We hebben 58 gasten online

Havo Hoofdstuk 4 De invloed van de wereldoorlogen,1914-1950

Gepost in Samenvatting 2e druk Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland Havo

Deelvraag:

In welk opzicht zijn de wereldoorlogen en het interbellum van invloed geweest op partijvorming en de democratische rechtsstaat?

4.1 Een politiek compromis van formaat

 Bij de verkiezingen van 1913 was de SDAP gestegen van zeven naar achttien zetels. Ze wilden echter niet met de liberalen een kabinet vormen. Reden daarvoor was dat deze beschouwd werden als vertegenwoordigers van de rijke burgerij. In 1913 werd er een extraparlementair minderheidskabinet (dat kan rekenen op een meerderheid in de Tweede Kamer) gevormd onder leiding van de liberale voorman Cort van der Linden. Het kabinet wilde regeren overeenkomstig de 'volkswil'.

De regering probeerde voor de schoolstrijd en de kiesrechtkwestie een oplossing te zoeken. Dat lukte uiteindelijk en dat werd in een nieuwe grondwet vastgelegd. 

vrijzinnig democraten

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Nederland mobiliseerde wel, maar nam niet aan de strijd deel, was neutraal. Meer dan een miljoen Belgen zochten in ons land een goed heenkomen. Men werd het snel eens over het algemeen kiesrecht  voor mannen van 23 jaar en ouder en de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Ook kwam er een opkomstplicht bij verkiezingen. De onderwijskwestie leidde nog tot problemen maar uiteindelijk kregen de confessionele partijen de felbegeerde financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs.

sdap

De vrouwen binnen de SDAP waren teleurgesteld dat het algemeen kiesrecht voor vrouwen niet was doorgevoerd. Uiteindelijk kwam dat er in 1919 toch. Nederland was door de invoering van het algemeen kiesrecht nu daadwerkelijk een democratische staat geworden en door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging telde elke stem nu mee, dat was winst. Daarnaast hadden kleinere partijen nu de mogelijkheid om hun stem te laten horen. Nadeel was dat de afstand tussen kiezer en gekozene groter was geworden. De liberalen verloren bij verkiezingen nogal veel zetels. Ze gingen terug van veertig naar vijftien zetels.

4.2 Confessioneel overwicht en socialistische onmacht. 

 De confessionelen kregen van hun kerkelijke voorgangers het advies niet op de socialisten te stemmen. De SDAP kreeg daardoor in 1918 slechts 22% van de stemmen terwijl de confessionelen samen meer dan 50% behaalden. Er werd een confessioneel kabinet gevormd bestaande uit leden van de ARP, CHU en de katholieken die in 1926 de RKSP (Rooms-Katholieke Staatspartij) vormden.  De leider daarvan was Ruijs de Beerenbrouck.  Nu de grote problemen waren opgelost kwamen de religieuze tegenstellingen weer op de voorgrond te staan. Daardoor ontstonden vier duidelijk gescheiden maatschappelijke stromingen. Een liberale, een protestantse een socialistische en een katholieke. Ze werden gezien als zuilen, omdat ze door alle lagen van de maatschappij heengingen. Dat noemen we verzuiling. De onderlinge verschillen werden benadrukt, maar de leiders waren wel bereid om aan de top samen te werken. Een deel van de protestanten was tegen de samenwerking met de katholieken en splitste zich af en stichtte de SGP(Staatkundig Gereformeerde Partij.).

Troelstra zag de uitslag van de verkiezingen van 1918 als een grote teleurstelling. Kijkend naar de revolutionaire ontwikkelingen in het buitenland dacht hij dat Nederland ook rijp was voor een arbeidersrevolutie. Als fractieleider van de SDAP kondigde hij dan ook in de Tweede Kamer aan dat de arbeidersklasse de politiek macht zou overnemen. Deze revolutiepoging mislukte en dat zou ertoe leiden dat de SDAP tijdens het Interbellum door de andere partijen zou worden gewantrouwd. Pas in 1939, door de oorlogsdreiging toenam, werd voor het eerst een regering gevormd waarin de SDAP vertegenwoordigd was. In het partijprogramma van de SDAP had men de revolutie al afgezworen. 

4.3 Bedreigde democratie

Door de beurskrach in 1929 in Wall Street werd de economische crisis een wereldcrisis. Er ontstond massale werkeloosheid en de export zakte in. Een en ander leidde tot ontevredenheid en frustratie. Kabinetten kozen voor bezuinigingen. In landen als Italië en Duitsland waren antidemocratische partijen opgericht die door de crisis steeds groter werden. Begin jaren twintig kwam in Italië Mussolini aan de macht en in 1933 slaagde de nationaalsocialist Hitler erin aan de macht te komen.

 

In Nederland richtte Anton Mussert de NSB (Nationaal-Socialistische Beweging) op. Deze partij pleitte voor versterking van de defensie en een sterk staatsgezag. De partij was sterk anticommunistisch  en maakte propaganda met de leus 'Mussert of Moskou'.

stem colijn

Van een communistisch gevaar was echter geen sprake. In de jaren dertig behaalde de CPN nooit meer dan 4% van de stemmen. De extremistische partijen behaalden in Nederland weinig succes door de Verzuiling waardoor men greep had op de achterban. Van 1933 tot 1939 werden er kabinetten gevormd onder leiding van Colijn, de charismatische leider van de ARP.

memo hfst 8 afb 20

Door de bezuinigingen van de jaren dertig werd hij gezien als 'sterke man' maar ook door anderen verguisd. 

4.4 De Duitse bezetting en de regering in Londen

Op 10 mei vielen de Duitsers Nederland binnen, ondanks dat Nederland neutraal was. De regering besloot naar Engeland te vluchten. In Nederland werd na de capitulatie een voorlopig bestuur gevormd. Nadat het Duitse bestuur was geïnstalleerd, onder leiding van rijkscommissaris Seyss-Inquart werd in Nederland het nationaalsocialistische gedachtegoed doorgevoerd. Dus het einde van de democratie. De vergaderingen van de Tweede Kamer werden opgeschort en in juni 1941 werden alle politieke partijen verboden, behalve de NSB.

Ook aan de rechtsstaat kwam een einde en de Neurenburger wetten werden ook in Nederland doorgevoerd waardoor joden hun staatsburgerschap verloren en uiteindelijk via het doorvoerkamp Westerbork naar de vernietigingskampen werden getransporteerd. 

memo hfst 8 afb 18

In Londen probeerde de regering te doen wat het kon, zonder parlementaire controle. Koningin Wilhelmina verving minister-president De Geer toen die met de Duitsers wilde onderhandelen. Ze verving ham door Gerbrandy. De invloed van Wilhelmina was groot waardoor ze na het einde van de oorlog dacht een grotere invloed te kunnen uitoefenen.

4.5 Partijvorming na de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de bezetting van Nederland werden politieke leiders geïnterneerd en discussieerden daar over een andere Nederlandse samenleving na de oorlog. De hokjesgeest moest verdwijnen, gevoed door de verzuiling, en er moest meer worden samengewerkt. Deze denkbeelden leidden tot de oprichting van de Nederlandse Volksbeweging die enthousiast de 'doorbraakgedachte' propageerde. Omdat het zuiden van ons land eerder bevrijd werd zagen de bisschoppen de kans de oude structuren weer de dienst te laten uitmaken waardoor de vernieuwingsdrang beperkt bleek. De RKSP kreeg wel een nieuwe naam: De Katholieke Volkspartij (KVP).

 

De ARP en CHU keerden onder hun eigen naam terug. Binnen de SDAP omarmde men wel de denkbeelden van de Nederlandse Volksbeweging. In 1946 kwam het tot de oprichting van de Partij van de Arbeid (PvdA). Hierin werkten sociaaldemocraten (SDAP), progressieve liberalen (VDB) en vooruitstrevende christendemocraten uit de Christelijk Democratische-Unie (CDU) samen in de geest van de doorbraakgedachte. 

Daarbij lag de nadruk op persoonlijke verantwoordelijkheid en inzet voor de gemeenschap in plaats van de opvatting dat de staat voor alles diende te zorgen. De vooruitstrevende liberalen bleken zich er niet thuis te voelen en werden medeoprichters van de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD).

Koningin Wilhelmina zag haar rol dusdanig ingeperkt dat ze in 1948 besloot afstand te doen van de troon ten gunste van haar dochter Juliana. 

Zie verder hoofdstuk 5 Havo Hoofdstuk 5 Partijvorming, democratie en rechtsstaat na 1950