wereldoorlog, ook bewust. Zij hadden opnieuw deelgenomen aan een oorlog, maar wilden nu ook gestalte geven aan een nieuwe wereldorde. De VS beschikten over een groot militair vermogen, waren in 1945 nog de enige bezitters van de atoombom, en hun financiële en economische krachten waren groter dan van elk ander land.

Alle hierboven genoemde zaken verdroegen zich niet meer met het isolationisme. Deze fase in de Amerikaanse geschiedenis was voorbij. Overal ter wereld hadden de VS hun belangen, hun troepen waren zowel in Duitsland als in Japan als bezettingsmacht aanwezig. De VS hadden een groot aandeel in de oprichting van de Verenigde Naties (anders dan in 1919 toen zij buiten de Volkenbond bleven). Geld en zo nodig wapens werden gestuurd naar landen waar de democratie naar Amerikaanse begrippen gevaar liep (bijv. China). De verarmde en door de oorlog zwaar getroffen landen van Europa konden rekenen op Amerikaanse steun.

Met grote zorg werd de groeiende macht van het communisme (en van de Sowjet-Unie) gadegeslagen. De verhouding tussen de VS en de SU werd aan het eind van de oorlog al door wantrouwen beheerst. De manier waarop de Sowjet­Unie in Polen eerst en daarna ook in de andere Oosteuropese landen `bevriende´regeringen instelde, wekte grote achterdocht. In de VS ontstondde vrees dat binnen enkele jaren heel Oost-Europa door het communisme zou worden beheerst en dat ook West-Europa er door bedreigd zou worden. Deze mening werd versterkt door een telegram dat Churchill in mei 1945 (dus vlak na de oorlog) aan Truman stuurde, waarin hij onder meer het volgende opmerkte:

`Ik heb altijd gestreefd naar vriendschap met Rusland, maar maak mij evenals gij grote zorgen wegens Ruslands onjuiste interpretatie [uitleg] van de besluiten van Jalta, zijn houding jegens Polen, -zijn overweldigende invloed op de Balkan uitgezonderd Griekenland. [...] Hoe zal de positie zijn over een jaar of twee, wanneer de Britse en Amerikaanse legers zullen zijn weggesmolten [...], wanneer wij misschien een handje vol divisies hebben, voor het merendeel Franse, terwijl Rusland naar believen 200 à 300 divisies in actieve dienst kan aanhouden?

´Een ijzeren gordijn is neergelaten voor hun front. Wij weten niet wat daarachter gebeurt´

Dit nieuwe begrip `ijzeren gordijn´werd opnieuw door Churchill gebruikt toen hij in 1946 in Fulton (in de VS) een grote rede uitsprak, waarin hij de westerse wereld waarschuwde voor de ontwikkelingen achter ijzeren gordijn. Sindsdien zijn deze woorden gemeengoed geworden in het Westen.

De spanningen tussen de Sowjet-Unie en de Verenigde Staten, -die tenslotte tot de Koude Oorlog leidden, kwamen voor een groot deel voort uit het onvermogen en de onwil om begrip te hebben voor elkaars levensbelangen als staat. Het wantrouwen dat daardoor ontstond, maakte een eerlijke en openhartige gedachtenwisseling onmogelijk.

President Truman was er ook de man niet naar om geduldig af te wachten hoe de zaken zich in Europa zouden ontwikkelen. Hij was een strijdvaardig man, die de aanval beschouwde als de beste verdediging. Bovendien was hij er vast van overtuigd dat de communisten nog altijd streefden naar de wereldheerschappij. Hij was daarom niet van plan de Russen tegemoet te komen.

Het is duidelijk dat de Russen van plan waren een stevige veiligheidsgordel zouden worden geregeerd.De Sowjet-Unie was echter economisch te zwak na de oorlog (een verwoest land met 20 miljoen doden) om de hele wereld aan zich te onderwerpen. Veel wat toen als communistische agressie gold, bleek later een Russisch antwoord te zijn op handelingen van het Westen. Anderzijds is het ook wel zeker dat de Sowjet-Unie met alle haar ten dienste staande middelen probeerde de communistische invloed uit te breiden. En daar staat weer tegenover dat Truman eens verklaarde, `dat de Russen spoedig op hun plaats zullen worden gezet en dat de VS daarbij de leiding op zich zullen nemen,  zodat de wereld geregeerd zal worden, zoals het behoort´.

Kortom, de zaak is dat twee wereldmachten beide er naar streefden om op het wereldtoneel de eerste rol te spelen. En dat leidde tot spanningen. Het Russische optreden leidde ertoe dat een aantal Oosteuropese landen onder directe invloed van Moskou werden geplaatst en een politiek systeem kregen opgedrongen waarom zij niet hadden gevraagd. Zij verloren hun politieke, economische en geestelijke vrijheid en daarmee vroegen de Russen een te hoge prijs. De VS maakten van deze gelegenheid gebruik om zich de leiders van de vrije wereld te noemen en de beschermers van alle vrije volken.

e) Het ontstaan van de Koude oorlog

Eind 1946 zag Engeland geen kans meer zijn militaire taak in het oostelijk deel van de Middellandse Zee te vervullen en het verzocht de VS een deel ervan over Ye nemen. In Griekenland woedde een burgeroorlog tussen conservatieven en communisten, Turkije stond bloot aan Russische druk. De Sowjet-Unie verlangde steunpunten aan de Dardanellen en vrije vaart door deze Turkse wateren. In maart 1947 verkondigden de VS de Trumanleer. Volgens deze `leer´of doctrine boden de VS in beginsel hulp aan alle landen, die van buitenaf of van binnenuit door gewapende minderheden werden bedreigd. Deze konden rekenen op Amerikaanse steun, zowel financiële als militaire.

Maar deze hulp mocht niet de schijn wekken van een vorm van Amerikaans imperialisme. De uitsluitende bedoeling moest zijn de verdere uitbreiding van het Sowjet-imperialisme te voorkomen. George F. Kenhan, die in de oorlog in Moskou verbleef, noemde deze politiek daarom containmentpolitiek (containment = indamming). Deze politiek aanvaardde de bestaande toestand en de Russische machtsuitbreiding, maar iedere verdere machtsverschuiving ten gunste van de Sowjet-Unie moest worden voorkomen.

De Amerikaanse hulp mocht niet te veel een militair karakter krijgen. De meeste Europese staten waren na de oorlog financiëel en economisch zo zwak dat zij moeilijk uit eigen kracht op de been konden komen. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken George Marshall ontwikkelde een enorm plan dat hij het `Europese Herstelprogramma´noemde, maar dat al snel naar de ontwerper de naam Marshall plan´ kreeg.Marshall verklaarde:

`Het is logisch dat de Verenigde Staten moeten doen wat in hun vermogen ligt om de terugkeer van normale economische situaties te helpen bevorderen, om politieke stabiliteit en vrede in de wereld te waarborgen. Onze politiek is niet gericht tegen welk land of welke doctrine ook, maar tegen honger, armoede, wanhoop en chaos. Het doel ervan dient te zijn de herleving van een werkzame economie in de wereld, zodat zich politieke en maatschappelijke voorwaarden kunnen vormen waaronder vrije instellingen kunnen bestaan.´ De Sowjet-Unie weigerde alle medewerking aan het plan en verbood de van haar afhankelijke landen Amerikaanse hulp te aanvaarden. Zelfs de arbeiders in de Westeuropese landen werden gemobiliseerd tegen het `imperialisme´van de Marshall-hulp. De Koude oorlog was nu in volle gang. Van Russische zijde werd het volgende verklaard:

 `De slechte ontvangst die de Truman-leer kreeg verklaart de noodzaak van het verschijnen van het Marshall-plan, dat een zorgvuldige versluierde poging is om dezelfde expansie-politiek te voeren. De vage en opzettelijk bedekte termen van het Marshall-plan komen in wezen neer op een plan tot het scheppen van een blok van staten met verplichtingen jegens de VS en tot het verlenen van Amerikaanse kredieten aan Europese landen, als beloning voor het prijsgeven van hun economische en vervolgens hun politieke onafhankelijkheid.

De VS waren wel bereid zwakke Europese staten te helpen, maar de initiatieven daartoe moesten van henzelf uitgaan. De deelnemende landen richtten daarom de OEES (Organisatie voor Europese Economische Samenwerking) op. De OEES stelde een vierjarenplan op, dat aan de VS werd aangeboden. Hoofddoelen waren: stijging van de industriële en agrarische produktie, herstel van de financiële positie, samenwerking tussen de deelnemende landen en opheffing van het dollartekort (oor grotere export naar de VS).

Het Marshall-plan beantwoordde volledig aan zijn doel. Het economisch herstel van de Europese staten verliep wonderbaarlijk snel.

f) Het ontstaan van de NAVO

Koude oorlog houdt in een oorlog die niet met militaire wapenen wordt gevoerd. Maar het is wel een oorlog. De partijen bestrijden elkaar op allerlei manieren:  psychologisch, economisch en politiek, maar het wordt nog net geen `echte oorlog. Toch balanceren ze af en toe op de grenzen van een oorlog. Duitsland was een van de grootste spanningsvelden.

De samenwerking van de westelijke geallieerden en de Sowjet-Unie in het bezette Duitsland verliep bijzonder stroef. Zo bleek het niet mogelijk tot economische samenwerking te komen. In 1947 maakten Engelsen en Amerikanen hun zones tot een economische eenheid. Zij voerden daar ook een geldzuivering door, want er was een enorme inflatie ontstaan.Toen zij ook in West-Berlijn de markt wilden zuiveren, namen de Russen tegenmaatregelen. Op de conferenties van Jalta en Potsdam hadden de geallieerden verzuimd de toegangswegen voor het Westen door de Russischezone naar Berlijn goed vast te stellen.Door het ontbreken van een precieze regeling, meenden de Russen het recht te hebben de toegangswegen naar West-Berlijnaf te sluiten. Daarmee begon de blokkade van dit stadsdeel, die ruim een jaar duurde. Doel van de Sowjet-Unie was de westelijke geallieerden uit Berlijn te verdrijven. In Berlijn werd de containmentpolitiek op de proef gesteld. Twee miljoen Berlijners zaten zonder voedsel en zonder brandstof. Een militair optreden aan westelijke kant zou tot een grote oorlog kunnen leiden. De Amerikanen stelden de `Air-lift´, de luchtbrug in en gingen met vliegtuigen de stad bevoorraden. De Russen gaven toe en heropenden in 1949 weer de toegangswegen: een succes voor de Amerikaanse buitenlandse politiek.De luchtbrug werd voor het Westen het symbool van verzet tegen Russische agressie.

In 1948 was door een communistische staatsgreep in Tsjecho-Slowakije dit land nog sterker dan tevoren een satellietstaat van de Sowiet-Unie geworden, Het ging hier om een land dat altijd nauwe banden met het Westen had onderhouden. De gebeurtenissen in Tsjecho-Slowakije en Duitsland maakten in Amerika diepe indruk. Ze hebben het totstandkomen van de NATO (North Atlantic Treaty Organization), in het Nederlands Navo (Noord Atlantische Verdragsorganisatie) sterk bevorderd. 

In West-Europa was in 1948 reed een defensief verdrag gesloten tussen Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland en Luxemburg (Pact van Brussel). Vooral Engeland drong hierna bij de VS aan om zich politiek en militair nauw aan de Europese landen te verbinden, om aldus als een schild te fungeren. In de Amerikaanse Senaat werd hierover breedvoerig gediscussieerd. Nog eenmaal bleek dat het isolationisme in Amerika niet verdwenen was. Waarom zouden de VS zich in het wespennest Europa steken? Zouden de kansen op oorlog door dit verbond niet eerder toenemen dan geringer worden? De afkeer van en het wantrouwen tegen het communisme verdreven echter alle bezwaren. De VS verklaarden zich bereid tot een bondgenootschap. Dit werd getekend op 4 april 1949 door de landen van het Pact van Brussel en de Verenigde Staten, Canada, Denemarken, IJsland, Noorwegen, Italië en Portugal, in totaal 12 landen. In artikel 5 van het verdrag staat het volgende:

`De partijen komen overeen dat een gewapende aanval tegen een of meer van hen in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen hen allen zal worden beschouwd.

Elke gewapende aanval van dien aard en alle dientengevolge genomen maatregelen moeten terstond ter kennis worden gebracht van de Veiligheidsraad. Deze maatregelen zullen worden opgeheven zodra de Veiligheidsraad de nodige maatregelen zal hebben genomen om de internationale vrede en veiligheid te herstellen en te handhaven.´ Precies dertig jaar daarvoor, kort na de Eerste wereldoorlog, hadden de VS zich teruggetrokken in een zelfgekozen isolationisme. Nu, kort na de Tweede wereldoorlog, stonden ze vooraan op het wereldtoneel.