We hebben 247 gasten online

VWO Hoofdstuk 1 Het denken over staat en onderdanen

Gepost in Samenvatting 2e druk Geschiedenis van de democratische rechtsstaat in Nederland VWO

We the People

Deelvraag: Wie waren in het verleden de belangrijkste denkers over de verhouding tussen staat en onderdanen en wat waren hun opvattingen?

1.1 De wortels van de democratie

 Die zijn te vinden in de Klassieke Oudheid in Griekenland. Dat land bestond ui stadstaten waarbij Athene een van de grootste was. Het woord politiek is afgeleid van het Griekse  woord stadstaat:polis. In de vijfde eeuw voor Christus ontstond voor het eerst in Athene een systeem waarbij burgers invloed kregen op het bestuur.

Democratie kon alleen doordat vrijwel alle Atheense mannen konden lezen en schrijven. Democratie betekent het volk regeert. Maar niet alle inwoners van Athene hadden echter burgerrecht.Dat was voorbehouden aan alle vrije manen van achttien jaar en ouder. Athene kende dus een directe democratie. In de praktijk had ongeveer 15% van de inwoners van Athene het burgerrecht.

Omstreeks 500 voor Chr. kam de bevolking van Rome in opstand tegen de koning. Het bestuur stond nu onder de leiding van jaarlijks gekozen consuls. Men sprak over Res Publica daarmee uitdrukkend dat het bestuur een gemeenschappelijke zaak was. De macht was echter in handen van de Senaat, die bestond uit de rijkste Romeinse families. Rome was ten tijde van de republiek dus een oligarchie, een regering van een kleine groep rijken.

1.2 Staatsvorming in de Middeleeuwen

De ondergang van het West-Romeinse Rijk leidde tot de stichting van een koninkrijk der Franken in het voormalige Gallië.  Deze probeerden de bevolking aan zich te binden door de instelling van het leenstelsel, ook wel feodalisme genoemd. In de praktijk had dit stelsel het nadeel dat leenmannen ontrouw bleken en de leen als hun eigen gebied gingen beschouwen. Vaak ontstonden daar conflicten over. Een voorbeeld daarvan is het feit dat de Engelse koning uiteindelijk akkoord moest gaan en in 1215 gedwongen werd de Magna Carta te ondertekenen, waarbij de koning voor het eerst gebonden was aan op schrift vastgelegde afspraken. 

In de late Middeleeuwen echter streefden de koningen naar centralisatie om zo de macht te vergroten ten koste van de adel (Franse koning Lodewijk XI). Door belastingen op te leggen aan de steden en door geld te lenen kon men een ambtenarenapparaat opbouwen en een huurleger betalen. Bourgondië en het Habsburgse Rijk volgden het voorbeeld van de Franse koning. Dat riep natuurlijk verzet op en zo ontstond er in Bourgondië in 1464 een Staten-Generaal, een vergadering van vertegenwoordigers van de Bourgondische gewesten. Daar werd een beroep gedaan op de bestaande privileges, voorrechten die waren vastgelegd in charters.

Vooral tijdens economische crisis verzette men zich tegen de machtsuitbreiding van de vorst. Tijdens de Renaissance verschenen de eerste politieke geschriften over de machtsverhouding tussen de staat en zijn onderdanen. Door de boekdrukkunst werden die ideeën verder verspreid. 

1.3 Machiavelli over de macht van de vorst

Machiavelli

Het bekendste boek van Machiavelli was de Heerser (Il Principe). Zijn denkbeelden werden beïnvloed door het humanisme. Door de corruptie in Italië was het volgens hem nodig dat er een krachtige alleenheerser de macht zou uitoefenen. We noemen dat 'machiavellisme'. Het motto was daarbij: het doel heiligt de middelen. Onder ongewone omstandigheden moest een heerser zonder gewetensbezwaren te werk gaan. Vuile handen maken dus.

1.4 Hobbes over de sterke staat

 In de zestiende en zeventiende eeuw streefde vorsten naar centralisatie, dus nam de macht van de adel af. Zowel in de Nederlanden, strijd tegen Filips II, als in Engeland, de adel maakte daar de dienst uit in het parlement, was men voortdurend in strijd met de koning.

leviathan

 De eerste grote Engelse filosoof Hobbes ( 1588-1679) leefde in een tijd waarin Engeland getroffen werd door burgeroorlogen. Zijn denkbeelden stonden in het teken van angst voor burgeroorlogen en anarchie. In zijn belangrijkste boek Leviathan pleit hij dan ook voor een sterk en effectief gezag. Uit zelfbehoud moesten mensen keuzes maken en bereid zijn een oplossing te zoeken voor de voortdurende wedijver. Hij pleitte voor de oplossing van een sociaal contract. Hierbij zouden mensen hun vrijheid opgeven en kwam men overeen dat het onbeperkte recht op zelfverdediging overgedragen werd aan de Leviathan, een absoluut vorst of soeverein. Het gaat hier om een contract tussen individuen en niet om een contract tussen volk en vorst. De soeverein hoeft echter niet langer te worden gehoorzaamd als hij verslagen wordt en zijn gezag verloren heeft.

1.5 Locke over de grondrechten

John Locke vluchtte in 1660 naar Nederland na een mislukte opstand tegen de koning. Na de 'Glorius Revolution' in 1688, waarbij Willem III koning van Engeland werd, was er al snel opnieuw sprake van een vorstelijk streven naar absolutisme en opnieuw verzette het parlement zich daartegen.

john locke

 In zijn belangrijkste werk, Two treatises on Government (1689), werkte de arts John Locke het natuurrrecht uit tot een theorie die actief verzet tegen de koning mogelijk maakt. Dit in tegenstelling tot Hobbes die in het natuurrecht een rechtvaardiging zag van autoritair gezag.

Locke hield zich bezig met de vraag aan wie de macht op aarde toekwam. Er is een natuurwet, door God ingesteld, die inhoudt dat iedereen zichzelf in stand moet houden, en ervoor kan zorgen dat de gehele mensheid kan voortbestaan. Iedereen heeft volgens de natuurwet 'natuurlijke rechten', ofwel grondrechten zoals het recht op leven, vrijheid en bezit.

Hobbes vind juist dat de oorspronkelijke macht zou moeten worden overgedragen aan de vorst of aan een andere soevereine macht. Locke stelt dat de oorspronkelijke macht niet wordt overgedragen, maar voorlopig wordt toevertrouwd aan de soeverein. De relatie tussen regering en onderdanen berust op wederzijds vertrouwen. De koning verbindt zich door middel van een dubbele eed tot het in acht nemen van de wet. Als het vertrouwen wordt geschonden door de koning of het parlement dan kan het volk het recht terugnemen om zelf als hoogste macht op te treden.

Locke komt dus op basis van het natuurrecht tot de conclusie dat actief verzet tegen het politieke gezag gerechtvaardigd kan zijn. Het recht op verzet komt iedereen toe, althans als een meerderheid daarmee instemt.

Locke was geen voorstander van algemeen kiesrecht. Met zijn opvattingen over grondrechten, de fundering van het overheidsgezag en verdraagzaamheid is hij de inspiratiebron geworden van het latere liberalisme.

 1.6 Montesquieu over de scheiding der machten

 Bij de monarchie van de achttiende eeuw lag zowel de wetgevende als de uitvoerende macht bij de koning. In despotische regiems was ook de rechtelijke macht nog in handen van de heerser. Deze beriep zich daarbij op het 'Droit divin', het goddelijk recht dat hij had op zijn machtspositie. De Franse verlichtingsfilosofen uit de achttiende eeuw, zoals Montesquieu en Rousseau, uitten hun bezwaren over dit absolutisme in politieke geschriften.

montesqiueu

Charles Louis de Secundat (1698-1755) erfde de titel baron de Montesquieu en het ambt van president van het parlement van Bordeaux. Montesquieu beschrijft in zijn belangrijkste werk ' Over de geesten van de wetten' (1748), dat regeringsvormen niet los te zien zijn van maatschappijvormen. In zijn boek onderscheidt hij drie regeringsvormen. De eerste vorm is de republiek, dit was ofwel een democratie (regering door het volk) ofwel een aristocratie, regering door een deel van het volk. De tweede vorm is de monarchie een alleenheerschappij gebaseerd op willekeur. Despotie vindt hij een slechte regeringsvorm. Hij geeft de voorkeur aan de monarchie, ook al loopt die voortdurend gevaar af te glijden naar despotisme. Om dit gevaar te keren is machtenscheiding nodig. Zijn voorbeeld daarbij is The Glorius Revolution. Het uitgangspunt van Montesquieu is dat macht corrupt maakt.

In tegenstelling tot het absolutisme moet men de staatsmacht verdelen over drie lichamen, de trias politica: de uitvoerende macht, de wetgevende macht en de uitvoerende macht. Naast machtenscheiding is ook een zeker evenwicht tussen de drie machten van belang. Een denkbeeld dat later is uitgewerkt in de Amerikaanse grondwet. Montesquieu was daarom voorstander van een tweekamerstelsel. Alleen afgevaardigden in een vertegenwoordigend lichaam zijn in staat om over publieke zaken te debatteren. Het volk was naar zijn mening daar niet geschikt voor.

1.7 Rousseau over de volkssoevereiniteit

rousseau

Rousseau (1712-1778) is de meest omstreden denker van de Franse verlichting. Hij was in vergelijking met andere filosofen van betrekkelijk eenvoudige afkomst. Het belangrijkste werk van Rousseau is 'Het maatschappelijk verdrag'.

Waar Hobbes van mening was dat vrijheid gepaard ging met anarchie, die allen bestreden kon worden door de instelling van een absoluut en ongedeeld gezag, stelt Rousseau dat er een maatschappelijk contract mogelijk is, dat niet ten koste hoeft te gaan van de vrijheid. Door de vrijheid van de natuurtoestand in te ruilen voor de vrijheid vaneen politieke samenleving, kan men een hogere vorm van vrijheid verwerven. Dit is allen mogelijk door volkssoevereiniteit, het aan allen in gelijke mate toekennen van het hoogste gezag.

Rousseau is een voorstander van de directe democratie, waarbij een volksvergadering beslist over wetgeving. Waar dit niet mogelijk is, is vertegenwoordiging onvermijdelijk, maar dan moet het volk wel zo direct mogelijk invloed uitoefenen door middel van last en ruggespraak. Hoewel hij een directe vorm van democratie voorstaat, is hij gematigd in zijn denken omdat hij voorstander is van een scheiding van de machten en een bestuur van de besten propageert.

In plaats van het eigen recht komt door het maatschappelijk verdrag de wet, die door allen is ingesteld en voor iedereen geldt.

Rousseau over het maatschappelijk contract

Het ideale contract houdt in dat de individuele burgers zich allemaal op gelijke wijze verenigen in wat Rousseau noemt de 'volonté géneral'(de algemene wil). De soevereiniteit, de hoogste wetgevende macht, is niets minder dan een uitoefening van de algemene wil. Het hoogste gezag hoort dus bij het volk als geheel te liggen en kan niet worden overgedragen aan een enkeling of groep, zoals Hobbes vindt. De algemene wil houdt in dat er een algemeen belang geldt, waaraan iedereen zich volledig ondergeschikt maakt. Wetgeving die slechts door een deel van het volk of door een enkeling wordt uitgevaardigd, is geen legitieme wetgeving. Om de algemene wil mogelijk te maken moet men waken voor partijen. De algemene wil moet zo direct mogelijk en steeds opnieuw uitgedrukt worden. Een stilzwijgende instemming van het volk, zoals bij Locke, wijst Rousseau absoluut af.

1.8 Smith over de economische vrijheid

De industriële revolutie begon in Engeland en Schotland in de tweede helft van de achttiende eeuw. Vooral de uitvinding van de stoommachine zorgde voor een verandering van de productiewijze. Voor de grootschalige productie was er behoefte aan een afzetmarkt.

adam smith

Het boek van de Schotse econoom Adam Smith (1723-1790) 'Inquiry into the Nature and the causes of the Wealth of Nations (Onderzoek naar de aard en de oorzaken van de rijkdom van de naties, 1776) is een pleidooi voor het afschaffen van handelsbeperkingen en voor een zo groot mogelijke economische vrijheid. Het verwerpt het mercantilisme, dat zijn hoogtijdagen beleefde in de periode van het absolutisme in Frankrijk. Volgens Smith is de primaire bron van rijkdom de arbeid.

Voor productiviteitsverbetering is het belangrijkste middel arbeidsverdeling. Tegelijkertijd moet gestreefd worden naar een zo groot mogelijk omvang van de markt. Daarvoor is vrijhandel noodzakelijk. Eigenbelang, vooral geldelijk gewin is de voornaamste drijfkracht bij het economisch handelen. Indien iedereen zijn eigenbelang nastreeft, zorgt een 'onzichtbare hand' voor het algemeen belang.

De staat dient zich te beperken tot vier taken:

  • bescherming tegen buitenlandse vijanden;
  • handhaving van de rechtsorde;
  • het uitvoeren van de publieke werken;
  • het opleggen van belastingen..

De ideeën van Adam Smith zijn door de liberalen in de negentiende eeuw overgenomen en terug te vinden in de nachtwakersstaat.

1.9 Marx over de klasseloze maatschappij

marxisme

Karl Marx (1818-1883) zag met eigen ogen de schadelijke gevolgen van de industrialisatie in samenhang met het economisch liberalisme. Arbeiders leefden onder erbarmelijke omstandigheden. Hun arbeidsomstandigheden waren meestal bedroevend slecht. Dat gold ook voor hun rechtspositie.

Samen met Friederich Engels schreef hij in 1848 het Communistisch Manifest. Zijn hoofdwerk is Das Kapital (1867).

Het uitgangspunt van het denken van Marx is de theorie van het historisch materialisme. Hij verklaart dat alle geestelijke uitingen van de mens, zoals politiek, godsdienst en wetenschap, een weerspiegeling zijn van de bestaande materiële verhoudingen. De bezitters van materie bepalen dus hoe in iedere samenleving de staat is georganiseerd.

marx

In de negentiende eeuw bepaalde het economisch liberalisme steeds meer hoe de samenleving er uit zag. Daarvan werden de arbeiders het slachtoffer. Volgens Marx is het een wetenschappelijke wetmatigheid dat iedere historische fase leidt tot opstand van de onderdrukte klasse, de crisis. Het internationale kapitalisme zal een wereldwijd revolutie van het proletariaat veroorzaken, die de arbeidersklasse aan de macht zal brengen. Na deze revolutie vindt er een verdeling plaats onder de bezitlozen. Omdat dit niet vrijwillig zal gaan, is een een overgangsfase nodig waarin het proletariaat tijdelijk aan de macht is. Nadat het bezit eerlijk is verdeeld komt de eindfase, een klasseloze maatschappij. Omdat er geen onderdrukking meer is kan de staat worden afgeschaft.

Aan het einde van de negentiende eeuw kwam het binnen de marxistische stroming tot een tweedeling. De communisten hielden vast aan het tot stand brengen van de revolutie en de sociaal-democraten streefden naar de klasseloze maatschappij via parlementaire actie.

Zie verder hoofdstuk 2 VWO Hoofdstuk 2 Verlichting en revolutie, 1780-1814