We hebben 224 gasten online

Havo Hoofdstuk 5 Partijvorming, democratie en rechtsstaat na 1950

Gepost in Samenvatting 2e druk Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland Havo

Deelvraag:

Welke factoren hebben invloed gehad op het proces van partijvorming, democratisering en de versterking van de rechtsstaat na 1950?

5.1 De samenleving verandert

Ondanks dat de doorbraakgedachte niet gelukt was gingen de confessionele en sociaaldemocratische partijen wel samenwerken. Deze samenwerking noemen we de rooms-rode coalitie en stond onder leiding van minister-president Willem Drees. Onder diens leiding werd de verzorgingsstaat opgebouwd en de sociale zekerheid uitgebreid. Belangrijkste wet was de Algemene Ouderdomswet (AOW). 

Toch ontstonden er tussen de partijen meningsverschillen over de vraag of de invloed van de overheid niet te snel toenam. Waarbij de PvdA voor een sterke overheid was. In 1958 kwam er een einde aan de rooms-rode samenwerking. Door de toenemende welvaart vond er steeds meer een ontkerkelijking plaats waardoor er sprake was van ontzuiling. De invloed van de zuilen nam af en de komst van de T.V. versnelde dat ook nog. Er kwamen steeds meer zwevende kiezers en er ontstond ruimte voor nieuwe partijen en voor meer invloed van burgers op de besluitvorming, de zogeheten 'participatiedemocratie'. Voorbeeld daarvan zijn de oprichting van medezeggenschapsraden en ondernemingsraden. In 1957  ontstond de PSP (Pacifistisch Socialistische Partij) een concurrent van de PvdA. De PSP streefde naar ontwapening en was een fel tegenstander van het atoomwapen.

Ook werd in 1966 de partij Democraten 66 opgericht. Deze partij streefde naar participatiedemocratie en wilde een nieuwe doorbraak forceren die zou leiden tot één progressief en één conservatief blok. Was voorstander van een gekozen burgemeester en minister-president. Wilde het stelsel van evenredige vertegenwoordiging vervangen door een districtenstelsel.

5.2 Polarisatie en deconfessionalisering

memo hfst 5 afb 14

De nacht van Schmelzer

memo hfst 5 afb 11

De val van het kabinet Cals in 1966 was een bijzondere gebeurtenis. Dit kabinet was eigenlijk opnieuw een rooms-rode samenwerking, aangevuld met enige ministers uit de ARP. Minister-President Cals kwam uit de linkervleugel van de KVP. Cals was ambitieus en voerde de overheidsuitgaven op. Fractievoorzitter van de KVP, Norbert Schmelzer, was het daarmee niet eens en diende een motie hiertegen in. Cals zag dit als een aanval op zijn kabinet (motie van wantrouwen) en inderdaad was het nog nooit voorgekomen dat een regeringspartij, die het kabinet steun had toegezegd, zich zo uitsprak. De motie was eigenlijk gericht tegen de PvdA, de minister van Financiën was een PvdA-er Anne Vondeling. Cals besloot het ontslag van zijn regering in te dienen. Dit is de parlementaire geschiedenis in gegaan als 'de nacht van Schmelzer'. 

Het was ook het begin van de polarisatie in de politiek. Er ontstonden fellere tegenstellingen tussen de partijen. Toppunt ervan was de anti-KVP-resolutie van 1969 waarin het PvdA congres zich uitsprak tegen samenwerking met de KVP. Vooruitstrevende christenen uit de KVP en ARP richtten in 1968 de PPR (Politieke Partij Radicalen) op. 

Ontzuiling en deconfessionalisering leidde in de jaren zeventig tot een snelle achteruitgang van de aanhang van de christelijke partijen.  Deze besloten hun krachten te bundelen en dit leidde in 1980 tot de oprichting van het CDA (Christen Democratisch Appel). Een kleine groep protestanten kon zich dar niet in vinden en richtte de RPF (Reformatorisch Politieke Federatie) op. Deze partij vormde in 2001 samen met de GPV de ChristenUnie, een partij die staat voor een christelijk sociaal beleid.

drie cda koningen

De linkse partijen CPN, PSP en PPR vormden samen in 1989 Groen Links, een progressieve partij met veel aandacht voor het milieu. 

groen links

5.3 Consensus en nieuwe tegenstellingen

 In de jaren tachtig was er ruimte ontstaan voor consensuspolitiek. dat hield in dat de polarisatie afnam en gezocht werd naar samenwerking. Voorbeeld daarvan was de samenwerking tussen CDA en PvdA in het derde kabinet Lubbers en de samenwerking in de paarse coalities tussen PvdA, VVD en D66. De Socialistische Partij deed in 1994 voor het eerst mee met de parlementsverkiezingen en werd een grote concurrent van de PvdA.

 sp

Een nieuw fenomeen was Pim Fortuyn, die in 2002 meedeed met een eigen lijst LPF (Lijst Pim Fortuyn) aan de verkiezingen. In plaats van consensus koos hij voor polarisatie. Een week voor de verkiezingen werd hij echter vermoord. Toch werd zijn partij de tweede van het land. Door onderlinge ruzies viel echter de regering en van de partij bleef weinig meer over. 

Ook werd de polarisatie verder aangewakkerd door Geert Wilders. Hij trad uit de VVD en richtte in 2005 de PVV (Partij voor de Vrijheid) op. De al eerder door Fortuyn uitgesproken kritiek op de Islam werd door deze partij overgenomen en kenmerkt zich vooral door kritiek op de multiculturele samenleving en de Europese Unie.

Door de televisie werd de persoon van de 'lijsttrekker' steeds belangrijker en werd politiek steeds meer een zaak van personen dan van partijen. 

5.4 Een kwetsbare monarchie

Tijdens het koningschap van Juliana bleek hoe kwetsbaar de monarchie was. Het was de minister-president die echter politiek verantwoordelijk was en dat bleek niet altijd even makkelijk. Beatrix volgde Juliana in 1980 op maar ook tijdens haar periode bleek de monarchie kwetsbaar zoals bleek toen Willem-Alexander wilde trouwen met Méxima Zorregeta. De vader van Maxima was omstreden vanwege zijn ministerschap in de regering van dictator Videla.

Door de kwetsbaarheid van de monarchie kwam telkens de vraag op of het juist is dat de koning deel uitmaakt van de regering. Past het koningschap in deze vorm nog wel in een moderne democratie? Zouden we niet moeten kiezen voor een ceremonieel koningschap? Bij dit koningschap speelt de koning geen rol meer bij de kabinetsformatie en maakt geen deel meer uit van de regering. Hoewel al in 1967 door een staatscommissie Cals-Donner werd geadviseerd om een gekozen kabinetsformateur te benoemen haalde een wetsvoorstel om dit te regelen het niet in 1971. Pas in 2012 werd op voorstel van een meerderheid van de Tweede Kamer het Reglement van Orde bij de kabinetsformatie aangepast. Bij de totstandkoming van Rutte II in 2012 voerde de Tweede Kamer voor het eerst zelf de regie. Maar de koning maakt nog steeds deel uit van de regering.

 5.5 Europese samenwerking

De opkomst van de supermachten VS en SU maakte duidelijk dat er alleen voor een verenigd Europa een rol als derde macht mogelijk zou zijn. In 1948 werd in Den Haag de Europese beweging gesticht die er in 1949 toe leidde dat de Raad van Europa werd opgericht. Daarnaast wilde de VS dat de Organisatie voor Europese Economische samenwerking werd opgericht om de verdeling van de Marshallhulp te bevorderen.

eu 25

In 1951 werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht voor het supranationale toezicht op het gebruik van grondstoffen die belangrijk zijn bij oorlogvoering. In 1957 werd dit uitgebreid tot de Europese Economische Gemeenschap. Er kwam een gemeenschappelijke markt en een gezamenlijk economisch beleid. In 1991 kwam door het verdrag van Maastricht de Europese Unie tot stand. Naast economische samenwerking gingen de lidstaten streven naar politieke integratie en werd er besloten tot het invoeren van een gemeenschappelijke munt, de euro. De invloed van de Europese besluitvorming en wetgeving neemt steeds meer toe. De Europese wetgeving gaat boven nationale wetgeving. Soms lijkt het er op dat de Europese burger te weinig invloed heeft op deze Europese besluiten. Dat komt ook doordat het Europese Parlement nog te weinig wetgevende en controlerende bevoegdheden heeft en de nationale parlementen de genomen besluiten niet meer kunnen terugdraaien. Met de Europese integratie nam de democratische controle op de besluitvorming dus af. Om daaraan tegemoet te komen kwamen de Europese regeringsleiders met het voorstel voor een Europese grondwet. De Nederlandse bevolking wees echter die grondwet in een gehouden referendum af. De Europese landen hebben daarom in juni 2007 besloten om een aangepast verdrag in te voeren in plaats van de beoogde grondwet.Echter niet alles wordt in Brussel bepaald. In de EU geldt het beginsel van subsidiariteit, dat wil zeggen dat Europa zich niet mag bemoeien met zaken die beter nationaal, provinciaal of lokaal geregeld kunnen worden.

5.6 De rechtsstaat na 1950 

De grondwet van 1848 bevatte de klassieke grondrechten die burgers vrijheid bood ten opzichte van de overheid. Maar door de invloed van de industrialisatie klonk steeds meer de roep om sociale wetgeving. Deze kwamen eind negentiende eeuw tot stand. Toen de PvdA na de Tweede Wereldoorlog in de regering kwam werd onder leiding van Willem Drees verder gewerkt aan de opbouw van de verzorgingsstaat. Deze was door de toegenomen welvaart betaalbaar. In de grondwet van 1983 werden de sociale grondrechten vastgelegd zoals de verplichting van de overheid  om te zorgen voor werkgelegenheid, bestaanszekerheid, spreiding van welvaart en een schoon milieu. Vanaf 1983 spreken we van een sociale rechtsstaat. Ook werden de klassieke grondrechten opnieuw geformuleerd. Het belangrijkste artikel is artikel 1: het discriminatieverbod. Daarnaast werd de vrijheid van godsdienst uitgebreid met de vrijheid van levensovertuiging. Nieuw was het recht op betoging. Tevens werd het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer vastgelegd. 

Ook werd de rechtsbescherming van de burger verbeterd. Sinds 1976 bestaat de mogelijkheid om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in beroep te gaan tegen elke overheidsbeslissing. We noemen dit administratieve rechtsspraak of bestuursrechtspraak. In 1994 is geregeld dat men eerst in beroep moet gaan bij een rechtbank en daarna mag men in hoger beroep gaan bij de Raad van State.

Daarnaast kan elke burger sinds 1982 terecht bij de Nationale Ombudsman. Deze wordt benoemd door de Tweede Kamer voor een termijn van zes jaar. De overheid is echter niet verplicht om gevolgen te verbinden aan zijn uitspraken. Verstandig is dat natuurlijk wel.

5.7 De tweede feministische golf

 Vrouwen hadden ondanks de politieke gelijkstelling op veel terreinen een achtergestelde positie. De vrouw bleef ondergeschikt aan de man en het duurde zelfs tot 1956 dat de handelingsonbekwaamheid van de vrouw werd afgeschaft. Voortaan mochten vrouwen een contract ondertekenen en een eigen bankrekening openen.

Maar pas in de tweede helft van de jaren zestig leefde de strijd voor gelijke rechten voor vrouwen weer op. Vrouwen kregen een andere rol, door hun betere opleiding en de komst van huishoudelijke apparaten en de komst van de anticonceptiepil. In 1980 nam het parlement 'de wet gelijke behandeling' aan. Dit werd nog eens bevestigd in artikel 1 van de grondwet van 1983. 

5.8 Internationale samenwerking en rechtsstaat.

Internationaal werden na de Tweede Wereldoorlog afspraken gemaakt door de oprichting van de Verenigde Naties en de Raad van Europa. De Universele verklaring van de rechten van de Mens werd op 10 december 1948 door de leden van de VN aangenomen. Internationale verdragen staan boven de nationale wetten. 

In 1976 werd het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten' van kracht. In dat verdrag worden de gelijke rechten van mannen en vrouwen vastgelegd, maar ook zaken als een verbod op slavernij, een verbod op folteringen, bescherming va vreemdelingen en recht op vrije meningsuiting. 

Op Europees niveau geldt ook het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden. Dat betekent bijvoorbeeld dat de rechtelijke macht in Nederland alle wetgeving en bestuur aan de EVRM moet toetsen. Als de rechten worden geschaad kan men bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg in beroep gaan.

 

 Dit was het laatste deel van de Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland. Feniks geschiedenis van de tweede fase.