We hebben 186 gasten online

Feniks

Samenvatting Havo Feniks Hfst 8 Overzicht van de geschiedenis

Gepost in Tweede Fase 1e druk Overzicht gs

Tijd van burgers en Stoommachines

tijdvak 8

Industrialisatietijd en 19e eeuw 1800-1900

Oriëntatie

Hoofdstuk 8: Op stoom!

Oriëntatie

Het Tijdvak

first ind revol

De negentiende eeuw is de Tijd van Burgers en Stoommachines. In veel landen kregen de burgers de touwtjes in handen. Tijdens de Franse Revolutie was afgerekend met het absolutisme en werd meer geluisterd naar de stem van het volk. Dat kwam ook doordat de industrialisatie zich op grote schaal doorzette. Door het gebruik van stoommachines vertienvoudigde de productie zich in korte tijd. Fabrikanten en kooplieden verdienden enorme kapitalen en verschaften aan een grote massa arbeiders werk.

De fabrikanten en kooplieden vonden het vanzelfsprekend dat zij ook op het politieke vlak d e dienst uitmaakten en namen dus de rol over van de koning, al dan niet gesteund door de adel en geestelijkheid.

Onophoudelijk werd gedurende de negentiende eeuw gediscussieerd over de definitie van 'burgers'. Afkomst speelde nu niet meer een rol maar bezit en kennis diende nu van doorslaggevende betekenis te zijn. Men werd het erover eens dat niet alleen de rijke fabrikanten en kooplieden tot de 'burgers' behoorden, maar ook de geleerde advocaten en dokters, diende zich in de loop van het tijdvak een nieuw strijdpunt aan. hadden de vele arbeiders die voor hen werkten niet evenveel recht op inspraak en invloed? En hoe zat het met de andere helft van de mensheid: de vrouwen?

Resultaat van de discussie was dat een steeds grotere groep tot de 'burgers' kon worden gerekend,

De kenmerken.

In de tijd van Burgers en Stoommachines deed zich een belangrijke economische verandering voor: de Industriële Revolutie. Dankzij enkele verbeteringen op landbouwkundig gebied, was het in de achttiende eeuw mogelijk gebleken dat met minder mensen méér voedsel kon worden verbouwd. Resultaat: de bevolking begon te groeien. Voor deze groeiende was er niet voldoende werk in de landbouw en de traditionele huisnijverheid. Die arbeidskrachten gingen in de fabrieken werken.

Rondom de fabrieken ontstonden grote industriesteden waar arbeiders onder slechte omstandigheden leefden en werkten. De kloof tussen de fabrikanten en arbeiders nam sterk toe.

Door de industriële revolutie lijfden Engeland en Frankrijk grote delen van Azië en Afrika in waar ze grondstoffen haalden en industrieproducten probeerden te slijten.

De fabrikanten slaagden er in de negentiende eeuw in, via het liberalisme, hun economische macht ook politiek te vertalen. De socialisten probeerden de macht van de fabrikanten te ondergraven door te streven naar uitbreiding van de rechten van de arbeiders. Ze streden voor algemeen kiesrecht, om zodoende via wetgeving de werk- en leefomstandigheden te verbeteren. Ook andere achtergestelde groepen, zoals vrouwen en godsdienstige minderheden, leverden strijd voor dezelfde rechten als de rest van de bevolking en met succes.

De zes kenmerken van het tijdvak

  • De Industriële Revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor de industriële samenleving;
  • De moderne vorm van Imperialisme die verband hield met de industrialisatie;
  • Discussie over de 'sociale kwestie';
  • de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme;
  • Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer manen en vrouwen aan het politieke proces;
  • De opkomst van de emancipatiebewegingen.
Kernbegrippen

 

 
Confessionalisme Ideologie die stelt dat de politiek op religieuze grondslagen gebaseerd moet zijn.
Democratisering Streven naar meer inspraak: steeds meer groeperingen krijgen invloed op bestuur en politiek.
Emancipatiebeweging Maatschappelijke groepering die ijvert voor gelijkberechtiging op een bepaald gebied.
Feminisme Beweging die streeft naar een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen.
Imperialisme Proces waarbij landen hun macht in andere delen van de wereld willen vergroten, bijvoorbeeld door er handelsposten te vestigen en er invloed uit te oefenen op het lokale bestuur.
Industriële Revolutie Omschakeling van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen.
Industriële samenleving Samenleving waarbij een groot deel van de bevolking in fabrieken werkt en in steden woont.
Liberalisme Ideologie die vrijheid voor het individu nastreeft, met name op staatskundig en economisch gebied.
Modern Imperialisme Fase van het imperialisme (vanaf ongeveer 1850) waarbij de Europeanen steeds meer overzeese gebieden veroverden en tot kolonies maakten: ze wilden er grondstoffen delven en hun industrieproducten afzetten.
Nationalisme Vorm van groepsbewustzijn die zich uit in een sterke voorkeur voor eigen land of volk.
Politieke stroming Een groep mensen die dezelfde politieke overtuiging aanhangt.
Sociale kwestie In de negentiende eeuw leefden veel arbeiders in miserabele omstandigheden. De welgestelde mensen die het voor hen opnamen, betitelden dit als de 'sociale kwestie'.
Socialisme Ideologie die streeft naar meer gelijkheid voor alle burgers.

8.1 De Industriële Revolutie

Inleiding

Tot aan het eind van de achttiende eeuw was in alle landen het grootste deel van de bevolking werkzaam in de landbouw. Veel boeren streefden autarkie (zelfvoorzienend) na. Hierdoor bleef de handel en de nijverheid van bescheiden betekenis. In de loop van de achttiende eeuw deden zich twee belangrijke ontwikkelingen voor.

  • Veranderingen binnen de landbouw;
  • Voor een zich inzettende bevolkingsgroei moest men nieuwe banen scheppen.

Deze ontwikkeling begon in Engeland. De huisnijverheid maakte plaats voor het werken in fabrieken. We spreken van de Industriële revolutie.

Het belang van dit onderwerp

In onze tijd werkt ongeveer 5% van de beroepsbevolking in de landbouw, in de westerse wereld. Tijdens de Industriële revolutie maakten handenarbeid en spierkracht plaats voor gemechaniseerde productiemethoden. We kunnen geen dag meer zonder machines.

Op welke wijze droegen veranderingen in productiemethoden bij aan het ontstaan van een industriële en stedelijke samenleving?

Veranderingen in de landbouw

In Engeland slaagden grootgrondbezitters erin gronden die vroeger gemeenschappelijk bezit waren, in eigendom te krijgen. Men kon nu efficiënter werken, waardoor de opbrengsten sterk stegen.

Door de uitbreiding van de oppervlakte landbouwgrond als de verhoging van de opbrengst per hectare kwam er in Engeland meer voedsel beschikbaar. Dit had een positief effect op de algemene gezondheidssituatie en de bevolking groeide fors. Tegelijkertijd waren er minder mensen nodig voor het werk in de landbouw en die zochten werk buiten de landbouw. Dankzij de nieuwe productiemethoden steeg de arbeidsproductiviteit (de productie per arbeider per tijdseenheid).

Uitvindingen

Na uitvinding van de schietspoel, waardoor wevers sneller konden werken, werd het noodzakelijk de productie van de spinners te verhogen. Dat was na uitvinding van de spinning jenny mogelijk. Een spinner kon voortaan acht draden tegelijk spinnen. De uitvinding van de schietspoel en de spinning jenny betekenden nog niet het einde van de huisnijverheid. Dat veranderde met de uitvindingen van Richard Arkwright.

Arkwright bouwde een machine die door een waterrad werd aangedreven, een waterframe. Met dat apparaat kon één spinner net zoveel katoen verwerken als tweehonderd mensen met een spinnewiel.

  • Voor de aandrijving was er wel stromend water nodig;
  • Het te groot en te duur om in een kleine werkplaats te installeren.;
  • Het waterrad leverde meer energie dan voor de aandrijving van één machine nodig was.

Om de investering terug te verdienen bouwde men en groot gebouw waar tientallen machines geplaatst werden. De Mill was een feit.

Fabrieken

Op gunstig gelegen plaatsen vestigde men fabrieken, die alleen konden draaien als er voldoende snel stromend water aanwezig was voor het waterframe.

Er werd gezocht naar een alternatief. James Watt bracht de oplossing. Hij verbeterde de bestaande stoommachine zodanig dat deze voldoende betrouwbaar werd om de machines in de fabrieken te laten functioneren. Door stoom aangedreven machines konden bijna overal worden gevestigd. Fabriekanten bouwden hun fabrieken bij voorkeur midden in de stad. Maar niet iedereen was gelukkig met de komst van de fabrieksgebouwen. Machines werden vaker doelwit van volkswoede.

Een nieuwe samenleving

Engeland maakte in de negentiende eeuw definitief de overstap van een agrarische naar een industriële samenleving. Vanaf 1850 was Engeland oppermachtig in de wereld. De eerste wereldtentoonstelling werd in 1851 in Londen gehouden.

8.2 Het modern Imperialisme

kol gebied eng

Koloniale gebieden Engeland

Voor de tijdens de Industriële Revolutie geproduceerde goederen zocht men afzetgebieden. Ook ontstond er een tekort aan grondstoffen. In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen de West-Europse landen daarom op zoek naar gebieden in Afrika en Azië die konden dienen als afzetgebied en de behoefte aan grondstoffen konden vervullen. Die landen werden koloniën.

Het belang van dit onderwerp

De door de West-Europese landen veroverde koloniën kregen de westerse cultuur opgedrongen. Dit was het begin van een periode van westerse overheersing op economisch, politiek en cultureel gebied. Deze ontwikkeling werkt tot op de dag van vandaag door. De economische achterstand, politieke, etnische en religieuze problemen vinden hun oorsprong deels in de tijd van het moderne imperialisme.

Welke motieven speelde een rol bij het modern imperialisme?

Grondstoffen

Fabrikanten wilden het liefst de machines zo lang mogelijk laten draaien. Vooral de verwerking van katoen nam een hoge vlucht. Vanuit vooral de Verenigde Staten werd de ruwe katoen aangevoerd. Aangemoedigd door de hoge prijs van katoen stapten landeigenaren daar over op de teelt ervan. De uitvinding van de cotton gin door Eli Whitney in 1793 maakte een snelle en effectieve verwijdering van de katoenzaden mogelijk waardoor de katoenplantages in het zuiden van de VS explosief toenamen. Daarmee nam ook het aantal slaven fors toe.

bestemming slaven

Naast enorme hoeveelheden ruwe katoen nam ook de vraag naar grondstoffen sterk toe. IJzererts en steenkool waren in Europa ruim aanwezig maar goud en kopererts zeldzaam. Dat gold ook voor katoen, rubber en jute. Al vanaf de ontdekkingreizen probeerden Europese landen hun invloed te vergroten en handelsposten te vestigen. Vanaf ongeveer 1850 gaan de Europeanen het lokale bestuur echt overheersen en veroverden grote delen van Afrika en Azië. Zo maakten de Engelsen van India en Egypte kolonies, omdat daar een katoenplant groeide waarvan een fijne draad gesponnen kon worden.

Afzetgebieden

Maar veel gebieden werden ook om andere redenen veroverd. In de gebieden die men veroverde, woonden veel mensen die de producten die men maakte konden afnemen. Omdat het op grote schaal gebeurde spreken we van Modern Imperialisme.

Macht

Het kwam ook voor dat men gebieden veroverde waar helemaal geen waardevolle grondstoffen gevonden werden en nauwelijks mensen woonden. Waarom deden die landen dat dan? Het antwoord is: vergroting van macht. Men ging van de gedachte uit dat een land op het wereldtoneel pas een rol kon spelen als het veel koloniën had. Dus deden Engeland en Frankrijk er alles aan om steeds meer koloniën te bezitten. In 1898 sloten Frankrijk en Engeland bij Fashoda (heet nu Kodok en ligt vijfhonderd kilometer van de Soedanese hoofdstad Khartoum) in Afrika, een verdrag en verdeelden zo Afrika definitief onder elkaar. Duitsland b.v., dat pas in 1871 als eenheidsstaat zou ontstaan, wilde ook koloniën en dus ontstonden er onderling spanningen. Het Moderne Imperialisme zou een van de hoofdredenen zijn voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog..

8.3 De Sociale kwestie

Inleiding

In het begin van de Industriële revolutie waren er veel meer arbeiders dan werk. Daar maakten de fabrikanten gebruik van door lange arbeidsdagen, lage lonen en ongezonde werkomstandigheden te laten voortbestaan. Protesteerde men dan werd men ontslagen. Er waren toch arbeiders genoeg. De politieke machthebbers hielden zich afzijdig en vonden dat werknemers en werkgevers dat maar onderling moesten regelen. Pas toen er steeds meer protesten kwamen tegen de mensonterende situaties kwam de sociale kwestie op de politieke agenda.

Het belang van dit onderwerp

Tegenwoordig vinden we het normaal dat de overheid een rol speelt in de economie. Denk maar aan de sociale uitkeringen, die voor een deel uit de belastingopbrengsten worden betaald. Het principe: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten is helemaal geaccepteerd. In de Tijd van Burgers en Stoommachines werd een begin gemaakt met het spannen van een sociaal vangnet.

Waarom werden tijdens de Industriële revolutie de sociale problemen groter en op welke wijze werd een begin gemaakt met de oplossing ervan?

Ongestuurde urbanisatie

In de gebieden met opkomende industrialisatie groeide de bevolking sterk. In Engeland verdubbelde de bevolking in de periode tussen 1800 en 1850. In Lancashire was er zelfs sprake van een verdrievoudiging.

Voor de grote aantallen mensen, die zich in de nieuwe fabriekssteden vestigden, werden in hoog tempo huizen gebouwd. Maar geld, plannen, kennis en tijd waren er echter niet. Het gevolg was dat de krottenwijken snel de overhand hadden.

De macht van de fabrieksbel

Niet allen de woonomstandigheden waren slecht. Ook de werkomstandigheden lieten te wensen over. Men werkte onder onveilige en ongezonde omstandigheden tegen een karig loon. Dat was voor een deel het gevolg van het feit dat er geen eeuwenoude gewoonten waren om op terug te grijpen.

In de fabriek maakte de machine de dienst uit. De arbeiders moesten op hun werkplek aanwezig zijn en blijven tot het waterrad stopte. Voortaan kondigde de fabrieksbel het begin en einde van de werkdag aan. Het verloop onder de arbeiders was groot en het duurde niet lang voorfat de wil van de fabrikant absolute wet was.

De schuld van de machine

Bij de meeste fabrikanten stond het eigenbelang voorop. Het behalen van een zo hoog mogelijke winst. Maar er waren uitzonderingen.

Van een georganiseerd protest van de arbeiders was zelden sprake en in de beginfase van de industrialisatie bleef dat beperkt tot het moedwillig kapotslaan van de machines. De arbeiders zochten de oorzaak van de beroerde positie toen nog meer bij de machines dan bij het beleid van de fabrikant.

Factory Acts

Steeds meer mensen vonden dat de overheid iets moest doen aan de ergste mistoestanden. een belangrijke eerste succes was de aanscherping van de Factory Acts in 1833. Deze wetten hadden betrekking op de veiligheid in de fabrieken en op de werktijden van vrouwen en kinderen. Arbeid van kinderen beneden de leeftijd van negen jaar werd verboden en kinderen van negen tot twaalf jaar mochten nog 'maar' negen uur per dag werken. Voor jongeren van dertien tot achttien was dit twaalf uur per dag. Voor iedereen beneden de achttien werd nachtarbeid verboden.

Er veranderde wel iets maar de inspecteurs waren te klein in aantal om een effectieve controle te kunnen voeren. Maar het was de eerste stap om de arbeidsomstandigheden te verbeteren.

8.4 Liberalisme en socialisme

Inleiding

Fabriekanten en arbeiders hadden niet dezelfde belangen. Fabrikanten wilden zo veel mogelijk winst maken en daarom hielden ze de lonen laag. Arbeiders wilden juist meer geld verdienen. Het middel staking werd dan ook gebruikt. Maar de fabrikanten konden door middel van dreigend ontslag de arbeiders onder druk zetten. Er waren er toch genoeg.

Uit beide groepen ontwikkelde zich een eigen politieke stroming. De fabrikanten voelden zich, net als de burgerij het best thuis bij het liberalisme. Het socialisme oefende een grote aantrekkingskracht uit op de arbeidersklasse.

Het belang van dit onderwerp

Het liberalisme en socialisme zijn van grote invloed geweest op de totstandkoming van onze huidige samenleving. Het liberalisme legt sterk de nadruk op vrijheid, terwijl het socialisme gelijkheid centraal stelt. Iedere westerse regering maakt deze twee begrippen tegenwoordig tot hoeksteen van haar beleid.

Onder invloed van welke maatschappelijke ontwikkelingen ontstonden het liberalisme en socialisme?

Gezond eigenbelang

Omdat veel mensen door de industriële revolutie op het bestaansminimum leefden vonden veel geleerden dat hun situatie moest verbeteren. Ze adam smithvroegen zich af waardoor het probleem veroorzaakt werd en wat de beste oplossing was. Een van die geleerden was Adam Smith (1723-1790). Hij schreef er een boek over: ' Inquiery into The Nature and Causes of the Wealth of Nations'(1776).

Het individu centraal

Het werk van Adam Smith had grote invloed en lag aan de basis van het ontstaan van het liberalisme. Hierin staat het vrije, ondernemende individu centraal. De liberalen vonden dat de staat zich zo min mogelijk met de economie moest bemoeien. Ieder mens moest de gelegenheid krijgen om zich op basis van zijn eigen talenten omhoog te werken. Op politiek terrein verwierpen de liberalen het absolutisme. Iedereen moest voor de wet gelijk zijn. Gezag diende te worden uitgeoefend door - of in naam van - verantwoordelijke burgers. Zij hechtten veel waarde aan het parlementaire stelsel. Ze waren tegen censuur en godsdienstig fanatisme.

Revolutiejaar 1848

Op het Congres van Wenen in 1815 werden door de overwinnaars van Napoleon afspraken gemaakt over de toekomst van Europa. Ze besloten dat 'de Staat' weer almachtig diende te worden. Revolutiepogingen moesten worden onderdrukt. Tot 1848 lukte dat, maar in 1848 werd het overal in Europa onrustig. Overal kwam men in opstand tegen de machthebbers. Omdat de belangen van burgers, arbeiders , liberalen en nationalisten tegenstrijdig waren, konden burgers en arbeiders makkelijk tegen elkaar worden uitgespeeld. Uiteindelijk trokken de liberalen aan het langste eind. Hun belangrijkste eisen werden ingewilligd en in een grondwet vastgelegd. Dat gebeurde ook in Nederland.

De klassenloze samenleving van Marx

marxisme

In 1848 verscheen er van de hand van Karl Marx en Friedrich Engels een boek: 'Het Communistisch Manifest'. Dat zou richting geven aan een nieuwe politieke stroming het socialisme. Karl Marx sprak over historisch materialisme: In alle maatschappijtypen was er altijd een bezittende ( bourgeoisie) en een niet-bezittende klasse (proletariaat) geweest. Deze hadden tegenstrijdige belangen De verschillen tussen beide klassen zouden zo groot worden dat de uitgebuite klasse (arbeiders) het niet langer accepteerde. Ze zouden spontaan in opstand komen (revolutie), waarbij gebruik van geweld noodzakelijk zou zijn. De klassenstrijd was dan een feit.

Voor Marx stond de uitkomst van de strijd al vast: de proletariërs zouden winnen. Na de gewonnen revolutie brak er een overgangsfase aan, waarbij de proletariërs moesten leren om met de nieuw verworven vrijheid en verantwoordelijkheid om te gaan. Er moest een gezamenlijke koers worden uitgezet door iedereen. Mensen die zich niet wilden aansluiten, mochten met enige dwang worden verplicht. Na verloop van tijd zou iedereen echter uit eigener beweging en uit volle overtuiging meedoen. Dan zou vanzelf een communistische samenleving ontstaan. Alle productiemiddelen zouden gemeenschappelijk bezit zijn en in deze klasseloze samenleving zou iedereen zich inzetten voor het welzijn van de maatschappij. Iedereen zou beloond worden naar behoefte. Marx voorspelde dus een paradijs op aarde.

Ruzie over de route

De werkelijkheid was echter anders. Marx had voorspeld dat de arbeiders het steeds slechter zouden krijgen maar in werkelijkheid verbeterden hun leef- en werkomstandigheden. Er ontstonden nu binnen het socialisme verschillende stromingen. Sommigen, zoals de communisten geloofden in de visie van Marx. Anderen streefden nog wel naar een klassenloze maatschappij, maar wilden de route er naar toe niet door revolutie maar door evolutie, via parlementaire weg, bereiken. Zij streefden dus naar invoering van het algemeen kiesrecht. Men noemt ze sociaal-democraten. Aan het einde van de negentiende eeuw was de aanhang van deze groep in de meeste West-Europese landen groter dan die van de communisten.

8.5 Emancipatiebewegingen

Door de Industriële Revolutie veranderde de samenleving van West-Europa ingrijpend van karakter. Groepen die zich voelden achtergesteld streefden naar een volwaardige plaats in de samenleving. Vrouwen, arbeiders en confessionelen voerden in de tweede helft van de negentiende eeuw op fanatieke wijze strijd om hun achtergestelde positie te verbeteren.

Het belang van dit onderwerp

Tegenwoordig staat in de grondwet dat ieder lid van de samenleving gelijkwaardig is. Achterstelling of discriminatie op grond van sekse of geloofsovertuiging is verboden. Althans op papier. In de praktijk komt de discriminatie op basis van sekse, en godsdienst nog steeds voor.

Op welke wijze streefden confessionelen en vrouwen naar een uitbreiding van hun rechten?

Burgerlijk beschavingsoffensief

In het begin van de Industriële Revolutie verslechterden de leef- en werkomstandigheden van de arbeidersklasse. Dit was deels:

  • Het gevolg van acties van de arbeiders zelf door het oprichten van vakbonden;
  • Tegelijkertijd raakte ook een deel van de 'hoge' burgerij ervan overtuigd dat de situatie van de andere groepen in de samenleving moest verbeteren. Hun zorg ging echter verder dan alleen maar arbeid en inkomen. Ze wilden de anderen ook 'beschaven'.

Onderdelen van het beschavingsoffensief:

  • Het onderwijs moest beter worden;
  • Oprichting leeszalen en bibliotheken;
  • Stimuleren van sociale woningbouw;
  • Het tegengaan van plat vermaak zoals kermissen. Daarvoor in de plaats moesten georganiseerde feesten komen, die het gevoel van saamhorigheid moesten versterken.

Opkomst van het feminisme

Om een duidelijk beeld te krijgen van 'den ongunstige toestand van de onvermogenden' onderzocht een parlementaire onderzoekscommissie de situatie van de arbeiders in enkele Nederlandse industriesteden.

Arbeidersvrouwen moesten werken in de fabrieken, maar dat gold niet voor vrouwen uit de gegoede burgerij. In die kring groeide in de tweede helft van de negentiende eeuw de onvrede over de ongeschikte positie van vrouwen. Een van de woordvoerders in Nederland was Wilhelmina Drucker.

Man en vrouw waren voor de wet ongelijk. De man had het laatste woord in zaken die te maken hadden met het huishouden en het opvoeden van de kinderen. Alleen de man kwam in aanmerking voor het stemrecht en had in principe toegang tot alle vormen van onderwijs. Overal in de westerse wereld ontstond na 1870 een beweging die opkwam voor de rechten van vrouwen: het feminisme. Deze richtte zich vooral op het verwerven van het kiesrecht. Via het kiesrecht konden vrouwen immers invloed uitoefenen op de inhoud van de wetten.

Openbaar of bijzonder onderwijs

De katholieken in Nederland werden ook lange tijd achtergesteld. Pas in de herziene grondwet van 1848 werd 'vrijheid van godsdienst' als een bijzonder grondrecht erkend. De katholieken waren het niet eens met de manier waarop de liberalen steeds verder gingen met het loskoppelen van kerk en staat. Bij hen groeide ook de ergernis over de manier waarop het onderwijs was georganiseerd. Vrijheid van onderwijs kwam in de praktijk neer op openbaar onderwijs.

De katholieken en protestanten vonden elkaar op het gebied van het onderwijs en streden samen voor een gelijkwaardige financiële behandeling van openbare en bijzondere (confessionele ) scholen. Nadat de onderwijswet van 1878 daarin niet voorzag organiseerden ze een petitie waarin mensen de koning verzochten deze wet weer in te laten trekken. De schoolstrijd zou echter nog tot 1917 duren voordat er sprake was van gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

minister de visser

 In De Ster der Christelijke Weekbladen van de uitgeverij Libertas verscheen op 13 juni 1919 dit prentje ter gelegenheid van de financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs, het einde van de schoolstrijd.

8.6 De democratisering van de politiek 

Nadat tijdens de Franse Revolutie het absolutisme aan de kant was geschoven, was het nog niet duidelijk wat er voor in de plaats diende te komen. Over een ding was men het echter eens:'het volk' moest meer macht krijgen. Maar er bestond verschil van inzicht wie tot ' het volk' behoorde. Dit proces wordt ook wel democratisering genoemd. Het resulteerde in de meeste landen tot het invoeren van het algemeen kiesrecht.

Het belang van dit onderwerp

Iedereen die in ons land achttien jaar en ouder is mag zijn stem uitbrengen bij verkiezingen. Voor het verkrijgen van die democratische rechten is in de negentiende eeuw veel strijd geleverd, zodat een rechtvaardige samenleving kon ontstaan.

Op welke wijze werd dankzij de strijd voor uitbreiding van het kiesrecht de politiek gedemocratiseerd?

Naar een ander kiesstelsel

In Engeland moest iedere hervorming van wetgeving en bestuur door het parlement worden goedgekeurd. De macht van de koning was van oudsher beperkt. Het Britse parlement was verdeeld in twee gelijkwaardige kamers: Het Hogerhuis en het lagerhuis. In het Hogerhuis zaten leden van aristocratische families die door de koning voor het leven waren benoemd. Ook in het Lagerhuis domineerde de landadel.

Engeland kende een districtenstelsel. Per district konden voor het Lagerhuis twee afgevaardigden worden gekozen. Ondanks de stijging van het inwoneraantal waren de grenzen van de districten sinds 1699 niet meer gewijzigd. De landbezittende adel domineerde het Engelse bestuur. Voor de fabrikanten kwam de adel niet op. De fabrikanten wilden daarom een verandering van het kiesstelsel om zo meer invloed te kunnen uitoefenen. Ook de arbeiders streefden naar verandering van het kiesrecht. In de industriesteden werden vanaf 1815 dan ook bijeenkomsten georganiseerd die moesten lijden tot verandering van het kiesrecht. Dat leidde niet tot resultaat.

De fabrikanten, arbeiders en de leden van de nieuwe middenklasse moesten gezamenlijk optrekken om hun verschillende doelen te bereiken. Na enkele mislukte pogingen werd in 1832 de langverwachte Reform Bill aangenomen. Het was de eerste stap naar echte democratisering. Er kwamen zetels vrij die werden toegewezen aan de nieuwe industriesteden en er werden minimumeisen ingevoerd om voor het kiesrecht in aanmerking te komen(censuskiesrecht). Het kiezerscorps nam toe van 435.000 naar 652.000 mannen. Een op de zeven had nu kiesrecht.

De chartisten

Deze streefden naar verdere hervormingen. Het chartisme is vernoemd naar het 'People's Charter', letterlijk 'Handvest van het Volk'. van 1837, charteropgesteld door William Lovett( 1800-1877). Hij had een zuiver politiek programma ontworpen, dat betrekking had op het parlement en uit zes eisen bestond.

  • In voering algemeen (mannen)kiesrecht;
  • Jaarlijkse verkiezingen;
  • Uitbreiding passief kiesrecht;
  • Bezoldiging van parlementsleden;
  • Invoering geheime verkiezingen;
  • Nieuwe indeling kiesdistricten.

Het chartisme groeide onder leiding van Feargus OÇonnor (1794-1855) uit tot een indrukwekkende massabeweging. O'Connor had een eigen krant, de Northern Star. Veel chartisten werden gearresteerd. De regering voerde in de loop van de jaren veertig mondjesmaat verbeteringen door en nam zo het chartisme de wind uit de zeilen. De eisen van het People's Charter werden pas veel later dan 1848 ingewilligd, met uitzondering van de jaarlijkse verkiezingen

Politiek taboe

De liberalen voelden er in veel landen in Europa weinig voor om hun invloed in het parlement te delen met andere groepen. Het waren vooral de arbeiders en de vrouwen die óók stemrecht wilden. Met allerlei middelen zetten ze hun eisen kracht bij. In Engeland waren het vooral de suffragettes ( strijdsters voor het vrouwenkiesrecht) die de publiciteit opzochten.

Toch waren het de mannen die overal eerder het kiesrecht kregen. Maar dit proces verliep geleidelijk. De census werd steeds verder verlaagd. Het duurde tot in de twintigste eeuw dat het kiesrecht voor vrouwen werd ingevoerd. De Engelse vrouwen kregen in 1918 stemrecht. Terwijl de leeftijd voor mannen op 21 jaar lag, was dat voor vrouwen 30 jaar. Pas in 1928 werd dit verschil opgeheven.

In Nederland werd het algemeen kiesrecht in 1917 ingevoerd. Het vrouwenkiesrecht volgde twee jaar later.

Zie verder hoofdstuk 9 Samenvatting Havo Feniks Hfst 9 Overzicht van de geschiedenis