We hebben 117 gasten online

Havo Hoofdstuk 3 Naar een parlementaire democratie,1848-1914

Gepost in Samenvatting 2e druk Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland Havo

Deelvraag: In hoeverre hebben de grondwet van 1848 en partijvorming in de tweede helft van de negentiende eeuw bijgedragen aan de totstandkoming van een parlementaire democratie?

3.1 Willem III en de parlementaire democratie

 Koning Willem III die in 1849 zijn vader opvolgde was tegen de constitutionele monarchie en zou er twintig jaar strijd tegen voeren. Het eerste grote conflict was een geloofskwestie. Toen de paus in 1853 besloot om Nederland als kerkprovincie te verdelen met een aartsbisdom en bisdommen, zorgde dat voor protesten van de kant van de protestanten (Aprilbeweging).

De koning liet merken het met de protestanten eens te zijn. Dat had hij nooit mogen doen, want hiervoor waren ministers verantwoordelijk en in ruil daarvoor had de koning onschendbaarheid gekregen. De ministers waren verantwoordelijk. De ministers dienden hun ontslag in.

3.2 Het parlementaire stelsel zegeviert

Tussen 1866 en 1868 speelden veel van dit soort conflicten tussen regering ( koning en ministers) en de Tweede kamer. De bedoeling van de grondwet van 1848 was dat ministers verantwoording zouden afleggen aan het parlement. De Tweede kamer had dus uiteindelijk het laatste woord. Toen de Tweede Kamer verschillende malen het beleid van de regering afkeurde, besloot de koning tot tweemaal toe de Tweede Kamer te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven. Het werd uiteindelijk een machtsstrijd tussen de koning en het parlement. Er was geen sprake meer van 'koninklijke kabinetten'. Uiteindelijk durfde de koning de kamer niet opnieuw te ontbinden en gaf toe. Sindsdien is het een gewoonterecht geworden dat de ministers hun ontslag aanbieden omdat het kabinet moet steunen op een meerderheid in de Tweede Kamer.

3.3 De eerste politieke partijen 

In 1848 was besloten dat de Tweede kamer rechtstreeks zou worden gekozen via een districtenstelsel. Welgestelde mannen van 23 jaar en ouder mochten hun stem uitbrengen, censuskiesrecht dus. Dat gold voor 11% van de mannelijke bevolking.

Er was sprake van politieke stromingen zoals de conservatieve en de liberale (de grootste op dat moment). Daarnaast kwamen er ook katholieke en protestantse vertegenwoordigers in de Kamer en in het laatste kwart van de negentiende eeuw verschenen de eerste socialistische Kamerleden.

Drie politieke kwesties veroorzaakten grote politieke tegenstellingen: de schoolstrijd, de kiesrechtkwestie en de sociale kwestie. Door deze kwesties gingen Kamerleden zich organiseren in politieke partijen. 

De schoolstrijd

Sinds de onderwijswet van 1806 kregen alle schoolgaande kinderen hetzelfde onderwijs op basis van algemeen christelijke waarden. De overheid betaalde dit 'openbaar onderwijs' uit de belastingopbrengsten. Onderwijs op godsdienstige basis was niet toegestaan. Katholieke en protestanten besloten daarop, op basis van een nieuwe schoolwet van 1857 protestantse en katholieke scholen op te richten. Maar deze werden niet door de staat betaald. Confessionele volksvertegenwoordigers gingen nu strijden voor financiële gelijkstelling en dar noemen we de schoolstrijd.

Het kiesrecht

Het parlement was verdeeld in voor- en tegenstanders van kiesrechtuitbreiding. Behoudende liberalen waren voor een beperkt (census) kiesrecht, terwijl de socialistische en progressief liberale Kamerleden streefden naar kiesrecht voor iedereen.

De sociale kwestie

De vraag daarbij was  hoever de overheid moest gaan om zwakken te beschermen in de samenleving en welke rol de overheid had in de bestrijding van de armoede. Een rechtstreeks gevolg van de industrialisering was dat er sprake was van snel groeiende armoede in de steden, maar ook op het platteland. De parlementaire enquête van 1887 'naar de toestand van de arbeidende klassen' toonde dat schrijnend aan. Er waren voor-en tegenstanders met betrekking tot de invoering van sociale wetgeving. Maar zonder hulp van de overheid zouden veel Nederlanders nooit zelfstandige en onafhankelijke burgers worden.

Zo ontstonden er in Nederland partijen. 

3.4 Confessionelen 

 Protestantse en katholieke Kamerleden trokken gescheiden op. De grondwet van 1848 betekende een belangrijke stap op weg naar katholieke emancipatie. In veel kiesdistricten kreeg de liberale kandidaat daarom steun van katholieke stemgerechtigden. Het was de schoolstrijd die enerzijds leidde tot verwijdering maar ook zorgde voor toenadering tussen katholieken en protestanten. 

De protestantse antirevolutionairen werden geleid door Groen van Prinsterer, die zich fel keerde tegen de ideeën van de Verlichting en Franse Revolutie. De hoogste macht lag volgens hem niet bij het volk (Volkssoevereiniteit) maar bij God (Godsoevereiniteit). Van Prinsterer werd dé pleitbezorger van het bijzonder onderwijs.

De christelijke maatschappijvisie zag de samenleving als een organisch geheel, waarbij niet het individu, maar het functioneren van het individu in de gemeenschap belangrijk is.

kuyper

Abraham Kuyper, de opvolger van Groen van Prinsterer, ontwikkelde de leer van 'soevereiniteit in eigen kring'. Hiermee wordt bedoeld dat elke levenskring, zoals het gezin, de kerk of het onderwijs, zijn eigen onafhankelijk gezag heeft. De Staat mocht zich daar niet mee bemoeien. Kuyper nam het initiatief tot de stichting van de protestantse Vrije Universiteit. Zijn aanhangers waren de zogenaamde 'kleine luyden': ambachtslieden, winkeliers, boeren. Hij verkondigde de zogenaamde anti-these: de gelovigen moesten zich verenigen tegen de ongelovigen. Hij was voor uitbreiding van het kiesrecht. Een deel van de protestanten waren daar tegen en scheidden zich in 1908 af en richtten de Christelijk Historische Unie op.

Binnen de katholieke Kerk ontstonden denkbeelden die sterk leken op het beginsel van soevereiniteit in eigen kring. In de encycliek Rerum Novarum (1891) verklaarde paus Leo XIII, dat de overheid slechts mocht handelen, waar individuen en organisaties niet in staat waren de problemen op te lossen. Dit uitgangspunt, het beginsel van subsidiariteit, vormde een soort tussenweg tussen liberalisme en socialisme. De schoolstrijd had de brug geslagen tussen de twee godsdiensten, die tijdens de Aprilbeweging in 1853 nog voor onmogelijk werd gehouden. In 1868 riepen alle bisschoppen de katholieken op hun kinderen naar de eigen, bijzonder scholen te sturen.

Het verschijnsel dat maatschappelijke groepen hun eigen organisaties oprichten wordt verzuiling genoemd. Tot de oprichting van een katholieke partij moest men echter wachten tot 1926, toen de Rooms-Katholieke Staatspartij werd opgericht.

De totstandkoming van confessionele partijen is op zichzelf bijzonder, omdat deze partijen personen van zowel de hogere klasse als de arbeidersklasse en de middenklasse achter zich verenigden. Partijprogramma's werden op sociaal gebied iets vager waardoor de confessionelen zowel met liberale als met sociaaldemocratische partijen regeringscoalities konden vormen.

3.5 Socialisten

sdap

In de tweede helft van de negentiende eeuw zorgden de Industriële Revolutie en de armoede op het platteland voor veel ellende. Arbeiders gingen zich organiseren en er ontstonden socialistische partijen. Deze werden geïnspireerd door Karl Marx die van mening was dat de ongelijkheid in de maatschappij het gevolg was van een ongelijke verdeling van de productiemiddelen. Een wereldrevolutie zou daaraan een einde maken. In afwachting van zo'n revolutie was organisatie van arbeiders noodzakelijk.

De eerste socialistische partij in de Tweede Kamer was de Sociaal Democratische Bond, onder leiding van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, hij werd als eerste socialist in de Kamer gekozen. In de jaren negentig echter voor het anarchisme koos en buitenparlementaire acties voerde.

domela nieuwenhuis

Domela Nieuwenhuis

De Sociaal Democratische Arbeiderspartij onder leiding van Jelle Troelstra wilde via het parlement de positie van de arbeider verbeteren. De socialisten slaagden er niet in de confessionele arbeiders aan zich te binden. De linkervleugel van de SDAP splitste zich in 1909 af en vormde de Communistische Partij Nederland. De SDAP pleitte voor algemeen kiesrecht, het staatspensioen en de achturige werkdag. Daarvoor organiseerde men demonstraties die uiteindelijk i 1913 een grote overwinning voor de SDAP opleverde .

sdap

3.6 Liberalen 

De liberalen gingen uit van het gedachtegoed van de Verlichting. Zij waren voorstanders van vrijheid en gelijkheid van het individu. De liberalen waren tegenstanders van de overheidsinvloed. Op economisch gebied waren zij daarom voor vrijhandel. Die moest worden overgelaten aan de wet van vraag en aanbod. De meeste aanhangers van de liberalen waren afkomstig uit de gegoede burgerij en de top van de middenklasse. Vanaf 1848 kregen de liberalen de meerderheid in de Tweede Kamer en daarmee bepaalden ze de samenstelling van de regering.

Binnen de liberalen ontstonden tegenstellingen met betrekking tot de rol van de overheid. Deze groepering noemde zich progressief-liberalen. Het was het liberale kamerlid Van Houten die in 1874 een initiatief nam tot het indienen van een wetsontwerp waarbij kinderarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar verboden werd. De eerste sociale wet.

In 1885 kwam de eerste liberale partij, de Liberale Unie, tot stand. In 1894 scheidden de conservatieven zich af in een groepering die in 1906 de Bond van Vrije Liberalen ging heten. In 1901 was er een afscheiding van de progressieve groep, de Vrijzinnig Democratische Bond. Deze was voorstander van algemeen kiesrecht.

bond vrije liberalen

Het districtenstelsel was in 1848 ingevoerd. Daar waren zowel voor- als nadelen aan verbonden. Voordelen waren: direct contact met de vertegenwoordiger van het district, een levendige verkiezingsstrijd en kleine partijen kwamen niet in de Kamer. Nadelen ervan waren dat niet elke politieke groepering in de Kamer kon komen, en de Kamer vormde geen reële afspiegeling van de politieke verhoudingen. Steeds meer waren er voorstanders van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging waarbij elke stem meetelde. Iedere partij zou zoveel evenredige zetels krijgen als men het aantal zetels deelde door de op die partij uitgebrachte stemmen. In 1917 werd definitief overgaan op het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en door de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 kwam er een definitief einde aan de dominante positie van de liberalen.

vrijzinnig democraten

3.7 Aletta Jacobs en vrouwenrechten

In de tweede helft van de negentiende eeuw begon ook in Nederland de strijd voor gelijke rechten van de vrouw. Een van de bekendste voorvechters in Nederland is Aletta Jacobs die als eerste vrouw in 1871 werd toegelaten tot de artsenstudie. Zij werd daarmee een boegbeeld. Zij ijverde voor invoering van het vrouwenkiesrecht en voor het verkrijgen van voorbehoedsmiddelen. We spreken hier over de eerste feministische golf. daarbij ging het niet vooral om betere arbeis- en beroepsmogelijkheden en kiesrecht voor vrouwen, maar ook om een betere rechtspositie van de vrouw.

Zie verder hoofdstuk 4 Havo Hoofdstuk 4 De invloed van de wereldoorlogen,1914-1950