We hebben 112 gasten online

Samenvatting Thema Feniks Hfst 1 Havo Made in China

Gepost in Thema's

Hfst 1 Havo Made in China

De keizer aan het hoofd, de boer aan de basis

China in de achttiende eeuw

feniks thema china Havokrijger

Oriëntatie

Met de opkomst van de Europese scheepvaart in de late Middeleeuwen begon de eerste stap naar overheersing van overzeese volken. De handel in exotische producten brachten de Europese kooplieden veel winst.

In de 18e eeuw, onder invloed van de Industriële Revolutie, gingen Europese fabriekanten en handelaren in Afrika en Azië op zoek naar goedkope grondstoffen en naar afzetmarkten voor hun producten. Het was de tijd van het moderne imperialisme.

Volkeren stonden machteloos en het enige wat ze konden ondernemen, als ze hun zelfstandigheid wilden behouden, was zelf moderniseren.

Dit hoofdstuk behandeld de vraag hoe China op de confrontatie met het Westen reageerde en hoe het land sinds de achttiende eeuw heeft geprobeerd een moderne industrie op te bouwen.

Op het moment dat de confrontatie plaatsvond, was het Chinese keizerrijk, dat sinds 1644 werd overheerst door de Mantsjoes, zowel cultureel als militair de belangrijkste mogendheid van Oost-Azië.

De komst van de westerlingen leek aanvankelijk een onbelangrijke gebeurtenis. Om binnenlandse problemen te voorkomen hield men de westerlingen in hun handelsposten aan de grenzen van het Chinese Rijk. Maar in de 19e eeuw lukte dat niet meer. In 1839 werd China gedwongen zich open te stellen. De westerlingen vestigden hun handelsposten langs de Chinese oostkust.

Grootschalige hervormingen bleven echter uit. Als gevolg daarvan leed China tot 1900 de ene nederlaag na de andere tegen de westerse imperialistische mogendheden en zelfs in 1895 tegen Japan. Steeds grotere gebieden kwamen in buitenlandse handen. Het was in deze gebieden dat de eerste moderne Chinese industrie opkwam.

chinese revolutie

Onder de Chinese bevolking leidde het buitenlandse imperialisme tot een sterke nationalistische reactie. Na de val van het keizerrijk en de stichting van de Chinese republiek in 1912, streefden alle partijen er naar om van China een moderne zelfstandige natie te maken. Maar warlords, Chinese generaals, probeerden dat tegen te gaan. Ook ontstond er een strijd tussen nationalisten en communisten en had China erg te lijden onder de agressie van Japan tussen 1937 en 1945.

Na de stichting van de Chinese Volksrepubliek in 1949 bouwde China onder leiding van Mao Zedong aan een socialistische samenleving. Daarbij liet hij echter ideologie prevaleren boven een gezonde economie. Dat leidde ertoe dat de ontwikkeling van de industrie stagneerde.

Na de dood van Mao Zedong in 1976 richtte China zich aan het einde van de jaren zeventig op de ontwikkeling van de economie. Ideologische doelstellingen kwamen voortaan op de tweede plaats onder de leiding van Deng Xiaoping. De bevolking kreeg geleidelijk meer economische vrijheid en dat leidde tot economisch succes. In de loop van de jaren tachtig ontstonden er honderdduizenden kleine bedrijven. Een keerzijde was dat de grotere welvaart leidde tot corruptie en steeds grotere tegenstellingen tussen rijk en arm. Opstanden en felle discussies op het hoogste politieke niveau waren het gevolg.

Hoofdvraag en deelvragen

In dit katern komt aan de orde hoe de traditionele Chinese nijverheid plaatsmaakte voor de moderne industrie. Er wordt een beeld geschetst van de belangrijkste internationale en binnenlandse ontwikkelingen van de laatste tweehonderd jaar en welk effect dit heeft gehad op de Chinese samenleving en economie.

Hoofdvraag:

Hoe komt het dat de industrialisatie van China pas aan het einde van de twintigste eeuw op gang is gekomen?

Deelvragen:

1) Hoe zag de achttiende-eeuwse Chinese samenleving eruit en hoe functioneerde de economie?

2) Hoe kon het dat China in de negentiende eeuw niet tot modernisering overging?

3) Wat belemmerde de modernisering van China in de eerste helft van de twintigste eeuw?

4) Leverde Mao Zedong een belangrijke bijdrage aan de opbouw van een modern en zelfstandig China?

5) Wat waren de oorzaken en gevolgen van de industrialisatie in de periode na Mao Zedong?

Hoofdstuk 1

Deelvraag: 1) Hoe zag de achttiende-eeuwse Chinese samenleving eruit en hoe functioneerde de economie?

Inleiding:

ming china

De Mantsjoes, een ruitervolk uit het gebeid ten noordoosten van China vestigden in 1644 hun heerschappij over het Chinese Rijk. Ze noemden hun dynastie Quing, 'de Zuivere'. Aanvankelijk verzetten de Chinezen zich, maar omdat de Mantsjoes de Chinese traditie overnamen en het rijksgebied uitbreidden, werd hun heerschappij voor de Chinezen aanvaardbaar.

Manchurian empire

De regeerperiode van keizer Kangxi (1662-1722) en keizer Qianlong (1736-1795) geldt als een bloeitijd van het oude China.

De Chinezen beschouwden hun rijk als het middelpunt van de wereld. Ze onderhielden contacten met buitenlandse mogendheden, onder andere met de 'duivels van over zee', zoals ze de westerlingen noemden die sinds 1600 aan de Chinese zuidkust verschenen om handel te drijven en hun geloof te verbeiden. De westerse handel speelde echter nauwelijks een rol in de binnenlandse economie.

Het belang van dit onderwerp:

In onze geïndustrialiseerde wereld zorgen communicatiemiddelen ervoor dat afstanden en verschillen steeds kleiner worden. Ook producten worden tegenwoordig sneller uitgewisseld. Dit noemt men mondialisering of globalisering. Hierdoor lijken verschillen en tegenstellingen tussen culturen en landen soms naar de achtergrond te schuiven. Maar veel volken hebben er toch behoefte aan terug te kunnen grijpen naar de eigen tradities. Dat geldt zeker voor een land als China met zijn glorierijk verleden. Maar wat waren de kenmerken van het traditionele China? En hoe functioneerde in de periode van de mondialisering de Chinese economie.

1.1 De Zoon des Hemels

De traditionele Chinese samenleving kende een strakke hiërarchie. Dit gold voor de familie, maar ook voor de samenleving als geheel. De mindere diende gehoorzaam te zijn aan zijn meerdere.

De denkbeelden over de maatschappelijke orde waren oeroud. Ze vormden de kern van het Confucianisme. Goed bestuur, zo geloofden de Confucianisten, diende gebaseerd te zijn op morele superioriteit, niet op dwang.

In het Confucianisme draaide alles om de ordening van de samenleving en de rol die het individu daarin diende te vervullen. De aandacht ging daarbij in de eerste plaats uit naar de keizer, die werd beschouwd als de spil van het wereldgebeuren. Zijn positie werd vergeleken met die van de Hemel. Hij was, zo geloofden de Confucianisten, door Hemel aangewezen om de wereld te besturen. Hij regeerde met het Mandaat (in opdracht) van Hemel. Het voorbeeld dat de keizer gaf zou iedereen in het rijk navolgen. Het was zijn verantwoordelijkheid om de uit de Oudheid overgeleverde offerrituelen met gepaste eerbied en aandacht op te voeren en droeg daartoe bij dat er orde en voorspoed in de wereld zou heersen. Op deze manier werd de wereld 'als vanzelf' geordend.

Confucius had de positie van de keizer vergeleken met die van de Poolster: net zoals de Poolster stil aan de hemel staat en alle sterren om haar heen draaien, stond de heerser van het Chinese rijk stil in het middelpunt van het wereldgebeuren, daarom moest iedereen hem dienen.

Als de keizer de oude rituelen precies navolgde, dan heersten er vrede en voorspoed in de wereld. Schoot hij hierin tekort, dan wekte dat de woede van Hemel op. Dat uitte zich in natuurrampen en verstoringen in de loop van de sterren en planeten. Wanneer dat gebeurde dan wezen zijn raadgevers erop dat hij het mandaat van Hemel dreigde te verliezen.

1.2 De Mandarijnen

In de traditionele Chinese samenleving bestond er een scherpe tegenstelling tussen de Mandarijnen (de ambtenaren die in naam van de keizer het land bestuurden) en de rest van de bevolking.

Tijdens de Qing-dynastie (1662-1795) telde het keizerrijk achttien provincies. Die waren weer onderverdeeld in prefecturen en die weer in districten. In de hoofdstad van elk district lag een Yamen, een door hoge muren omgeven gebouwencomplex met de kantoren van de magistraat (de mandarijn die het district bestuurde). Deze was o.a. verantwoordelijk voor de openbare orde. Daarbij werd hij geholpen door een plaatselijk legertje soldaten. De magistraat trad ook op als rechter. Vooral tegen de verstoring van de openbare orde werd streng opgetreden. mensen die een ernstiger vergrijp hadden gepleegd werden in het openbaar onthoofd.

De magistraat was verder verantwoordelijk voor

  • het innen van belastingen;
  • het onderhoud van de stadsmuren;
  • de land- en waterwegen en eventuele irrigatiewerken.

Het contact met de hoofdstad werd verzorgd door koeriers. Zij brachten hem de bevelen van de keizerlijke regering.

Een mandarijn genoot veel aanzien en door zijn voorname positie kon hij de belangen van zijn familie goed beschermen. Wie het zich kon veroorloven liet zijn zonen daarom studeren. Maar dat was lang en zwaar en men moest een reeks examens afleggen. Alleen degenen die voor de hoogste examens slaagden, konden op een aanstelling rekenen.

1.3 De Boeren

De Chinese economie was vrijwel zelfvoorzienend. Tachtig procent van de bevolking leefde en werkte als boer op het land. Naast katoen, dat belangrijk was voor de textielproductie, vormde graan het belangrijkste gewas. In het waterrijke zuiden werd vooral rijst verbouwd.

De landbouwtechnieken waren hoog ontwikkeld. De grond werd intensief bebouwd en voorzien van een ingewikkeld systeem van sluizen en irrigatiekanalen. Men gebruikte precies afgemeten hoeveelheden mest, gebruikte trekdieren, ingenieuze machines die door waterkracht werden aangedreven, maar het meeste werk werd door menskracht gedaan. De bevolking steeg daardoor sinds de zeventiende eeuw sterk.

De meeste landbouwgrond was eigendom van rijke boeren en pachtheren. deze vormden 10% van de bevolking en bezaten 75% van de landbouwgrond. Middelgrote boeren (30% van de boeren) bezaten voldoende om in hun levensonderhoud te voorzien. Arme boeren (25%) bezaten zo weinig grond, dat zij land moesten pachten. de overige boeren werkten als landarbeider voor een hongerloon in dienst van een grootgrondbezitter. De bevolking was groot, de akkers waren over het algemeen klein en alle beschikbare grond werd gebruikt.

Alle boeren moesten jaarlijks belasting betalen in de vorm van zilver en leefden in dorpen temidden van de akkers. Het contact tussen de magistraat en het dorp verliep via de dorpsoudsten. De meeste boeren leefden op het bestaansminimum waardoor ze extra kwetsbaar waren voor natuurrampen. Die natuurrampen waren echter het bewijs dat de keizer het Mandaat om te regeren verloren had.

1.4 Ambachtslieden en werkplaatsen

De boeren verkochten hun waren op de markt en kochten er gereedschappen van de Ambachtslieden. In en bij de steden lagen ook wijken met werkplaatsen, waar handwerkslieden werkten die hetzelfde beroep uitoefenden. Sommige van die werkplaatsen verschaften werk aan duizenden mensen. De eigenaren van de werkplaatsen bemoeiden zich meestal niet met de bedrijfsvoering. Dit lieten ze over aan een opzichter. De meeste werkplaatsen stonden op een plek waar een bepaalde grondstof voorhanden was.

1.5 De handelaren

Het rijkst waren de zouthandelaren. De handel in zout was het monopolie van de overheid. In steden vestigden de kooplieden een gildenhuis. Daar konden de kooplieden uit de provincie onderdak vinden en het geliefde eten uit hun eigen provincie krijgen. Via het netwerk van handelaren hadden ze toegang tot de plaatselijke markt. Het geld dat ze verdienden investeerden ze in hun handel en gebruikten ze om leningen te verstrekken. En om grond aan te kopen. Dat was de veiligste investering. Grond kon namelijk altijd verkocht worden. Rijke kooplieden probeerden de levensstijl van de mandarijnen te imiteren, maar hun maatschappelijke status en invloed kon die van de mandarijnen echter niet overtreffen. Werkelijk aanzien had iemand alleen als hij een ambt in dienst van de keizer bekleedde.

1.6 Het Rijk van het Midden

Volgens de Chinezen vormde hun rijk het beschaafde middelpunt van de wereld. Ze noemden hun land het 'Rijk van het Midden'.

Net zoals de mandarijnen zich verheven voelden boven het volk, voelden de Chinezen zich verheven boven alle niet-Chinezen. De Chinezen maakten een onderscheid tussen 'rauwe' en 'gekookte' barbaren, dat wil zeggen tussen volken die geen enkele verwantschap met de Chinese cultuur hadden, en volken die delen van de Chinese beschaving hadden overgenomen.

Het contact met de buurlanden stond onder streng toezicht van de mandarijnen en werd ingepast in het tribuutstelsel, een instelling die uit de Chinese oudheid dateerde. Het tribuut was een rituele belasting in de vorm van (kostbare) producten uit het gebied waarover de vreemde koning heerste. Door een gezant met tribuut naar het Chinese hof te sturen, liet een heerser blijken dat hij bereid was de opperheerschappij van de Chinese keizer te erkennen. De Ketou, de tribuutgezant, maakte 3 buigingen waarmee hij dat nog eens bevestigde.

De tribuutgeschenken bestonden uit kostbare regionale producten. In ruil voor het tribuut verleende China de tribuutstaten (militaire) assistentie wanneer dat nodig was. Bovendien mochten kooplieden een bepaalde hoeveelheid producten uit eigen land aan Chinese handelaren verkopen en een voorgeschreven hoeveelheid Chinese producten kopen. Het tribuutstelsel was dus een combinatie van diplomatie en handel. De belangrijkste tribuutstaat was Korea. Andere belangrijke tribuutstaten waren Japan, Mongolië, Tibet, Viétnam, Thailand en Birma.

Zie verder hoofdstuk 2 Samenvatting Thema Feniks Hfst 2 Havo Made in China