We hebben 239 gasten online

Feniks

Samenvatting VWO Thema Feniks Hoofdstuk 2 Nederland immigratieland

Gepost in Thema's

Immigranten in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw

nederland immigratieland

Deelvraag 2: Werd Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw een immigratieland?

Inleiding

In de negentiende eeuw heerst in ons land een overwegend gunstig klimaat voor immigranten. Zonder grote problemen integreerden ze. Dat veranderde in het eerste kwart van de 20e eeuw. Europa kreeg te maken met sociale onrust en met een oorlog die zorgde voor miljoenen doden, gewonden, vluchtelingen en verarmden. Ook na die oorlog bleef Europa onrustig. Net als in de zeventiende eeuw werd Nederland een veilige haven voor vluchtelingen. Maar de nieuwkomers kregen meer dan vroeger te maken met de bemoeienis van de Nederlandse overheid.

Het belang van dit onderwerp

De komst van vluchtelingen uit België, Oost-Europa, Duitsland en China betekende dat het vreemdelingenbeleid na de rustige negentiende eeuw ineens veel meer aandacht had in Nederland. De overheid ging zich meer dan vroeger bezighouden met haar onderdanen. Dat leverde vooral beperkingen op. Vreemdelingen werden meer als een probleem gezien.

Economische en politieke veranderingen in de wereld hadden tot gevolg dat het vreemdelingenbeleid op den duur strenger werd. Maar ook de economische crisis, sociale onrust en racistische ideeën in de jaren twintig van de vorige eeuw leiden in Nederland tot een vijandige houding tegenover buitenlanders.

  • Welke mensen waren immigranten in de eerste helft van de twintigste eeuw?

  • Hebben zij kunnen integreren?

  • Hoe reageerde de Nederlandse bevolking op deze nieuwkomers?

  • In welke zin zag Nederland nieuwkomers als een probleem?

  • Hoe gingen de verschillende bevolkingsgroepen daarmee om?

2.1 De Eerste Wereldoorlog

Toen de Duitse legers in 1914 België binnenvielen verzette de bevolking zich. Om dat verzet te breken namen de Duitsers wrede maatregelen. Zo zetten ze onschuldige burgers voor het vuurpeloton en brandden zij dorpen plat. De bevolking sloeg op de vlucht. In een tijdsbestek van een paar weken waren een miljoen (Vlaamse) Belgen naar Nederland gevlucht. Zij hoefden niet te vrezen voor de Vreemdelingenwet. In verband met de oorlog had de regering die buiten werking gesteld.

De vluchtelingen werden voor zover mogelijk opgevangen in kampen, in leegstaande gebouwen of zij vonden onderdak bij familie. Ook veel particulieren namen uit barmhartigheid een of meer Belgen in huis. De kampen veroorzaakten problemen. Zij waren krakkemikkig en hadden slechte sanitaire voorzieningen. Bovendien sloeg de verveling toe en de manier waarop sommige Belgen zich vermaakten, strookte niet met de calvinistische Hollandse cultuur. Zij dronken, waren luidruchtig en zaten achter de meisjes aan.

De Nederlandse overheid was bang dat de vluchtelingen in de kampen besmet zouden kunnen raken met de extreme ideeën van het communisme en het Vlaamse nationalisme. Maar het grootste probleem waren de kosten. Alle Belgische vluchtelingen kregen namelijk een uitkering van de overheid. En omdat de Belgen minder snel terugkeerden liepen de kosten op. Dus werd er druk uitgeoefend op de Belgen om zo snel mogelijk naar huis terug te keren. In mei 1915 waren 900.000 vluchtelingen teruggekeerd. Ongeveer 100.000 Belgen bleven in het zuiden van Nederland achter. Toen in november 1918 de oorlog was afgelopen keerden de meeste Belgen weer naar huis terug.

2.2 Aansterken in Nederland

Als inwoners van een neutraal land hadden de Nederlanders relatief weinig last gehad van de Eerste Wereldoorlog. De bevolking van Duitsland en Oost-Europa had wel honger en gebrek gehad waardoor er politieke onrust was ontstaan. Het was een periode waarin linkse en rechtse groeperingen staatsgrepen en revoluties organiseerden. Veel gezinnen waren in armoede vervallen en kinderen waren ondervoed. Er werden in Nederland comités opgericht om kinderen uit Midden- en Oost-Europa voor enige tijd naar Nederland te halen om hier aan te sterken. Ongeveer vijftigduizend meisjes verbleven in pleeggezinnen. De contacten waren soms zo goed dat de kinderen vaker terugkwamen. Sommige van die meisjes trouwden een Nederlandse man. Zij verloren daarmee automatisch hun buitenlandse nationaliteit en werden officieel Nederlandse. eind jaren twintig van de vorige eeuw waren de kindertransporten ten einde.

2.3 Duitse dienstbodes

Naast kinderen kwamen ook arbeidsmigranten vanuit Duitsland naar Nederland. Niet zoals in de negentiende eeuw mannen maar vrouwen. Deze gingen als dienstbode, een betaalde kracht in de huishouding, werken.

Duitsland had last van inflatie, vooral de middenstand. Deze stuurden hun dochters naar Nederland om voor aanvulling te zorgen op het gezamenlijke inkomen van de familie. Toen de stroom dienstmeisjes zo groot werd dat er schertsend gesproken werd over een invasie, ontstond een negatief beeld van hen. Omdat Nederland ook een tamelijk grote werkloosheid kende, gingen er stemmen op die wilden dat de Duitse dienstbodes zouden worden vervangen door Nederlandse meisjes.

Na de beurskrach van 1929 raakte de Duitse economie verder in het slop en de immigratie van Duitse meisjes bereikte een hoogtepunt. Een bijverschijnsel was het feit dat er huwelijken ontstonden met Nederlanders maar ook buitenechtelijke kinderen. Dat kon er toe leiden dat men grote kans liep op basis van de vreemdelingenwet het land uitgezet te worden.

2.4 Hitler aan de macht

Nadat in 1933 Hitler aan de macht was gekomen werd er druk uitgeoefend op de Duitse dienstmeisjes die in het buitenland werkten om naar huis te komen. Zij waren nodig om kinderen te maken voor het nieuwe rijk. In 1938 besloot Berlijn zelfs dat alle dienstmeisjes verplicht naar Duitsland moesten terugkeren. Wie weigerde, zou het staatsburgerschap verliezen. Sommigen negeerden de oproep, anderen trouwden snel met en Nederlandse man, waardoor zij Nederlands staatsburger werden.

2.5 Vluchtelingen

Door de politieke onrust in Europa na de Eerste Wereldoorlog sloegen veel mensen op de vlucht. De regering wilde de komst van vluchtelingen beperken uit angst voor het gevaarlijke gedachtegoed dat zij mee zouden kunnen brengen. Vooral tegen het communisme bestond veel wantrouwen. Na de beurscrisis wilde de overheid vooral de arbeidsmarkt beschermen tegen buitenlanders. De Vreemdelingenwet werd aangescherpt. Vanaf 1918 konden vreemdelingen die een gevaar zouden zijn voor de openbare orde en veiligheid het land worden uitgezet.

Nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, vluchtten veel joden en politieke tegenstanders van het nationaalsocialisme het land uit. Omdat Duitsland niet in oorlog was, werden de joden niet als vluchtelingen beschouwd. Joden zonder geldige papieren of joden die niet konden aantonen dat zij over middelen van bestaan beschikten, kregen geen toestemming om in Nederland te blijven. Voor welgestelde families was dat natuurlijk geen probleem. Ook joodse meisjes die als dienstbode aan de slag wilden, waren welkom.

Duitse joden werden wel gemakkelijker toegelaten dan Oost-Europese joden. De minister van Justitie stelde zich op het standpunt dat alle Oost-Europese joden zouden moeten worden teruggestuurd, ook diegenen die zich hier al gevestigde hadden. In 1938 werd Nederland een vesting. Alleen vluchtelingen die konden aantonen in Duitsland echt in levensgevaar te verkeren, mochten Nederland nog binnenkomen. Na de Reichskristallnacht, lukte het nog enige duizenden joden om dat aannemelijk te maken. Voor de meeste vluchtelingen hield Nederland de deur vanaf 1938 gesloten.

2.6 Chinezen

Belgen en Duitsers vond men niet vreemd. Afwijkender echter vond men de zigeuners en de Oost-Europese joden. Maar vreemdelingen waar de Nederlanders helemaal niets van begrepen, kwamen uit China. De eerste Chinezen waren de Chinese zeelieden in de havensteden Amsterdam en Rotterdam. Zij verbleven daar in overvolle pensions en hadden nauwelijks contact met de Nederlanders. De Chinezen kwamen uit hun isolement toen in 1929 de grote crisis uitbrak. Uit wanhoop maakten veel Chinezen toen de overstap naar de fabricage van pindakoekjes, snoepgoed gemaakt van suiker, pinda's en azijn. Het kostte heel weinig om die koekjes te fabriceren en zij verkochten goed, de winstmarge was dus redelijk groot. Aangemoedigd door goede verkoopresultaten verspreidden de Chinezen zich in sneltreinvaart door het hele land. De markt raakte daardoor verzadigd en niet alle Chinezen konden het hoofd boven water houden. Deze werden zo vreemdelingen zonder voldoende middelen van bestaan. De overheid sprak van een Chinezenprobleem en nam maatregelen tegen, zoals zij het zelf noemde, Aziatisch ongedierte.

In de sfeer van de jaren dertig van de twintigste eeuw, ging het eigen volk voor. Voor afwijkende vreemdelingen was geen plaats. De regering besloot de Chinezen het land uit te zetten. In 1939 waren op een paar honderd na alle Chinezen uit Nederland verdwenen.

Zie verder hoofdstuk 3 Samenvatting VWO Thema Feniks Hoofdstuk 3 Nederland immigratieland