We hebben 484 gasten online

Samenvatting Thema Feniks Hfst 2 Havo Made in China

Gepost in Thema's

Hfst 2 HAVO Made in China

China en de 'duivels van over zee'

Een eeuw van vernederingen (1800-1900)

feniks thema china Havokrijger

Deelvraag 2: Hoe kon het dat China in de negentiende eeuw niet tot modernisering overging?

Inleiding

Al duizenden jaren brengt China producten voort, waar grote vraag naar is en was, vanuit binnen- en buitenland. Karavanen brachten die producten in de Middeleeuwen via de zogenaamde zijderoute naar het Middellandse Zeegebied. Aan het einde van de vijftiende eeuw ontdekte Vasca da Gama de zeeweg naar Azië en vestigden Europese handelaren handelsposten in Zuid-Chinese havens.

ming china

Na de Industriële revolutie werd het land voor Europese fabrikanten interessant als afzetgebied.

Dit hoofdstuk beschrijft de houding van China tegenover de Europese handelaren en de ontwikkeling van de binnen- en buitenlandse verhoudingen in de negentiende eeuw onder druk van de internationale handel.

Het belang van dit onderwerp

De confrontatie met een vreemde mogendheid vormt een uitdaging zowel voor de heersers als de bevolking van een land. Stellen zij zich voor deze invloed open of juist niet? Dat hangt van tal van factoren af:

  • Nationalistische gevoelens
  • Een streven om de eigen tradities te behouden
  • Er moet een manier worden gevonden om de nieuwe situatie het hoofd te bieden

2.1 China onder de Mantsjoes

manchu imperium

 De keizers van de Qing-dynastie, die in de achttiende eeuw over het Chinese rijk heersten, behoorden tot de Mantsjoes, een ruitervolk uit de streek ten noordoosten van China. Ze hadden het land in 1644 veroverd en noemden hun dynastie 'Qing' (spreek uit tsjing), 'de zuivere'.

Hoewel de bevolking zich tegen hen verzette, met name in het zuiden van China, groeide er tocht ontzag voor de Mantsjoes omdat ze de Chinese tradities overnamen en het rijksgebied door hun veroveringen enorm uitbreidden. Zolang er vrede heerste aanvaarde een meerderheid van de bevolking de Mantsjoes. Om het uitgestrekte gebied te besturen maakten de Mantsjoes gebruik van de Chinese Mandarijnen.

De Chinese bevolking leefde verder volgens het oude patroon. Met één belangrijk verschil: alle mannen moesten hun voorhoofd kaal scheren en de rest van hun haar in een staart op de rug dragen (de traditionele haardracht van de Mantsjoes). Europeanen zagen dit als typisch Chinees maar Chinezen zagen dat als een symbool van onderworpenheid.

Tegenover de westerlingen namen de Mantsjoes een afwachtende houding aan. De missionarissen die China bezochten veroorzaakten onrust onder de bevolking en de zeelieden en handelaren gedroegen zich niet zelden als piraten. Er werd veel gesmokkeld waardoor de Chinese overheid veel invoerbelasting misliep.

In de loop van de achttiende eeuw werd het handelsverkeer aan steeds strengere regels onderworpen: na 1757 mochten de Europese handelscompagnieën alleen nog handel drijven in Kanton (het huidige Guangzhou) in zogenaamde factorijen, handelsposten met kantoren en pakhuizen. Deze waren eigendom van de handelaren maar de grond was eigendom van de Chinezen.

De handelaren waren onderworpen aan de Chinese rechtspraak.

  • Ze mochten slechts een deel van het jaar in de handelspost verblijven;
  • Tijdens hun verblijf mochten ze de handelspost niet verlaten om een uitstapje te maken in China;
  • Er mochten zich geen vrouwen ophouden;
  • Europeanen mochten alleen handel drijven met twaalf door de overheid aangewezen handelaren.

De Europese handelaren hadden echter nog een ander probleem: de Chinezen hadden nauwelijks belangstelling voor Europese producten. Omdat ruilhandel daardoor niet mogelijk was moesten ze betalen met zilver.

In 1773 vonden de Britten een oplossing voor dit probleem. Ze brachten vanuit India kisten opium naar China, smokkelden deze het land in en ruilden het illegaal voor thee, zijde en porselein. De Chinese autoriteiten zagen in de illegale handel een rechtvaardiging om de bewegingsvrijheid van de buitenlanders zoveel mogelijk te beperken.

De Britten wilden handel drijven met China en stuurden handelsmissies naar China. Tevens wilde men diplomatieke betrekkingen aanknopen op voet van gelijkwaardigheid. China wees dit echter af.

2.2 De Opiumoorlogen

De opiumsmokkel ging vanaf het begin van de negentiende eeuw een steeds grotere rol spelen in de handel met China. Rond 1800 waren het 4000 kisten per jaar. Eind jaren dertig ging het al om 40.000 kisten per jaar.

De illegale handel vormde:

  • Een bedreiging voor de Chinese volksgezondheid;
  • De Chinese overheid liep steeds grotere sommen invoerbelasting mis.

Toen de Chinese overheid ingreep ontstond de Eerste Opiumoorlog die door de Britten gemakkelijk werd gewonnen. In 1842 werden bij het verdrag van Nanjing alle Britse eisen ingewilligd:

  • Vijf verdragshavens werden opgesteld waar de Britten vrij handel mochten drijven;
  • De Britse bewoners van de verdraghavens waren onderworpen aan de Engelse rechtspraak;
  • De Britten kregen een permanente handelspost in Hongkong, dat voor 150 jaar verpacht werd;
  • De Chinezen erkende de diplomatieke gelijkwaardigheid van Engeland.

Het succes van de Engelsen leidde ertoe dat ook andere Europese landen verdragen met China te sluiten.

Engeland eiste een uitbreiding van het aantal verdragshavens maar China weigerde. Zo ontstond de Tweede Opiumoorlog (1858-1860) en opnieuw werd China verslagen en moest China alle eisen inwilligen. Kort daarop werden in Beijing westerse legaties (ambassades) geopend.

2.3 De verdragshavens

De Europese landen profiteerden van de nieuwe verdragen en vestigden handelskantoren en banken. De extraterritorialiteit zette kwaad bloed bij de Chinezen. Deze vonden het onrechtvaardig dat de vreemdelingen na het plegen van een misdrijf niet werden gestraft volgens de strengere Chinese wetten.

  • Het wakkerde hun haat aan tegen de vreemdelingen;
  • Het voedde de minachting voor de eigen regering.

Mede onder invloed hiervan braken eind negentiende eeuw op tal van plaatsen grote opstanden uit. De grootste, de Taiping-opstand (1851-1868) bracht dit duidelijk aan het licht. De autoriteiten riepen zelfs de hulp in van westerse militaire instructeurs, om de opstand neer te slaan.

2.4 Zelfversterking

Omdat China niet tegen de westerse militaire superioriteit was opgewassen gingen er stemmen op om China naar westers voorbeeld te moderniseren.

Om tweedeling te voorkomen tussen conservatieve en hervormingsgezinde mandarijnen drong de keizerin-moeder Cixi er op aan de moderniseringen voorzichtig door te voeren. Zo groeide er een Beweging voor Zelfversterking:

  • Er werden vertaalscholen opgericht;
  • Er werden gezanten naar het westen gezonden om te kijken hoe daar het onderwijs en de maatschappij georganiseerd waren;
  • Er werd een voorzichtig begin gemaakt met de modernisering van het leger en een eigen wapenindustrie.

Zo ontstonden de eerste Chinese mijnen en fabrieken die eigendom waren van de overheid en gecontroleerd door de mandarijnen. Het onderwijs werd onvoldoende vernieuwd om moderniseringen te kunnen doorvoeren. Het land bleef daardoor afhankelijk van buitenlandse adviseurs.

2.5 Modernisering in en rond de verdragshavens

Hier werden de veranderingen sneller doorgevoerd. Er werden moderne communicatiemiddelen geïntroduceerd en de eerste spoorlijnen werden aangelegd. Maar de bevolking saboteerde de aanleg ervan omdat ze de Fengshei (de natuurkrachten in het landschap) zouden verstoren.

Toch breidden de buitenlandse nederzettingen zich verder uit door de toenemende handel. Sjanghai groeide uit tot een handelscentrum van internationaal belang. Ook Kanton werd een belangrijke haven.

2.6 De Japans-Chinese Oorlog (1894-1895)

China was het toch geluk de kern van een moderne oorlogsvloot op te bouwen. Deze kreeg haar vuurdoop toen Japan in 1894 Korea binnenviel. Japan had een tekort aan grondstoffen en zocht naar gebieden waar de eigen industrie zich verder zou kunnen ontwikkelen. Korea was sinds de oudheid de belangrijkste tribuutstaat van China. De Chinese vloot werd echter genadeloos verslagen. In het verdrag van Shimonoseki moest China door de knieën:

  • China moest een hoge oorlogsschatting betalen;
  • Toestaan dat Korea voortaan onder Japanse invloed zou staan;
  • Goedvinden dat de Japanse industrie zich in China vestigde;
  • Taiwan aan Japan overdragen.

Na de Chinese nederlaag tegen Japan eisten alle imperialistische mogendheden 'invloedsgebieden' op. Er gold nu geen verbod meer om industrieën op te richten. Het succes van deze ondernemingen begon eind negentiende eeuw een negatieve invloed te krijgen op de werkgelegenheid van de Chinezen. Dat werd nog verergerd door de snelle bevolkingsgroei waardoor de levensstandaard voortdurend verslechterde.

2.7 De Bokseropstand

Onder druk van een aantal hervormingsgezinde mandarijnen vaardigde keizer Gungxu in 1898 een reeks edicten uit die tot doel hadden de regering, het onderwijs en het leger te moderniseren. Hij deed dat zonder medeweten van de conservatieve en machtige keizerin-moeder Cixi. Na honderd dagen greep de keizerin-moeder in. De keizer verdween en de hervormingen werden herroepen.

Onder de bevolking braken opstanden uit, aanvankelijk gericht tegen de Mantsjoes, maar deze richtten zich steeds meer tegen de buitenlandse aanwezigheid. De opstandelingen, Boksers genoemd in de buitenlandse pers door de beoefening van kungfutechnieken, voerden aanvallen uit op treinen, telegraaflijnen, stations, kerken en andere westerse doelen. De opstand sloeg over naar Beijing en andere steden. Buitenlanders vreesden voor hun leven. Uiteindelijk werd de orde in Beijing hersteld door een geallieerd leger van acht buitenlandse mogendheden en de keizerin-moeder ontvluchtte Beijing.

invloedsferen

China was nu overgeleverd aan de geallieerde strijdmacht. De VS voorkwamen dat het rijk geheel in kolonies werd opgedeeld, zoals met Afrika was gebeurd. Hoewel de keizerin-moeder in 1902 terugkeerde konden de moderniseringen niet meer tegengehouden worden.

der krieg in china

Zie verder hoofdstuk 3 Samenvatting Thema Feniks Hfst 3 Havo Made in China